Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:8034

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-11-2015
Datum publicatie
30-11-2015
Zaaknummer
13/684205-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek 13Baron

Inherent aan phishing is een zekere mate van organisatie. Phishing vergt immers een planmatige aanpak, intensieve samenwerking en duidelijke afstemming tussen de daarbij betrokken personen. De rechtbank acht bewezen dat sprake is geweest van meerdere criminele samenwerkingsverbanden. [medeverdachte 1] komt naar voren als degene die binnen het phishing proces de vervangende pinpassen aanvraagt en zich bezighoudt met het overboeken of opnemen van geldbedragen. [verdachte] komt naar voren als degene die de gegevens van de rekeningen aan [medeverdachte 1] verstrekt en [medeverdachte 3] komt hoofdzakelijk naar voren als degene die de geldbedragen opneemt. In samenwerking met elkaar hielden zij grotendeels een vaste rolverdeling aan. Verdachten hebben zich gedurende weken tot maanden schuldig gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie die phishing tot oogmerk had. Daarbij is op grootschalige wijze geld van de rekeninghouders en banken afhandig is gemaakt en zijn grote bedragen door contante geldopnames, overboekingen en door de aanschaf van goederen, weggesluisd. Op dergelijke feiten kan in niet anders worden gereageerd dan met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Mede in de nog jeugdige leeftijd van de meeste verdachten, het feit dat zij de juiste weg lijken te zijn ingeslagen of willen inslaan, maar hoofdzakelijk in het uiteindelijke belang dat de maatschappij erbij heeft dat verdachten niet opnieuw strafbare feiten zullen plegen, ziet de rechtbank aanleiding hen niet terug te sturen naar de gevangenis. Wel zal aan hen, naast een voorwaardelijke gevangenisstraf, een forse taakstraf worden opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/684205-15

Datum uitspraak: 9 november 2015

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1992,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres 1] , [te plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 28 en 29 september 2015 en 2, 5, 6, 9 en 26 oktober 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. N.M. Smits, en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. R. Pothast naar voren is gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt – samengevat – verweten dat hij zich in verschillende plaatsen in Nederland heeft schuldig gemaakt aan:

1. deelname aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven in de periode van 24 juli 2013 t/m 20 oktober 2014;

2. medeplegen van diefstal van geldbedragen van diverse rekeninghouders in de periode van 24 juli 2013 t/m 20 oktober 2014 door middel van een valse sleutel;

subsidiair: medeplichtigheid hieraan;

3. medeplegen van oplichting van ING Bank (hierna: ING) in de periode van 1 september 2014 t/m 20 oktober 2015 door de bank te bewegen tot afgifte van een bankpas op naam van [persoon 1] ;

subsidiair: medeplichtigheid hieraan;

4. medeplegen van poging tot oplichting van ING in de periode van 1 september 2014 t/m 20 oktober 2014 door de bank te bewegen tot afgifte van pincodes/pinpassen/creditcards op naam van [bedrijf persoon 2] en/of [persoon 2] .

subsidiair: medeplichtigheid hieraan.

De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte voor de ten laste gelegde feiten en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle aan verdachte ten laste gelegde feiten onder verwijzing naar haar op schrift gestelde requisitoir.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft het standpunt van de officier van justitie gemotiveerd bestreden en vrijspraak voor alle feiten bepleit.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank betrekt in haar bewijsoverwegingen, indien relevant en van toepassing, telkens de door de officier van justitie en de raadsman aangevoerde standpunten.

4.3.1

Uitlezen smartphones

De verdediging heeft – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de onderzoeken aan de smartphones van (mede)verdachte(n) onrechtmatig zijn geweest, nu artikel 94 Sv onvoldoende wettelijke basis biedt voor een dergelijk onderzoek. Een dergelijk onderzoek vormt een inbreuk op de privacy van verdachte, gewaarborgd in artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Onder verwijzing naar het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 april 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:2954) dient dit volgens de verdediging te leiden tot bewijsuitsluiting van de door middel van deze onderzoeken verkregen informatie. Aangezien het gerechtshof de hoogste instantie is die aldus heeft beslist dient deze lijn te worden gevolgd, aldus de verdediging.

De officier van justitie heeft de zienswijze van de verdediging bestreden en gewezen op meerdere vonnissen van diverse rechtbanken, ook van later datum dan van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin onderzoeken aan smartphones niet zijn gesanctioneerd.

