Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:8035

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-11-2015
Datum publicatie
30-11-2015
Zaaknummer
13/684927-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Onderzoek 13Baron

Inherent aan phishing is een zekere mate van organisatie. Phishing vergt immers een planmatige aanpak, intensieve samenwerking en duidelijke afstemming tussen de daarbij betrokken personen. De rechtbank acht bewezen dat sprake is geweest van meerdere criminele samenwerkingsverbanden. [medeverdachte 3] heeft in het phishing proces de rol ingenomen van de persoon die zich bezig hield met het onderscheppen van bankpassen en het opnemen van geldbedragen. [medeverdachte 1] kan worden aangeduid als de spammer van de groep en [verdachte] had contacten met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] over het aanvragen van nieuwe bankpassen. Tussen voornoemde verdachten is sprake geweest van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband. Verdachten hebben zich gedurende weken tot maanden schuldig gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie die phishing tot oogmerk had. Daarbij is op grootschalige wijze geld van de rekeninghouders en banken afhandig is gemaakt en zijn grote bedragen door contante geldopnames, overboekingen en door de aanschaf van goederen, weggesluisd. Op dergelijke feiten kan in niet anders worden gereageerd dan met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Mede in de nog jeugdige leeftijd van de meeste verdachten, het feit dat zij de juiste weg lijken te zijn ingeslagen of willen inslaan, maar hoofdzakelijk in het uiteindelijke belang dat de maatschappij erbij heeft dat verdachten niet opnieuw strafbare feiten zullen plegen, ziet de rechtbank aanleiding hen niet terug te sturen naar de gevangenis. Wel zal aan hen, naast een voorwaardelijke gevangenisstraf, een forse taakstraf worden opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/684927-14

Datum uitspraak: 9 november 2015

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres, te plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 28 en 29 september 2015 en 2, 5,6, 9 en 26 oktober 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. N.M. Smits, en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. E.G.S. Roethof naar voren is gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt na wijziging van de tenlastelegging – samengevat – verweten dat hij zich in verschillende plaatsen in Nederland heeft schuldig gemaakt aan:

1. deelname aan een criminele organisatie, die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, in de periode van 24 juli 2013 t/m 20 oktober 2014;

2. medeplegen van oplichting in de periode van 24 juli 2013 t/m 20 oktober 2014 door ING Bank (hierna: ING) te bewegen tot afgifte van pinpas(sen) van diverse personen;

3. medeplegen van diefstal van een geldbedrag van [persoon 1] op 1 mei 2014 met een valse sleutel;

4. medeplegen van poging oplichting in de periode van 24 juli 2013 t/m 20 oktober 2014 door ING en/of Rabobank te bewegen tot afgifte van pincodes/pinpassen van diverse personen.

De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

3 Voorvragen

3.1

De dagvaarding

Partiële nietigheid

De rechtbank is (met de verdediging) van oordeel dat telkens wanneer in de ten laste gelegde feiten 2 en verder de zinsnede “…en een of meer tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en)…” is opgenomen, de dagvaarding – in het licht van het dossier – in zoverre niet voldoet aan de in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) gestelde eisen. Onduidelijk is immers op welke personen de officier van justitie het oog heeft. De dagvaarding zal dan ook voor wat betreft deze zinsneden nietig worden verklaard.

De dagvaarding is voor het overige deel geldig.

Deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte voor de ten laste gelegde feiten en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle aan verdachte ten laste gelegde feiten onder verwijzing naar haar op schrift gestelde requisitoir.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft het standpunt van de officier van justitie bestreden en vrijspraak van alle feiten bepleit..

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank betrekt in haar bewijsoverwegingen, indien relevant en van toepassing, telkens de door de officier van justitie en de raadsman aangevoerde standpunten.

4.3.1

Uitlezen smartphone verdachte – vormverzuim bewijsuitsluiting?

De verdediging heeft – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de onderzoeken aan de smartphones van (mede)verdachte(n) onrechtmatig zijn geweest, nu artikel 94 Sv onvoldoende wettelijke basis biedt voor een dergelijk onderzoek. Een dergelijk onderzoek vormt een inbreuk op de privacy van verdachte, gewaarborgd in artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Onder verwijzing naar het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 april 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:2954) dient dit volgens de verdediging te leiden tot bewijsuitsluiting van de door middel van deze onderzoeken verkregen informatie. Aangezien het gerechtshof de hoogste instantie is die aldus heeft beslist dient deze lijn te worden gevolgd, aldus de verdediging.

