Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:8040

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-11-2015
Datum publicatie
18-11-2015
Zaaknummer
KG ZA 15-1216
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot nakoming raamovereenkomst tussen leverancier en verkoper van fietsen. Het wordt niet aannemelijk geoordeeld dat leverancier zich in bodemprocedure met succes kan beroepen op vernietiging van de overeenkomst vanwege dwaling. Voorts wordt niet aannemelijk geacht dat bodemrechter zal oordelen dat leverancier de overeenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden. Leverancier wordt veroordeeld tot nakoming van overeenkomst totdat deze rechtsgeldig is beëindigd. Vordering van leverancier tot overlegging van bescheiden door verkoper wordt afgewezen vanwege onvoldoende (spoedeisend) belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/2257
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/594823 / KG ZA 15-1216 MvW/BB

Vonnis in kort geding van 4 november 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INTERNATIONAL BIKE GROUP B.V.,

gevestigd te Den Haag,

eiseres in conventie bij dagvaarding van 6 oktober 2015,

verweerster in reconventie,

advocaten mr. G. Theuws en mr. R.J.F. Grijpink te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ACCELL NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Heerenveen,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. S.W.A.M. Visée te Amsterdam.

Partijen zullen hierna IBG en Accell worden genoemd.

1 De procedure

Ter terechtzitting van 14 oktober 2015 heeft IBG gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Accell heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen, en vervolgens in reconventie gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte akte. IBG heeft de vordering in reconventie bestreden. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.
Ter zitting waren aanwezig:

aan de zijde van IBG: [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] met mr. Theuws;

aan de zijde van Accell: [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] en [naam 8] met mr. Visée en zijn kantoorgenoot mr. R.J.W. Analbers.

2 De feiten

In conventie en reconventie

2.1.

IBG is een onderneming die zich bezighoudt met de verkoop van fietsen en fietsgerelateerde artikelen aan consumenten in het midden- en hogere segment. IBG is ontstaan uit de in 2009 door [naam 1] , [naam 9] en NPM Capital N.V. via Ellida B.V. overgenomen vennootschap [winkel] In 2012 heeft IBG Fietsenwinkel.nl overgenomen. Vanaf dat moment is zij naast de verkoop van fietsen via haar fysieke [winkel] fietsenwinkels fietsen gaan verkopen via internet.

2.2.

Accell is als onderdeel van de Accell groep actief in de verkoop van fietsen in Nederland aan dealers zoals IBG. Accell verkoopt fietsen van de merken Batavus, Sparta, Koga, Loekie, Van Nicholas, Lapierre, Ghost en Haibike en fietsonderdelen van de merken Juncker Bike Parts en XLC. Accell werkt met adviesprijzen voor haar merkfietsen. Afhankelijk van het merk ontvangen dealers bij de inkoop van fietsen een korting op de adviesprijzen (marge). De hoogte van de marge wordt bepaald aan de hand van een staffel die afhankelijk is van de totale omzet van verkochte fietsen van een dealer.

2.3.

IBG en (de rechtsvoorgangers van) Accell hebben op 26 maart 2014 een raamovereenkomst gesloten (hierna: de Overeenkomst). Partijen zijn in de Overeenkomst (artikel 3.1) onder meer overeengekomen dat jaarlijks een basismarge zal gelden van 38% over de totale omzet. Partijen zijn daarnaast overeengekomen dat IBG een bonus zal ontvangen die afhankelijk is van het aantal in een seizoen verkochte fietsen. In dit verband is in de Overeenkomst een staffel voor het seizoen 2013-2014 opgenomen en zijn partijen verder overeengekomen dat zij steeds voor het einde van het seizoen met elkaar in overleg zullen treden over de toe te passen bonusstaffel voor het daaropvolgende seizoen.

Partijen zijn voor zover hier van belang verder overeengekomen dat IBG een betalingstermijn krijgt van 90 dagen voor gekochte fietsen en een betalingstermijn van 30 dagen voor fietsonderdelen en dat IBG indien zij binnen deze termijnen betaalt 2% korting krijgt (artikel 4.1 van de Overeenkomst). Ten slotte zijn partijen een kredietlimiet overeengekomen van € 3.500.000,= (artikel 4.3 van de Overeenkomst).

2.4.

Artikel 15 van de Overeenkomst luidt voor zover hier van belang als volgt:

15 DUUR EN BEËINDIGING

15.1.

