Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:8601

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-11-2015
Datum publicatie
02-12-2015
Zaaknummer
KG ZA 15-1330
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 8 en 10 EVRM. Onrechtmatige publicatie. Door gedaagden op een website over eiser geplaatste uitingen in verband met zijn werkzaamheden als curator in het faillissement van een derde zijn onrechtmatig en dienen te worden verwijderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2016-0008
AR 2015/2407
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummers / rolnummers: C/13/596371 / KG ZA 15-1330 en C/13/596794 / KG ZA 15-1357 SP/MRSB

Vonnis in kort geding van 26 november 2015

in de zaak (zaak 1) van

[eiser] ,

wonende te [plaats] ,

eiser bij dagvaarding van 4 november 2015,

advocaat mr. J.A. Schaap te Amsterdam,

tegen

[naam 1] ,
tevens handelend onder de naam [bedrijf 1],

wonende te [plaats] ,

verschenen in persoon,

en in de zaak (zaak 2) van

[eiser] ,

wonende te [plaats] ,

eiser bij dagvaarding op verkorte termijn van 10 november 2015,

advocaat mr. J.A. Schaap te Amsterdam

tegen
1. [bedrijf 2],
tevens handelend onder de naam [bedrijf 3],

gevestigd te [plaats] ,

vertegenwoordigd door haar statutair bestuurder [gedaagde 2] ,
2. [gedaagde 2],

wonende te [plaats] ,

verschenen in persoon,

gedaagden.

Partijen zullen hierna [eiser] , [naam 1] , [bedrijf 2] en [gedaagde 2] worden genoemd.

1 De procedure

Ter terechtzitting van 12 november 2015 heeft [eiser] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaardingen en (in zaak 1) akte tot vermeerdering van eis. [naam 1] , [bedrijf 2] en [gedaagde 2] hebben verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

Ter zitting waren aanwezig, voor zover hier van belang:

- [eiser] met mr. Schaap,

- [naam 1] , mede als gevolmachtigde van [gedaagde 2] ;

- [gedaagde 2] , mede namens De [bedrijf 2]

2 De feiten in beide zaken

2.1.

[eiser] is advocaat en treedt sinds 1996 ook regelmatig op als curator in faillissementen.

2.2.

[naam 1] is de auteur van artikelen die zijn verschenen op de website [site] (hierna: de website). [gedaagde 2] staat als houder van de betreffende domeinnaam geregistreerd bij de Stichting Internet Domeinregistratie Nederland (SIDN). ‘ [naam boek] ’ is de titel van een non fictie boek (hierna: het boek), dat volgens een bericht op de website “na drie jaar research en tal van undercover-acties” in december 2015 zal verschijnen en dat handelt over de opkomst, ondergang, wederopstanding en rehabilitatie van vastgoed-tycoon [naam 2] ’ (hierna: [naam 2] ). Op de website staan (thans) [naam 1] en [gedaagde 2] ieder als ‘mede-auteur’ van het boek genoemd. Op de website staat (thans) verder dat [bedrijf 2] in samenwerking met Bureau Heusing LLP (hierna: Heusing) verantwoordelijk uitgever van het boek en de website is en dat de uitgeverij van [naam 1] , [bedrijf 1] , ‘in joint venture zorg draagt voor de redactionele coördinatie’.

[gedaagde 2] is gevolmachtigd directeur (met volledige volmacht) van [bedrijf 2]
Heusing is een in Cardiff, Verenigd Koninkrijk, gevestigde vennootschap, met (volgens een uittreksel uit het handelsregister) ‘opsporing’ als activiteit en [gedaagde 2] als zelfstandig bevoegde functionaris naar buitenlands recht en [naam 1] als niet bevoegde functionaris naar buitenlands recht.

2.3.

Bij vonnis van [datum] van de rechtbank Midden-Nederland is [naam 2] in staat van faillissement verklaard, met benoeming van [eiser] tot curator en mr. C.P. Lunter tot rechter-commissaris (hierna: de rechter-commissaris). [naam 2] stond aan het hoofd van een groot aantal vastgoedvennootschappen, waarvan er zeventien inmiddels zijn gefailleerd, telkens met benoeming van [eiser] en mr. J. Westerhof tot curator.

2.4.

[naam 2] is op 22 april 2015 na een daartoe op voordracht van de rechter-commissaris gegeven bevel op de voet van artikel 87 in samenhang met artikel 105 van de Faillissementswet (Fw) in bewaring gesteld. Nadat [naam 2] zijn volledige medewerking had toegezegd, is die inbewaringstelling opgeheven onder de voorwaarde (onder meer) dat [naam 2] zich hier te lande beschikbaar zou houden voor de curator (lees: [eiser] ). [naam 2] heeft daarmee ingestemd en [eiser] heeft (als curator) daarop zijn paspoort ingenomen. Kort daarop is [naam 2] , zonder [eiser] daarvan in kennis te stellen en met gebruikmaking van zijn Europese identiteitskaart, naar Ibiza afgereisd, waar hij nog steeds verblijft. Bij beschikking van 17 juni 2015 heeft de rechtbank Midden-Nederland (wederom) bevolen dat [naam 2] in verzekerde bewaring zal worden gesteld. Tegen deze beschikking heeft [naam 2] hoger beroep ingesteld.

2.5.