De rechtbank overweegt als volgt:

De strafvorderlijke bevoegdheid tot inbeslagneming (artikel 94 Sv) omvat de bevoegdheid aan of in dat voorwerp onderzoek te doen naar aanwijzingen die licht kunnen werpen op de verdenking (in belastende of ontlastende zin). Juist is dat smartphones veel privacygevoelige informatie kunnen bevatten. Bij de vraag of die gegevens onderzocht mogen worden zullen – nu een daarop specifiek gerichte wettelijke regeling vooralsnog ontbreekt – de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit beperkingen kunnen meebrengen die in acht moeten worden genomen bij de uitoefening van de bevoegdheid onderzoek te doen naar de informatie die zich bevindt op een inbeslaggenomen telefoon. Dat betekent dat het onderzoeken van mogelijk privacygevoelige informatie achterwege dient te blijven als dat voor het opsporingsonderzoek onnodig is of als de aard en ernst van de verdenking daarvoor onvoldoende rechtvaardiging biedt.

De verdenking op basis waarvan de inbeslagnames zijn geschied was telkens betrokkenheid bij phishing. De ernst van deze feiten rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank deze inbreuk op de privacy van verdachte – voor zover die al in het geding zou zijn bij onderzoek aan andermans telefoon. Gelet op de aard van de verdenking kunnen de op de smartphones aanwezige gegevens voorts bij uitstek de waarheid aan het licht brengen. Dat die informatie op andere wijze beschikbaar was, is niet aannemelijk. Saillant is overigens te noemen dat de voor het onderzoek van belang zijnde gegevens die in diverse smartphones zijn aangetroffen juist uitermate privacygevoelige (bank)gegevens van derden bevatten.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de onderzoeken aan de smartphones niet in strijd zijn geweest met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, zodat geen sprake is van een vormverzuim.

4.3.2

Proces-verbaal van stemherkenning van 5 oktober 2015

De officier van justitie heeft ter terechtzitting een op 5 oktober 2015 door verbalisant [verbalisant] opgemaakt proces-verbaal van bevindingen ingebracht dat betrekking heeft op een stemherkenning van de persoon die zich in gesprekken met medeverdachte [medeverdachte 1] ‘ [bijnaam 2 verdachte ] ’ noemt. Dit proces-verbaal is volgens de officier van justitie opgemaakt naar aanleiding van het proces-verbaal van bevindingen van 21 november 2014 waarin melding wordt gemaakt van een herkenning van de stem van verdachte in door ‘ [bijnaam 2 verdachte ] ’ verzonden voicenotes en waarin wordt aangekondigd dat hiervan door verbalisant [verbalisant] separaat proces-verbaal wordt opgemaakt.

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat uit de feitelijke gang van zaken blijkt dat verbalisant [verbalisant] niet aan zijn verbaliseringsplicht heeft voldaan door niet ten spoedigste maar een jaar na dato een proces-verbaal op te maken aangaande zijn bevindingen met betrekking tot de stemherkenning. Aldus is de in artikel 152 Sv geformuleerde verbaliseringsplicht geschonden. Anders dan de verdediging veronderstelt, is daarmee echter nog geen sprake van een zodanig onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv dat tot bewijsuitsluiting moet worden overgegaan, immers, het verzuim is deels hersteld nu door de betreffende verbalisant alsnog proces-verbaal is opgemaakt. Hoewel het proces-verbaal pas in een laat stadium is verstrekt, kan evenmin gezegd worden dat verdachte te kort is gedaan in zijn recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. De verdediging is immers uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld om te reageren op het ingebrachte stuk en eventuele onderzoekswensen naar aanleiding daarvan kenbaar te maken.


Toch zal de rechtbank het proces-verbaal van 5 oktober 2015, om inhoudelijke redenen, niet voor het bewijs gebruiken. Uit de inhoud van het proces-verbaal blijkt namelijk niet wanneer en op basis van welk vergelijkingsmateriaal de stemherkenning heeft plaatsgevonden. Verbalisant [verbalisant] geeft te kennen dat hij de stem van verdachte “in meerdere telefoongesprekken” heeft gehoord, terwijl niet is gebleken dat een telefoonlijn op naam van verdachte is getapt. Het is daarmee niet duidelijk op welke telefoongesprekken verbalisant [verbalisant] doelt. Naar het oordeel van de rechtbank is de conclusie met betrekking tot de stemherkenning van verdachte onvoldoende onderbouwd en daarom onbruikbaar voor het bewijs.

Nu de rechtbank overgaat tot bewijsuitsluiting komt de rechtbank niet toe aan het voorwaardelijk gedane verzoek om de betreffende gesprekken uit te luisteren.

