Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:8037

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-11-2015
Datum publicatie
30-11-2015
Zaaknummer
13/684969-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Onderzoek 13Baron

Inherent aan phishing is een zekere mate van organisatie. Phishing vergt immers een planmatige aanpak, intensieve samenwerking en duidelijke afstemming tussen de daarbij betrokken personen. De rechtbank acht bewezen dat sprake is geweest van meerdere criminele samenwerkingsverbanden. [medeverdachte 1] heeft in het phishing proces de rol ingenomen van de persoon die zich bezig hield met het onderscheppen van bankpassen en het opnemen van geldbedragen. [medeverdachte 2] kan worden aangeduid als de spammer van de groep en medeverdachte 4] had contacten met [verdachte] en [medeverdachte 2] over het aanvragen van nieuwe bankpassen. Tussen voornoemde verdachten is sprake geweest van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband. Verdachten hebben zich gedurende weken tot maanden schuldig gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie die phishing tot oogmerk had. Daarbij is op grootschalige wijze geld van de rekeninghouders en banken afhandig is gemaakt en zijn grote bedragen door contante geldopnames, overboekingen en door de aanschaf van goederen, weggesluisd. Op dergelijke feiten kan in niet anders worden gereageerd dan met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Mede in de nog jeugdige leeftijd van de meeste verdachten, het feit dat zij de juiste weg lijken te zijn ingeslagen of willen inslaan, maar hoofdzakelijk in het uiteindelijke belang dat de maatschappij erbij heeft dat verdachten niet opnieuw strafbare feiten zullen plegen, ziet de rechtbank aanleiding hen niet terug te sturen naar de gevangenis. Wel zal aan hen, naast een voorwaardelijke gevangenisstraf, een forse taakstraf worden opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/684969-14

Datum uitspraak: 9 november 2015

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres, te plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 28 en 29 september 2015 en 2, 5, 6, 9 en 26 oktober 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. N.M. Smits, en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. M.C. Jonge Vos naar voren is gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt – samengevat – verweten dat hij zich in verschillende plaatsen in Nederland heeft schuldig gemaakt aan:

1. deelname aan een criminele organisatie, die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven in de periode van 24 juli 2013 t/m 2 november 2014;

2. medeplegen van oplichting in de periode van 24 juli 2013 t/m 2 november 2014 door ING Bank (hierna: ING) te bewegen tot afgifte van pinpas(sen) van diverse personen;

3. medeplegen van diefstal van diverse geldbedragen van personen in de periode van 24 juli 2013 t/m 2 november 2014 met een valse sleutel;

4. medeplegen van diefstal van post van diverse personen in de periode van 24 juli 2013 t/m 2 november 2014;

5. medeplegen van poging tot oplichting in de periode van 24 juli 2013 t/m 2 november 2014 door de ING Bank te bewegen tot afgifte van pinpassen van diverse personen.

De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

3 Voorvragen

3.1

De dagvaarding

Partiële nietigheid

De rechtbank is (met de verdediging) van oordeel dat telkens wanneer in de ten laste gelegde feiten 2 en verder de zinsnede “…en een of meer tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en)…” is opgenomen, de dagvaarding – in het licht van het dossier – in zoverre niet voldoet aan de in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) gestelde eisen. Onduidelijk is immers op welke personen de officier van justitie het oog heeft. De dagvaarding zal dan ook voor wat betreft deze zinsneden nietig worden verklaard.

De dagvaarding is voor het overige deel geldig.

Deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte voor de ten laste gelegde feiten en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle aan verdachte ten laste gelegde feiten onder verwijzing naar haar op schrift gestelde requisitoir.

