Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:8033

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-11-2015
Datum publicatie
30-11-2015
Zaaknummer
13/684926-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Onderzoek 13Baron

Inherent aan phishing is een zekere mate van organisatie. Phishing vergt immers een planmatige aanpak, intensieve samenwerking en duidelijke afstemming tussen de daarbij betrokken personen. De rechtbank acht bewezen dat sprake is geweest van meerdere criminele samenwerkingsverbanden. [verdachte] komt naar voren als degene die binnen het phishing proces de vervangende pinpassen aanvraagt en zich bezighoudt met het overboeken of opnemen van geldbedragen. [medeverdachte 4] komt naar voren als degene die de gegevens van de rekeningen aan [verdachte] verstrekt en [medeverdachte 3] komt hoofdzakelijk naar voren als degene die de geldbedragen opneemt. In samenwerking met elkaar hielden zij grotendeels een vaste rolverdeling aan. Verdachten hebben zich gedurende weken tot maanden schuldig gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie die phishing tot oogmerk had. Daarbij is op grootschalige wijze geld van de rekeninghouders en banken afhandig is gemaakt en zijn grote bedragen door contante geldopnames, overboekingen en door de aanschaf van goederen, weggesluisd. Op dergelijke feiten kan in niet anders worden gereageerd dan met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Mede in de nog jeugdige leeftijd van de meeste verdachten, het feit dat zij de juiste weg lijken te zijn ingeslagen of willen inslaan, maar hoofdzakelijk in het uiteindelijke belang dat de maatschappij erbij heeft dat verdachten niet opnieuw strafbare feiten zullen plegen, ziet de rechtbank aanleiding hen niet terug te sturen naar de gevangenis. Wel zal aan hen, naast een voorwaardelijke gevangenisstraf, een forse taakstraf worden opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/684926-14

Datum uitspraak: 9 november 2015

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1992,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres 1] , [te plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 28 en 29 september 2015 en 2, 5, 6, 9 en 26 oktober 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. N.M. Smits, en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. M.K.J. Dikkerboom naar voren is gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt – samengevat – verweten dat hij zich in verschillende plaatsen in Nederland heeft schuldig gemaakt aan:

1. deelname aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven in de periode van 24 juli 2013 t/m 20 oktober 2014;

2. medeplegen van oplichting van ING Bank (hierna: ING) in de periode van 24 juli 2013 t/m 20 oktober 2015 door de bank te bewegen tot afgifte van een bankpas op naam van [persoon 1] ;

3. medeplegen van diefstal van geldbedragen van diverse rekeninghouders in de periode van 24 juli 2013 t/m 20 oktober 2014 door middel van een valse sleutel;

4. medeplegen van poging tot oplichting van ING, International Card Services (hierna: ICS) en Rabobank in de periode van 24 juli 2013 t/m 20 oktober 2014 door deze instanties te bewegen tot afgifte van pincodes/pinpassen/creditcards op naam van diverse rekeninghouders.

De rechtbank leest de in regels 11 e.v. van het onder 4 ten laste gelegde vermelde naam “ [persoon 2] ” telkens als “ [persoon 2] ”, omdat van een kennelijke misslag sprake is. De verbetering van deze misslag schaadt verdachte niet in zijn verdediging.

De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

3 Voorvragen

3.1

De dagvaarding

Partiële nietigheid

De rechtbank is (met de verdediging) van oordeel dat telkens wanneer in de ten laste gelegde feiten 2 en verder de zinsnede “…en een of meer tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en)…” is opgenomen, de dagvaarding – in het licht van het dossier - in zoverre niet voldoet aan de in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) gestelde eisen. Onduidelijk is immers op welke personen de officier van justitie het oog heeft. De dagvaarding zal dan ook voor wat betreft deze zinsneden nietig worden verklaard.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat de dagvaarding onder 1. nietig moet worden verklaard ten aanzien van de zinsnede “…en/of een of meer andere perso(o)n(en)…”. In het licht van het dossier moet het voor verdachte voldoende duidelijk zijn dat de beschuldiging inhoudt dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, bestaande uit een aantal met name genoemde personen, alsmede uit andere personen. Dat deze andere personen niet met name worden genoemd in de tenlastelegging, maakt de beschuldiging nog niet zo vaag dat deze niet meer aan de eisen van artikel 261 Sv voldoet.

De dagvaarding is voor het overige deel geldig.

Deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte voor de ten laste gelegde feiten en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle aan verdachte ten laste gelegde feiten onder verwijzing naar haar op schrift gestelde requisitoir.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft het standpunt van de officier van justitie bestreden en vrijspraak bepleit voor alle feiten.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank betrekt in haar bewijsoverwegingen, indien relevant en van toepassing, telkens de door de officier van justitie en de raadsvrouw aangevoerde standpunten.

4.3.1

Uitlezen smartphones

De verdediging heeft – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de onderzoeken aan de smartphones van (mede)verdachte(n) onrechtmatig zijn geweest, nu artikel 94 Sv onvoldoende wettelijke basis biedt voor een dergelijk onderzoek. Een dergelijk onderzoek vormt een inbreuk op de privacy van verdachte, gewaarborgd in artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Onder verwijzing naar het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 april 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:2954) dient dit volgens de verdediging te leiden tot bewijsuitsluiting van de door middel van deze onderzoeken verkregen informatie. Aangezien het gerechtshof de hoogste instantie is die aldus heeft beslist dient deze lijn te worden gevolgd, aldus de verdediging.