4.3.3

Bewijsoverwegingen “ [bijnaam 2 verdachte ] ” en “ [bijnaam 1 verdachte ] ”

Met betrekking tot de identiteit van [bijnaam 2 verdachte ] en [bijnaam 1 verdachte ] overweegt de rechtbank als volgt.

In het dossier bevindt zich een politiemutatie van 12 augustus 2014 betreffende een vechtpartij in Rotterdam waarbij onder andere medeverdachte [medeverdachte 2] en verdachte als betrokken personen worden genoemd en waarbij wordt vermeld dat verdachte werd aangehouden omdat hij geen identiteitsbewijs kon tonen. Het dossier bevat een telefoongesprek op 12 augustus 2014 tussen medeverdachte [medeverdachte 2] en een onbekend persoon waarin [medeverdachte 2] vertelt dat hij in Rotterdam was, ruzie kreeg en dat ene “ [bijnaam 1 verdachte ] ” (fonetisch) werd aangehouden omdat hij geen identiteitsbewijs bij zich droeg. Het dossier bevat ook een telefoongesprek tussen [medeverdachte 2] en een vrouw, die tegen [medeverdachte 2] zegt dat “ [verdachte] ” (fonetisch) vastzit op het politiebureau Doelwater in Rotterdam en dat zij geld moet overmaken om “ [verdachte] ” vrij te krijgen. Uit onderzoek in de politiesystemen blijkt dat [moeder van verdachte] (geboren [geboortedatum] 1972) aan het bureau Ganzenhoef in Amsterdam Zuidoost een boete van 400 euro heeft betaald voor verdachte, die op dat moment vastzat op politiebureau Doelwater. Verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat hij op 12 augustus 2014 met [medeverdachte 2] in Rotterdam was, dat hij daar werd aangehouden en dat zijn moeder toen in Amsterdam Zuidoost een openstaande boete voor hem heeft betaald.

Het dossier bevat voorts een tapgesprek tussen de gebruiker van het telefoonnummer eindigend op * [nummer 1] , die zichzelf “ [verdachte] ” (fonetisch) noemt en medeverdachte [medeverdachte 2] . Datzelfde telefoonnummer komt terug in de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 3] , maar dan in diens contacten onder de naam “ [bijnaam 1 verdachte ] ”.

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat met “ [bijnaam 1 verdachte ] ” dan wel “ [bijnaam 1 verdachte ] ” telkens verdachte wordt bedoeld.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft via whatsapp verschillende gesprekken gevoerd met een contact genaamd “ [bijnaam 2 verdachte ] ” die gebruik maakt van het telefoonnummer eindigend op * [nummer 2] . Op 7 september 2014 stuurt medeverdachte [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 1] een foto van een nieuwsbericht van 7 september 2014 over een veroordeling van een 17-jarige jongen wegens een oplichting met een privéjet. [bijnaam 2 verdachte ] en [medeverdachte 1] voeren op diezelfde dag gesprekken waarbij gerefereerd wordt aan deze oplichtingszaak. [bijnaam 2 verdachte ] geeft hierbij aan dat hij bang wordt en [medeverdachte 1] stelt hem gerust omdat de jongen maar een weekje celstraf heeft gekregen. Uit de inhoud van het nieuwsbericht en nader onderzoek van de politie blijkt dat de oplichtingszaak betrekking heeft op de huur van een privéjet waarmee drie jongens op één dag naar Antwerpen en Ibiza zijn gevlogen, zonder de rekening daarvoor te betalen. Naar aanleiding van deze oplichtingszaak is [medeverdachte 6] als één van de verdachten aangehouden. In zijn verklaring geeft [medeverdachte 6] aan dat hij de vlucht naar Ibiza heeft gepland en gemaakt met twee vrienden, genaamd “ [verdachte] ” en “ [naam 1] ”. In de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 1] zijn foto’s aangetroffen van [medeverdachte 6] , [medeverdachte 1] en verdachte, poserend voor een privéjet. Verdachte heeft verklaard dat hij zichzelf herkent op de foto en dat het klopt dat hij is mee geweest naar Ibiza en Antwerpen.

Ook in de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 4] wordt het telefoonnummer eindigend op * [nummer 2] aangetroffen. De gebruiker van dit nummer heeft als whatsapp-naam: [naam 2] / [verdachte] .

Op grond van de voorgaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 1] en verdachte betrokken zijn bij genoemde oplichtingszaak, dat verdachte (ook) als gebruiker van het telefoonnummer eindigend op * [nummer 2] kan worden aangemerkt en dat hij in de telefoon van [medeverdachte 1] als ‘ [bijnaam 2 verdachte ] ’ wordt aangeduid.