Ten aanzien van feit 1, de deelname aan een criminele organisatie, heeft zij – samengevat – aangevoerd dat de ten laste gelegde oplichtingsfeiten en diefstalfeiten zijn gepleegd door een criminele organisatie. De georganiseerdheid van de delicten blijkt uit het hanteren van een vaste modus operandi, een zekere mate van rolverdeling, het eigen taalgebruik van de groep, de gemaakte afspraken over de buitverdeling, het aantreffen van bankpassen en rijbewijzen op andere namen dan die van de verdachten, de geldstromen en het gebruik van een gezamenlijk e-mailaccount waarop bankgegevens van slachtoffers zijn aangetroffen. Deze organisatie had tot doel het verkrijgen van geld door middel van oplichting van banken en rekeninghouders. Verdachte is gedurende ruim een jaar onderdeel geweest van deze criminele organisatie.

Verwijzend naar het door haar opgestelde bewijsmiddelenoverzicht heeft zij voorts geconcludeerd tot bewezenverklaring van de feiten 2 tot en met 4 en tot bewezenverklaring van feit 5 met uitzondering van het medeplegen van de poging oplichting ten aanzien van rekeninghouder [persoon 1] .

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft het standpunt van de officier van justitie bestreden en vrijspraak voor alle feiten bepleit.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank betrekt in haar bewijsoverwegingen, indien relevant en van toepassing, telkens de door de officier van justitie en de raadsman aangevoerde standpunten.

4.3.1

Uitlezen smartphone verdachte – vormverzuim bewijsuitsluiting?

De verdediging heeft – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de onderzoeken aan de smartphones van (mede)verdachte(n) onrechtmatig zijn geweest, nu artikel 94 Sv onvoldoende wettelijke basis biedt voor een dergelijk onderzoek. Een dergelijk onderzoek vormt een inbreuk op de privacy van verdachte, gewaarborgd in artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Onder verwijzing naar het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 april 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:2954) dient dit volgens de verdediging te leiden tot bewijsuitsluiting van de door middel van deze onderzoeken verkregen informatie. Aangezien het gerechtshof de hoogste instantie is die aldus heeft beslist dient deze lijn te worden gevolgd, aldus de verdediging.

De officier van justitie heeft de zienswijze van de verdediging bestreden en gewezen op meerdere vonnissen van diverse rechtbanken, ook van later datum dan van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin onderzoeken aan smartphones niet zijn gesanctioneerd.

De rechtbank overweegt als volgt:

De strafvorderlijke bevoegdheid tot inbeslagneming (artikel 94 Sv) omvat de bevoegdheid aan of in dat voorwerp onderzoek te doen naar aanwijzingen die licht kunnen werpen op de verdenking (in belastende of ontlastende zin). Juist is dat smartphones veel privacygevoelige informatie kunnen bevatten. Bij de vraag of die gegevens onderzocht mogen worden zullen – nu een daarop specifiek gerichte wettelijke regeling vooralsnog ontbreekt – de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit beperkingen kunnen meebrengen die in acht moeten worden genomen bij de uitoefening van de bevoegdheid onderzoek te doen naar de informatie die zich bevindt op een inbeslaggenomen telefoon. Dat betekent dat het onderzoeken van mogelijk privacygevoelige informatie achterwege dient te blijven als dat voor het opsporingsonderzoek onnodig is of als de aard en ernst van de verdenking daarvoor onvoldoende rechtvaardiging biedt.

De verdenking op basis waarvan de inbeslagnames zijn geschied was telkens betrokkenheid bij phishing. De ernst van deze feiten rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank deze inbreuk op de privacy van verdachte – voor zover die al in het geding zou zijn bij onderzoek aan andermans telefoon. Gelet op de aard van de verdenking kunnen de op de smartphones aanwezige gegevens voorts bij uitstek de waarheid aan het licht brengen. Dat die informatie op andere wijze beschikbaar was, is niet aannemelijk. Saillant is overigens te noemen dat de voor het onderzoek van belang zijnde gegevens die in diverse smartphones zijn aangetroffen juist uitermate privacygevoelige (bank)gegevens van derden bevatten.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de onderzoeken aan de smartphones niet in strijd zijn geweest met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, zodat geen sprake is van een vormverzuim.