De officier van justitie heeft de zienswijze van de verdediging bestreden en gewezen op meerdere vonnissen van diverse rechtbanken, ook van later datum dan van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin onderzoeken aan smartphones niet zijn gesanctioneerd.

De rechtbank overweegt als volgt:

De strafvorderlijke bevoegdheid tot inbeslagneming (artikel 94 Sv) omvat de bevoegdheid aan of in dat voorwerp onderzoek te doen naar aanwijzingen die licht kunnen werpen op de verdenking (in belastende of ontlastende zin). Juist is dat smartphones veel privacygevoelige informatie kunnen bevatten. Bij de vraag of die gegevens onderzocht mogen worden zullen – nu een daarop specifiek gerichte wettelijke regeling vooralsnog ontbreekt – de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit beperkingen kunnen meebrengen die in acht moeten worden genomen bij de uitoefening van de bevoegdheid onderzoek te doen naar de informatie die zich bevindt op een inbeslaggenomen telefoon. Dat betekent dat het onderzoeken van mogelijk privacygevoelige informatie achterwege dient te blijven als dat voor het opsporingsonderzoek onnodig is of als de aard en ernst van de verdenking daarvoor onvoldoende rechtvaardiging biedt.

De verdenking op basis waarvan de inbeslagnames zijn geschied was telkens betrokkenheid bij phishing. De ernst van deze feiten rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank deze inbreuk op de privacy van verdachte – voor zover die al in het geding zou zijn bij onderzoek aan andermans telefoon. Gelet op de aard van de verdenking kunnen de op de smartphones aanwezige gegevens voorts bij uitstek de waarheid aan het licht brengen. Dat die informatie op andere wijze beschikbaar was, is niet aannemelijk. Saillant is overigens te noemen dat de voor het onderzoek van belang zijnde gegevens die in diverse smartphones zijn aangetroffen juist uitermate privacygevoelige (bank)gegevens van derden bevatten.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de onderzoeken aan de smartphones niet in strijd zijn geweest met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, zodat geen sprake is van een vormverzuim.

4.3.2

Verklaringen medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verklaringen die medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bij de politie hebben afgelegd van het bewijs dienen te worden uitgesloten en daarbij gewezen op de zogenaamde “Vidgen – jurisprudentie” van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

De officier van justitie heeft deze zienswijze bestreden en erop gewezen dat de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] niet de enige of doorslaggevende (solely or to a decisive extent) bewijsmiddelen zijn.

De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 2] noch [medeverdachte 1] belastend over verdachte heeft verklaard en dat hun verklaringen niet voor het bewijs tegen verdachte worden gebezigd, zodat dit verweer bij gebrek aan belang geen verdere bespreking behoeft.

4.3.3

Stemherkenning

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat daar waar verdachtes stem is herkend, die herkenningen niet tot het bewijs mogen dienen. De verbalisanten die de herkenningen hebben gedaan zijn geen deskundigen, de methode van herkenning is onbetrouwbaar en verdachte heeft een broer wiens stem erg op de zijne lijkt. Niet alle gevoerde gesprekken zijn op DVD aan de verdediging verstrekt. De gesprekken waarvan wordt gesteld dat verdachte eraan deelneemt die niet op de DVD staan mogen niet tot het bewijs dienen, nu dit niet te controleren valt. Van de overige gesprekken wordt betwist dat verdachte eraan deelneemt, tenzij de rechtbank van mening is dat het wel de stem van verdachte betreft (zaken [persoon 3] en [persoon 2] ). Indien de rechtbank toch waarde aan de stemherkenningen toekent verzoekt zij de broer van verdachte als getuige te horen.

De officier van justitie heeft de zienswijze van de verdediging bestreden.

Anders dan de raadsvrouw acht de rechtbank de methode van stemherkenning (de stem van de telefoongesprekken onderling met elkaar vergelijken en met die van de nadien aangehouden verdachte), niet a priori onbetrouwbaar. De rechtbank heeft voorts geen reden te twijfelen aan de juistheid van de herkenning van de stem van verdachte door verbalisanten (zie bv. ZD [verdachte] p. 91). Hierbij maakt de rechtbank geen onderscheid tussen gesprekken die wel of niet aan de raadsvrouw op DVD zijn verstrekt. Met name daar waar wordt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de gesprekken die betrekking hebben op de zaken [persoon 2] en [persoon 4] ziet de rechtbank zich gesterkt in haar oordeel dat het telkens verdachte is geweest die aan de gesprekken heeft deelgenomen vanaf het nummer eindigend op * [nummer 1] . Verdachte heeft ook toegegeven dat hij gebruik maakt van dit nummer, zij het dat ook anderen er wel eens gebruik van maken. Bij zijn aanhouding werd het telefoontoestel met dit nummer erin onder hem in beslag genomen. In dit toestel werden vele gegevens gevonden die betrekking hebben op phishing activiteiten (Zaaksdossier [verdachte] p. 282 e.v.). Het verweer wordt verworpen.