De rechter-commissaris heeft bij brief van 6 juli 2015 het verzoek van [naam 2] tot intrekking van de inbewaringstelling niet ontvankelijk verklaard en het verzoek van [naam 2] om op Ibiza te mogen blijven afgewezen. Het tegen deze beslissing door [naam 2] ingestelde beroep heeft de rechtbank Midden-Nederland bij beschikking van 22 juli 2015 verworpen. In deze beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

(…)
De rechtbank stelt vast dat [naam 2] (mede) woonplaats in Nederland houdt. De rechtbank stelt verder vast dat de curator bij voortduring tegen juridische en feitelijke vragen aanloopt, die zich slechts met behulp van door [naam 2] aan te leveren informatie laten beantwoorden. De rechtbank constateert dat [naam 2] deze informatie, hoewel hij daartoe verplicht is en de curator hem daar meermalen en met klem toe heeft uitgenodigd, tot dusver niet (volledig of naar behoren) heeft verstrekt.
(…)
De rechtbank stelt voorop dat de bovenbedoelde openstaande vragen op zichzelf voldoende aanleiding zijn om aan het in artikel 91 Fw bedoelde verbod vast te houden. Gelet op de door de curator aangedragen actuele stand van zaken zijn deze termen ook thans nog aanwezig. Daar komt in dit geval bij dat [naam 2] vrijwel direct na zijn aankomst in Spanje een aantal grote financiële transacties heeft verricht, zonder de curator daarover te informeren.
(…) ook uitgaande van de volledige juistheid van de door [naam 2] aangedragen doktersverklaringen volgt daar niet uit dat [naam 2] niet in staat zou zijn om de gevraagde inlichtingen te verschaffen en evenmin dat zijn psychische nood alleen op Ibiza zou kunnen worden behandeld. De rechtbank merkt daarbij op dat [naam 2] (…) medisch gezien tot het maken van vliegreizen in staat moet worden geacht.
Het vorenstaande klemt temeer nu de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 105 Fw een van de kernverplichtingen in de Faillissementswet is. (…) Gezien (…) voorts de wijze waarop [naam 2] tot op heden met zijn uit het faillissement voortvloeiende verplichtingen is omgegaan, bestaat er geen aanleiding om hem bij wijze van time out of in afwachting van nader medisch onderzoek van die verplichtingen te ontheffen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat [naam 2] , die persoonlijk contact met de curator kennelijk moeilijk verdraagt, tot dusver ook geen enkele poging heeft ondernomen om de curator door tussenkomst van derden van de nodige informatie te voorzien. (…)

2.6.

Bij incidentele beschikking van 1 september 2015 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (in het onder 2.4 vermelde hoger beroep) het verzoek van [naam 2] tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking van 17 juni 2015 afgewezen. In deze beschikking heeft het gerechtshof, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

Gelet op de (…) te maken belangenafweging neemt het hof tot uitgangspunt (…) dat [ [naam 2] ] zich onttrekt aan zijn verplichting om voor de curator te verschijnen en hem alle inlichtingen te verschaffen zo dikwijls als hij daartoe wordt opgeroepen. (…) Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de curator een gerechtvaardigd belang heeft bij de bij voorraad uitvoerbare inbewaringstelling.

2.7.

Bij beschikking van 25 september 2015 heeft de rechtbank Midden-Nederland het verzoek van [naam 2] tot ontslag op grond van artikel 73 Fw van [eiser] als curator afgewezen. In deze beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:


De enkele omstandigheid dat de gefailleerde geen vertrouwen heeft in de curator, is (…) geen reden voor ontslag. (…) Dat de curator tekort geschoten is in zijn taak, is gesteld noch gebleken. Evenmin is naar het oordeel van de rechtbank sprake van enig misbruik door de curator van zijn positie noch dat hij die positie heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze is bedoeld.
(…)
Daarbij komt nog het volgende.
Geoordeeld moet worden dat tot dusver de informatievoorziening door de gefailleerde aan de curator mager, onjuist en onvolledig is geweest. (…) Hierdoor loopt de curator in het kader van de afwikkeling van het faillissement bij voortduring tegen juridische en feitelijke vragen aan en wordt een goede afwikkeling van de boedel belemmerd.
Bovendien is gefailleerde in strijd met de uitdrukkelijk aan hem opgelegde verplichting het land niet te verlaten en zonder toestemming van de rechter-commissaris naar Ibiza vertrokken en weigert hij terug te keren om behoorlijk aan zijn inlichtingenverplichting te voldoen. (…)
De rechtbank is daarom van oordeel dat het gefailleerde zelf is geweest die de vertrouwensrelatie tussen hem en de curator heeft beschadigd. Ook daarom kan de door hem gestelde vertrouwensbreuk niet tot het ontslag van de curator leiden.

2.8.

Over het boek staat op de website onder meer het volgende vermeld:

‘ [naam boek] ’ legt genadeloos misstanden bloot in de Nederlandse vastgoedwereld en komt ongegeneerd met namen en rug nummers. (…) Het mega-schandaalboek verschijnt in de serie ‘Tuig in Toga’ over misstanden in de rechterlijke macht, justitie, de belastingdienst, de advocatuur, de deurwaarderij en het notariaat.

(…)

Een val van een gekende vastgoed-tycoon welke aantoonbaar is geregisseerd en georkestreerd door een kongsi van psychopathische medespelers die concurrenten bleken in criminele samenwerking met de fiscus, FIOD, het OM, curatoren en justitie. (…) ‘ [naam boek] ’ schetst een onthutsend en verbijsterend beeld van de corruptie binnen justitie (…) en de wereld van lijkenpikkende curatoren die - met vriendelijke toestemming van Rechter Commissarissen - ten faveure van de eigen kantoorrekening tal van schuldeisers het nakijken geven.

2.9.

