Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:8337

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-11-2015
Datum publicatie
25-11-2015
Zaaknummer
CV EXPL 13-19686
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Is de gemeente aansprakelijk voor de schade aan een geparkeerde auto doordat er een boom op is gevallen? De kantonrechter oordeelt op basis van het rapport van een door haar benoemde deskundige van wel. De gemeente is als eigenaar van de boom tekort geschoten in haar zorgplicht om een gevaarlijke situatie op te heffen of ten minste de parkeerplaatsen in de directe omgeving van de boom af te zetten of te markeren. Zie ook [ECLI:NL:RBAMS:2015:8338 tvs 7 augustus 2014]

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2016, afl. 2, p. 107

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 2234402 CV EXPL 13-19686

vonnis van: 5 november 2015

fno.: 713

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

[eiseres]

eiseres

wonende te [plaats] , [land]

nader te noemen: [eiseres]

gemachtigde: mr A.V. Paardekooper

t e g e n

de publiekrechtelijke rechtspersoon Gemeente Amsterdam

gedaagde

zetelende te Amsterdam

nader te noemen: Gemeente Amsterdam

gemachtigde: mr drs. I.M.C.A. Reinders Folmer

VERDER VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij tussenvonnis van 2 oktober 2014 is een deskundigenbericht gelast en is H. van Scherpenzeel, verbonden aan Boomtotaalzorg te Schalkwijk tot deskundige benoemd. De deskundige heeft op 24 november 2014 een concept-rapport ingediend en op 10 maart 2015 een definitief rapport toegezonden waarin de reacties van partijen zijn verwerkt. Partijen hebben geconcludeerd na deskundigen bericht.

De zaak staat thans weer voor vonnis.


GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. De deskundige heeft op de gestelde vragen geantwoord zoals hierna wordt weergegeven.

1. Hoe beoordeelt u het beheer van boom 4328 in het licht van de in het tussenvonnis van 7 augustus 2014 onder 1.2, 1.3, 1.4 en 1.7 beschreven onderzoeken?
antwoord:

De gemeentelijke boombeheerder heeft zich gehouden aan het normale beheer van bomen. Hierbij is hij, bij deze iep, afgegaan op de bevindingen en adviezen van de boomveiligheidscontroleur. In de periode tussen 26 januari 2011 en 27 juli 2012 is de houtkwaliteit verder verslechterd. Hieruit blijkt dat zowel de boomveiligheidscontroleur, als de gemeentelijke boom beheerder nog voldoende vertrouwen in de iep hadden, ondanks de slechte conditie (slechte groeikracht en blad bezetting waardoor bomen niet per se een verhoogde gevaarzetting vormen) en het aangetroffen rottingsproces aan de stamvoet. De Boomveiligheidscontroleur (BVC) die de VTA-controle op 26 januari 2011 heeft uitgevoerd, heeft gemeend dat er naar aanleiding van het onderzoek (nog) geen aanvullend, nader onderzoek, nodig was. Wel diende de boom binnen een jaar wederom gecontroleerd te worden. Dit is op 10 augustus 2011 uitgevoerd. Hierbij is geen onderzoeksapparatuur ingezet. Dit is opvallend te noemen. Immers, zo wordt tijdens de opleiding tot Boomveiligheidscontroleur geleerd dat wanneer de aard en ernst van een 'gebrek' onvoldoende in beeld te brengen is, er 'Nader Onderzoek uitgevoerd dient te worden. Het nader onderzoek bij een dergelijk gebreksbeeld zal dienen te bestaan uit Tomografisch onderzoek en/of door middel van een graafonderzoek. Te meer omdat bekend is dat iepen een stabiliteitsprobleem kunnen hebben. Derhalve is de boom wel door de Boomveiligheidscontroleur gekwalificeerd als 'Attentieboom'.

Als gevolg hiervan heeft bij de boom ca. één jaar later, op 27 juli 2012, een uitgebreider onderzoek plaatsgevonden. Hierbij werd de boom gekwalificeerd als een 'Risicoboom' en de boom zou binnen 3 maanden gerooid moeten worden.

Opvallend is dat er nergens sprake is van de inzet van onderzoeksapparatuur, zoals 'geluidstomografie' én/of 'graaf techniek'.