De officier van justitie heeft de zienswijze van de verdediging bestreden en gewezen op meerdere vonnissen van diverse rechtbanken, ook van later datum dan van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin onderzoeken aan smartphones niet zijn gesanctioneerd.

De rechtbank overweegt als volgt:

De strafvorderlijke bevoegdheid tot inbeslagneming (artikel 94 Sv) omvat de bevoegdheid aan of in dat voorwerp onderzoek te doen naar aanwijzingen die licht kunnen werpen op de verdenking (in belastende of ontlastende zin). Juist is dat smartphones veel privacygevoelige informatie kunnen bevatten. Bij de vraag of die gegevens onderzocht mogen worden zullen – nu een daarop specifiek gerichte wettelijke regeling vooralsnog ontbreekt – de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit beperkingen kunnen meebrengen die in acht moeten worden genomen bij de uitoefening van de bevoegdheid onderzoek te doen naar de informatie die zich bevindt op een inbeslaggenomen telefoon. Dat betekent dat het onderzoeken van mogelijk privacygevoelige informatie achterwege dient te blijven als dat voor het opsporingsonderzoek onnodig is of als de aard en ernst van de verdenking daarvoor onvoldoende rechtvaardiging biedt.

De verdenking op basis waarvan de inbeslagnames zijn geschied was telkens betrokkenheid bij phishing. De ernst van deze feiten rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank deze inbreuk op de privacy van verdachte – voor zover die al in het geding zou zijn bij onderzoek aan andermans telefoon. Gelet op de aard van de verdenking kunnen de op de smartphones aanwezige gegevens voorts bij uitstek de waarheid aan het licht brengen. Dat die informatie op andere wijze beschikbaar was, is niet aannemelijk. Saillant is overigens te noemen dat de voor het onderzoek van belang zijnde gegevens die in diverse smartphones zijn aangetroffen juist uitermate privacygevoelige (bank)gegevens van derden bevatten.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de onderzoeken aan de smartphones niet in strijd zijn geweest met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, zodat geen sprake is van een vormverzuim.

4.3.2

Stemherkenningen

De raadsman heeft verzocht de processen-verbaal van stemherkenning uit te sluiten van het bewijs, aangezien de verbalisanten die stellen de stem van verdachte te herkennen niet deskundig zijn op dat gebied en er in bepaalde gevallen slechts drie woorden worden ingesproken per gesprek.

De officier van justitie heeft de zienswijze van de raadsman bestreden.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

Drie verbalisanten ( [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] ) hebben in een ambtsedig proces-verbaal aangegeven dat zij de stem van verdachte telkens hebben herkend. De laatste twee van deze verbalisanten zijn in bijzijn van de raadsman van verdachte ten overstaan van de rechter-commissaris ondervraagd over deze herkenningen en zijn bij hun bevindingen gebleven. Daarnaast vinden de herkenningen steun in het feit dat er telkens met het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer] werd gebeld, zijnde het telefoonnummer dat aan [verdachte] wordt toegeschreven op basis van onderzoek (Zaaksdossier phishing Groep [verdachte] pag.1) dat [verdachte] in zijn bezit had toen hij op 13 augustus 2014 werd aangehouden (Zaaksdossier phishing [verdachte] p. 124) en waarvan verdachte zelf toegeeft dat hij er gebruik van maakt (verhoor verdachte 30 oktober 2014). Verder werden geluiden van zangvogels op de achtergrond van de betreffende telefoongesprekken gehoord, terwijl bij de doorzoeking van de woning van verdachte zangvogels werden aangetroffen. Verdachte heeft niet aangegeven welke gesprekken niet door hem zijn gevoerd of wie er dan van voornoemd telefoonnummer gebruik maakte. In dit licht heeft de rechtbank geen reden te twijfelen aan de processen-verbaal van stemherkenning.

4.4

Bewijsoverwegingen feit 1

Deelname aan criminele organisatie

Inherent aan phishing is een zekere mate van organisatie. Immers, er worden e-mails verstuurd die zogenaamd van een bank afkomstig zijn; rekeninghouders worden naar websites gestuurd die sprekend lijken op de websites van banken; banken worden gebeld door personen die zich voordoen als rekeninghouders die een nieuwe bankpas nodig hebben; er zijn personen nodig die de nieuw aangevraagde bankpassen onderscheppen en er zijn mensen nodig die met de onderschepte bankpas en de reeds eerder bemachtigde pincode van het slachtoffer, binnen een zo kort mogelijke termijn, geld opnemen. Deze handelwijze vergt een planmatige aanpak, intensieve samenwerking en duidelijke afstemming tussen de daarbij betrokken personen.