In relatie tot [eiser] staan op de website onder meer de volgende uitingen:

Horror-curator en premiejager [eiser] ( [kantoor] ) (…)
Over de afspraken met financier [naam 3] : ‘Beste [naam 3] , ik laat mijn claim vallen en laat je met rust maar dan wel even een aardig bedragje storten op mijn derdenrekening van mijn kantoor zodat ik zonder dat ook maar enig schuldeiser ook maar een eurocent ontvangt de kantoorkas weer lekker op kan krikken. Nee joh, ook de enige schuldeiser, de fiscus, gaat straks niks beuren. Ik en mijn kantoor worden er een tonnetje of twee beter van en daarna sluit ik het faillissement bij gebrek aan baten en vanwege ‘de toestand van de boedel’. Wie doet me wat. Dat ik ondertussen die naar Ibiza gevluchte [naam 2] heb gesloopt is iedereen snel vergeten.’ Zo ongeveer moet het gesprek zijn gegaan maar wat wel vaststaat is het voorstel tot de malicieuze deal zoals [eiser] deze te berde heeft gebracht. (…)

een wel zeer verwerpelijke en ronduit corrupte deal (…)
poging tot diefstal van de boedel (…)

exponent van foute insolventieboef (…)

rovende curator (…)

malicieuze praktijken (…)
een “gekocht” vonnis, uitgesproken door een vriendje van hem (…)

een ronduit corrupt vonnis (…)

deze malicieuze actie (…)

een ongekende maar gefundeerde beschuldiging van fraude richting [eiser] (…)

is er sprake van grootscheepse fraude (…)

kennelijk is de rol van [eiser] in het faillissement van [naam 5] nog onfrisser dan die in het bankroet van De [naam 2] bedrijven. Wat heet: heel veel geld is zoek en niemand weet waar de geïncasseerde debiteurengelden gebleven zijn (…)

de ogenschijnlijke malafide curator (…)

[eiser] : Met voorsprong het opperhoofd aller bloedhonden-curatoren. Liegt tegen zijn client [naam 2] alsof het gedrukt staat, schendt de privacy van de gefailleerde op de meeste weerzinwekkende wijze en malverseert er lustig op los waarbij zowel de faillissementskamer als de rechter-commissarissen volstrekt op het verkeerde been wordt gezet. Heeft nu al een paar ton binnen geharkt terwijl er voor de crediteuren geen enkel zicht meer is op welke uitkering dan ook. Gijzelt zijn client op valse gronden en richt schade toe aan de boedel, een curator zeer onwaardig.”

2.10.

Op de website staat onder de kop ‘Disclaimer’ onder meer het volgende opgenomen:

Niet alle op deze website voorkomende statements zijn in het kader van hoor en wederhoor met betrokken partijen afgestemd. Het is om die reden dat het in voorkomende gevallen kan gaan om aannames of veronderstellingen.

(…)
Deze website is tot dusver slechts openbaar voor intimi en betrokkenen en niet bedoeld voor het publieke domein. Daartoe zijn metatags en keywords uit de HTML-codes van deze site weggelaten zodat zoekmachinerobots en crawlers niet in staat zullen zijn - althans daar niet toe worden gestimuleerd of uitgenodigd – om deze site te indexeren, te rubriceren of te catalogiseren. (…)

2.11.

Op de website van Heusing staat vermeld, voor zover hier van belang, dat Heusing:

is ingehuurd door vastgoed-tycoon voor onderzoek naar geregisseerde, georkestreerde en gecoördineerde aanval van het OM, de belastingdienst en een congsi van concurrerende stenenschuivers

2.12.

[naam 1] heeft bij brief van 12 oktober 2015 [eiser] ‘in lijn met de journalistieke gehoudenheid’ ‘in het kader van hoor en wederhoor’ verzocht zijn commentaar te geven op in de brief door hem verwoorde ‘Statement, constateringen, conclusies en bevindingen’. Deze brief is door [naam 1] ook ter becommentariëring aan de kantoorgenoten van [eiser] gestuurd.

2.13.

Bij brief aan [naam 1] van 13 oktober 2015 heeft [eiser] onder meer als volgt gereageerd:

U uit nogal forse beschuldigingen zonder dat u deugdelijk onderzoek heeft gedaan of dat u deze voldoende kunt staven met het op dat moment voor u beschikbare feitenmateriaal. U verzint feiten, die u vervolgens publiceert, voorzien van kwalificaties als ‘de meest schandalige deal’ en dergelijke. (…) Ik heb (…) niet de illusie dat uw verzoek serieus valt te nemen. Uit uw vraagstelling blijkt dat u bevooroordeeld bent. (…) Kennelijk is uw werkwijze erop gericht met ongefundeerde beschuldigingen reacties uit te lokken om aandacht te vragen voor een nog niet gepubliceerd boek en op die wijze een markt te creëren. U schrikt er niet voor terug daarbij flagrante leugens te publiceren. (…) Ik geef u met klem in overweging op te houden met die onzin. (…) Tot slot verzoek ik u met klem mijn kantoorgenoten niet opnieuw lastig te vallen met uw epistels.
2.14. In daarop met [eiser] gevolgde correspondentie heeft [naam 1] in relatie tot [eiser] onder meer de volgende beschuldigingen geuit:

een actie die riekt naar intimidatie, chantage, vexatoir en malicieus handelen (…)

traineren van het faillissement, volstrekt onnodige en onwelkome chicanes (…)

ernstige schending van de privacy en zeer onheuse, laakbare en onprofessionele bejegening, smaad, laster en onnodige grieven van de failliet, onheus criminaliseren (…)

misleiden van de rechtbank (…)

2.15.

De onder 2.12 tot en met 2.14 bedoelde correspondentie met [eiser] is door [naam 1] en/of [gedaagde 2] op de website geplaatst.

2.16.

Bij e-mail van 21 oktober 2015 heeft [naam 1] onder meer aan [eiser] bericht:

Naast het auteurschap van [naam boek] , het boek, en de promosite [site] ben ik sinds vorige week ‘in opdracht van’ doende met het pre-journalistieke traject voor een zaterdagartikel in een grote landelijke krant. Welke rol u als curator hierin gaat spelen is nog niet duidelijk. Wel dat ik zelf als auteur van het boek [naam boek] geïnterviewd zal worden en hier zelfs de nodige quotes dien aan te reiken.

2.17.

In een e-mail van 22 oktober 2015 heeft [naam 5] aan [naam 1] het volgende bericht gestuurd.

Met aandacht heb ik kennis genomen van uw acties inzake [eiser] . Graag spraak ik u onder vier ogen over mijn bevindingen inzake een faillissement welke onder zijn beheer valt.