4.4

Bewijsoverwegingen feit 1

Deelname aan criminele organisatie

De officier van justitie heeft – samengevat – ten aanzien van het aantonen van het bestaan van een criminele organisatie tussen verdachte en de andere in het onderzoek 13Baron naar voren gekomen verdachten, gewezen op de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] . Op basis daarvan, in combinatie met de bevindingen in het dossier, kan volgens haar in elk geval worden vastgesteld dat de door verdachten gepleegde feiten zijn gepleegd door een criminele organisatie. Naar haar mening zijn alle in de tenlastelegging onder 1 genoemde verdachten gedurende ruim een jaar onderdeel geweest van een criminele organisatie waarin op grote schaal misdrijven werden gepleegd.

De raadsman heeft – samengevat – aangevoerd verdachten slechts over en weer met elkaar te maken hebben gehad en afzonderlijk hebben gehandeld. Ze hebben zich niet primair tegenover de organisatie gebonden geacht. Men was enkel bezig met zijn eigen hachje. Er was dus geen criminele organisatie.

Beoordeling

Inherent aan phishing is een zekere mate van organisatie. Immers, er worden e-mails verstuurd die zogenaamd van een bank afkomstig zijn; rekeninghouders worden naar websites gestuurd die sprekend lijken op de websites van banken; banken worden gebeld door personen die zich voordoen als rekeninghouders die een nieuwe bankpas nodig hebben; er zijn personen nodig die de nieuw aangevraagde bankpassen onderscheppen en er zijn mensen nodig die met de onderschepte bankpas en de reeds eerder bemachtigde pincode van het slachtoffer, binnen een zo kort mogelijke termijn, geld opnemen. Deze handelwijze vergt een planmatige aanpak, intensieve samenwerking en duidelijke afstemming tussen de daarbij betrokken personen.

Verdachte komt in het dossier meermalen naar voren in gesprekken met medeverdachte [medeverdachte 1] . De tussen hen gevoerde gesprekken, uitgewisselde berichten en ingesproken voicenotes, zijn phishing gerelateerd. Er zijn immers gegevens van rekeninghouders uitgewisseld, er is concreet gesproken over geldopnames, over overboekingen en over de verdeling van de buit. Verdachte komt hieruit naar voren als degene die binnen het phishing proces een sturende rol had. Hij verstrekte met name de gegevens van rekeninghouders en gaf aan met name [medeverdachte 1] instructies over wat hij met de gegevens moest doen. [medeverdachte 1] heeft binnen het samenwerkingsverband hoofdzakelijk de rol ingenomen van de aanvrager van vervangende bankpassen. [medeverdachte 3] heeft hoofdzakelijk de rol ingenomen van degene die de geldbedragen opnam. Hoewel ook is gebleken dat de verdachten in enkele gevallen wisselden van rol, kan worden gesteld dat zij in samenwerking met elkaar grotendeels een vaste rolverdeling aanhielden. Uit het dossier blijkt dat verdachten ook met anderen samenwerkten, maar van een structurele en duurzame samenwerking kan in ieder geval worden gesproken waar het verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] betreft.

Gelet op het feit dat de verdachten gezamenlijk in beeld komen ongeveer vanaf september 2014 zal het bestaan van de criminele organisatie worden aangenomen vanaf 1 september 2014 en verdachtes deelname hieraan tot aan zijn aanhouding.

4.5

Bewijsoverwegingen feiten 2, 3 en 4

Feit 2

Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] over de bankpas van [medeverdachte 5] hebben beschikt en dat verdachte over de rekeninggegevens van deze pas heeft beschikt. Dat blijkt uit tussen hen gevoerde gesprekken. Op 21 september 2014 vraagt [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] zijn rekening- en pasnummer waarop [medeverdachte 3] hem de rekeninggegevens van [medeverdachte 5] toestuurt. Op 9 oktober 2014 stuurt [medeverdachte 1] een foto naar [medeverdachte 3] waarop is te zien dat is ingelogd op het rekeningnummer van [medeverdachte 5] en de daglimieten te zien zijn. Diezelfde dag heeft [medeverdachte 1] ook contact met verdachte. Hij vraagt hem om morgen geld op die green te zetten (tjonken) omdat hij de limiet van de pas heeft verhoogd. [verdachte] vraagt of [medeverdachte 1] een foto (cap) kan sturen, waarop [medeverdachte 1] hem een foto van de rekening van [medeverdachte 5] stuurt. Dat [medeverdachte 1] de bankpas van [medeverdachte 5] ook daadwerkelijk onder zich had blijkt uit het aantreffen van de bankpas in de woning van [medeverdachte 1] tijdens de doorzoeking. Tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] heeft bovendien een gesprek plaatsgevonden op 10 oktober 2014 waarin [medeverdachte 1] hem vraagt zijn limiet te verhogen en waarin zij spreken over de vergoeding voor het ter beschikking stellen van zijn bankpas. [medeverdachte 3] heeft op 9 en 10 oktober 2014 opnames gedaan vanaf de rekening van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] op 11 oktober 2014.