4.3.2

Gebruik verklaringen medeverdachte [medeverdachte 1]

De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen die medeverdachte [medeverdachte 1] bij de politie heeft afgelegd van het bewijs dienen te worden uitgesloten en daarbij gewezen op de zogenaamde “Vidgen – jurisprudentie” van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

De officier van justitie heeft deze zienswijze bestreden en erop gewezen dat de verklaringen van [medeverdachte 1] niet het enige of doorslaggevende (solely or to a decisive extent) bewijsmiddel zijn.

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er geen gelegenheid is geweest om de verklaringen van [medeverdachte 1] zoals hij die ten overstaan van de politie heeft afgelegd op hun betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten door hem als getuige te ondervragen. [medeverdachte 1] heeft zich immers bij de rechter-commissaris op zijn verschoningsrecht beroepen. Echter volgens de door de verdediging aangehaalde rechtspraak is van een ongeoorloofd gebruik van de verklaringen van [medeverdachte 1] geen sprake indien deze verklaringen in belangrijke mate steun vinden in andere bewijsmiddelen, waarbij geldt dat het steunbewijs betrekking moet hebben op die onderdelen van de belastende verklaringen die verdachte betwist.

Nog daargelaten dat verdachte zich telkens op zijn zwijgrecht heeft beroepen en pas ter zitting heeft ontkend de “ [naam 1] ” te zijn over wie [medeverdachte 1] verklaart, vinden de verklaringen van [medeverdachte 1] in belangrijke mate steun in andere bewijsmiddelen, zoals de phishing-gerelateerde gegevens die zijn aangetroffen in de BlackBerry-telefoon die verdachte bij zijn aanhouding uit het raam heeft gegooid, tapgesprekken gevoerd met het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer] , toegeschreven aan verdachte alsmede het afgeluisterde gesprek tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] in de arrestantenbus.

De verklaringen van [medeverdachte 1] kunnen dan ook voor het bewijs worden gebruikt.

4.3.3

[naam 1] is [verdachte]

De raadsman heeft namens verdachte aangevoerd dat verdachte niet als [naam 1] kan worden gekoppeld aan het telefoonnummer [telefoonnummer] (hierna * [telefoonnummer] ).

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat het steeds verdachte is die tijdens belastende gesprekken gebruik heeft gemaakt van voornoemd telefoonnummer. Een stemherkenning is immers achterwege gelaten.

Uit onderzoek is gebleken dat verdachte een Twitteraccount en een Instagramaccount heeft onder de naam [naam 1]. Op zijn Skypeaccount, die gekoppeld was aan de onder verdachte in beslag genomen iPhone, noemde verdachte zichzelf vergelijkbaar, namelijk [naam 2] . Dat verdachte zichzelf [naam 1] noemt is duidelijk. Ook lijkt in ieder geval één van de medeverdachten in het onderzoek verdachte als [naam 1] of [naam 1] te kennen. Tijdens het vervoer in de arrestantenbus spreekt [medeverdachte 2] verdachte immers aan met [naam 1].

Ook medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] blijken een [naam 1] te kennen. In hun telefoons is onder het contact [naam 1] het telefoonnummer * [telefoonnummer] opgeslagen. Hoewel zich in de onder verdachte in beslag genomen telefoon een ander telefoonnummer bevond, werd daarin ook het telefoonnummer * [telefoonnummer] aangetroffen. In zijn whatsapp-account werd namelijk telefoonnummer * [telefoonnummer] weergegeven. Indien bij het wisselen van telefoonnummers geen nieuw account wordt aangemaakt blijft het oude telefoonnummer gekoppeld aan het whatsapp-account.

Gelet op voorgaande bevindingen, acht de rechtbank voldoende vast staan dat verdachte telefoonnummer * [telefoonnummer] in gebruik had.

De rechtbank ziet in het door de raadsman naar voren gebrachte geen redenen te betwijfelen dat het verdachte was die steeds gebruik maakte van het telefoonnummer. Het dossier bevat geen enkele aanwijzing dat een ander dan verdachte gebruik maakte van het nummer zodat kan worden aangenomen dat verdachte de enige gebruiker van de telefoon was. De verweren van de raadsman worden verworpen.