Betreft valse aangiftes tegen mij als bestuurder waarin ik niet zou meewerken aan afwikkeling en gelden uit boedel zou hebben onttrokken.

Tegendeel is waar dit misbaksel heeft 1,8 mln debiteuren afgeboekt welke courant waren en deels juridisch geïncasseerd werden door [naam 6] en [naam 7] .

Vraag is wat er daadwerkelijk met deze gelden us gebeurt. Mijn onderneming is per verstek failliet verklaard door niet ter zitting verschijnen van mijn advocaat. Maakte zo’n 80 k winst per maand.

(…)

Verneem graag van u om samen op te trekken!

2.18.

Bij brief van 28 oktober 2015 heeft [naam 3] aan [eiser] het volgende bericht

U verwees mij naar een publicatie d.d. 7 oktober 2015 van de heer [naam 1] op het internet met als titel ‘Curator [eiser] doet [naam 3] het meest onoorbare voorstel ooit gedaan in een faillissementskwestie’.

Hiermee bevestig ik dat ik niet met de heer [naam 1] gesproken heb en derhalve het in de publicatie omschreven voorstel niet heb bevestigd. Tevens bevestig ik dat een dergelijk omschreven voorstel ook niet aan mij door de curatoren is gedaan.

3 Het geschil

In zaak 1

3.1.

[eiser] vordert samengevat - na vermeerdering van eis op straffe van dwangsommen:
a) [naam 1] te bevelen alle uitingen, zoals hiervoor genoemd onder 2.9 en 2.14, van de website en uit het boek te verwijderen en om iedere verdere openbaarmaking en verveelvoudiging van deze uitingen en uitingen van gelijke strekking te staken en gestaakt te houden;

b) [naam 1] te verbieden enige vorm van medewerking te verlenen aan een publicatie van derden met daarin de onder a) bedoelde uitingen;

c) [naam 1] te bevelen ervoor te zorgen dat, voor zover de publicaties met de onder 2.9 en 2.14 bedoelde uitingen en/of de uitingen zelf zijn opgenomen in het internetarchief van de website, deze nu en in de toekomst op geen enkele wijze zichtbaar zullen zijn voor het publiek;

d) [naam 1] te bevelen een rectificatie op de website te plaatsen, met de in de dagvaarding weergegeven tekst, en hem te verbieden deze tekst van negatief commentaar te voorzien;

een en ander met veroordeling van [naam 1] in de proceskosten, inclusief de nakosten.

3.2.

[naam 1] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

In zaak 2

3.4.

[eiser] vordert samengevat - op straffe van dwangsommen:
a) [bedrijf 2] en [gedaagde 2] te bevelen alle uitingen, zoals hiervoor genoemd onder 2.9 en 2.14, van de website en uit het boek te verwijderen en om iedere verdere openbaarmaking en verveelvoudiging van deze uitingen en uitingen van gelijke strekking te staken en gestaakt te houden;

b) [bedrijf 2] en [gedaagde 2] te verbieden enige vorm van medewerking te verlenen aan een publicatie van derden met daarin de onder a) bedoelde uitingen;

c) [bedrijf 2] en [gedaagde 2] te bevelen ervoor te zorgen dat, voor zover de publicaties met de onder 2.9 en 2.14 bedoelde uitingen en/of de uitingen zelf zijn opgenomen in het internetarchief van de website, deze nu en in de toekomst op geen enkele wijze zichtbaar zullen zijn voor het publiek;

d) [bedrijf 2] en [gedaagde 2] te bevelen een rectificatie op de website te plaatsen, met de in de dagvaarding weergegeven tekst, en hen te verbieden deze tekst van negatief commentaar te voorzien;

een en ander met veroordeling van [bedrijf 2] en [gedaagde 2] in de proceskosten, inclusief de nakosten.

3.5.

[bedrijf 2] en [gedaagde 2] voeren verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in beide zaken

bevoegdheid

4.1.

Vóór alle weren heeft [naam 1] aangevoerd dat de voorzieningenrechter van deze rechtbank niet bevoegd is van dit geschil kennis te nemen. Volgens hem interpreteert [eiser] artikel 102 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) onjuist en is de rechtbank Breda bevoegd. De voorzieningenrechter overweegt hierover dat ingevolge artikel 102 Rv in zaken betreffende verbintenissen uit onrechtmatige daad mede bevoegd is de rechter van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan. In dit geval geldt dat de gewraakte website in geheel Nederland, en dus ook in het arrondissement Amsterdam, te raadplegen is. De voorzieningenrechter acht zich dan ook bevoegd om van het jegens [naam 1] aanhangig gemaakte geschil kennis te nemen, evenals (voor zover [naam 1] dit verweer mede namens [bedrijf 2] en [gedaagde 2] heeft gevoerd) van het jegens [bedrijf 2] en [gedaagde 2] aanhangig gemaakte geschil.

kader

4.2.

Indien de vorderingen van [eiser] zouden worden toegewezen, zou dit een beperking inhouden van het in artikel 10 lid 1 EVRM neergelegde grondrecht van [naam 1] , [bedrijf 2] en [gedaagde 2] op vrijheid van meningsuiting. Dit recht kan slechts worden beperkt, indien dit bij wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (zie artikel 10 lid 2 EVRM). Van een beperking die bij de wet is voorzien is sprake, indien de gewraakte uitlatingen onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voor het antwoord op de vraag welk recht - het recht op vrije meningsuiting of het recht ter bescherming van eer of goede naam - in dit geval zwaarder weegt, moeten de wederzijdse belangen worden afgewogen. Het belang van [naam 1] , [bedrijf 2] en [gedaagde 2] is er met name in gelegen dat zij zich als journalist/uitgever in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend moeten kunnen uitlaten over misstanden die de samenleving raken. Het belang van [eiser] is er met name in gelegen dat hij niet lichtvaardig wordt blootgesteld aan verdachtmakingen en dat zijn privacy en professionele reputatie niet onnodig wordt geschonden. Bij deze belangenafweging dienen alle omstandigheden van het geval in ogenschouw te worden genomen. Omstandigheden die in dit geval met name van belang zijn, zijn de inkleding en de ernst van de verdenkingen en de mate waarin de verdenkingen ten tijde van de publicaties steun vonden in het op dat moment beschikbare feitenmateriaal.