De rechtbank ziet geen noodzaak de broer van verdachte te horen. De raadsvrouw heeft onvoldoende onderbouwd waaruit deze noodzaak moet bestaan en niet gesteld is dat het juist de broer en niet verdachte is geweest die telkens heeft deelgenomen aan de gesprekken in die zaken die op de tenlastelegging staan.

4.4.

Bewijsoverwegingen feit 1

Deelname aan criminele organisatie

De officier van justitie heeft – samengevat – ten aanzien van het aantonen van het bestaan van een criminele organisatie tussen verdachte en de andere in het onderzoek 13Baron naar voren gekomen verdachten, gewezen op de verklaringen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] . Op basis daarvan, in combinatie met de bevindingen in het dossier, kan volgens haar in elk geval worden vastgesteld dat de door verdachten gepleegde feiten zijn gepleegd door een criminele organisatie. Naar haar mening zijn alle in de tenlastelegging onder 1 genoemde verdachten gedurende ruim een jaar onderdeel geweest van een criminele organisatie waarin op grote schaal misdrijven werden gepleegd.

De raadsvrouw heeft – samengevat – aangevoerd dat verdachten slechts over en weer met elkaar te maken hebben gehad en niet als een collectief, maar afzonderlijk hebben gehandeld. Er was geen sprake van een vaste structuur, een vaste kern en/of een vaste rolverdeling. In plaats daarvan betroffen het wisselende samenwerkingsverbanden met een wisselende modus operandi. Er was dus geen criminele organisatie, laat staan dat bij verdachte sprake was van een bewuste betrokkenheid daarbij.

Beoordeling

Inherent aan phishing is een zekere mate van organisatie. Immers, er worden e-mails verstuurd die zogenaamd van een bank afkomstig zijn; rekeninghouders worden naar websites gestuurd die sprekend lijken op de websites van banken; banken worden gebeld door personen die zich voordoen als rekeninghouders die een nieuwe bankpas nodig hebben; er zijn personen nodig die de nieuw aangevraagde bankpassen onderscheppen en er zijn mensen nodig die met de onderschepte bankpas en de reeds eerder bemachtigde pincode van het slachtoffer, binnen een zo kort mogelijke termijn, geld opnemen. Deze handelwijze vergt een planmatige aanpak, intensieve samenwerking en duidelijke afstemming tussen de daarbij betrokken personen.

Verdachte komt in het dossier meermalen naar voren in gesprekken met medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] . De gesprekken tussen hen zijn phishing gerelateerd. Tussen hen worden gegevens van rekeninghouders uitgewisseld en wordt concreet gesproken over geldopnames, overboekingen en de verdeling van de buit. Verdachte komt daarbij naar voren als degene die binnen het phishing proces de vervangende pinpassen aanvraagt en zich bezighoudt met het overboeken of opnemen van geldbedragen. Dat blijkt ook uit de hierna bewezen verklaarde feiten. [medeverdachte 4] komt naar voren als degene die de gegevens van de rekeningen aan [verdachte] verstrekt en [medeverdachte 3] komt hoofdzakelijk naar voren als degene die de geldbedragen opneemt. Hoewel ook is gebleken dat de verdachten in enkele gevallen wisselden van rol, kan worden gesteld dat zij in samenwerking met elkaar grotendeels een vaste rolverdeling aanhielden. Uit het dossier blijkt dat verdachten ook met anderen dan voornoemde verdachten samenwerkten, maar van een structurele en duurzame samenwerking kan in ieder geval worden gesproken waar het verdachte, [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] betreft.

Dat het [medeverdachte 4] is die schuilgaat achter de namen [bijnaam 1 van medeverdachte 4] en [bijnaam 2 van medeverdachte 4] , leidt de rechtbank af uit het volgende.

In het dossier bevindt zich een politiemutatie van 12 augustus 2014 betreffende een vechtpartij in Rotterdam waarbij onder andere medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] als betrokken personen worden genoemd en waarbij wordt vermeld dat [medeverdachte 4] werd aangehouden omdat hij geen identiteitsbewijs kon tonen. Het dossier bevat een telefoongesprek op 12 augustus 2014 tussen medeverdachte [medeverdachte 2] en een onbekend persoon waarin [medeverdachte 2] vertelt dat hij in Rotterdam was, ruzie kreeg en dat ene “ [bijnaam 2 van medeverdachte 4] ” (fonetisch) werd aangehouden omdat hij geen identiteitsbewijs bij zich droeg. Het dossier bevat ook een telefoongesprek tussen [medeverdachte 2] en een vrouw, die tegen [medeverdachte 2] zegt dat “ [medeverdachte 4] ” (fonetisch) vastzit op het politiebureau Doelwater in Rotterdam en dat zij geld moet overmaken om “ [medeverdachte 4] ” vrij te krijgen. Uit onderzoek in de politiesystemen blijkt dat [moeder van medeverdachte 4] (geboren [geboortedatum] 1972) aan het bureau Ganzenhoef in Amsterdam Zuidoost een boete van 400 euro heeft betaald voor [medeverdachte 4] , die op dat moment vastzat op politiebureau Doelwater. [medeverdachte 4] heeft bevestigd dat hij op 12 augustus 2014 met [medeverdachte 2] in Rotterdam was, dat hij daar werd aangehouden en dat zijn moeder toen in Amsterdam Zuidoost een openstaande boete voor hem heeft betaald.

