Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:8734

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-12-2015
Datum publicatie
09-12-2015
Zaaknummer
AWB 15-4464
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Participatiewet. Kostendelersnorm. EU-onderdaan als partner.

Eiser woont samen met zijn echtgenote en hun drie kinderen. De echtgenote heeft de Tsjechische nationaliteit en verblijft als onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie rechtmatig in Nederland op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser ontvangt een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande ouder.

Uit het voorgaande volgt dat de echtgenote op grond van artikel 11, tweede lid, van de Pw wordt gelijkgesteld met een Nederlander – zoals ter zitting ook door verweerder is erkend – en dat zij om die reden dan ook bijstandsgerechtigd is als bedoeld in het eerste lid van artikel 11. Dat zij wellicht geen beroep wenst te doen op publieke middelen vanwege haar verblijfsrechtelijke positie doet daaraan niet af. De situatie van eiser valt dan ook onder artikel 22a, derde lid, onder a, van de Pw, hetgeen betekent dat de kostendelersnorm in zijn geval niet van toepassing is. Verweerder heeft de uitkeringsnorm dan ook ten onrechte verlaagd.

Hetgeen door verweerder ter zitting naar voren is gebracht over een mogelijk recht op bijstand van eiser en zijn echtgenote als gezin en de vraag of eiser terecht als zelfstandig subject van bijstand is aangemerkt valt buiten de omvang van het nu voorliggende geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 15/4464

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 december 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. T. de Heer),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. C. Telting).

Procesverloop

Bij besluit van 15 april 2015 (het primaire besluit I), herzien bij het besluit van 26 mei 2015 (het primaire besluit II) heeft verweerder met ingang van 1 juli 2015 de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a van de Participatiewet toegepast op de uitkering van eiser.

Bij het besluit van 25 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser voor zover dat is gericht tegen het primaire besluit I niet-ontvankelijk verklaard en voor zover het is gericht tegen het primaire besluit II ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2015. De zaak is gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld met de zaak geregistreerd onder procedurenummer AMS 15/3952.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser ontvangt een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande ouder, laatstelijk op grond van de Participatiewet (Pw).

2. Bij de primaire besluiten heeft verweerder de uitkering van eiser met ingang van 1 juli 2015 gewijzigd door toepassing te geven aan de in artikel 22a, eerste lid, van de Pw vermelde kostendelersnorm. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de niet-rechthebbende partner van eiser, [naam partner] ( [naam partner] ) als kostendeler moet worden aangemerkt. Dit betekent dat de bijstandsuitkering van eiser met ingang van 1 juli 2015 op 50 procent van het wettelijk minimumloon (WML) wordt vastgesteld. Dat is volgens de bijlage bij het primaire besluit een bedrag van € 686,31 per maand.

3. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte toepassing heeft gegeven aan de kostendelersnorm. Eiser kan de kosten niet delen met [naam partner] .

4.1.

In artikel 22a, eerste lid, van de Participatiewet is het volgende bepaald:

Indien de belanghebbende met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, is de norm per kalendermaand voor de belanghebbende:


Hierbij staat:

• A voor het totaal aantal meerderjarige personen dat in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft; en

• B voor de rekennorm.

Op grond van het derde lid, onder a, van dit artikel, voor zover hier van belang, is het eerste lid niet van toepassing op de belanghebbende die gehuwd is en alleen met zijn echtgenoot in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, tenzij die echtgenoot geen recht op algemene bijstand heeft.

4.2

Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Participatiewet worden in deze wet als gehuwden mede aangemerkt, de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert.

4.3

Artikel 24 van de Participatiewet bepaalt dat indien één van de gehuwden geen recht heeft op algemene bijstand, voor de rechthebbende echtgenoot de norm gelijk is aan de norm die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.

5.1.

In geschil is de vraag of verweerder in de situatie van eiser op goede gronden de kostendelersnorm heeft toegepast. De rechtbank gaat bij de beoordeling van de zaak uit van de volgende uit het dossier en het verhandelde ter zitting gebleken feiten.

5.2.

Eiser woont samen met zijn echtgenote [naam partner] en hun drie kinderen. [naam partner] heeft de Tsjechische nationaliteit en verblijft sinds 6 juli 2007 in Nederland. Uit de gedingstukken blijkt dat [naam partner] in de basisregistratie onder de verblijfscode 29 is geregistreerd. Dit betekent dat zij als onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie rechtmatig in Nederland verblijft op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000.

5.3.

Uit het voorgaande volgt dat [naam partner] op grond van artikel 11, tweede lid, van de Pw wordt gelijkgesteld met een Nederlander – zoals ter zitting ook door verweerder is erkend – en dat zij om die reden dan ook bijstandsgerechtigd is als bedoeld in het eerste lid van artikel 11. Dat [naam partner] wellicht geen beroep wenst te doen op publieke middelen vanwege haar verblijfsrechtelijke positie doet daaraan niet af. De situatie van eiser valt dan ook onder artikel 22a, derde lid, onder a, van de Pw, hetgeen betekent dat de kostendelersnorm in zijn geval niet van toepassing is. Verweerder heeft de uitkeringsnorm dan ook ten onrechte verlaagd. Het bestreden besluit kan niet in rechte standhouden en zal worden vernietigd. Het beroep zal gegrond worden verklaard en het primaire besluit zal worden herroepen.

5.4.

Hetgeen door verweerder ter zitting naar voren is gebracht over een mogelijk recht op bijstand van eiser en [naam partner] als gezin en de vraag of eiser terecht als zelfstandig subject van bijstand is aangemerkt valt buiten de omvang van het nu voorliggende geding en zal de rechtbank dan ook niet verder bespreken.

5.5.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser die onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden begroot op € 980,- (1 punt voor het beroepschrift + 1 punt voor het verschijnen ter zitting x € 490,- x wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener. Verweerder zal tevens het door eiser gestorte griffierecht aan eiser dienen te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 980,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, voorzitter, en mr. A.D. Belcheva en

mr. A.A. Spoel, leden, in aanwezigheid van mr. S. Leijen-Westra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 december 2015.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.