Met behulp van 'geluidstomografie' is op een non-destructieve wijze onderzoek te realiseren om een redelijk goed beeld te verkrijgen van de inwendige houtsterkte van de stam/stamvoet. Met het (deels) vrijgraven van de stamvoet wordt vaak een goed beeld verkregen van de wortelhals en wortelaanzetten.

De geconstateerde symptomen, het kunnen inprikken van het hout van de stamvoet én de geconstateerde slechte conditie (groeikracht) zijn vaak voldoende signalen voor aanvullende actie(s). Van belang hierbij is de berichtgeving van de onderzoeker naar de boombeheerder. Voorop gesteld zullen, afhankelijk van de gevaarzetting van de bomen, gepaste maatregelen genomen moeten worden om de veiligheid van bomen voldoende zeker te stellen.

Normaliter zijn de aangetroffen symptomen als, rotting waarbij met prikstok tot ca. 20 cm in het hout geprikt kan worden én een (sterk) teruglopende conditie (groeikracht) voldoende aanwijzingen om een dergelijke boom te onderwerpen aan een nader onderzoek, met de inzet van specialistische onderzoeksapparatuur.

Opmerkelijk is dat dit (de kantonrechter leest:) niet is gebeurd na het eerste onderzoek/inventarisatie, uitgevoerd op 16 januari 2011.

2. Hoe groot acht u de kans dat de boom is omgewaaid als gevolg van de op 27 juli 2012 geconstateerde gebreken?

Antwoord:

De kans dat de boom is omgevallen als gevolg van de op 27 juli 2012 geconstateerde gebreken is groot. Er was immers houtafbraak / houtrot geconstateerd maar ook een afnemende conditie. Uiteindelijk bleek dat de boom ondergronds is afgebroken. Dit is als gevolg van onvoldoende breukvastheid en niet als gevolg van instabiliteit.

3. Wat is in uw visie de oorzaak van het omvallen van de boom op 24 september 2012?

Antwoord:

Alles lezende en de foto's ziende, lijkt de oorzaak te liggen in de afbraak van hout van zowel stamvoet (onderstam) en wortels. Mogelijk dat er sprake was van een zogenaamde 'potloodiep'. Dit zijn iepen die niet op eigen wortel staan maar waarbij de stam op een wortelgestel is geënt. Van een aantal iepensoorten is bekend dat er sprake is van 'uitgestelde onverenigbaarheid'. Dit houdt in dat de beworteling onvoldoende is samengegroeid met de (onder)stam. Of dat er sprake is van een (deels) onvoldoende ontwikkeld wortelgestel waardoor (de kantonrechter leest:) dergelijke bomen na enige tijd breuk- of windworp gevoelig kunnen worden. Hierbij breken de bomen ondergronds in een 'puntvorm' af, als zijnde een potlood die met de punt in de grond stond. In het geval van een 'potlood iep' kan dit, zowel op zichzelf staan als oorzaak van het omvallen, maar ook de aanwezigheid van houtrot in de onderstam kan een in elkaar grijpende oorzaak zijn.

4. Heeft de conditie van de stabiliteitswortels daarbij een rol gespeeld, en zo ja, in welke mate?
Antwoord:
In feite kan 'de conditie van de stabiliteitswortels' een doorslaggevende rol hebben gespeeld. Hierbij doelend op de, naar later bleek, afgenomen houtsterkte van stabiliteitswortels. Indien wortelhout sterk genoeg is, is breuk als gevolg van 'trekspanning' in de lengterichting van een 'gezonde' wortels niet tot nauwelijks aan de orde, anders dan in geval van extreme kracht. Bijvoorbeeld bij zwaar onweer met

extreme windsituaties of in geval van een zeer zware storm met een windkracht 11 of meer. Het is goed mogelijk dat het houtrot in de onderstam in verbinding heeft gestaan met de houtkwaliteit van één of meerdere stabiliteitswortels, of omgekeerd. Door het uitvoeren van een nader onderzoek had dit euvel mogelijk meer in beeld gebracht kunnen worden. Indien een of meerdere stabiliteitswortels van onvoldoende houtkwaliteit zijn en hierdoor over onvoldoende sterkte beschikken kunnen dergelijke wortels van (groot) doorslaggevend belang zijn, ten aanzien van de stabiliteit van bomen. Zie ook bovenstaand.