Het dossier bevat een aangifte van Rabobank waaruit blijkt dat drie frauduleuze overboekingen hebben plaatsgevonden naar de rekening van [medeverdachte 5] .

Op 9 oktober 2014 is € 4.521,- overgeboekt van de rekening van [bedrijf 1 V.O.F.] . Op 10 oktober 2014 is € 4.105,- overgeboekt van de rekening van [bedrijf 2] en op 13 oktober 2014 is € 4.601,- overgeboekt van de rekening van [bedrijf 3] .

Uit het voorgaande volgt dat het verdachte moet zijn geweest die de overboeking van het geldbedrag van € 4.105,- van de rekening van [bedrijf 2] heeft bewerkstelligd. Het overboeken van het geld betreft een concrete uitvoeringshandeling en is, mede gezien van de mate van afstemming met [medeverdachte 1] , van voldoende gewicht zodat hij als medepleger verantwoordelijk kan worden gehouden voor de diefstal van voornoemd geldbedrag.

Van de overige in de tenlastelegging genoemde diefstallen van geldbedragen spreekt de rechtbank verdachte vrij. Concreet bewijs dat verdachte daarin een zodanig aandeel heeft gehad dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking met anderen ontbreekt immers, ook voor de kwalificatie van medeplichtigheid aan die diefstallen ontbreekt concreet bewijs.

Het onder 1 primair ten laste gelegde feit kan daarmee gedeeltelijk worden bewezen.

Feit 3

Tussen verdachte en [medeverdachte 1] heeft op 6 oktober 2014 een gesprek plaatsgevonden. Daarin geeft verdachte [medeverdachte 1] de opdracht iets te klikken. Hij stuurt hem de gegevens van de rekening van [persoon 1] . [medeverdachte 1] geeft daarop aan dat hij het morgen gaat doen. Een dag later, op 7 oktober 2014, vindt wederom een gesprek tussen hen plaats. [medeverdachte 1] geeft dan aan dat het niet lukt. Hij stuurt hem een foto toe van een inlogsessie op het account van [persoon 1] . Op 9 oktober 2014 vindt wederom een gesprek tussen hen plaats. Verdachte zegt dan dat [medeverdachte 1] contact op moet nemen met de bank en dat hij moet zeggen dat de hond in zijn portemonnee heeft gebeten.

Op de afgetapte telefoon van [medeverdachte 1] is vervolgens te horen dat hij met ING belt. Hij doet zich voor als [persoon 1] en vraagt een nieuwe pas aan omdat zijn hond in zijn portemonnee zou hebben gebeten. Omdat [medeverdachte 1] alle gegevens correct heeft verstrekt, zegt de medewerker van ING een nieuwe pas te zullen verzenden met pinbehoud. De pas is door ING verzonden, waarmee de oplichting voltooid is. Dat de pas vervolgens onklaar is gemaakt voor gebruik doet daar niet aan af.

De rol van verdachte bij het aanvragen van een vervangende pas op naam van [persoon 1] , rechtvaardigt de kwalificatie van medepleger. Met het verstrekken van de gegevens en het geven van de opdracht om de vervangende bankpas aan te vragen kan worden gesteld dat verdachte bij de feitelijke uitvoering van de oplichting nauw en bewust heeft samengewerkt met [medeverdachte 1] . Het primair ten laste gelegde kan worden bewezen.

Feit 4

[medeverdachte 1] heeft op naam van [bedrijf persoon 2] en/of [persoon 2] op 18 september 2014 een vervangende bankpas aangevraagd. De opdracht daartoe, tezamen met de gegevens van de rekening, heeft hij blijkens de tussen hen gevoerde gesprekken van verdachte ontvangen. De pas is niet verzonden zodat het bij een poging tot oplichting is gebleven.

Ook in dit geval rechtvaardigt de rol van verdachte de kwalificatie van medepleger. Zijn sturende rol in combinatie met het verstrekken van de gegevens was van zodanige aard dat verdachte als medepleger kan worden aangemerkt bij de feitelijke uitvoering van de poging tot oplichting. Het primair ten laste gelegde kan worden bewezen.