4.3.

Tot uitgangspunt strekt (onbetwist) dat [naam 1] auteur is van alle teksten die op de website staan, waaronder de hiervoor onder 2.9. en 2.14. genoemde uitlatingen, en dat [gedaagde 2] daaraan geen enkele bijdrage heeft geleverd. Wel is [gedaagde 2] als domeinnaamhouder degene die de bevoegdheid heeft te bepalen wat er op de website wordt geplaatst. Dat [gedaagde 2] zich daarbij in de praktijk in verregaande mate laat leiden door [naam 1] , doet er niet aan af dat hij als domeinnaamhouder verantwoordelijk is en aangesproken kan worden voor hetgeen op de website wordt geplaatst. De teksten op de website zijn voor het publiek toegankelijk. [naam 1] heeft ter zitting onder verwijzing naar de op de website geplaatste disclaimer (zie 2.10.) aangevoerd dat de website niet bedoeld is als publieke site en dat hij er door middel van een technische ingreep voor heeft gezorgd dat de website voor zoekmachines niet, dan wel lastig vindbaar is. Dit verweer kan hem niet baten. Dat [naam 1] en/of [gedaagde 2] hebben beoogd de website buiten het bereik van de zoekmachines op het internet te houden, maakt nog niet dat de website niet voor het publiek toegankelijk is. Overigens heeft de voorzieningenrechter kunnen vaststellen dat de website (inmiddels) door middel van een eenvoudige zoekopdracht met de naam van [eiser] op Google wordt gevonden en met een link naar de website wordt weergeven op de eerste pagina van de zoekresultaten. [gedaagde 2] staat voorts op de website, naast [naam 1] , vermeld als mede-auteur van het uit te brengen boek “ [naam boek] ”. [naam 1] heeft ter zitting verklaard dat van het boek nog geen letter op papier staat, en dat hij nog niet zeker weet of hij het boek ooit zal schrijven en uitgeven. Nu evenwel op de website staat vermeld dat het boek in december 2015 zal verschijnen, wordt het er voorshands voor gehouden dat [naam 1] en [gedaagde 2] in elk geval de intentie hebben om het boek op enig moment (te schrijven en) uit te geven, zeker waar zij stellen zich al geruime tijd met het vooronderzoek daarnaar bezig te houden. Wat betreft de inhoud van het boek staat op de website dat het boek zal verschijnen in de serie uitgaven 'Tuig in Toga' en zal handelen “over misstanden binnen de rechterlijke macht, justitie, de belastingdienst, de advocatuur, de deurwaarderij en het notariaat” en dat ‘ongegeneerd’ met namen en rugnummers zal worden gekomen. De voorzieningenrechter gaat er op grond van deze aankondigingen voorshands vanuit dat er een gerede kans bestaat dat de onder 2.9. en 2.14. genoemde uitingen in min of meer dezelfde bewoordingen in het boek zullen terechtkomen.

Als het boek gereed is, zal het kennelijk worden uitgegeven door [bedrijf 2] en Heusing, in samenwerking met [bedrijf 1] . Het is vaste jurisprudentie dat de uitgever van het boek naast de auteur kan worden aangesproken voor onrechtmatige uitlatingen die door de auteur in het uitgegeven werk over een derde worden gedaan.

Ernst en inkleding van de verdenkingen

4.4.

De op de website geuite verdenkingen en beschuldigingen aan het adres van [eiser] liegen er niet om. [eiser] wordt neergezet als een corrupt persoon die zijn positie als curator in het faillissement van [naam 2] misbruikt om zichzelf althans zijn advocatenkantoor ongerechtvaardigd te verrijken ten koste van de boedel, zonder rekening te houden met de belangen van derden, met name van [naam 2] , waarbij hij niet schuwt te chanteren, te bedreigen en de rechterlijke macht te misleiden, althans met de rechterlijke macht samen te spannen om voor hem welgevallige uitspraken uit te lokken. De beschuldigingen worden gepresenteerd als feiten waaraan gedegen onderzoeksjournalistiek (zie onder 2.2.: “Na drie jaar research en tal van undercover-acties”) ten grondslag ligt. Daarmee wordt de kans vergroot dat de lezer in de veronderstelling wordt gebracht dat de beschuldigingen en verdenkingen aan het adres van [eiser] waar zijn. Aangenomen kan worden dat de op de website aan [eiser] gerichte beledigingen en verdachtmakingen, met name wanneer deze op dezelfde wijze in boekvorm openbaar worden gemaakt, een (ernstige) inbreuk vormen op de privacy van [eiser] en zijn gezin. [eiser] is geen bekend persoon (public figure) en behoeft, daargelaten dat hij in zijn hoedanigheid van curator wel bloot moet kunnen staan aan kritiek, een dergelijke vergaande inbreuk niet te tolereren. Daarnaast kan niet worden uitgesloten dat de bij herhaling geuite zware beschuldigingen van strafbare feiten een negatief effect hebben of zullen hebben op de reputatie van [eiser] als advocaat en curator.

Steun in het beschikbare feitenmateriaal

4.5.