Het dossier bevat voorts een tapgesprek tussen de gebruiker van het telefoonnummer eindigend op * [nummer 2] , die zichzelf “ [medeverdachte 4] ” (fonetisch) noemt en medeverdachte [medeverdachte 2] . Datzelfde telefoonnummer komt terug in de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 3] , maar dan in diens contacten onder de naam “ [bijnaam 2 van medeverdachte 4] ”.

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat met “ [bijnaam 2 van medeverdachte 4] ” dan wel “ [bijnaam 2 van medeverdachte 4] ” telkens [medeverdachte 4] wordt bedoeld.

Verdachte heeft via whatsapp verschillende gesprekken gevoerd met een contact genaamd “ [bijnaam 1 van medeverdachte 4] ” die gebruik maakt van het telefoonnummer eindigend op * [nummer 3] . Op 7 september 2014 stuurt medeverdachte [medeverdachte 2] naar verdachte een foto van een nieuwsbericht van 7 september 2014 over een veroordeling van een 17-jarige jongen wegens een oplichting met een privéjet. [bijnaam 1 van medeverdachte 4] en verdachte voeren op diezelfde dag gesprekken waarbij gerefereerd wordt aan deze oplichtingszaak. [bijnaam 1 van medeverdachte 4] geeft hierbij aan dat hij bang wordt en verdachte stelt hem gerust omdat de jongen maar een weekje celstraf heeft gekregen. Uit de inhoud van het nieuwsbericht en nader onderzoek van de politie blijkt dat de oplichtingszaak betrekking heeft op de huur van een privéjet waarmee drie jongens op één dag naar Antwerpen en Ibiza zijn gevlogen, zonder de rekening daarvoor te betalen. Naar aanleiding van deze oplichtingszaak is [medeverdachte 5] als één van de verdachten aangehouden. In zijn verklaring geeft [medeverdachte 5] aan dat hij de vlucht naar Ibiza heeft gepland en gemaakt met twee vrienden, genaamd “ [medeverdachte 4] ” en “ [naam 1] ”. In de telefoon van verdachte zijn foto’s aangetroffen van [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] en verdachte, poserend voor een privéjet. [medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij zichzelf herkent op de foto en dat het klopt dat hij is mee geweest naar Ibiza en Antwerpen.

Ook in de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 1] wordt het telefoonnummer eindigend op * [nummer 3] aangetroffen. De gebruiker van dit nummer heeft als whatsapp-naam: [naam 2] / [medeverdachte 4] .

Op grond van de voorgaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, leidt de rechtbank af dat verdachte en [medeverdachte 4] betrokken zijn bij genoemde oplichtingszaak, dat [medeverdachte 4] (ook) als gebruiker van het telefoonnummer eindigend op * [nummer 3] kan worden aangemerkt en dat hij in de telefoon van verdachte als ‘ [bijnaam 1 van medeverdachte 4] ’ wordt aangeduid.

Verdachte heeft een substantieel aandeel gehad in deze criminele organisatie. Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid de bewuste betrokkenheid van verdachte bij de organisatie en het opzet op het oogmerk van de organisatie om de in de tenlastelegging genoemde misdrijven te plegen. Zijn rol in de organisatie was cruciaal, namelijk het aanvragen van pinpassen en het (laten) opnemen dan wel wegsluizen van geldbedragen. Gelet op het feit dat verdachten gezamenlijk in beeld komen ongeveer vanaf september 2014 zal het bestaan van de criminele organisatie worden aangenomen vanaf 1 september 2014 en verdachtes deelname hieraan tot aan zijn aanhouding.

4.5

Bewijsoverwegingen feiten 2, 3 en 4

Feit 2

Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte 4] verdachte in een whatsappgesprek op 6 oktober 2014 de opdracht geeft iets te klikken. Daarna stuurt hij hem de gegevens van de rekening van [persoon 1] . Verdachte geeft aan dat hij het morgen gaat doen. Op 7 oktober 2014 geeft verdachte aan [medeverdachte 4] aan dat het niet lukt. Hij stuurt een foto van een inlogsessie op het account van [persoon 1] mee. Op 9 oktober 2014 zegt [medeverdachte 4] tegen verdachte dat hij contact op moet nemen met de bank en dat hij moet zeggen dat de hond in zijn portemonnee heeft gebeten. Verdachte geeft uitvoering aan die opdracht van [medeverdachte 4] . Hij belt met ING en vraagt een nieuwe bankpas aan op naam van [persoon 1] . Hij vertelt de medewerkster dat zijn hond in zijn portemonnee heeft gebeten en dat hij daarom een nieuwe pas aanvraagt. ING heeft de pas verzonden, maar onklaar gemaakt voor gebruik.

Met het aanvragen van een vervangende bankpas heeft verdachte de oplichtingshandeling verricht. De rol van [medeverdachte 4] , het geven van de opdracht tot het aanvragen van de vervangende pas in combinatie met de verstrekking van de gegevens, rechtvaardigt de conclusie dat verdachte het feit in nauwe en bewuste samenwerking met hem heeft gepleegd zodat van medeplegen kan worden gesproken. Het ten laste gelegde kan worden bewezen.