Deze overeenkomst treedt met terugwerkende kracht in werking op 1 september 2013 en zal gelden voor onbepaalde duur.

15.2.

Opzegging van deze overeenkomst geschiedt met inachtneming van een opzegtermijn van zes (6) maanden en middels een aan de andere partijen gerichte, aangetekende brief. Een Leverancier (Accell, vzr.) is enkel bevoegd deze overeenkomst op te zeggen ingeval HSF (IBG, vzr.) in verzuim is met betrekking tot de nakoming van enige verbintenis uit deze overeenkomst en/of een voldoende zwaarwegend belang van de Leverancier daartoe aanleiding geeft. (…)

15.3.

Daarenboven is iedere Leverancier gerechtigd deze overeenkomst op te zeggen met onmiddellijke ingang, indien HSF een wezenlijke verplichting uit deze overeenkomst schendt en aan deze schending geen einde maakt nadat hij in gebreke is gesteld en een -gelet op de omstandigheden van het geval- redelijke termijn van maximaal veertien dagen is verstreken, met dien verstande dat geen ingebrekestelling is vereist indien de wet geen voorafgaande ingebrekestelling voorschrijft.

(…)

15.5.

In geval van de overdracht van het geheel of een gedeelte van de onderneming van HSF (of een andere wijze van directe of indirecte overgang van de zeggenschap over HSF), blijft deze overeenkomst volledig van kracht tussen -in het geval van overdracht van de gehele onderneming van HSF-, koper en Leveranciers, resp. -in het geval van overdracht van een deel van de onderneming van HSF- HSF en koper aan de ene zijde, en Leveranciers aan de andere zijde. Indien echter de overdracht (of een andere wijze van directe of indirecte overgang van de zeggenschap over HSF) plaatsvindt aan een met de Accell groep concurrerende fabrikant van fietsen, zal hetgeen is bepaald in artikel 4 met betrekking tot de betalingscondities komen te vervallen. (…)’

2.5.

Op 10 mei 2014 is IBG op televisie een reclamecampagne gestart voor haar webwinkel Fietsenwinkel.nl. In die reclamecampagne werden via de webwinkel te kopen fietsen aangeboden, waarbij een laagste prijsgarantie werd gegeven.

2.6.

Op 2 oktober 2014 heeft er tussen partijen een gesprek plaatsgevonden over de hoogte van de kortingen die IBG op haar fietsen geeft. Dit gesprek is door IBG zonder medeweten van Accell opgenomen.

2.7.

Op 12 mei 2015 heeft IBG kenbaar gemaakt dat zij haar [winkel] aan een derde gaat verkopen en dat zij met de verkoop van fietsen verder gaat onder de naam Fietsenwinkel.nl.

2.8.

Op 20 mei 2015 heeft Accell aan IBG laten weten dat zij zich niet langer gebonden acht aan de met IBG gemaakte afspraken aangaande de gehanteerde marge en betalingscondities en dat zij, zolang geen overeenstemming bestaat over nieuwe condities, de gemaakte afspraken zal wijzigingen, in die zin dat zij voor IBG een maximale te realiseren marge van 34% zal gaan hanteren en de betalingstermijn zal terugbrengen naar 30 dagen met een korting van 2% bij betaling binnen 8 dagen.

2.9.

De gesprekken die naar aanleiding van dit besluit van Accell tussen partijen zijn gevoerd, zijn door IBG wederom zonder medeweten van Accell opgenomen.

2.10.

Accell heeft vervolgens toegezegd haar besluit om de voorwaarden te wijzigen op te schorten tot september 2015.

2.11.

Bij brief van 11 september 2015 van haar advocaat heeft Accell te kennen gegeven de samenwerking met IBG te willen beëindigen. Voor zover hier van belang heeft Accell in deze brief het volgende geschreven:

‘Primair kan Accell de Raamovereenkomst vernietigen op grond van dwaling, hetgeen Accell hierbij ook doet. Indien IBG reeds in maart 2014 kenbaar had gemaakt dat zij iets meer dan een jaar later al haar [winkel] zou gaan verkopen in plaats van deze keten uit te breiden, dan had Accell nimmer de Raamovereenkomst op deze voorwaarden gesloten. Zoals uit het bovenstaande blijkt heeft IBG bij Accell bewust een verkeerde voorstelling van zaken gegeven over haar strategie.