5. Voor het geval u van mening bent dat de boom is omgevallen als gevolg van het afsterven van de stabiliteitswortels, was dat in het licht van de onder 1.2, 1.3, 1.4, en 1.7 van het tussenvonnis van 7 augustus 2014 weergegeven bevindingen, binnen 3 maanden van 27 juli 2012 te verwachten? Zo ja, waarom, zo nee, waarom niet? Welke omstandigheden kunnen daarbij een rol spelen?

Antwoord:

Nee. Op basis van uitsluitend visueel uitgevoerde controles/-onderzoeken, zoals deze bij de iep zijn uitgevoerd, is onvoldoende in beeld gebracht wat de kwaliteit van het hout van de onderstam en stabiliteitswortels was ten tijde van de controles.

Zodoende kan hierdoor dan ook niet ingeschat worden of en wanneer de iep zou kunnen omvallen, afbreken of omwaaien.

6. Was te verwachten dat de boom binnen 3 maanden na 27 juli 2012 zou omvallen?

Antwoord:
Vermoedelijk niet. Indien een boomveiligheidscontroleur, laat staan een

gecertificeerde European Tree Technician, een reëel vermoeden zou hebben dat een boom een 'gevaar zou zijn voor de omgeving' dan is het gebruikelijk dat hiervan direct melding wordt gemaakt bij de boombeheerder. Hierna kunnen al of niet acuut passende maatregelen genomen worden. Het advies om binnen 3 maanden een vervolgactie te nemen, zal gemaakt zijn op het verwachtingspatroon dat er wel een verhoogd risico was, maar dit werd niet als 'Acuut' ingeschat.

7. Hoe beoordeelt u de kwalificatie van de boom op 10 augustus 2011

('attentieboom') en op 27 juli 2012 ('risicoboom')?

Antwoord:

De kwalificatie 'attentieboom' houdt in dat dergelijke bomen (meer) frequent gecontroleerd moeten worden. Een dergelijke kwalificatie wordt veelal genomen nadat er een nader- of meer uitgebreid onderzoek heeft plaatsgevonden waarbij meer bekend is t.a.v. de houtkwaliteit, breukvastheid en/of stabiliteit. Hierbij speelt ook de kennis en ervaring van de boomcontroleur of -inspecteur een aanzienlijke rol ten aanzien van de betreffende boomsoort, soorteigen eigenschappen en aantastingen. De kwalificatie 'risicoboom' houdt in dat er tijdens de visuele controle gebreken, zwaktesymptomen en/of verhoogd risico's zijn geconstateerd waardoor een vervolgactie noodzakelijk is. Dit kan een beheermaatregel betreffen, zoals het snoeien of het kappen van de betreffende boom, maar ook het advies 'nader onderzoek' kan hiertoe behoren.

Uit de stukken is niet gebleken dat de iep nader is onderzocht op 26 januari 2011, noch op 10 augustus 2011 of op 27 juli 2012, of in de tussenliggende tijd. Hierdoor zijn de kwalificaties als 'attentieboom ' en/of 'risicoboom ' onvoldoende onderbouwd door een gericht (nader)onderzoek.

8. Hadden de bevindingen van [naam 2] (kantonrechter: de boomveiligheidscontroleur) in 2011 en 2012 Gemeente Amsterdam aanleiding moeten geven om de boom als urgente risicoboom of nood kap-boom te behandelen? Zo ja, waarom, zo nee, waarom niet?

Antwoord:

Nee. Niet op basis van uitsluitend de visuele controle bevindingen. [naam 2] heeft geen melding gemaakt dat er op korte termijn, anders dan binnen 3 maanden na het onderzoek van 27 juli 2012, sprake zou zijn een verhoogde gevaarzetting. Na het bekend worden van de bevindingen, met het advies om binnen 3 maanden maatregelen te nemen, is er naar de boombeheerder geen signaal afgegeven dat er sprake was van een 'noodsituatie' en derhalve was 'noodkap' niet in beeld. Wel dat de 'normale' kapprocedure gevolgd zou kunnen worden.

9. Waren de geconstateerde gebreken van dien aard dat er veiligheidsmaatregelen genomen hadden moeten worden, zo ja welke?