Verdachte nam binnen het phishing proces de rol in van de persoon die zich bezig hield met het aanvragen van vervangende pinpassen. Dat volgt uit de hierna bewezenverklaarde feiten en de overige bewijsmiddelen. Daaruit kan worden afgeleid dat verdachte routinematig vervangende pinpassen heeft aangevraagd. Uit de bewijsmiddelen blijkt ook dat verdachte binnen dit phishing proces heeft samengewerkt met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Met hen heeft verdachte meerdere phishing gerelateerde gesprekken gevoerd. Ook zijn tussen hen uitgewisselde gegevens aangetroffen van (potentiële) slachtoffers en er is concreet gesproken over het aanvragen van passen, het onderscheppen van die passen, het stelen daarvan, het opnemen van geldbedragen en de verdeling van de buit. De rol van [medeverdachte 1] hield in het versturen van phishingmails en het verzamelen van gegevens. Deze informatie deelde hij met leden van de groep, waarna een ander, in de meeste gevallen verdachte, vervangende passen aanvroeg op naam van de rekeninghouders zodat [medeverdachte 3] de passen kon onderscheppen en geld van de rekeningen kon opnemen. De rol van [medeverdachte 2] kan daarbij worden omschreven als een coördinerende en sturende rol. Hoewel verdachten soms wisselden van de hiervoor beschreven rollen, kan van een ieder een min of meer vaste rol worden aangenomen. De phishing vond plaats op structurele basis. In een aantal gevallen werd zelfs dagelijks over de te plegen fraude gesproken.

Op basis van het voorgaande kan worden vastgesteld dat tussen voornoemde verdachten sprake is geweest van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband waarbij beoogd werd de in de tenlastelegging genoemde misdrijven te plegen. De samenstelling veranderde soms, maar gelet op de intensiteit van de bijdragen van de verdachten onderling, kan van ieder een bepaalde rol worden aangenomen binnen de samenwerking. Hoewel ook losse verbanden kunnen worden gelegd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat ook andere medeverdachten tot deze criminele organisatie behoorden, beperkt de rechtbank zich tot de vaststelling dat in ieder geval sprake was van een criminele organisatie waarvan verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] deel uitmaakten.

Gelet op het feit dat verdachten gezamenlijk pas in beeld komen vanaf eind juli 2014 zal het bestaan van de criminele organisatie worden aangenomen vanaf 1 juli 2014 en verdachtes deelname hieraan tot aan zijn aanhouding.

4.5.

Bewijsoverwegingen feiten 2, 3 en 4

Feit 2

Onder feit 2 wordt verdachte verweten op naam van verschillende rekeninghouders vervangende betaalpassen te hebben aangevraagd. De raadsman heeft aangevoerd dat het aanvragen van een pas door middel van een geautomatiseerde klantenservice, zodanig eenvoudig was dat het handelen van verdachte geen oplichting kan opleveren.

Dat het vrij eenvoudig was om een vervangende pas op naam van een rekeninghouder aan te vragen waartoe verdachte niet was gerechtigd, rechtvaardigt niet de conclusie dat geen oplichtingshandelingen zijn verricht. Met het aanvragen van een bankpas op naam van een persoon tot wiens rekening verdachte geen toegang had, deed verdachte zich immers voor als een ander. Hij nam daarmee een valse naam en een valse hoedanigheid aan.

Van de pasaanvraag op naam van [persoon 2] staat vast dat de aangevraagde pas is verzonden zodat sprake is van een voltooide oplichting. Dat is echter anders voor de pasaanvraag van rekeninghouders [persoon 3] en/of [persoon 4] . Uit het dossier blijkt niet dat de op 4 augustus 2014 door verdachte aangevraagde pas is verzonden zodat niet van een voltooide oplichting kan worden gesproken. Met betrekking tot rekeninghouder [persoon 1] staat niet vast dat het verdachte is geweest die de nieuwe pas ook heeft aangevraagd.

Verdachte wordt van die onderdelen in de tenlastelegging vrijgesproken.