5
5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen en op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, bewezen dat verdachte

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

in de periode van 1 september 2014 tot en met 20 oktober 2014 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten verdachte, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en andere personen welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het:

  • -

    plegen van computervredebreuk,

  • -

    plegen van witwassen,

  • -

    plegen van oplichting,

  • -

    plegen van diefstal van poststukken en/of bankpassen en

  • -

    plegen van diefstal van geldbedragen door middel van een valse sleutel;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

in de periode van 1 oktober 2014 tot en met 20 oktober 2014 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen:

4.105 euro geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 2] ,

waarbij verdachte en zijn mededaders het weg te nemen geldbedragen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel;

ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

in de periode van 1 september 2014 tot en met 20 oktober 2014 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid, ING Bank heeft bewogen tot de afgifte van een bankpas op naam van [persoon 1] , hebbende verdachte en zijn mededader met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk:

  • -

    telefonisch contact opgenomen met voornoemde bank en

  • -

    zich voorgedaan als zijnde voornoemde [persoon 1] en

  • -

    met gegevens en bankrekeningnummer van voornoemde [persoon 1] een nieuwe bankpas aangevraagd,

waardoor voornoemde bank werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde:

in de periode van 1 september 2014 tot en met 20 oktober 2014 in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid ING Bank te bewegen tot de afgifte van een pinpas op naam van [bedrijf persoon 2] , met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – opzettelijk valselijk met zijn mededader gegevens van [bedrijf persoon 2] heeft verkregen, waarna hij, verdachte en zijn mededader:

  • -

    contact hebben opgenomen met voornoemde ING Bank en

  • -

    zich hebben voorgedaan als zijnde voornoemde [persoon 2] en

  • -

    met gegevens en bankrekeningnummer van [bedrijf persoon 2] een nieuwe bankpas hebben aangevraagd.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1, 2, 3, en 4 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met aftrek van voorarrest. Zij heeft verzocht aan het voorwaardelijke strafdeel te koppelen de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd in het rapport van de reclassering d.d. 22 september 2015.

Daarnaast heeft de officier van justitie de gevangenneming gevorderd.

8.2

Het strafmaatverweer van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht het jeugdstrafrecht op verdachte toe te passen nu verdachte op een licht verstandelijk beperkt niveau functioneert en hij onrijp en kinderlijk over komt. Een pedagogische aanpak en scholing zijn noodzakelijk, zoals ook blijkt uit het Pro Justitia rapport d.d. 12 september 2015. Ook heeft de raadsman de rechtbank verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en hem in dat kader in ieder geval niet terug te sturen naar de gevangenis.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich gedurende een aantal weken schuldig gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan het plegen van een diefstal in vereniging, een oplichting en een poging daartoe. Leden van de organisatie deden zich voor als rekeninghouders van bankinstellingen waardoor frauduleus gegevens werden verkregen. Op die manier werd op grootschalige wijze geld van de rekeninghouders en banken afhandig gemaakt en werden soms grote bedragen door contante geldopnames, overboekingen en door de aanschaf van goederen, weggesluisd. Verdachte fungeerde als degene die de gegevens van rekeninghouders met zijn mededaders deelde en als degene die een sturende rol aannam. Verdachte was het daarbij slechts te doen om snel geld en hij heeft geen enkel oog gehad voor de problemen en onzekerheid waarin hij de betrokken rekeninghouders heeft gebracht. Op dergelijke feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Verdachte heeft steeds een ontkennende dan wel zwijgende houding aangenomen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij ervoor heeft gekozen geen inzicht te tonen in het kwalijke van zijn handelen en geen verantwoordelijkheid te nemen voor zijn gedrag.

Blijkens het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 3 september 2015 heeft verdachte zich eerder schuldig gemaakt aan een vermogensdelict.

De rechtbank heeft acht geslagen op de inhoud van het Pro Justitia rapport van 12 september 2015 van psycholoog L.M. Dijkman. Daarin heeft de psycholoog gesteld dat er bij betrokkene sprake is van een lichte verstandelijke handicap en dat er positieve indicaties zijn voor toepassing van het jeugdrecht. Verdachte komt jonger over dan zijn kalenderleeftijd en daarnaast worden een pedagogische aanpak en scholing noodzakelijk geacht. De psycholoog heeft daarbij aangetekend dat met verdachte niet is gesproken over de totstandkoming van het ten laste gelegde en dat, afhankelijk van de bewezenverklaring van zijn aandeel, dat een ander licht op de weging van voornoemde argumenten zou kunnen werpen.