Antwoord:

Ja. Al na de visuele boomveiligheidscontrole op 26 januari 2011, had besloten moeten worden de boom nader te onderzoeken. Immers, het was bij de Boomveiligheidscontroleur bekend dat er aanzienlijke houtrot (inprikken met prikstok tot ca. 20cm) aanwezig was. Om de mate van, al of niet verhoogd, risico meer helder te krijgen, waaraan gekoppeld de mate van gevaarzetting, had een nader onderzoek, uitgevoerd moeten worden. Dit zou gericht moeten zijn op de inwendige houtkwaliteit van de stamvoet (tomografisch onderzoek) en/of beworteling/ wortelhals onderzoek door middel van een graafonderzoek. Hierdoor zou er meer duidelijkheid zijn geweest en naar aanleiding hiervan hadden gepaste maatregelen genomen kunnen worden.

10. Indien in uw antwoord sprake mocht zijn van een kans dat enig handelen of nalaten van Gemeente Amsterdam heeft geleid tot het omvallen van de boom, wilt u dan de mate van waarschijnlijkheid in een percentage uitdrukken?
Antwoord:

Wanneer er bevindingen van een eerder uitgevoerd nader onderzoek bij deze iep bij de boom beheerder voor handen zou zijn geweest waarbij de ernst van de aantasting aantoonbaar waren, dan hadden er tijdig maatregelen genomen kunnen worden waardoor de boom geen schade meer had kunnen maken. De mate van waarschijnlijkheid dat degelijke maatregelen uitgevoerd zouden zijn, acht ik op 70 tot 100%. Evenzeer is de mate van waarschijnlijkheid dat de boom is omgevallen als gevolg van het niet uitvoeren van deze maatregelen ca. 70 - 100%.

11. Heeft u overigens nog opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang kunnen zijn?
Antwoord:
Groot gemis in dit geheel is het niet (tijdig) uitvoeren van een nader onderzoek. Hierdoor is de mate van de verzwakking/aantasting en/of houtkwaliteit niet op tijd en onvoldoende in beeld gebracht. Zodoende was de boombeheerder onvoldoende op de hoogte van de ernst van de gevaarzetting.

2. Naar aanleiding van de reactie van [eiseres] op de beantwoording van vraag 6. en vraag 8. in het concept-rapport heeft de deskundige als volgt bericht:
* De kern van de reactie op vraag 6. is:
Was de boomveiligheidscontroleur niet tot een (heel) andere conclusie gekomen indien geluidstomografie én/of graaf techniek zou zijn gebruikt?

Antwoord: Het is haast ondenkbaar dat wanneer beide of een van de bovenstaande onderzoeksmethodieken zou zijn benut, er geen andere conclusie zou zijn getrokken.

* De kern van de reactie op het antwoord op vraag 8. is gelijk aan bovenstaande, echter nu vanuit oogpunt de Gemeente Amsterdam, als boom beheerder.
Antwoord: Gelijk aan antwoord op vraag 6.
* [eiseres] heeft tot slot gevraagd of [naam 1] (Kantonrechter: de gemeentelijke boombeheerder) zich had moeten realiseren dat het onderzoek, uitgevoerd door [naam 2] , op inadequate wijze was uitgevoerd en dat [naam 1] een juiste actie had moeten ondernemen.
Antwoord: [naam 1] heeft op normale wijze gehandeld op basis van de aan hem verstrekte onderzoeksresultaten en advies.

3. Naar aanleiding van de reactie van Gemeente Amsterdam op het concept rapport heeft de deskundige als volgt bericht:

*Kern van de eerste reactie: Of de normen van [naam 3] bij mijn onderzoek zijn betrokken.

Antwoord: Neen. De opdracht door de Rechtbank, conform het vonnis was: Antwoord geven op de gestelde vragen. Hierbij zijn in de hiervoor te gebruiken stukken, door geen van de partijen normen van [naam 3] , aangedragen, of naar verwezen. Ook niet door [naam 2] .

*Kern van de tweede reactie: Of het 'Stadsbomen vademecum deel 3 bij mijn onderzoek is betrokken.

Antwoord: Neen. Idem als bovenstaand.

*Kern van de derde reactie: Op basis van het Vademecum het belang voor de kwalificatie van een boom en de vraag op welk moment een nader onderzoek wordt geadviseerd.