Hoewel vermoed kan worden dat verdachte in voornoemde gevallen heeft samengewerkt met anderen kan niet worden vastgesteld dat die samenwerking zodanig nauw en bewust van aard was dat de kwalificatie medeplegen daaraan kan worden gegeven. Verdachte wordt van dat onderdeel vrijgesproken.

Feit 3

Verdachte wordt verweten dat hij een geldbedrag heeft weggenomen van de rekening van [persoon 1] . Verdachte is door twee verbalisanten tijdens het pinnen op 1 mei 2014 herkend. Hij neemt dan € 2.357,76 en € 1.000 op met de pinpas van [persoon 1] bij het Grenswisselkantoor in Utrecht.

De raadsman heeft aangevoerd dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat het verdachte is die op de beelden te zien is. Hij heeft de rechtbank verzocht zelf een oordeel te vormen aan de hand van het bekijken van de genomen stills van de beelden.

Ambtshalve ziet de rechtbank geen redenen te twijfelen aan de herkenning van de verbalisanten. Nu ook niet door de raadsman is onderbouwd waarom aan de betrouwbaarheid van de herkenning van verdachte op de beelden door verbalisanten zou moeten worden getwijfeld, zal het verweer worden gepasseerd. Het bewijs dat verdachte ook degene is die in Amsterdam geld pint, ontbreekt echter.

Bewijs waaruit blijkt dat verdachte het feit in samenwerking met een ander of anderen heeft gepleegd ontbreekt. Verdachte wordt ook vrijgesproken van het deel dat ziet op het ten laste gelegde medeplegen van het feit.

Feit 4

Onder feit 4 wordt verdachte wederom verweten op naam van verschillende rekeninghouders vervangende betaalpassen te hebben aangevraagd. In deze gevallen is het echter bij een poging gebleven omdat de banken de fraude tijdig hebben ontdekt waardoor de passen niet zijn verzonden.

Ook in deze gevallen heeft verdachte zich voorgedaan als een ander zodat hij een valse naam en een valse hoedanigheid heeft aangenomen. De pogingen tot oplichting kunnen dan ook worden bewezen.

Hoewel vermoed kan worden dat verdachte in voornoemde gevallen heeft samengewerkt met anderen kan niet worden vastgesteld dat die samenwerking zodanig nauw en bewust was dat sprake is van medeplegen. Verdachte wordt van dat onderdeel vrijgesproken.

5
5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen en op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, bewezen dat verdachte:

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

in de periode van 1 juli 2014 tot en met 20 oktober 2014 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten verdachte, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en andere personen welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het:

  • -

    plegen van computervredebreuk,

  • -

    plegen van witwassen,

  • -

    plegen van oplichting,

  • -

    plegen van diefstal van poststukken en bankpassen en het

  • -

    plegen van diefstal van een of meer geldbedrag(en) door middel van een valse sleutel;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

in de periode van 1 augustus 2014 tot en met 20 oktober 2014 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid, ING Bank heeft bewogen tot de afgifte van een pinpas op naam van [persoon 2] , hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk:

  • -

    telefonisch contact opgenomen met voornoemde ING Bank en

  • -

    zich voorgedaan als zijnde voornoemde [persoon 2] en

  • -

    met persoonlijke gegevens en bankrekeningnummers van voornoemde personen een nieuwe bankpas aangevraagd,

waardoor voornoemde ING bank werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

op 1 mei 2014 te Utrecht en Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen:

- een geldbedrag toebehorende aan [persoon 1] ,

waarbij verdachte het weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde:

in de periode van 1 juli 2014 tot en met 20 oktober 2014 in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid, ING Bank te bewegen tot de afgifte van pinpassen op naam van [persoon 6] , [persoon 7] , [persoon 8] , [persoon 9] , [persoon 10] , [persoon 11] , [persoon 12] en/of [persoon 13] , [persoon 14] , [persoon 15] , [persoon 16] , [persoon 17] en/of [persoon 18] , [persoon 19] en/of [persoon 20] , [persoon 21] , [persoon 22] , [persoon 23] en [persoon 24] met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – opzettelijk valselijk:

  • -

    voornoemde ING Bank heeft gebeld en

  • -

    zich heeft voorgedaan als zijnde voornoemde personen en

  • -

    met persoonlijke gegevens en bankrekeningnummers van voornoemde personen een nieuwe bankpas heeft aangevraagd.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregel

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 tot en met 4 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan zes (6) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee (2) jaar, met aftrek van voorarrest, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd in het reclasseringsrapport d.d. 31 augustus 2015.