Subsidiair geldt dat IBG in strijd handelt met wezenlijke verplichtingen uit de Raamovereenkomst:

  1. IBG maakt haar primaire verantwoordelijkheid om vanuit haar werkplaatsen optimale service te verlenen aan haar klanten (artikel 1.5 onder b) niet waar en kan deze ook niet meer waarmaken nu zij nog slechts één fysieke winkel heeft met een beperkte werkplaats (…).

  2. IBG heeft in strijd gehandeld met artikel 2.1 door Batavus Producten aan WV NL B.V. (de koper van de [winkel] , vzr.) te verkopen, dit terwijl WV NL op dat moment geen wederverkoper was die deel uitmaakte van het selectieve distributienetwerk van Batavus.

  3. IBG heeft in strijd met artikel 9.1 geen hoogwaardige serviceorganisatie (meer). Aan klanten geleverde fietsen worden door IBG niet overeenkomstig artikel 9.3 (volledig) afgemonteerd (…). Ondanks dat Accell IBG hier meermaals op heeft gewezen, blijft zij op het punt van afmontage in verzuim.

  4. IBG handelt tevens in strijd met het bepaalde in artikel 10 omdat in de enige nog resterende fysieke winkel van IBG (i) geen optimale presentatie gegeven wordt van de collectie fietsen van Accell (ii) geen fietsen van Accell worden geëtaleerd bij de ingang en de toonbank en (iii) geen gebruik wordt gemaakt van de voorgeschreven signalisatie van Batavus.

Ieder van de voorgaande tekortkomingen in de nakoming door IBG van haar verplichtingen uit hoofde van de Raamovereenkomst, is een afzonderlijke grond voor Accell om de Raamovereenkomst te ontbinden (…).

De hierboven genoemde tekortkomingen leveren voor Accell verder (overeenkomstig artikel 15.3) een zwaarwegende grond op om de Raamovereenkomst op te zeggen (…)

Meer subsidiair geldt ten slotte dat de misleidende handelwijze van IBG en het daaruit voortvloeiende gebrek aan vertrouwen in IBG tevens een zwaarwegende grond voor Accell oplevert om de Raamovereenkomst op te zeggen (…) (mede in het licht van artikel 15.2) (…).’

Accell heeft zich in deze brief ten slotte bereid verklaard om IBG tot en met 31 december 2015 fietsen van het merk Batavus, Sparta en Juncker te blijven leveren op basis van de standaard voorwaarden die door deze merken worden gehanteerd.

2.12.

Accell heeft voornoemde beëindigingsbrief verzonden vlak voor het begin van haar dealershow, waarin de distributeurs hun backorders opgeven die in belangrijke mate de vraag naar Accell fietsen bepalen in het daaropvolgende seizoen.

2.13.

Tevens is op de tweede dag van de dealershow op Tweewieler.nl het volgende bericht geplaatst:

Accell wil van fietsenwinkel.nl af

Algemeen

Accell blijkt te willen stoppen met IBG/fietsenwinkel.nl. Er is sprake van een vertrouwensbreuk door de plotselinge eenzijdig gewijzigde koers van de kant van IBG (International Bicycle Group), waarvan voorheen de fysieke winkelketen [winkel] Fietsen deel uit maakte. In mei werd wereldkundig dat IBG alleen verder ging met webshop fietsenwinkel.nl en één winkel in Hilversum die werd omgebouwd naar Fietsenwinkel.nl.’

2.14.

IBG is op 6 oktober 2015 bij deze rechtbank een bodemprocedure gestart. IBG vordert in de bodemprocedure, kort gezegd, voor recht te verklaren dat de Overeenkomst en de op basis daarvan gemaakte nadere afspraken onverkort van kracht zijn en dat Accell deze volledig en correct dient na te komen.

3 Het geschil in conventie

3.1.

IBG vordert samengevat:
primair: Accell, op straffe van een dwangsom, te gebieden om, totdat de bodemrechter vonnis heeft gewezen, de overeenkomst en de op basis daarvan gemaakte nadere afspraken met terugwerkende kracht tot 11 september 2015 volledig en correct na te komen;

Subsidiair: Accell, op straffe van een dwangsom, te bevelen om de overeenkomst en de op basis daarvan gemaakte nadere afspraken met terugwerkende kracht tot 11 september 2015 volledig en correct na te komen, en Accell, op straffe van een dwangsom te gebieden op Tweewieler.nl een rectificatie te plaatsen met de inhoud zoals in het petitum van de dagvaarding staat weergegeven.
Ten slotte vordert IBG om Accell in de proceskosten te veroordelen.