De ernst en inkleding van de beschuldigingen en verdachtmakingen rechtvaardigen dat [naam 1] in hoge mate aannemelijk maakt dat deze steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal. [naam 1] heeft in zijn verweer herhaaldelijk erop gewezen dat de in de dagvaarding ingenomen stellingen over de onrechtmatigheid van de op de website gedane uitlatingen onjuist of niet onderbouwd zijn. Hij miskent echter dat het in eerste instantie niet aan [eiser] is om aan te tonen dat de door [naam 1] geuite beschuldigingen en verdenkingen aan het adres van [eiser] onjuist zijn, maar dat het aan hemzelf als ‘journalist’ is om inzichtelijk te maken op welk (objectief en onafhankelijk) feitenmateriaal hij zijn beschuldigingen en verdenkingen baseert. Hierin is [naam 1] in alle opzichten tekort geschoten. [naam 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij beschikt over zelfs maar een enkele onafhankelijke en betrouwbare bron die de verdenkingen en beschuldigingen aan het adres van [eiser] ondersteunt. In zijn verweer verwijst hij vooral naar de door (de raadsman van) [naam 2] ingediende processtukken in diverse procedures in zijn faillissement en naar de klacht tegen [eiser] die door [naam 2] bij Insolad zou zijn ingediend. [naam 1] gaat daarbij evenwel ten onrechte voorbij aan het feit dat de rechtbank Midden-Nederland en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (zie onder 2.5 tot en met 2.7), mede naar aanleiding van die processtukken, in niet mis te verstane bewoordingen de daarin weergegeven zienswijze van [naam 2] op het handelen van [eiser] hebben verworpen. Voor zover [naam 1] [naam 3] als bron opvoert geldt dat [naam 3] schriftelijk heeft ontkend dat hij met [eiser] contact heeft gehad over het prijsgeven van een vordering van de boedel op [naam 3] tegen betaling van een bedrag aan het advocatenkantoor van [eiser] , zoals [naam 1] het op de website heeft doen voorkomen. [naam 1] heeft verder ter zitting erkend dat hij de conversatie tussen [naam 3] en [eiser] , zoals die op de website wordt gepresenteerd, heeft verzonnen. De enige verifieerbare bronnen die [naam 1] ter onderbouwing van zijn uitlatingen op de website heeft aangevoerd, zijn [naam 5] (zie onder 2.17) en [naam 2] zelf. Ten aanzien van [naam 5] geldt dat [eiser] ook is aangesteld als curator in het faillissement van een vennootschap van [naam 5] en dat [eiser] tegen hem aangifte heeft gedaan naar aanleiding van de vraag wat er met bepaalde gelden is gebeurd. [naam 2] verblijft, zoals blijkt uit de verschillende onder de feiten aangehaalde uitspraken, in strijd met de voorwaarden van zijn invrijheidstelling op Ibiza en onttrekt zich aan zijn verplichting om de voor de afwikkeling van het faillissement nodige inlichtingen aan [eiser] te verstrekken. Dat [naam 5] en [naam 2] in deze kwestie niet onpartijdig zijn, is evident. Hun verklaringen over het handelen van [eiser] kunnen, waar bijkomend bewijsmateriaal ontbreekt, dan ook niet dienen als feitelijke onderbouwing van de aan zijn adres gerichte beschuldigingen en verdachtmakingen. Daarbij komt dat niet valt uit te sluiten dat de uitingen van [naam 1] in belangrijke mate worden gestuurd door het feit dat, zoals ter zitting door [gedaagde 2] en [naam 1] is bevestigd, Heusing opdracht van [naam 2] heeft gekregen tot het onder 2.11 bedoelde onderzoek.

4.6.

[eiser] heeft onbetwist gesteld dat hij zijn werkzaamheden in de afwikkeling van het faillissement van [naam 2] en zijn vennootschappen steeds met goedkeuring van de rechter-commissaris heeft verricht. In de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 25 september 2015 heeft de rechtbank overwogen dat niet gebleken is dat [eiser] van zijn positie misbruik maakt. Ook in deze procedure is de voorzieningenrechter niet gebleken dat [eiser] zijn werkzaamheden als curator op onoorbare wijze uitvoert. [naam 1] ziet in de toetsing van de werkzaamheden van [eiser] door de rechter-commissaris, waartoe [eiser] overigens op grond van de wet gehouden is, en de sanctionering van zijn handelen door de rechtbank kennelijk een aanwijzing dat [eiser] met de rechterlijke macht onder één hoedje speelt teneinde zichzelf te kunnen verrijken althans [naam 2] en de andere schuldeisers van de boedel te benadelen. Zijn standpunt heeft hij echter op geen enkele wijze weten te onderbouwen.

4.7.

De conclusie is dat de beschuldigingen en verdachtmakingen die [naam 1] en [gedaagde 2] via de website over [eiser] openbaar hebben gemaakt geen enkele steun vinden in het ten tijde van de publicaties beschikbare feitenmateriaal. Van enige vorm van serieuze onderzoeksjournalistiek is geen sprake. [naam 1] heeft in samenwerking met [gedaagde 2] over [eiser] op de website een groot aantal (ernstige) beschuldigingen geplaatst, en heeft [eiser] pas nadien - op een uiterste subjectieve en niet reële wijze - om een weerwoord gevraagd. Het ‘weerwoord’ dat aan [eiser] is gevraagd kwam feitelijk neer op een verzoek om informatie aan [eiser] in reactie op ongefundeerde verdachtmakingen. Van enige serieuze vorm van hoor en wederhoor is dan ook geen sprake. Van [eiser] wordt een dusdanig negatief beeld geschetst, dat niet anders kan worden geconcludeerd dat sprake is van (een poging tot) karaktermoord. Mede gelet op de gevolgen die dit (potentieel) voor [eiser] als persoon en in zijn professionele hoedanigheid als advocaat en curator kan hebben, moeten de in de dagvaarding aangevallen uitlatingen, zoals onder 2.9. en 2.14. genoemd, als onrechtmatig jegens [eiser] worden aangemerkt. Onder deze omstandigheden moet het recht van [eiser] op bescherming van zijn eer en goede naam zwaarder wegen dan het recht van gedaagden op bescherming van hun recht op vrije meningsuiting. De vorderingen zijn, als passende, evenredige maatregelen om de (gevolgen van de) onrechtmatige publicaties recht te zetten, toewijsbaar op de navolgende wijze.

In zaak 1

4.8.