8.2

Het strafmaatverweer van de verdediging

De raadsman heeft namens verdachte in het kader van de strafmaat aangevoerd dat gerechtvaardigd zou zijn aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen van zes (6) maanden met eventueel een voorwaardelijk deel daaraan gekoppeld. Ter motivering van zijn standpunt heeft hij verwezen naar een aantal uitspraken van deze rechtbank en van het gerechtshof Amsterdam. Ook heeft de raadsman gewezen op de jeugdige leeftijd van verdachte en de inhoud van het rapport van de reclassering waaruit blijkt dat verdachte de juiste weg is ingeslagen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich gedurende een aantal maanden schuldig gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven. Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal van een geldbedrag, oplichtingen en pogingen daartoe. Leden van de organisatie deden zich voor als rekeninghouders van bankinstellingen waardoor frauduleus gegevens werden verkregen. Op die manier werd op grootschalige wijze geld van de rekeninghouders en banken afhandig gemaakt en werden soms grote bedragen middels contante geldopnames, overboekingen en middels de aanschaf van goederen, weggesluisd. Verdachte nam binnen het samenwerkingsverband een cruciale rol op zich. De door hem aangevraagde bankpassen werden gebruikt om geld van de rekeningen van de slachtoffers te halen. Verdachte was het daarbij slechts te doen om snel geld en hij heeft geen enkel oog gehad voor de problemen en onzekerheid waarin hij de betrokken rekeninghouders heeft gebracht. Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Verdachte heeft steeds een ontkennende dan wel zwijgende houding aangenomen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij ervoor heeft gekozen geen inzicht te tonen in het kwalijke van zijn handelen en geen verantwoordelijkheid te nemen voor zijn gedrag.

Blijkens het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 3 september 2015 heeft verdachte zich eerder schuldig gemaakt aan zowel een fraudedelict als een vermogensdelict.

De rechtbank heeft acht geslagen op het reclasseringsrapport d.d. 31 augustus 2015. Daarin is geadviseerd aan verdachte een meldplicht op te leggen. Uit dat rapport blijkt verder dat verdachte zich goed aan zijn schorsingsvoorwaarden heeft gehouden. Ter terechtzitting heeft een medewerkster van de reclassering nog toegelicht dat verdachte zich uit zichzelf bij de reclassering heeft gemeld. Zij heeft zijn goede gedrag zoals blijkt uit voornoemd rapport, benadrukt.

In verdachtes persoonlijke omstandigheden, zijn relatief jonge leeftijd en – hoofdzakelijk – het uiteindelijke belang dat de maatschappij erbij heeft dat verdachte niet opnieuw strafbare feiten zal plegen, ziet de rechtbank aanleiding om in strafmatigende zin af te wijken van de eis van de officier van justitie. Daarnaast acht de rechtbank minder onderdelen en een kleinere criminele organisatie gedurende een aanmerkelijk kortere periode bewezen dan de officier van justitie. Om die reden zal de rechtbank verdachte niet terugsturen naar de gevangenis, maar zal aan hem – naast een forse taakstraf – wel een flink voorwaardelijk strafdeel worden opgelegd met daaraan gekoppeld een meldplicht bij de reclassering.

9 Beslag

9.1

Conservatoir beslag – goederen 19, 20 en 21

De rechtbank stelt vast dat er thans nog strafvorderlijk beslag ex artikel 94 Sv rust op geldbedragen en een bankpas met bijbehorende bankrekening, zoals opgenomen onder de nummers 19, 20 en 21 op de aangehechte beslaglijst. De rechtbank zal het strafvorderlijk beslag opheffen, nu een strafvorderlijk belang daartoe thans ontbreekt. Omdat op de geldbedragen en de rekening tevens conservatoir beslag rust zal de rechtbank geen last tot teruggave daarvan aan de rechthebbende bevelen.

9.2

Overig beslag – goederen 1 tot en met 18

Verbeurdverklaring

Onder verdachte zijn twee telefoons en een computer in beslag genomen, genoemd onder nummers 5, 11 en 17 op de aangehechte beslaglijst. Deze voorwerpen behoren aan verdachte toe. Gebleken is dat verdachte met behulp van deze telefoons en de computer de onder 1, 2 en 4 bewezen verklaarde feiten heeft begaan of voorbereid. Met de telefoons heeft hij immers passen aangevraagd en phishing gerelateerde gesprekken gevoerd. Op de computer zijn phishing gerelateerde gegevens aangetroffen. Deze voorwerpen worden verbeurdverklaard.