3.2.

Accell voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

Accell vordert samengevat:

primair: IBG, op straffe van een dwangsom, te gelasten binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis afschrift te geven van alle aan of door [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] gestuurde (digitale) correspondentie en/of notities, de (digitale) agenda’s en (digitale) notulen van directievergaderingen, aandeelhoudersvergaderingen en/of vergaderingen van de raad van commissarissen van IBG en [naam 10] alsmede notulen/verslagen van besprekingen met (medewerkers van) NPM Capital (i) in de periode van 30 oktober 2013 tot en met 22 oktober 2014 (ii) die betrekking hebben op de mogelijke wijziging van de strategie van IBG, waaronder begrepen maar niet beperkt tot een verkoop door IBG van de winkels van [winkel] Fietsen en (iii) die onder IBG berusten of waarover IBG kan beschikken;

subsidiair: IBG, op straffe van een dwangsom, te gelasten binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis Accell afschrift te geven van de door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen (digitale) bescheiden die (i) onder IBG berusten of waarover IBG kan beschikken en (ii) betrekking hebben op de mogelijke wijziging van de strategie van IBG, waaronder begrepen maar niet beperkt tot een verkoop door IBG van de winkels van [winkel] Fietsen.

Ten slotte vordert Accell om IBG te veroordelen in de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.2.

IBG voert verweer.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie

5.1.

IBG vordert nakoming van de Overeenkomst door Accell. IBG baseert haar vordering tot nakoming primair op haar stelling dat in kort geding geen plaats is voor de door Accell genomen buitengerechtelijke maatregelen die gericht zijn op een beëindiging van de relatie tussen partijen. Volgens IBG dient, zonder inhoudelijke beoordeling, op grond van een belangenafweging of het aannemen van misbruik van bevoegdheid, in afwachting van de bodemprocedure een ordemaatregel te worden gegeven die inhoudt dat de status quo wordt gehandhaafd. Subsidiair baseert IBG haar vordering tot nakoming op haar stelling dat het beroep van Accell op dwaling, ontbinding en een rechtsgeldige opzegging niet zal slagen bij de bodemrechter.

5.2.

De voorzieningenrechter volgt IBG niet in haar primaire standpunt dat er aanleiding bestaat om reeds zonder inhoudelijk oordeel de vordering tot nakoming van de Overeenkomst toe te wijzen. In tegenstelling tot hetgeen IBG heeft betoogd moet de voorzieningenrechter in kort geding zo mogelijk vooruitlopend op de bodemprocedure een voorlopig oordeel geven over de vraag of – in dit geval – Accell de Overeenkomst rechtsgeldig heeft beëindigd. De vordering tot nakoming zal alleen worden toegewezen, indien de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk acht dat de bodemrechter het standpunt van IBG dat sprake is van een onterechte beëindiging van de Overeenkomst zal volgen, bijvoorbeeld als Accell een kennelijk ongegrond verweer voert, en indien van IBG niet kan worden gevergd dat zij de uitslag van de bodemprocedure afwacht.

5.3.

Vervolgens ligt de subsidiaire vordering van IBG voor. Geoordeeld wordt dat het spoedeisend belang van IBG in voldoende mate voortvloeit uit de aard van de vordering, die mede ertoe strekt dat de samenwerking tussen partijen voortduurt. IBG heeft in dit verband voldoende aannemelijk gemaakt dat haar omzet voor een groot gedeelte wordt bepaald door de samenwerking met Accell. IBG heeft er dan ook belang bij om zo spoedig mogelijk duidelijkheid te krijgen over de continuïteit van de samenwerking van partijen.

5.4.