Antwoord: Los van een 'Schema' waarop en wanneer een vorm van nader onderzoek dient te worden uitgevoerd, zal juist bij twijfel ten aanzien van voldoende breukvastheid en of risico, nader onderzoek uitgevoerd moeten worden. De wijze waarop én het al of niet inzetten van specialistische apparatuur, is een keuze die de onderzoeker dient te maken. Voorop moet staan dat er en grote mate van zekerheid verkregen dient te worden. In het aangedragen Vademecum deel 3:"Boomcontrole en onderzoek" is eveneens weergegeven dat: "Het grote voordeel van systematische controle ligt echter niet in het kunnen afwentelen van eventuele aansprakelijkstelling bij schade. Belangrijker is het feit dat in veel gevallen schade voorkomen kan worden." einde citaat.
*Kern van de vierde reactie: De boom voldeed tijdens het onderzoek op 26 januari (kantonrechter: 2011) aan de normen voor breukvastheid en er waren geen aanwijzingen voor stabiliteitsproblemen.

Antwoord: In de te beoordelen stukken (producties) zijn geen aantoonbare metingen, of op andere wijze onderzoeksresultaten weergegeven waaruit blijkt dat de boom voldeed aan breukvastheid- of stabiliteitsnormen. Dit zou wel het geval geweest zijn wanneer op een eerder tijdstip apparatuur of graaftechniek zou zijn ingezet.

*Kern van de vijfde reactie: De boom is wel onderzocht. Echter niet met speciale

Meetapparatuur. Onderzoek met (klop)hamer en prikstok valt ook onder onderzoek.

De boom is wel degelijk onderzocht en er is op basis van het onderzoek gehandeld volgens de gebruikelijke, geldende procedures.

Antwoord: Dat er een onderzoek is uitgevoerd met een (klop)hamer is helder. Echter een holle klank (waargenomen doordat op de stam/stamvoet is geklopt) en aangetroffen houtrot (in de beschadiging is geprikt met de prikstok) in 2011, had voldoende aanleiding kunnen/moeten zijn voor het uitvoeren van een nader onderzoek met inzet van speciale apparatuur. Dit is niet gebeurd. Vooral omdat het hier een 'Ringporige houtsoort' betreft. Bij dergelijke houtsoorten kan houtrot tot in het kernhout (20 cm inprikbaar bij 53 cm diameter) aanzienlijke gevolgen hebben. Zeker wanneer houtrot op- of tot onder het maaiveld aangetroffen wordt, dan wel verwacht kan/moet worden dat houtrot zich daar kan bevinden.

*Kern van de zesde reactie: op 27 juli 2012 is een nader onderzoek geadviseerd, binnen een termijn van 3 maanden. De onderzoeker heeft geen concrete aanwijzingen dat het risico ernstiger zou zijn. Uit mijn antwoord op vraag nr. 6 zoals gesteld door de rechtbank, zou de conclusie getrokken moeten worden dat de gemeente juist heeft gehandeld, binnen de kaders van de zorgplicht.

Antwoord: In het antwoord op de vraag (nr. 6) is uitgaande van het advies naar de gemeente, heeft de gemeente, op basis hiervan naar behoren gehandeld. Immers, de gemeente heeft de boomveiligheidscontrole objectief laten uitvoeren door een 'derde' partij. Deze partij heeft de gemeente voorzien van advies waarnaar de gemeente verdere handelingen/maatregelen neemt.

*Kern van de zevende reactie: Na uitvoering van de boomcontrole is het advies gegeven om de boom vanuit beheeroogpunt te rooien en niet vanuit veiligheidsoogpunt. Kort gezegd is door de onderzoekende partij een signaal afgegeven aan de gemeente om de boom te rooien/vervangen vanuit beheeroogpunt.

Antwoord: Bij het inzetten van speciale onderzoeksmethodiek zou de boom zeer wel mogelijk als veiligheidsrisico aangemerkt kunnen zijn in plaats van een 'beheerstechnisch vervangbare boom'. Daarnaast, zo meldt de tekst van de reactie door de 'Bomenwacht': "is op 27 juli 2012 tevens vanuit beheeroogpunt een rooiadvies verstrekt", einde citaat. Verderop staat: "dat een dergelijk advies dus niet wordt verstrekt vanuit veiligheidsoverwegingen, het betreft uitsluitend een beheeradvies". (?)