Feit 3

Uit het dossier blijkt dat verdachte en [medeverdachte 3] over de bankpas van [medeverdachte 6] hebben beschikt en dat [medeverdachte 4] over de rekeninggegevens van deze pas heeft beschikt. Dat blijkt uit tussen hen gevoerde gesprekken. Op 21 september 2014 vraagt verdachte aan [medeverdachte 3] zijn rekening- en pasnummer waarop [medeverdachte 3] hem de rekeninggegevens van [medeverdachte 6] toestuurt. Op 9 oktober 2014 stuurt verdachte een foto naar [medeverdachte 3] waarop is te zien dat is ingelogd op het rekeningnummer van [medeverdachte 6] en de daglimieten te zien zijn. Diezelfde dag heeft verdachte ook contact met [medeverdachte 4] . Hij vraagt hem om morgen geld op die green te zetten (tjonken) omdat hij de limiet van de pas heeft verhoogd. [medeverdachte 4] vraagt of verdachte een foto (cap) kan sturen, waarop verdachte hem een foto van de rekening van [medeverdachte 6] stuurt. Dat verdachte de bankpas van [medeverdachte 6] ook daadwerkelijk onder zich had blijkt uit het aantreffen van de bankpas in de woning van verdachte tijdens de doorzoeking. Tussen verdachte en [medeverdachte 6] heeft bovendien een gesprek plaatsgevonden op 10 oktober 2014 waarin verdachte hem vraagt zijn limiet te verhogen en waarin zij spreken over de vergoeding voor het ter beschikking stellen van zijn bankpas. [medeverdachte 3] heeft op 9 en 10 oktober 2014 opnames gedaan vanaf de rekening van [medeverdachte 6] en [verdachte] op 11 oktober 2014.

Het dossier bevat een aangifte van Rabobank waaruit blijkt dat drie frauduleuze overboekingen hebben plaatsgevonden naar de rekening van [medeverdachte 6] .

Op 9 oktober 2014 is € 4.521,- overgeboekt van de rekening van [bedrijf 1 VOF] . Op 10 oktober 2014 is € 4.105,- overgeboekt van de rekening van [bedrijf 2] en op 13 oktober 2014 is € 4.601,- overgeboekt van de rekening van [bedrijf 3] .

Gelet op de hiervoor beschreven samenwerking met betrekking tot de verschillende diefstallen kan worden bewezen dat verdachte de diefstal van het geldbedrag van [bedrijf 1 VOF] heeft medegepleegd met [medeverdachte 3] en dat hij de diefstal van het geldbedrag van [bedrijf 2] heeft medegepleegd met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] . Van het onderdeel dat ziet op het medeplegen van de diefstal van het geldbedrag van [persoon 5] / [bedrijf 3] , wordt verdachte vrijgesproken. Voor die diefstal dient verdachte zelfstandig verantwoordelijk te worden gehouden.

Feit 4

Inzake [bedrijf 4] / [persoon 6]

Verdachte heeft op naam van [bedrijf 4] en/of [persoon 6] op 18 september 2014 een vervangende bankpas aangevraagd. De opdracht daartoe heeft hij van medeverdachte [medeverdachte 4] ontvangen. Ook heeft hij de gegevens van de rekeninghouder van [medeverdachte 4] ontvangen. De pas is door ING niet verzonden. Het is dus bij een poging tot oplichting gebleven.

De rol van verdachte rechtvaardigt ook in dit geval de kwalificatie van medepleger. Ook terzake dit feit heeft verdachte immers de rol gehad van degene die een vervangende bankpas heeft aangevraagd. Het ten laste gelegde kan worden bewezen.

Inzake [persoon 2] , [persoon 3] en [persoon 4]

Inzake [persoon 2] , [persoon 3] en [persoon 4] is op het afgetapte telefoonnummer van verdachte te horen dat bij Rabobank en bij ICS door de beller een vervangende pas wordt aangevraagd. Inzake [persoon 2] heeft Rabobank aangifte gedaan voor het frauduleus aanvragen van een vervangende betaalpas. Ook is door een verbalisant de stem van verdachte tijdens dit betreffende gesprek herkend. In de zaak [persoon 3] is een rekeningafschrift van ICS bij verdachte thuis aangetroffen tijdens de doorzoeking. Dat verdachte degene was die in alle drie de gevallen de vervangende bankpassen heeft aangevraagd blijkt uit de voorgaande bewijsmiddelen tezamen en in onderlinge samenhang bezien. Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat het de rol van verdachte binnen het phishing proces was om vervangende bankpassen aan te vragen, zoals ook blijkt uit de overige onder 1 opgenomen bewijsmiddelen.

Dat het inzake [persoon 2] bij een poging is gebleven komt doordat de medewerker van de Rabobank verdachte verzocht met een legitimatiebewijs naar de bank te komen. In dit geval is dan ook sprake van een voltooide poging tot oplichting.

Inzake [persoon 3] is het bij een poging gebleven omdat verdachte niet het aan de creditcard gekoppelde rekeningnummer wist te noemen. Inzake [persoon 4] is het bij een poging gebleven omdat het rekeningnummer niet hoorde bij een man genaamd [persoon 4] , maar bij een vrouw met een andere voorletter.