Accell heeft zich kort gezegd op het standpunt gesteld dat zij bij brief van 11 september 2015 terecht tot vernietiging op grond van dwaling dan wel ontbinding van de Overeenkomst is overgegaan. Ten aanzien van haar beroep op dwaling heeft Accell aangevoerd dat zij bij het aangaan van de Overeenkomst uitsluitend akkoord is gegaan met veel gunstigere voorwaarden voor IBG dan voor andere dealers omdat IBG zichzelf had gepresenteerd met het voornemen haar [winkel] aanzienlijk uit te breidenvan 3 vestigingen in de Randstad naar tientallen vestigingen landelijk. Accell heeft echter moeten constateren dat IBG reeds bij het aangaan van de Overeenkomst bezig was om haar [winkel] aan een derde te verkopen. Als Accell had geweten van de voorgenomen verkoop dan was zij nooit akkoord gegaan met de gunstige voorwaarden die IBG thans zijn gegund.

IBG heeft betwist dat zij Accell bij het aangaan van de Overeenkomst bewust op het verkeerde been heeft gezet. Volgens IBG was zij in maart 2014 nog van plan om haar [winkel] uit te breiden en is zij pas op een later moment (in oktober 2014) tot het besluit gekomen om haar [winkel] te verkopen en onder Fietsenwinkel.nl nieuwe fysieke winkels te starten. De oorspronkelijke strategie van zowel verkoop via internet als verkoop via fysieke winkels gaat daarmee niet verloren. De enige beperking die IBG heeft, is dat zij, in verband met een met de koper van de [winkel] overeengekomen concurrentiebeding, pas per januari 2016 nieuwe winkels kan gaan vestigen.

Gelet op de stukken en hetgeen over (het moment van) de beslissing van IBG om tot verkoop van de [winkel] over te gaan naar voren is gekomen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat thans niet geconcludeerd kan worden dat IBG reeds bij het aangaan van de Overeenkomst wist dat zij niet tot een uitbreiding maar een verkoop van de [winkel] zou overgaan en dat zij Accell op dit punt bewust verkeerd heeft geïnformeerd. Gelet op de door IBG in het geding gebrachte notulen van verschillende vergaderingen van de Raad van Commissarissen van IBG en de door IBG opgeworpen omstandigheid dat na het sluiten van de Overeenkomst nog twee winkels zijn omgebouwd tot een [winkel] , is er een gerede kans dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat zij pas in oktober 2014 tot deze beslissing is gekomen. Daar komt bij dat in de Overeenkomst uitdrukkelijk rekening is gehouden met de mogelijkheid van een verkoop van (een gedeelte van) de onderneming van IBG. Accell heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de overeengekomen condities uitsluitend bedoeld waren voor het geval van een investering in de opening van nieuwe [winkel] . Dat blijkt in ieder geval niet uit de tekst van de Overeenkomst.

Gelet hierop is voorshands niet aannemelijk dat een beroep op vernietiging van de Overeenkomst op grond van dwaling in de bodemprocedure een gerede kans van slagen heeft.

5.5.

Ten aanzien van de ontbinding wordt het volgende overwogen.

Een overeenkomst kan wegens een wezenlijke tekortkoming in de nakoming geheel of gedeeltelijk worden ontbonden. Voor zover de nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, moet wel sprake zijn van verzuim dat pas intreedt als de partij die is tekortgeschoten in gebreke is gesteld.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit de stukken niet dat Accell, daar waar nodig, IBG op enig moment in gebreke heeft gesteld en haar een termijn heeft gegeven voor het herstellen van tekortkomingen. Het kan zo zijn dat Accell bij IBG vaker haar beklag heeft gedaan over het handelen van IBG maar dat kan niet worden gezien als een ingebrekestelling die voor een rechtsgeldige ontbinding vereist is. Verder is het nog maar de vraag of de door Accell gestelde tekortkomingen een ontbinding rechtvaardigen.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan dat voorshands niet worden geconcludeerd. Daarbij is in aanmerking genomen dat onvoldoende is komen vast te staan dat IBG thans vanuit haar werkplaatsen geen optimale service verleent aan haar klanten, hetgeen op grond van artikel 1.5 sub b van de Overeenkomst en de kwalitatieve selectiecriteria van Batavus is vereist. In dit verband heeft IBG aannemelijk gemaakt dat zij in ieder geval vanuit haar werkplaats in Hilversum service aan haar klanten verleent en dat zij haar service ten aanzien van via internet gekochte fietsen heeft gewaarborgd met afhaalpunten, een volwaardige helpdesk en -indien daaraan behoefte bestaat- service aan huis. Evenmin kan voorshands worden geconcludeerd dat IBG in strijd heeft gehandeld met artikel 2.1 van de Overeenkomst door producten van Accell door te verkopen aan de koper van de [winkel] die geen deel uitmaakte van het distributienetwerk van Accell. In dit verband heeft IBG naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht aangevoerd dat, nu in de Overeenkomst uitdrukkelijk rekening is gehouden met de mogelijkheid van een gedeeltelijke verkoop van de onderneming van IBG, er mogelijk vanuit kan worden gegaan dat Accell de koper automatisch als nieuwe dealer zou accepteren. Wat betreft de door Accell gestelde schending van de afmontageverplichting door IBG heeft IBG voldoende aannemelijk gemaakt dat zij er na 13 juli 2015, de datum waarop Accell haar dealers op deze verplichting heeft gewezen, alles aan doet om de fietsen afgemonteerd aan de klant te leveren, zelfs indien de klant dit niet wenst. Ten slotte is onvoldoende aannemelijk geworden dat de winkelinrichting van de winkel in Hilversum niet voldoet aan de daaraan gestelde eisen.