Aangezien [naam 1] (formeel) over hetgeen op de website wordt geplaatst geen zeggenschap heeft, zijn de vorderingen voor zover die betrekking hebben op het verwijderen van de uitingen van (het internetarchief van) de website en het plaatsen op de website van een rectificatie niet toewijsbaar, met dien verstande dat onder de door [gedaagde 2] te plaatsen rectificatie (zie hierna onder 4.10) ook de naam van [naam 1] , als auteur van de uitingen, zal worden geplaatst. Nu het er voorshands voor moet worden gehouden dat het boek “ [naam boek] ” nog niet is geschreven, bestaat geen grond voor toewijzing van de vordering de uitingen uit dat boek te verwijderen. [naam 1] zal wel worden veroordeeld om bij de huidige stand van zaken de (verdere) openbaarmaking van de hiervoor onder 2.9. en 2.14 genoemde uitingen, of uitingen van gelijke strekking, te staken en gestaakt te houden en hem zal bij de huidige stand van zaken worden verboden enige vorm van medewerking te verlenen aan de publicatie van de onder 2.9. en 2.14 genoemde uitingen, of uitingen van gelijke strekking, door derden. Daarmee wordt (zover als mogelijk) voorkomen dat [naam 1] de uitlatingen over [eiser] in het boek “ [naam boek] ” openbaar maakt. De veroordeling om zich te onthouden van uitingen in bewoordingen van gelijke strekking is toewijsbaar, in die zin dat het hem bij de huidige stand van zaken wordt verboden de gewraakte beschuldigingen wederom te uiten. Mocht [naam 1] in de toekomst beschikken over voldoende en concreet bewijs ter ondersteuning van de uitingen dan zou het hem vrij kunnen staan, afhankelijk van de aard van dit bewijs, uitingen van gelijke strekking te doen. Met toewijzing van deze vorderingen wordt dan ook niet bewerkstelligd dat [naam 1] monddood wordt gemaakt ten aanzien van zijn standpunt over het handelen van [eiser] . Uitdrukkelijk wordt echter overwogen dat voorshands geen enkele aanleiding bestaat te veronderstellen dat [eiser] op enige wijze in de uitvoering van zijn taak als curator van [naam 2] (of enig ander) is tekort geschoten. Verder is in het kader van de toewijzing van de vordering op dit punt van belang dat [naam 1] door zijn opstelling ter zitting niet het vertrouwen heeft gewekt dat hij bij het afwijzen van dit deel van de vordering zal nalaten op andere wijze te proberen [eiser] in een kwaad daglicht te stellen. Voor zover de toewijzing in verband met de op de nakoming van de op te leggen veroordelingen te stellen dwangsom tot executiegeschillen zal leiden, zal in die procedure(s) moeten blijken of [naam 1] op grond van het dan beschikbare feitenmateriaal in strijd heeft gehandeld met (de strekking) van dit vonnis.

4.9.

[naam 1] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 90,47

- griffierecht 285,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.191,47

In zaak 2

4.10.

De vorderingen strekkende tot verwijdering van de onder 2.9. en 2.14. genoemde uitlatingen van (het internetarchief van) de website en het plaatsen van een rectificatie op de website zijn jegens [gedaagde 2] toewijsbaar nu hij de domeinnaamhouder van de website is en uit dien hoofde verantwoordelijk is voor hetgeen op de website wordt geplaatst. De rectificatie zal worden aangepast in die zin dat deze wordt onderschreven door [gedaagde 2] en [naam 1] , nu [naam 1] de auteur van de uitingen is. De vordering om de uitingen uit het boek “ [naam boek] ” te schrappen zijn jegens [gedaagde 2] en [bedrijf 2] niet toewijsbaar om dezelfde redenen als in zaak 1. Wel zal [gedaagde 2] op dezelfde wijze als [naam 1] worden veroordeeld (verdere) uitingen zoals onder 2.9. en 2.14 genoemd te staken en gestaakt te houden en geen medewerking te verlenen aan de (verdere) openbaarmaking daarvan of van uitingen in gelijke bewoordingen. Weliswaar heeft [gedaagde 2] ontkend dat hij aan de bestreden uitlatingen heeft bijgedragen, maar nu hij als mede-auteur van het uit te brengen boek is genoemd en ook zelf heeft verklaard mede onderzoek ten behoeve van (onder meer) het boek te doen, kan niet worden uitgesloten dat hij zich tot het doen van negatieve uitlatingen over [eiser] in de toekomst, al dan niet onder invloed van [naam 1] , zal laten verleiden indien deze veroordeling niet tegen hem wordt toegewezen. Ook wat betreft [gedaagde 2] heeft te gelden dat voor zover [gedaagde 2] zich in de toekomst in het openbaar negatief over [eiser] zal uitlaten, in een executiegeschil zal moeten worden beoordeeld of hij op grond van het dan beschikbare feitenmateriaal in strijd heeft gehandeld met (de strekking van) de in dit vonnis gegeven veroordelingen en opgelegde verboden.

4.11.

De vorderingen tot het verwijderen en verwijderd houden van de uitingen van (het internetarchief van) de website alsmede het plaatsen op de website van een rectificatie zijn jegens [bedrijf 2] niet toewijsbaar nu zij niet de auteur van de uitingen is en evenmin de domeinnaamhouder van de website is. Niet gebleken is dat [bedrijf 2] op enige manier betrokken is geweest bij de bestreden uitingen over [eiser] , zoals die tot op heden via de website openbaar zijn gemaakt. Het belang van [eiser] om [bedrijf 2] in deze procedure te betrekken is gelegen in de omstandigheid dat [bedrijf 2] op de website als uitgever van het boek “ [naam boek] ” staat vermeld en [bedrijf 2] een vennootschap is van [gedaagde 2] . Het jegens [bedrijf 2] gevorderde verbod om aan de publicatie van derden van de onder 2.9. en 2.14 vermelde uitingen of uitingen van gelijke bewoordingen medewerking te verlenen is daarmee als hierna te melden toewijsbaar.