De officier van justitie heeft verklaard zich tegen het advies te verzetten. Uit de gedragsregels blijkt dat een psycholoog bij een advies altijd uit moet gaan van bewezenverklaring van de feiten. Het advies voldoet niet aan dat vereiste zodat het niet kan worden gevolgd.

De rechtbank is van oordeel dat de aard van de delicten, de sturende rol van verdachte binnen de criminele organisatie en de zwijgzame houding van verdachte met zich brengen dat toepassing van jeugdstrafrecht niet aan de orde kan zijn. Het rapport van de psycholoog doet haar daar niet anders over denken. Verdachte is bovendien al gestart met begeleiding door de volwassenenreclassering en die begeleiding verloopt goed.

In het reclasseringsrapport van 22 september 2015 van het Leger des Heils te [plaats] , is geadviseerd aan verdachte als bijzondere voorwaarden op te leggen een meldplicht, het volgen van een CoVaplus training en een locatiegebod. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte zich tijdens zijn schorsing goed aan het toezicht heeft gehouden. Inmiddels gaat hij weer naar school en heeft hij zelfstandige woonruimte gevonden.

In verdachtes persoonlijke omstandigheden, met name zijn nog jeugdige leeftijd en het feit dat verdachte de juiste weg is ingeslagen, maar hoofdzakelijk in het uiteindelijke belang dat de maatschappij erbij heeft dat verdachte niet opnieuw strafbare feiten zal plegen, ziet de rechtbank aanleiding om in strafmatigende zin af te wijken van de eis van de officier van justitie. Daarnaast acht de rechtbank minder feiten en een kleinere criminele organisatie gedurende een aanmerkelijk kortere periode bewezen dan de officier van justitie. Om die reden zal de rechtbank verdachte niet terugsturen naar de gevangenis, maar zal aan hem – naast de maximale taakstraf – wel een flink voorwaardelijk strafdeel worden opgelegd met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals voornoemd, met uitzondering van het locatiegebod.

9 Benadeelde partijen

9.1

Vorderingen ING

ING heeft vorderingen ingediend als benadeelde partij. De verdediging beschikte voorafgaand aan de terechtzitting over deze vorderingen en ter terechtzitting heeft de [persoon 3] namens ING een toelichting op de vorderingen gegeven alsmede een lijst overgelegd van die dossiers waarop de vorderingen zien. De vorderingen zijn dan ook ingediend in de zaken tegen verdachte en al zijn medeverdachten. Voor zover een op de lijst voorkomende naam bewezenverklaard is tegen verdachte, kan worden vastgesteld dat verdachte jegens ING aansprakelijk is voor de door haar geleden schade als gevolg van de bewezenverklaarde (poging tot) oplichting en diefstal. De vorderingen kunnen niet worden toegewezen in verband met de bewezen criminele organisatie, nu het rechtsgoed dat artikel 140 Sr beoogt te beschermen de openbare orde is en niet de individuele belangen van slachtoffers.

ING vordert in dit geval onderzoekskosten van € 240,-- per dossier. Gelet op artikel 6:96, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek komen als vermogensschade voor vergoeding mede in aanmerking:

  1. redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade die als gevolg van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, mocht worden verwacht;

  2. redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid.

Ter terechtzitting heeft de [persoon 3] toegelicht op welke werkzaamheden de onderzoekskosten betrekking hebben, te weten – onder meer – het onderzoeken van de zaak, het opstellen en aanbieden van een schriftelijke aangifte, het blokkeren van passen en bankrekeningen, het verstrekken van nieuwe passen. De rechtbank acht een forfaitair bedrag van € 240,-- euro per dossier redelijk en zal verdachte dan ook veroordelen tot betaling van deze bedragen aan ING voor zover de namen in de bewezenverklaring overeenkomen met de dossiernamen op de door ING overgelegde lijst.

In de zaak van verdachte is gebleken dat de behandeling van de vorderingen van ING in de zaken met betrekking tot rekeninghouders [persoon 2] en [persoon 1] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de hiervoor onder 3 en 4 bewezen geachte feiten rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 480,- (2 x € 240,-) (vierhonderd en tachtig euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Gelet op het professionele karakter van de benadeelde partij in combinatie met het relatief geringe toegewezen bedrag, zal de rechtbank aan verdachte niet de maatregel van artikel 36f Sr opleggen.

Overige vorderingen ING

Gelet op de vrijspraken en/of de ongespecificeerdheid van de vorderingen zal ING voor het overige niet-ontvankelijk in haar vorderingen worden verklaard.