Gelet op het voorgaande kan voorshands niet worden geconcludeerd dat de door Accell gestelde tekortkomingen, al dan niet in samenhang gezien, een ontbinding rechtvaardigen. Het door Accell gestelde gebrek aan vertrouwen in een voortzetting van de samenwerking is onvoldoende om tot ontbinding over te gaan.

Onder de gegeven omstandigheden is voorshands dan ook niet aannemelijk dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat Accell de Overeenkomst met IBG rechtsgeldig heeft ontbonden.

5.6.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of sprake is van een rechtsgeldige opzegging van de samenwerking tussen partijen.

Accell heeft de Overeenkomst bij brief van 11 september 2015 met onmiddellijke ingang opgezegd, met de toezegging de fietsen van het merk Batavus, Sparta en Juncker tot en met 31 december 2015 aan IBG te blijven leveren op basis van de standaard voorwaarden die door deze merken worden gehanteerd. Accell heeft zich daarbij primair op het standpunt gesteld dat de door haar gestelde tekortkomingen een zwaarwegende grond voor onmiddellijke opzegging in de zin van artikel 15.3 van de Overeenkomst opleveren. De voorzieningenrechter volgt Accel daar niet in. Op grond van artikel 15.3 van de Overeenkomst kan de overeenkomst met onmiddellijke ingang worden opgezegd als IBG een wezenlijke verplichting uit de Overeenkomst schendt. Zoals reeds uit de bespreking onder 5.5 van de door Accell gestelde tekortkomingen blijkt is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat de gestelde tekortkomingen geen onmiddellijke opzegging rechtvaardigen.