Vrijspraak inzake [persoon 7]

Op 24 en 26 mei 2014 zijn opnames gedaan van de betaalrekening van [persoon 7] . Op haar naam is een vervangende bankpas aangevraagd die vijf maanden later bij verdachte thuis is aangetroffen. Concreet bewijs dat het verdachte was die de geldbedragen van de rekening heeft weggenomen ontbreekt echter zodat verdachte moet worden vrijgesproken van dit deel van de tenlastelegging.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen en op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, bewezen dat verdachte

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

in de periode van 1 september 2014 tot en met 20 oktober 2014 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten verdachte, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en andere personen welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het:

  • -

    plegen van computervredebreuk,

  • -

    plegen van witwassen,

  • -

    plegen van oplichting,

  • -

    plegen van diefstal van poststukken en/of bankpassen en

  • -

    plegen van diefstal van geldbedragen door middel van een valse sleutel.

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

in de periode van 1 september 2014 tot en met 20 oktober 2014 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid, een bank heeft bewogen tot de afgifte van een bankpas op naam van [persoon 1] , hebbende verdachte en zijn mededader met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk:

  • -

    telefonisch contact opgenomen met voornoemde bank en

  • -

    zich voorgedaan als zijnde voornoemde [persoon 1] en

  • -

    met gegevens en een bankrekeningnummer van voornoemde [persoon 1] een nieuwe bankpas aangevraagd,

waardoor voornoemde bank werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

in de periode van 1 oktober 2014 tot en met 20 oktober 2014 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen:

  • -

    4.601 euro toebehorende aan [persoon 5] en/of [bedrijf 3] en

  • -

    4.105 euro toebehorende aan [bedrijf 2] en

  • -

    4.521 euro toebehorende aan [bedrijf 1 VOF] ,

waarbij verdachte en/of zijn mededaders de weg te nemen geldbedragen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel;

ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde:

in de periode van 1 september 2014 tot en met 20 oktober 2014 in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid, ING Bank, International Card Services en Rabobank te bewegen tot de afgifte van pinpassen en een creditcard op naam [persoon 2] , [persoon 3] , [bedrijf 4] en [persoon 4] ,

met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – opzettelijk valselijk met zijn mededader, althans alleen, gegevens van voornoemde [persoon 2] , [persoon 3] , [bedrijf 4] en/of [persoon 6] en [persoon 4] heeft verkregen, waarna hij, verdachte:

  • -

    contact heeft opgenomen met voornoemde ING Bank en International Card Services en Rabobank en zich heeft voorgedaan als zijnde voornoemde [persoon 2] en [persoon 3] en [persoon 6] en/of [persoon 4] en

  • -

    met gegevens en bankrekeningnummers van voornoemde [persoon 2] en [persoon 3] en [bedrijf 4] en [persoon 4] nieuwe bankpassen en creditcard heeft aangevraagd.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1, 2, 3, en 4 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met aftrek van voorarrest. Zij heeft verzocht aan het voorwaardelijke strafdeel te koppelen de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd in het rapport van de reclassering d.d. 11 december 2014.

8.2

Het strafmaatverweer van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank in het kader van de strafmaat verzocht aan verdachte in ieder geval niet een gevangenisstraf op te leggen die de duur van de voorlopige hechtenis overstijgt. Zij heeft ter onderbouwing van dat verzoek gewezen op het relatief kleine aandeel van verdachte in de organisatie, het geringe schadebedrag en de geringe hoeveelheid slachtoffers die aan verdachte kunnen worden toegerekend.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich gedurende een aantal weken schuldig gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan het plegen van diefstallen, een oplichting en meerdere pogingen daartoe. Leden van de organisatie deden zich voor als rekeninghouders van bankinstellingen waardoor frauduleus gegevens werden verkregen. Op die manier werd op grootschalige wijze geld van de rekeninghouders en banken afhandig gemaakt en werden soms grote bedragen door contante geldopnames, overboekingen en door de aanschaf van goederen, weggesluisd. Verdachte fungeerde als degene die op naam van rekeninghouders vervangende bankpassen aanvroeg en nauw betrokken was bij het opnemen of wegsluizen van geldbedragen. Verdachte was het daarbij slechts te doen om snel geld en hij heeft geen enkel oog gehad voor de problemen en onzekerheid waarin hij de betrokken rekeninghouders heeft gebracht. Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Verdachte heeft steeds een ontkennende dan wel zwijgende houding aangenomen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij ervoor heeft gekozen geen inzicht te tonen in het kwalijke van zijn handelen en geen verantwoordelijkheid te nemen voor zijn gedrag.

Blijkens het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 3 september 2015 heeft verdachte zich in de afgelopen vijf jaar niet eerder schuldig heeft gemaakt aan vermogens- of fraudedelicten.

De rechtbank heeft acht geslagen op de inhoud van een rapport van Reclassering Nederland van 11 december 2014. Daarin is geadviseerd aan verdachte een meldplicht, een ambulante behandeling, een locatiegebod en andere voorwaarden het gedrag van verdachte betreffende, gericht op een dagbesteding, op te leggen in de vorm van bijzondere voorwaarden. Het rapport ziet op een advies in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis. In een recenter rapport van Reclassering Nederland van 30 september 2015 staat dat verdachte zelf zijn leven ter hand wil nemen en dat de reclassering het belang van een deels voorwaardelijke straf ziet, maar dan zonder de bijzondere voorwaarden zoals gesteld in het eerdere rapport.