4.12.

[bedrijf 2] en [gedaagde 2] zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 90,47

- griffierecht 285,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.191,47

In zaak 1 en 2

4.13.

De gevorderde dwangsommen zullen worden beperkt als na te melden. De op de verschillende op te leggen verplichtingen te stellen dwangsommen zijn cumulatief, hetgeen betekent dat gedaagden meerdere dwangsommen tegelijk kunnen verbeuren als de overtreding die zij begaan onder verschillende veroordelingen of verboden kunnen worden gebracht.

4.14.

De gevorderde veroordelingen in de nakosten zijn in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

In zaak 1

5.1.

beveelt [naam 1] zich bij de huidige stand van zaken, zoals bedoeld in rechtsoverweging 4.8, met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis te onthouden van iedere (verdere) openbaarmaking en verveelvoudiging, van de uitingen genoemd onder 2.9. en 2.14. van dit vonnis, zowel gezamenlijk als individueel, alsmede van uitingen met bewoordingen van gelijke strekking, ongeacht de wijze, techniek en medium waarop of waarmee de uiting(en) openbaar word(t)(en) gemaakt,

5.2.

verbiedt [naam 1] bij de huidige stand van zaken, zoals bedoeld in rechtsoverweging 4.8, enige vorm van medewerking te verlenen aan een publicatie van derden met daarin de uitingen genoemd onder 2.9. en 2.14. van dit vonnis, dan wel met daarin uitingen met bewoordingen van gelijke strekking,

5.3.

veroordeelt [naam 1] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 5.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat hij niet aan het in 5.1. opgelegde bevel voldoet of het in 5.2. uitgesproken verbod overtreedt, tot een maximum van € 250.000,- is bereikt,

5.4.

veroordeelt [naam 1] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.191,47,

5.5.

veroordeelt [naam 1] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,- voor nasalaris te vermeerderen met € 68,- en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit vonnis plaatsvindt,

5.6.

verklaart de in zaak 1 gegeven veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af,

In zaak 2

[gedaagde 2]

5.8.

veroordeelt [gedaagde 2] binnen 12 uur na betekening van dit vonnis alle uitingen zoals genoemd onder 2.9. en 2.14. van dit vonnis volledig te verwijderen van alle pagina’s van de website [site] ,

5.9.

beveelt [gedaagde 2] zich bij de huidige stand van zaken, zoals bedoeld in rechtsoverweging 4.8, met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis te onthouden van iedere (verdere) openbaarmaking en verveelvoudiging, van de uitingen genoemd onder 2.9. en 2.14. van dit vonnis, zowel gezamenlijk als individueel, alsmede van uitingen met bewoordingen van gelijke strekking, ongeacht de wijze, techniek en medium waarop of waarmee de uiting(en) openbaar word(t)(en) gemaakt,

5.10.

verbiedt [gedaagde 2] bij de huidige stand van zaken, zoals bedoeld in rechtsoverweging 4.8, enige vorm van medewerking te verlenen aan een publicatie van derden met daarin de uitingen genoemd onder 2.9. en 2.14. van dit vonnis, dan wel met daarin uitingen met bewoordingen van gelijke strekking,

5.11.

beveelt [gedaagde 2] ervoor zorg te dragen dat, voor zover de publicaties met de uitingen genoemd onder 2.9. en 2.14. van dit vonnis zijn opgenomen in het internetarchief van de website [site] , de uitingen daarin nu en in de toekomst op geen enkele wijze zichtbaar zullen zijn voor het publiek,

5.12.

beveelt [gedaagde 2] uiterlijk 12 uur na betekening van dit vonnis bovenaan de openingspagina van de website [site] als eerste bericht over de volle breedte van de pagina de navolgende rectificatie te plaatsen en gedurende 60 dagen geplaatst te houden in een zwart kader, in lettertype arial 12 tegen een witte achtergrond en zonder verdere toevoegingen in schrift en/of beeld en zonder de rectificatie via welk medium dan ook te voorzien van een negatief commentaar:

“Rectificatie

Op deze website hebben wij verschillende publicaties geplaatst over de curator [eiser] waarin wij deze curator hebben beschuldigd van malicieuze en malafide praktijken, fraude, diefstal van de boedel en misleiding van de rechtbank. De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 26 november 2015 geoordeeld dat deze uitlatingen onvoldoende steun vinden in het ter beschikking staande feitenmateriaal en dat wij met de publicaties onrechtmatig hebben gehandeld jegens [eiser] .

[gedaagde 2] en [naam 1] ”

5.13.

veroordeelt [gedaagde 2] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 5.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat hij niet aan de in 5.8. uitgesproken veroordeling en de in 5.9., 5.11 en 5.12 opgelegde geboden voldoet en voor iedere dag dat hij het in 5.10. opgelegde verbod overtreedt, tot een maximum van € 250.000,- is bereikt,

[bedrijf 2]

5.14.

verbiedt [bedrijf 2] bij de huidige stand van zaken, zoals bedoeld in rechtsoverweging 4.8, enige vorm van medewerking te verlenen aan een publicatie van derden met daarin de uitingen genoemd onder 2.9. en 2.14. van dit vonnis, dan wel met daarin uitingen met bewoordingen van gelijke strekking,

5.15.

veroordeelt [bedrijf 2] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 5.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat zij het in 5.14. opgelegde verbod overtreedt, tot een maximum van € 250.000,- is bereikt,

[gedaagde 2] en [bedrijf 2]

5.16.

veroordeelt [gedaagde 2] en [bedrijf 2] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.191,47,

5.17.

veroordeelt [gedaagde 2] en [bedrijf 2] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,- voor nasalaris te vermeerderen met € 68,- en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit vonnis plaatsvindt,

5.18.

verklaart de in zaak 2 gegeven veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.19.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.P. Pompe, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.R.S. Bacon, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2015.1

1 type: MRSB coll: TF