Subsidiair heeft Accell bij haar opzegging gesteld dat de misleidende handelwijze van IBG en het daaruit voortvloeiende gebrek aan vertrouwen in IBG een zwaarwegende grond opleveren voor een onmiddellijke opzegging in de zin van artikel 15.3 van de Overeenkomst. Accell doelt daarbij wederom op de verkoop van de [winkel] door IBG en haar constatering dat IBG daar al ten tijde van het aangaan van de Overeenkomst mee bezig was alsmede het feit dat IBG heimelijk opnames heeft gemaakt van gesprekken tussen partijen. IBG heeft gemotiveerd betwist dat er een grond bestaat voor de opzegging van de Overeenkomst door Accell. In dit verband heeft IBG aangevoerd dat de beëindiging van de samenwerking door Accell (voornamelijk) is ingegeven door de kortingen die IBG aan haar consumenten geeft en niet door de verkoop door IBG van de [winkel] . Daargelaten of dat met zich zou brengen dat de samenwerking van partijen zou moeten voortduren, is de voorzieningenrechter van oordeel dat Accell voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de aanleiding voor beëindiging van de samenwerking daadwerkelijk (mede) is dat Accell haar vertrouwen in IBG als zakenpartner volledig heeft verloren door de handelwijze van IBG en dat daarbij het verlies van de fysieke winkels van IBG een grote rol heeft gespeeld. Weliswaar heeft Accell aanvankelijk in de mededeling van IBG dat zij in plaats van het uitbreiden van haar [winkel] zou overgaan tot het verkopen van deze winkels geen aanleiding gezien om de samenwerking te beëindigen en wilde Accell nog wel praten over een voortzetting van de samenwerking onder nieuwe voorwaarden, maar over die voorwaarden zijn partijen het niet eens geworden. Met Accell is de voorzieningenrechter van oordeel dat daarmee voldoende aannemelijk is dat er sprake is van een zodanige vertrouwensbreuk dat een voortzetting van de samenwerking van Accell niet meer kan te worden verwacht. IBG heeft nog verklaard dat zij haar strategie niet heeft gewijzigd omdat zij gewoon doorgaat met het verkopen van fietsen via internet en vanuit fysieke winkels, maar dat dit laatste pas weer kan als het concurrentiebeding met de koper is afgelopen. Dat laat echter onverlet dat IBG wist dat zij met de verkoop van de [winkel] geruime tijd geen fysieke winkels meer zou hebben, althans niet het aantal dat zij had voor de verkoop. Bovendien heeft IBG op geen enkele wijze onderbouwd dat zij vanaf januari 2016 wel weer een aantal fysieke winkels zal hebben. Al met al heeft Accell naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter een voldoende zwaarwegend belang om de samenwerking met IBG te beëindigen door opzegging van de Overeenkomst. Nu de grond van opzegging niet valt onder artikel 15.3 van de Overeenkomst, maar onder 15.2 van de Overeenkomst had Accell wel een opzegtermijn van zes maanden in acht moeten nemen. Voorshands dient Accell de overeenkomst dan ook na te komen totdat deze naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter rechtsgeldig zal zijn beëindigd, te weten per 11 maart 2016. Aan de subsidiaire vordering tot nakoming is geen termijn verbonden. Deze vordering is toewijsbaar mét bepaling van een termijn tot 11 maart 2016, hetgeen is te beschouwen als het mindere van deze subsidiaire vordering. Gevorderd is dat Accell de Overeenkomst zal moeten nakomen met inachtneming van de tussen partijen vóór de door haar eenzijdig doorgevoerde aanpassing gemaakte afspraken. Accell heeft echter aangevoerd dat de Overeenkomst voorziet in regelmatige aanpassing van de afspraken, zodat de afspraken die vóór 11 september 2015 golden niet zonder meer van kracht blijven. Ook heeft Accell bepaalde, door IBG gestelde nadere afspraken, betwist. Daarom zal aan de veroordeling tot nakoming, zoals hierna onder 7.1 verwoord, geen dwangsom worden verbonden, gelet op het aanmerkelijke risico van executiegeschillen.

5.7.

De eveneens subsidiair gevorderde rectificatie van het bericht dat op Tweewieler.nl is gepubliceerd (weergegeven onder 2.13) is niet toewijsbaar. Daargelaten dat de inhoud van het bericht niet als onrechtmatig is aan te merken, heeft Accell voldoende aannemelijk gemaakt dat dit bericht niet door haar is geplaatst. Dat het artikel is gebaseerd op uitlatingen van [naam 5] van Accell betekent nog niet dat Accell de verantwoordelijkheid voor dit artikel draagt.

5.8.

Nu partijen over en weer gedeeltelijk in het (on)gelijk worden gesteld, worden de proceskosten gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6 De beoordeling in reconventie

6.1.

Accell heeft gesteld dat zij de gevraagde bescheiden nodig heeft om ten behoeve van haar bewijspositie in de door IBG aanhangig gemaakte bodemprocedure duidelijkheid te krijgen over het moment en de wijze waarop binnen IBG is gesproken over een mogelijke verkoop van de [winkel] .

Op dit moment heeft Accell naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende (spoedeisend) belang bij de gevraagde voorziening, nu Accell de afgifte van de gewenste bescheiden ook in de bodemprocedure zelf kan vorderen. Deze vordering wordt derhalve reeds op deze grond afgewezen.

6.2.

Gelet op de samenhang met de vordering in conventie worden de proceskosten in reconventie eveneens tussen partijen gecompenseerd.

7 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1.

veroordeelt Accell om, onmiddellijk na betekening van dit vonnis, de Overeenkomst en de op basis daarvan gemaakte en eventueel nog te maken nadere afspraken volledig en correct na te komen tot 11 maart 2016,

7.2.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

7.4.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

7.5.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

7.6.

weigert de gevraagde voorziening,

7.7.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Walraven, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. B.P.W. Busch, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2015.1

1 type: BPWB coll: EB