*Kern van de achtste reactie: in de beantwoording van de door de rechtbank gestelde vraag nr 3, zijn meerdere scenario's mogelijk voor het omvallen van de boom.

Antwoord: achteraf kan dit zo gesteld worden. Neemt niet weg dat, wanneer eerder een nader onderzoek uitgevoerd zou zijn met de inzet van graaftechniek, dan wel in combinatie met speciale apparatuur, een beter beeld verkregen zou zijn van het veiligheidsrisico. Op basis daarvan had de boom dan vroegtijdig gerooid kunnen zijn. Los van een gegeven of de daadwerkelijke oorzaak van omvallen nu voortkomt uit het ene of andere scenario.

4. [eiseres] heeft na deskundigenbericht geconcludeerd dat [naam 2] voornoemd zijn onderzoek op inadequate wijze heeft uitgevoerd zodat Gemeente Amsterdam niet de juiste maatregelen heeft genomen. De ondeskundigheid van [naam 2] kan Gemeente Amsterdam worden aangerekend. Voorts stelt [eiseres] dat [naam 1] , boomdeskundige in dienst van Gemeente Amsterdam, zich had dienen te realiseren dat het onderzoek van [naam 2] niet adequaat was. Er was een kans van 70-100% dat de boom zou omvallen. De gebreken die [naam 2] heeft geconstateerd hadden er in elk geval toe moeten leiden dat de parkeerplaatsen in de directe nabijheid van de boom waren afgezet, althans dat waarschuwingsborden waren geplaatst. Door niets te doen heeft Gemeente Amsterdam maatschappelijk onzorgvuldig gehandeld, aldus [eiseres] .

5. Gemeente Amsterdam heeft het ingenomen standpunt gehandhaafd. Noch aan haar, noch aan [naam 1] valt een verwijt te maken en Gemeente Amsterdam is op grond van het bepaalde in artikel 6:171 BW niet aansprakelijk voor eventuele misslagen van een werknemer van een zelfstandige opdrachtnemer zoals Bomenwacht Nederland.

Beoordeling

6. Uit de antwoorden op de gestelde vragen, in onderling verband bezien blijkt dat iepen een stabiliteitsprobleem kunnen hebben.

De deskundige acht het opvallend dat bij de tweede VTA controle, op 10 augustus 2011, geen onderzoeksapparatuur is gebruikt, hoewel de aard en ernst van een de vastgestelde gebreken, te weten rotting aan de stamvoet en lichte afstervingsverschijnselen, onvoldoende in beeld te brengen waren. Er had nader onderzoek uitgevoerd dienen te worden door middel van tomografie en/of door middel van een graafonderzoek. Ook bij het uitgebreider onderzoek op 27 juli 2012, waarbij de boom werd gekwalificeerd als een 'Risicoboom' die binnen 3 maanden gerooid zou moeten worden blijkt niet van de inzet van onderzoeksapparatuur, zoals 'geluidstomografie' en/of 'graaf-techniek'.
De deskundige adviseert dat zonder onderzoek door middel van het (deels)-uitgraven van het wortelstelsel of door het gebruik van onderzoeksapparatuur niet de conclusie had mogen worden getrokken dat de boom voldeed aan breukvastheids- of stabiliteitsnormen. Wanneer er bevindingen van een eerder uitgevoerd nader onderzoek bij deze iep bij de boombeheerder voor handen zou zijn geweest was de ernst van de aantasting gebleken en hadden tijdig maatregelen genomen kunnen worden, waardoor de boom geen schade meer had kunnen aanrichten. De mate van waarschijnlijkheid dat dergelijke maatregelen uitgevoerd zouden zijn, acht de deskundige 70 tot 100%. De mate van waarschijnlijkheid dat de boom is omgevallen als gevolg van het niet uitvoeren van deze maatregelen is ca. 70 - 100%. Dit komt neer op een kans die zich bevindt tussen zeer aanzienlijk en aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid. De kantonrechter merkt voorts op dat op de foto’s van de omgevallen boom nauwelijks wortels aan de boomvoet te zien zijn en houdt het ervoor dat de boom is omgevallen als gevolg van onvoldoende breukvastheid.