Volgens de reclassering heeft verdachte geen hulpvragen. Een gedwongen kader voor het vinden van een reguliere dagbesteding met inkomen en het regelen van een eigen woonomgeving zal volgens de reclassering voor verdachte niet als extra motivatie werken. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte na zijn schorsing nog geen structurele dagbesteding heeft gevonden. Ook het vinden van een eigen woning is hem nog niet gelukt. Gelet daarop acht de rechtbank de oplegging van de aanvankelijk geadviseerde bijzondere voorwaarden noodzakelijk, met uitzondering van het locatiegebod.

In verdachtes persoonlijke omstandigheden, met name zijn nog jeugdige leeftijd en het feit dat verdachte in ieder geval het voornemen heeft om de juiste weg in te slaan, maar hoofdzakelijk in het uiteindelijke belang dat de maatschappij erbij heeft dat verdachte niet opnieuw strafbare feiten zal plegen, ziet de rechtbank aanleiding om in strafmatigende zin af te wijken van de eis van de officier van justitie. Daarnaast acht de rechtbank minder feiten en een kleinere criminele organisatie gedurende een aanmerkelijk kortere periode bewezen dan de officier van justitie. Om die reden zal de rechtbank verdachte niet terugsturen naar de gevangenis, maar zal aan hem – naast een forse taakstraf – wel een flink voorwaardelijk strafdeel worden opgelegd met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden.

9 Beslag

Retour uitgevende instantie

Onder verdachte zijn de voorwerpen genoemd onder de nummers 2, 3, 4, 6, 9 en 16 op de aangehechte beslaglijst in beslag genomen. Nu deze voorwerpen niet aan verdachte toebehoren zullen zij worden geretourneerd aan de uitgevende instantie.

Retour rechthebbende

Onder verdachte zijn de voorwerpen genoemd onder de nummers 1, 8, 10, 11, 12, 13, 15, 16, 19 en 20 op de aangehechte beslaglijst in beslag genomen. Deze voorwerpen behoren aan verdachte toe en zullen aan hem worden geretourneerd.

10 Benadeelde partijen

10.1

Vorderingen ING

ING heeft vorderingen ingediend als benadeelde partij. De verdediging beschikte voorafgaand aan de terechtzitting over deze vorderingen en ter terechtzitting heeft de [persoon 8] namens ING een toelichting op de vorderingen gegeven alsmede een lijst overgelegd van die dossiers waarop de vorderingen zien. De vorderingen zijn dan ook ingediend in de zaken tegen verdachte en al zijn medeverdachten. Voor zover een op de lijst voorkomende naam bewezenverklaard is tegen verdachte, kan worden vastgesteld dat verdachte jegens ING aansprakelijk is voor de door haar geleden schade als gevolg van de bewezenverklaarde (poging tot) oplichting en/of diefstal. De vorderingen kunnen niet worden toegewezen in verband met de bewezen criminele organisatie, nu het rechtsgoed dat artikel 140 Sr beoogt te beschermen de openbare orde is en niet de individuele belangen van slachtoffers.

ING vordert in dit geval onderzoekskosten van € 240,-- per dossier. Gelet op artikel 6:96, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek komen als vermogensschade voor vergoeding mede in aanmerking:

  1. redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade die als gevolg van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, mocht worden verwacht;

  2. redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid.

Ter terechtzitting heeft de [persoon 8] toegelicht op welke werkzaamheden de onderzoekskosten betrekking hebben, te weten – onder meer – het onderzoeken van de zaak, het opstellen en aanbieden van een schriftelijke aangifte, het blokkeren van passen en bankrekeningen, het verstrekken van nieuwe passen. De rechtbank acht een forfaitair bedrag van € 240,-- euro per dossier redelijk en zal verdachte dan ook veroordelen tot betaling van deze bedragen aan ING voor zover de namen in de bewezenverklaring overeenkomen met de dossiernamen op de door ING overgelegde lijst.

In de zaak van verdachte is gebleken dat de behandeling van de vorderingen van ING in de zaken met betrekking tot rekeninghouders [persoon 6] en [persoon 1] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de hiervoor onder 2 en 4 bewezen geachte feiten rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 480,- (2 x € 240,-) (vierhonderd en tachtig euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Gelet op het professionele karakter van de benadeelde partij in combinatie met het relatief geringe toegewezen bedrag, zal de rechtbank aan verdachte niet de maatregel van artikel 36f Sr opleggen.

Overige vorderingen ING

Gelet op de vrijspraken en/of de ongespecificeerdheid van de vorderingen zal ING voor het overige niet-ontvankelijk in haar vorderingen worden verklaard.