4.4

Bewijsoverwegingen feit 1

Deelname aan criminele organisatie

De officier van justitie heeft – samengevat – ten aanzien van het aantonen van het bestaan van een criminele organisatie tussen verdachte en de andere in het onderzoek 13Baron naar voren gekomen verdachten, gewezen op de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] . Op basis daarvan, in combinatie met de bevindingen in het dossier, kan volgens haar in elk geval worden vastgesteld dat de door verdachten gepleegde feiten zijn gepleegd door een criminele organisatie. Naar haar mening zijn alle in de tenlastelegging onder 1 genoemde verdachten gedurende ruim een jaar onderdeel geweest van een criminele organisatie waarin op grote schaal misdrijven werden gepleegd.

De raadsman heeft – samengevat – dat geen sprake is van een organisatie waaraan verdachte zou hebben deelgenomen. Het medeplegen van een aantal strafbare feiten kan niet gelijk worden gesteld met een criminele organisatie. Niet valt uit de bewijsmiddelen op te maken dat sprake is geweest van een min of meer vaste groep van personen die duurzaam en gestructureerd samen hebben gewerkt met als oogmerk het plegen van strafbare feiten. De zeer korte periode waarin feiten zouden zijn gepleegd geldt bovendien als contra-indicatie voor het bestaan daarvan. De rol die verdachte wordt toegedicht komt louter uit de koker van medeverdachte [medeverdachte 1] . Uit objectieve bewijsmiddelen blijkt niet dat verdachte een vaste rol heeft. Deelname kan niet worden bewezen.

Beoordeling

Inherent aan phishing is een zekere mate van organisatie. Immers, er worden e-mails verstuurd die zogenaamd van een bank afkomstig zijn; rekeninghouders worden naar websites gestuurd die sprekend lijken op de websites van banken; banken worden gebeld door personen die zich voordoen als rekeninghouders die een nieuwe bankpas nodig hebben; er zijn personen nodig die de nieuw aangevraagde bankpassen onderscheppen en er zijn mensen nodig die met de onderschepte bankpas en de reeds eerder bemachtigde pincode van het slachtoffer, binnen een zo kort mogelijke termijn, geld opnemen. Deze handelwijze vergt een planmatige aanpak, intensieve samenwerking en duidelijke afstemming tussen de daarbij betrokken personen.

Dat verdachte in het phishing proces de rol heeft aangenomen van de persoon die zich bezig hield met het aanvragen van passen volgt niet alleen uit zijn eigen verklaring, maar ook uit andere bewijsmiddelen in het dossier. Daaruit blijkt ook dat verdachte intensieve contacten onderhield met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Die contacten waren telkens phishing gerelateerd. Er zijn niet alleen gegevens van slachtoffers uitgewisseld, maar er is ook concreet gesproken over het verkrijgen van gegevens van [medeverdachte 2] , het aanvragen van vervangende pinpassen, het stelen van post en over de verdeling van geld. In deze contacten komt [medeverdachte 2] naar voren als de spammer van de groep, degene die de informatie van slachtoffers bemachtigde middels het uitzetten van phishing e-mails. [medeverdachte 4] komt – samen met verdachte – naar voren als degene die vervangende pinpassen op naam van de slachtoffers aanvraagt en [medeverdachte 1] komt naar voren als degene die post onderschept en het geld van de rekeningen opneemt. Hoewel verdachten soms wisselden van de hiervoor beschreven rollen, kan van een ieder een min of meer vaste rol worden aangenomen. De phishing vond plaats op structurele basis. In een aantal gevallen werd zelfs dagelijks over de te plegen fraude gesproken.

Op basis van het voorgaande kan worden vastgesteld dat tussen voornoemde verdachten sprake is geweest van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband waarbij beoogd werd de in de tenlastelegging genoemde misdrijven te plegen. De samenstelling veranderde soms, maar gelet op de intensiteit van de bijdragen van de verdachten onderling, kan van ieder een bepaalde rol worden aangenomen binnen de samenwerking. Hoewel ook losse verbanden kunnen worden gelegd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat ook andere medeverdachten tot deze criminele organisatie behoorden, beperkt de rechtbank zich tot de vaststelling dat in ieder geval sprake was van een criminele organisatie waarvan verdachte, [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] deel van uitmaakten.