Onttrekking aan het verkeer

Onder verdachte is het voorwerp genoemd onder nummer 15 op de beslaglijst in beslag genomen. Het betreft administratie met daarop gegevens van personen die kunnen worden aangemerkt als gegevens van (potentiële) slachtoffers. De rechtbank is van oordeel dat dit voorwerp dient te worden onttrokken aan het verkeer nu het voorwerp is bestemd tot het begaan van het onder 1, 2 en 4 bewezen geachte en het van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

Retour uitgevende instantie

Onder verdachte zijn de voorwerpen genoemd onder de nummer 2, 4, 7 en 9 op de aangehechte beslaglijst in beslag genomen. Nu deze voorwerpen niet aan verdachte toebehoren zullen zij worden geretourneerd aan de uitgevende instantie.

Retour rechthebbende

Onder verdachte zijn de voorwerpen genoemd onder de nummers 1, 10, 12 en 18 op de aangehechte beslaglijst in beslag genomen. Deze voorwerpen behoren aan verdachte toe en zullen aan hem worden geretourneerd.

10 Benadeelde partijen

10.1

Vorderingen ING

ING heeft vorderingen ingediend als benadeelde partij. De verdediging beschikte voorafgaand aan de terechtzitting over deze vorderingen en ter terechtzitting heeft [persoon 25] namens ING een toelichting op de vorderingen gegeven alsmede een lijst overgelegd van die dossiers waarop de vorderingen zien. De vorderingen zijn dan ook ingediend in de zaken tegen verdachte en al zijn medeverdachten. Voor zover een op de lijst voorkomende naam bewezenverklaard is tegen verdachte, kan worden vastgesteld dat verdachte jegens ING aansprakelijk is voor de door haar geleden schade als gevolg van de bewezenverklaarde (poging tot) oplichting en/of diefstal. De vorderingen kunnen niet worden toegewezen in verband met de bewezen criminele organisatie, nu het rechtsgoed dat artikel 140 Sr beoogt te beschermen de openbare orde is en niet de individuele belangen van slachtoffers.

ING vordert in dit geval onderzoekskosten van € 240,-- per dossier. Gelet op artikel 6:96, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek komen als vermogensschade voor vergoeding mede in aanmerking:

a. redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade die als gevolg van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, mocht worden verwacht;

b. redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid.

Ter terechtzitting heeft [persoon 25] toegelicht op welke werkzaamheden de onderzoekskosten betrekking hebben, te weten – onder meer – het onderzoeken van de zaak, het opstellen en aanbieden van een schriftelijke aangifte, het blokkeren van passen en bankrekeningen, het verstrekken van nieuwe passen. De rechtbank acht een forfaitair bedrag van € 240,-- euro per dossier redelijk en zal verdachte dan ook veroordelen tot betaling van deze bedragen aan ING voor zover de namen in de bewezenverklaring overeenkomen met de dossiernamen op de door ING overgelegde lijst.

Vordering ING inzake:

[persoon 9] , [persoon 2] , [persoon 6] , [persoon 12] , [persoon 7] , [persoon 17] , [persoon 16] , [persoon 15] , [persoon 14] , [persoon 11] , [persoon 19] , [persoon 21] , [persoon 23] en [persoon 22] .

In de zaak van verdachte is gebleken dat de behandeling van de vorderingen van ING in de zaken met betrekking tot rekeninghouders [persoon 9] , [persoon 2] , [persoon 6] , [persoon 12] , [persoon 7] , [persoon 17] , [persoon 16] , [persoon 15] , [persoon 14] , [persoon 11] , [persoon 19] en/of [persoon 20] , [persoon 21] , [persoon 23] en [persoon 22] , niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de hiervoor onder 2, 3 en 4 bewezen geachte feiten rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op

€ 3.360,- (14 x € 240,-) (drieduizend driehonderd en zestig euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Gelet op het professionele karakter van de benadeelde partij in combinatie met het relatief geringe toegewezen bedrag, zal de rechtbank aan verdachte niet de maatregel van artikel 36f Sr opleggen.