9.2

Vorderingen Rabobank

Schade door diefstallen

Uit de aangifte van Rabobank volgt weliswaar dat rekeninghouder [bedrijf 2] schade heeft geleden door de diefstal van het geldbedrag, zoals volgt uit het onder 3 bewezen verklaarde, maar niet dat Rabobank daardoor rechtstreeks schade heeft geleden. De benadeelde partij is daarom niet-ontvankelijk in dat deel van die vordering.

Dat geldt ook voor de schade geleden door rekeninghouders [bedrijf 3] en [bedrijf 1 V.O.F.] . Nu verdachte bovendien van dat deel van de tenlastelegging wordt vrijgesproken is de benadeelde partij, Rabobank, in dat deel van de vordering eveneens niet-ontvankelijk.

Onderzoekskosten

Rabobank heeft een aparte vordering ingediend die op onderzoekskosten betrekking heeft, zoals is omschreven in de aangifte. De rechtbank acht een forfaitair bedrag van

€ 300,- euro per aangifte redelijk en zal verdachte dan ook veroordelen tot betaling van deze bedragen aan Rabobank voor zover de namen in de bewezenverklaring overeenkomen met de namen op de vordering.

In de zaak van verdachte is gebleken dat de behandeling van de vordering van Rabobank met betrekking tot gevorderde onderzoekskosten inzake [bedrijf 2] , niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de hiervoor onder 3 bewezen geachte feiten rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 300,- (driehonderd euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Gelet op het professionele karakter van de benadeelde partij in combinatie met het relatief geringe toegewezen bedrag, zal de rechtbank aan verdachte niet de maatregel van artikel 36f Sr opleggen.

Nu verdachte wordt vrijgesproken van het deel dat betrekking heeft op rekeninghouders [bedrijf 3] en [bedrijf 1 V.O.F.] is de benadeelde partij, Rabobank, in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk.

9.3

Vordering [persoon 4]

Bewezen is verklaard, onder feit 1, dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven. De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van benadeelde partij [persoon 4] toe te wijzen nu aan die benadeelde rechtstreeks schade is toegebracht door de criminele organisatie. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij niet is geduid in enige bewezenverklaring. Evenmin kan aan de hand van de bewezenverklaring [persoon 4] als direct slachtoffer worden aangewezen. Ook kan niet worden vastgesteld dat de benadeelde partij als gevolg van feit 1 rechtstreekse schade heeft geleden. De benadeelde partij is daarom niet-ontvankelijk in de vordering.

9.4

Vorderingen [persoon 5] en [persoon 6]

Nu niet is gebleken dat aan [persoon 5] en [persoon 6] door de bewezen geachte feiten rechtstreeks schade is toegebracht, zijn deze benadeelde partijen in de vordering niet-ontvankelijk.

9.5

[persoon 7] en [persoon 8]

Uit de voegingsformulieren van [persoon 7] en [persoon 8] blijkt dat geen schade wordt gevorderd.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 47, 57, 63, 140, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven

Ten aanzien van het onder 2 primair bewezen verklaarde:

Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels

Ten aanzien van het onder 3 primair bewezen verklaarde:

Medeplegen van oplichting

Ten aanzien van het onder 4 primair bewezen verklaarde:

Medeplegen van poging tot oplichting

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 261 (tweehonderdeenenzestig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Bepaalt dat van deze straf een gedeelte groot 180 (honderdtachtig) dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Meldplicht

Veroordeelde moet zich blijven melden bij Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, [adres 2] te [plaats] . Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht en zich houden aan de aanwijzingen die deze instelling hem geeft.

Gedragsinterventie

Veroordeelde dient deel te nemen aan de volgende gedragsinterventie:

- GI-LdH CoVaplus

Geeft opdracht aan Leger des Heils, Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd aan de [adres 2] , [plaats] , om

toezicht te houden op de naleving van de opgelegde bijzondere voorwaarden.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.

Benadeelde partijen

Wijst de vorderingen van ING gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot betaling van

€ 480,- (vierhonderdtachtig euro) aan de benadeelde partij.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan ING voornoemd, behalve voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door ING gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verklaart ING niet-ontvankelijk in de overige (delen van) de vordering(en).

Wijst de vorderingen van Rabobank gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot betaling van € 300,- (driehonderd euro) aan de benadeelde partij.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan Rabobank voornoemd, behalve voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door Rabobank gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verklaart Rabobank niet-ontvankelijk in de overige (delen van) de vordering(en).

Verklaart [persoon 4] niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart [persoon 5] niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart [persoon 6] niet-ontvankelijk in de vordering.

Voorlopige hechtenis

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.B. Martens, voorzitter,

mrs. R. Hirzalla en M.B. de Boer, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Flikkenschild, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 november 2015.