Gelet op het feit dat verdachten pas in beeld komen vanaf eind juli 2014 zal het bestaan van de criminele organisatie worden aangenomen vanaf 1 juli 2014 en verdachtes deelneming hieraan tot aan zijn aanhouding.

4.5

Vrijspraak feiten 2, 3, 4 en 5

Met betrekking tot de vraag of verdachte, naast het hebben deelgenomen aan een criminele organisatie, ook kan worden veroordeeld voor de overige handelingen, die op zijn tenlastelegging onder 2, 3, 4 en 5 staan als aparte misdrijven, overweegt de rechtbank als volgt. Er is geen bewijs voorhanden dat verdachte in die concrete misdrijven zelf banken of slachtoffers heeft gebeld, poststukken heeft gestolen of geld heeft gepind. Of er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en andere personen en verdachte daarom als medepleger van die aparte misdrijven kan worden beschouwd, hangt af van de vraag of hij een bijdrage aan die misdrijven heeft geleverd die van voldoende gewicht is. In zijn arrest van 2 december 2014 formuleert de Hoge Raad enige aandachtspunten voor de beantwoording van die vraag (ECLI:NL:HR:2014:3474). Er kan rekening gehouden worden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de uitvoering van het delict, het belang van de rol van verdachte en zijn aanwezigheid op belangrijke momenten.

Met het verstrekken van informatie en het geven van instructies aan anderen verwezenlijkt verdachte een van de onmisbare stappen van de phishing operatie, maar alleen dat is niet voldoende voor medeplegen. Uit de bewijsmiddelen kan niet volgen dat verdachte een bijdrage aan die misdrijven heeft geleverd die van zodanig gewicht was om hem als medepleger van die misdrijven te beschouwen.

Verdachte zal worden vrijgesproken van de feiten 2, 3, 4 en 5.

5
5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen en op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, bewezen dat verdachte:

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

in de periode van 1 juli 2014 tot en met 2 november 2014 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en andere personen welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het:

  • -

    plegen van computervredebreuk,

  • -

    plegen van witwassen,

  • -

    plegen van oplichting,

  • -

    plegen van diefstal van poststukken en bankpassen en het

  • -

    plegen van diefstal van een of meer geldbedrag(en) door middel van een valse sleutel.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 tot en met 7 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan zes (6) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee (2) jaar, met aftrek van voorarrest, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd in het reclasseringsrapport d.d. 7 mei 2015.

8.2

Het strafmaatverweer van de verdediging

De raadsman heeft namens verdachte in het kader van de strafmaat aangevoerd dat verdachte geen langere gevangenisstraf opgelegd zou moeten krijgen dan het voorarrest. Na zijn schorsing heeft verdachte een baan gevonden, hij heeft zich goed aan de schorsingsvoorwaarden gehouden en staat inmiddels op eigen benen. De reeds ondergane voorlopige hechtenis met daarna een zes maanden durende elektronische detentie moet meewegen in de strafmaat.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich gedurende een aantal maanden schuldig gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven. Leden van de organisatie deden zich voor als rekeninghouders van bankinstellingen waardoor frauduleus gegevens werden verkregen. Op die manier werd op grootschalige wijze geld van de rekeninghouders en banken afhandig gemaakt en werden soms grote bedragen door contante geldopnames, overboekingen en door de aanschaf van goederen, weggesluisd. Verdachte nam binnen het samenwerkingsverband een coördinerende en sturende rol op zich. Daarmee vervulde hij een substantiële rol in de organisatie. Verdachte was het daarbij slechts te doen om snel geld en hij heeft geen enkel oog gehad voor de problemen en onzekerheid waarin hij de betrokken rekeninghouders heeft gebracht. Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Verdachte heeft steeds een ontkennende dan wel zwijgende houding aangenomen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij ervoor heeft gekozen geen inzicht te tonen in het kwalijke van zijn handelen en geen verantwoordelijkheid te nemen voor zijn gedrag.