Overige vorderingen

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de overige vorderingen van ING een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert omdat uit die vorderingen onvoldoende kan worden afgeleid op welke specifieke zaken de gevorderde schade steeds ziet. Daarom is de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan de vordering alleen bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

10.2

Vorderingen Rabobank

Nu niet is gebleken dat Rabobank inzake rekeninghouders [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [bedrijf 3] door de bewezen geachte feiten rechtstreeks schade is toegebracht, is de benadeelde partij in die vorderingen niet-ontvankelijk.

10.3

Vordering [persoon 5]

Bewezen is verklaard dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven. De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van benadeelde partij [persoon 5] toe te wijzen nu aan die benadeelde rechtstreeks schade is toegebracht door de criminele organisatie. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij niet is geduid in enige bewezenverklaring. Evenmin kan aan de hand van de bewezenverklaring [persoon 5] als direct slachtoffer worden aangewezen. Ook kan niet worden vastgesteld dat de benadeelde partij als gevolg van feit 1 rechtstreekse schade heeft geleden. De benadeelde is immers niet getroffen in het belang dat door de geschonden strafbepaling wordt beschermd. De rechtbank acht daarom niet bewezen dat rechtstreeks schade is ontstaan door het handelen van verdachte. De benadeelde partij is daarom niet-ontvankelijk in de vordering.

10.4

Vorderingen [persoon 26] en [persoon 27]

Nu niet is gebleken dat [persoon 26] en [persoon 27] door het bewezen geachte rechtstreeks schade is toegebracht, zijn de benadeelde partijen in die vorderingen niet-ontvankelijk.

10.5

[persoon 28] en [persoon 29]

[persoon 28] en [persoon 29] hebben geen schadevergoeding gevorderd.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36b, 36c, 45, 57, 140, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

12 Beslissing

Verklaart de dagvaarding nietig voor zover in de feiten 2, 3 en 4 de zinsnede voorkomt:

“…en een of meer tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en)…”

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3, en 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

Oplichting.

Ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde:

Diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde:

Poging tot oplichting, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

Meldplicht

Veroordeelde dient zich te melden bij Reclassering Nederland op de [adres te plaats] wanneer hij opgeroepen wordt voor een gesprek. Hierna moet hij zich gedurende door de reclassering bepaalde perioden blijven melden zo frequent als de reclassering gedurende deze perioden nodig acht. Gedurende deze periode moet de veroordeelde zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Dit betekent dat de toezichthouder de veroordeelde opdrachten geeft die betrekking hebben op zijn handel en wandel, met als doel om hem zowel te begeleiden bij de naleving van de bijzondere voorwaarden, als ook te kunnen controleren of hij zich aan de naleving van de bijzondere voorwaarden houdt.

Geeft opdracht aan de reclassering te [plaats] , gevestigd aan de [adres te plaats] , om toezicht te houden op de naleving van de opgelegde bijzondere voorwaarde.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 200 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen.

Beslag

Heft op het strafvorderlijk beslag op het geldbedrag en bankpassen met bijbehorende bankrekeningen zoals opgenomen op de aangehechte beslaglijst onder de nummers:

19, 20 en 21.

Verklaart verbeurd de voorwerpen genoemd op de aangehechte beslaglijst onder de nummers:

5, 11 en 17.

Verklaart onttrokken aan het verkeer het voorwerp genoemd op de aangehechte beslaglijst onder nummer:

15.

Gelast de teruggave aan de uitgevende instantie van de voorwerpen genoemd op de aangehechte beslaglijst onder de nummers:

2, 4, 7 en 9.

Gelast de teruggave aan [verdachte] van de voorwerpen genoemd op de aangehechte beslaglijst onder de nummers:

1, 10, 12 en 18.

Benadeelde partijen

Wijst de vorderingen van ING gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot betaling van

€ 3.120,- (drieduizend en driehonderdzestig euro) aan de benadeelde partij.

Ten aanzien van rekeninghouder [persoon 9]

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag (€ 240,-) aan ING voornoemd, behalve voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door ING gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verklaart ING niet-ontvankelijk in de overige (delen van) de vordering(en).

Verklaart Rabobank niet-ontvankelijk in de vorderingen.

Verklaart [persoon 5] niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart [persoon 26] niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart [persoon 27] niet-ontvankelijk in de vordering.

Voorlopige hechtenis

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.B. Martens, voorzitter,

mrs. R. Hirzalla en M.B. de Boer, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Flikkenschild, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 november 2015.