7. Alles overziende is de kantonrechter van oordeel dat de boomcontroleur [naam 2] een beoordelingsfout heeft gemaakt door na te laten naar aanleiding van zijn bevindingen in augustus 2011 en op 27 juli 2012 op korte termijn het door de deskundige beschreven ‘nader onderzoek’ van deze iep uit te voeren of te laten uitvoeren. Gezien de locatie van de boom in de directe omgeving van een parkeerplaats aan de Prinsengracht in Amsterdam en de tot driemaal toe aan de boom geconstateerde gebreken, die met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid tot omvallen zouden leiden, althans daartoe de aanzienlijke kans met zich brachten, heeft Gemeente Amsterdam onvoldoende maatregelen genomen om te voorkomen dat een derde, zoals [eiseres] , voorzienbare schade zou lijden als gevolg van de vastgestelde gebreken van de boom. Gesteld noch gebleken is dat het gezien de daaraan verbonden kosten niet van Gemeente Amsterdam kon worden gevergd om bij de gebleken gebreken het door de deskundige beschreven ‘nader onderzoek’ te laten uitvoeren en evenmin dat de parkeerplaatsen in de omgeving van de boom niet afgezet of gemarkeerd hadden kunnen worden. De antwoorden van de deskundige op de vragen 5., 6. en 8. leiden niet tot een ander oordeel, nu de deskundige daarbij de onjuist gebleken adviezen van Bomenwacht Nederland aan Gemeente Amsterdam als uitgangspunt neemt.

8. De conclusie is dat Gemeente Amsterdam als eigenaar is tekortgeschoten in de zorgplicht die op grond van artikel 6:162 BW op haar rustte om een gevaarlijke situatie op te heffen of ten minste de parkeerplaatsen in de directe omgeving van de boom af te zetten of te markeren.

9. Het verweer van Gemeente Amsterdam, dat zij als overheidsinstelling niet aansprakelijk gehouden kan worden voor fouten van haar opdrachtnemers, kan niet slagen. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 6:171 BW volgt dat deze bepaling onverminderd van toepassing is op nutsbedrijven en overheidsbedrijven, waaronder de kantonrechter ook de gemeentelijke dienst die het bomenbestand beheert rekent.

10. In het licht van het voorgaande kan in het midden blijven of de gemeentelijke bomenbeheerder [naam 1] zelf uit de rapportage van Bomenwacht Nederland had moeten opmaken dat nader technisch onderzoek of graafwerk nodig was om zekerheid te krijgen over de staat waarin de boom verkeerde.

11. De conclusie is dat de vordering tot vergoeding van schade aan de auto van [eiseres] à
€ 3.500,- met wettelijke rente toewijsbaar is. [eiseres] heeft haar vordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten onderbouwd met brieven van haar gemachtigde
en zijn declaratie. De gevorderde kosten zijn in overeenstemming met de in de kantonrechtspraak gehanteerde tarieven en aannemelijk is dat deze kosten in feite zijn gemaakt, zodat deze toewijsbaar zijn zoals gevorderd. De vordering tot vergoeding van kosten van vervangend vervoer zal worden afgewezen, nu deze in het licht van de betwisting van de zijde van Gemeente Amsterdam, niet nader is gemotiveerd.

12. Gemeente Amsterdam zal als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, waaronder de kosten van de deskundige.


BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt Gemeente Amsterdam tot betaling aan [eiseres] van:

- € 3.500,- aan hoofdsom, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 7 oktober 2012 tot aan de voldoening;

- € 470,- aan buitengerechtelijke incassokosten;

veroordeelt Gemeente Amsterdam in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eiseres] begroot op:
exploot € 92,82
salaris € 800,00
griffierecht € 213,00
kosten deskundige € 1.179,75
-----------------
totaal € 2.285,57 voor zover van toepassing, inclusief btw;

veroordeelt Gemeente Amsterdam tot betaling van een bedrag van € 50,- aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en Gemeente Amsterdam niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, een en ander voor zover van toepassing, inclusief btw;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.


Aldus gewezen door mr E.D. Bonga-Sigmond, kantonrechter en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 november 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.


De griffier De kantonrechter