Blijkens het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 3 september 2015 is verdachte niet eerder veroordeeld.

De rechtbank heeft acht geslagen op het reclasseringsrapport d.d. 7 mei 2015. Daarin is – in het kader van het advies voor de schorsing van de voorlopige hechtenis – geadviseerd aan verdachte een meldplicht, een contactverbod, een locatiegebod en andere voorwaarden het gedrag betreffende inhoudende het vinden van een dagbesteding op te leggen. Tijdens zijn schorsing is reeds gestart met voornoemde voorwaarden. Uit het voortgangsverslag van 25 september 2015 volgt dat verdachte zich goed aan de voorwaarden heeft gehouden.

In verdachtes persoonlijke omstandigheden, zijn relatief jonge leeftijd en – hoofdzakelijk – het uiteindelijke belang dat de maatschappij erbij heeft dat verdachte niet opnieuw strafbare feiten zal plegen, ziet de rechtbank aanleiding om in strafmatigende zin af te wijken van de eis van de officier van justitie. Daarnaast acht de rechtbank minder feiten en een kleinere criminele organisatie gedurende een aanmerkelijk kortere periode bewezen dan de officier van justitie. Om deze reden zal de rechtbank verdachte niet terugsturen naar de gevangenis, maar zal aan hem – naast een forse taakstraf – wel een flink voorwaardelijk strafdeel worden opgelegd met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals voornoemd, met uitzondering van het contactverbod en het locatiegebod, gelet op het daartoe ontbrekende belang na bestraffing.

9 Beslag

9.1

Conservatoir beslag – goederen 18 tot en met 21

De rechtbank stelt vast dat er thans nog strafvorderlijk beslag ex artikel 94 Sv rust op een geldbedrag en drie bankpassen met bijbehorende bankrekeningen, zoals opgenomen onder de nummers 18 tot en met 21 op de aangehechte beslaglijst. De rechtbank zal het strafvorderlijk beslag opheffen, nu een strafvorderlijk belang daartoe thans ontbreekt. Omdat op het geldbedrag en de drie rekeningen tevens conservatoir beslag rust, zal de rechtbank geen last tot teruggave daarvan aan de rechthebbende bevelen.

9.2

Overig beslag – goederen 1 tot en met 17

Verbeurdverklaring

Onder verdachte zijn twee telefoons in beslag genomen genoemd onder nummers 10 en 14 op de aangehechte beslaglijst. Deze voorwerpen behoren aan verdachte toe. Gebleken is dat verdachte met behulp van deze telefoons het onder 1 bewezen verklaarde feit heeft begaan. Met die telefoons heeft hij immers informatie over rekeninghouders uitgewisseld en phishing gerelateerde gesprekken gevoerd. Deze voorwerpen worden verbeurdverklaard.

Retour rechthebbende

Onder verdachte zijn de voorwerpen genoemd onder nummers 1 tot en met 7, 9, 11 en 17 op de aangehechte beslaglijst in beslag genomen. Deze voorwerpen behoren aan verdachte toe en zullen aan hem worden geretourneerd.

10 Benadeelde partijen

10.1

Vorderingen ING

ING heeft vorderingen ingediend als benadeelde partij. De verdediging beschikte voorafgaand aan de terechtzitting over deze vorderingen en ter terechtzitting heeft [persoon 2] namens ING een toelichting op de vorderingen gegeven alsmede een lijst overgelegd van die dossiers waarop de vorderingen zien. De vorderingen zijn dan ook ingediend in de zaken tegen verdachte en al zijn medeverdachten. Voor zover een op de lijst voorkomende naam bewezenverklaard is tegen verdachte, kan worden vastgesteld dat verdachte jegens ING aansprakelijk is voor de door haar geleden schade als gevolg van de bewezenverklaarde (poging tot) oplichting en/of diefstal. De vorderingen kunnen niet worden toegewezen in verband met de bewezen criminele organisatie, nu het rechtsgoed dat artikel 140 Sr beoogt te beschermen de openbare orde is en niet de individuele belangen van slachtoffers.

Nu verdachte zal worden vrijgesproken van de ten laste gelegde (poging tot) oplichting en diefstal, is niet gebleken dat ING inzake enige rekeninghouder door het bewezen geachte feit rechtstreeks schade is toegebracht. De benadeelde partij is in de vorderingen niet-ontvankelijk.

10.2

Vorderingen Rabobank

Nu niet is gebleken dat Rabobank inzake rekeninghouders [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [bedrijf 3] door het bewezen geachte feit rechtstreeks schade is toegebracht, is de benadeelde partij in die vorderingen niet-ontvankelijk.

10.3

Vordering [persoon 3]

Bewezen is verklaard dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven. De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van benadeelde partij [persoon 3] toe te wijzen nu aan die benadeelde rechtstreeks schade is toegebracht door de criminele organisatie. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij niet is geduid in enige bewezenverklaring. Evenmin kan aan de hand van de bewezenverklaring [persoon 3] als direct slachtoffer worden aangewezen. Ook kan niet worden vastgesteld dat de benadeelde partij als gevolg van feit 1 rechtstreekse schade heeft geleden. De benadeelde is immers niet getroffen in het belang dat door de geschonden strafbepaling wordt beschermd. De rechtbank acht daarom niet bewezen dat rechtstreeks schade is ontstaan door het handelen van verdachte. De benadeelde partij is daarom niet-ontvankelijk in de vordering.

10.4

Vorderingen [persoon 4] en [persoon 5]

Nu niet is gebleken dat [persoon 4] en [persoon 5] door het bewezen geachte feit rechtstreeks schade is toegebracht, zijn de benadeelde partijen in die vorderingen niet-ontvankelijk.

10.5

[persoon 6] en [persoon 7]

[persoon 6] en [persoon 7] hebben geen schadevergoeding gevorderd.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, en 140 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

12 Beslissing

Verklaart de dagvaarding nietig voorzover in de feiten 2, 3, 4 en 5 de zinsnede voorkomt: “…en een of meer tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en)…”

Verklaart het onder 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Meldplicht

Veroordeelde dient zich te melden bij Reclassering Nederland op de [adres] te [plaats] . Hierna moet hij zich gedurende door de reclassering bepaalde perioden blijven melden zo frequent als de reclassering gedurende deze perioden nodig acht. Gedurende deze periode moet de veroordeelde zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Dit betekent dat de toezichthouder de veroordeelde opdrachten geeft die betrekking hebben op zijn handel en wandel, met als doel om hem zowel de begeleiden bij de naleving van de bijzondere voorwaarden, als ook te kunnen controleren of hij zich aan de naleving van de bijzondere voorwaarden houdt.

Andere voorwaarden gedrag betreffende

Veroordeelde wordt verplicht om te beschikken over een dagbesteding van minimaal 26 uur per week in de vorm van werk/en of scholing.

Geeft opdracht aan de reclassering te Amsterdam, gevestigd aan de [adres] , [plaats] , om toezicht te houden op de naleving van de opgelegde bijzondere voorwaarden.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 200 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen.

Beslag

Heft op het strafvorderlijk beslag op het geldbedrag en de bankpassen met bijbehorende bankrekeningen zoals opgenomen op de aangehechte beslaglijst onder de nummers:

18, 19, 20 en 21.

Verklaart verbeurd de voorwerpen genoemd op de aangehechte beslaglijst onder de nummers:

10 en 14.

Gelast de teruggave aan [verdachte] van de voorwerpen genoemd op de aangehechte beslaglijst onder de nummers:

1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 9, 11 en 17.

Benadeelde partijen

Verklaart ING niet-ontvankelijk in de vorderingen.

Verklaart Rabobank niet-ontvankelijk in de vorderingen.

Verklaart [persoon 3] niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart [persoon 4] niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart [persoon 5] niet-ontvankelijk in de vordering.

Voorlopige hechtenis

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.B. Martens, voorzitter,

mrs. R. Hirzalla en M.B. de Boer, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Flikkenschild, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 november 2015.