10.2

Vorderingen Rabobank

Bijzondere volmacht

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat bij het schadeformulier van Rabobank, ingevuld door [persoon 9] , geen bijzondere volmacht is gevoegd zodat niet blijkt hij gemachtigd is tot het invullen van een dergelijk formulier. De benadeelde moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

De rechtbank overweegt dat een bijzondere volmacht niet nodig is indien een benadeelde partij een rechtspersoon is en het formulier is ondertekend door een persoon die kennelijk als vertegenwoordiger namens die rechtspersoon optreedt, terwijl diens vertegenwoordigingsbevoegdheid niet gemotiveerd wordt betwist

(ECLI:NL:RBROT:2015:3488). Dat [persoon 9] een vertegenwoordiger is van Rabobank blijkt uit de aangifte. Het verweer wordt verworpen.

Schade door diefstallen

Uit de aangifte van Rabobank volgt weliswaar dat rekeninghouders [bedrijf 3] , [bedrijf 2] en [bedrijf 1 VOF] schade hebben geleden door de diefstallen van de geldbedragen, zoals volgt uit het onder 3 bewezen verklaarde, maar niet dat Rabobank daardoor rechtstreekse schade heeft geleden. De benadeelde partij is daarom niet-ontvankelijk in die vordering.

Onderzoekskosten

Rabobank heeft een aparte vordering ingediend die op onderzoekskosten betrekking hebben, zoals is omschreven in de aangifte. De rechtbank acht een forfaitair bedrag van

€ 300,- euro per aangifte redelijk en zal verdachte dan ook veroordelen tot betaling van deze bedragen aan Rabobank voor zover de namen in de bewezenverklaring overeenkomen met de namen op de vordering.

In de zaak van verdachte is gebleken dat de behandeling van de vordering van Rabobank met betrekking tot gevorderde onderzoekskosten inzake [persoon 5] / [bedrijf 3] , [bedrijf 2] en [bedrijf 1 VOF] , niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de hiervoor onder 3 bewezen geachte feiten rechtstreekse schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 900,- (3 x € 300,-) (negenhonderd euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Gelet op het professionele karakter van de benadeelde partij in combinatie met het relatief geringe toegewezen bedrag, zal de rechtbank aan verdachte niet de maatregel van artikel 36f Sr opleggen.

10.3

Vordering [persoon 10]

Bewezen is verklaard, onder feit 1, dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven. De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van benadeelde partij [persoon 10] toe te wijzen nu aan die benadeelde rechtstreeks schade is toegebracht door de criminele organisatie. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij niet is geduid in enige bewezenverklaring. Evenmin kan aan de hand van de bewezenverklaring [persoon 10] als direct slachtoffer worden aangewezen. Ook kan niet worden vastgesteld dat de benadeelde partij als gevolg van feit 1 rechtstreekse schade heeft geleden. De benadeelde partij is daarom niet-ontvankelijk in de vordering.

10.4

Vorderingen [persoon 7] en [persoon 11]

Nu niet is gebleken dat aan [persoon 7] en [persoon 11] door de bewezen geachte feiten rechtstreeks schade is toegebracht, zijn deze benadeelde partijen in de vordering niet-ontvankelijk.

10.5

Vorderingen [persoon 12] en [persoon 13]

Uit de voegingsformulieren van benadeelde partijen [persoon 12] en [persoon 13] blijkt dat geen schade wordt gevorderd. De rechtbank zal op die vorderingen daarom geen beslissing nemen.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 47, 57, 140, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

12 Beslissing

Verklaart de dagvaarding nietig voor zover in de feiten 2, 3 en 4 de zinsnede voorkomt: “…en een of meer tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en)…”

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

Medeplegen van oplichting.

Ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde:

Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels

en

diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde:

Medeplegen van poging tot oplichting

en

poging tot oplichting, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Meldplicht

Veroordeelde moet zich blijven melden bij Reclassering Nederland aan de [adres 2] te [plaats] , gedurende door de reclassering bepaalde perioden zo frequent als de reclassering gedurende deze perioden nodig acht. Gedurende deze periode moet de veroordeelde zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Dit betekent dat de toezichthouder de veroordeelde opdrachten geeft die betrekking hebben op zijn handel en wandel.

Ambulante behandeling

Veroordeelde wordt verplicht om zich onder behandeling te stellen bij De Waag, of een soortgelijke instelling indien de reclassering dit noodzakelijk acht. Het doel van deze interventie is gedragsbeïnvloeding door de aanpak van de dynamische factoren van de persoon, voor zover die een directe samenhang met crimineel gedrag tonen. Binnen de behandeling zal in ieder geval aandacht zijn voor vaardigheidstekorten, niet adequate vrijetijdsbesteding, invloed van problematisch functionerende leeftijdsgenoten en problemen in contact met ouder(s).

Andere voorwaarden het gedrag betreffende

Veroordeelde dient zich actief in te zetten om een structurele vorm van passende dagbesteding te realiseren, ook als hij hiervoor de aanwijzingen van een uitkeringsinstantie of re-integratiebureau dient op te volgen.

Geeft opdracht aan Reclassering Nederland, gevestigd aan de [adres 2] , [plaats] , om toezicht te houden op de naleving van de opgelegde bijzondere voorwaarden.

Veroordeelt verdachte voorts tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 200 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen.

Beslag

Gelast de teruggave aan de uitgevende instantie van de voorwerpen genoemd op de aangehechte beslaglijst onder de nummers:

2, 3, 4, 6, 9 en 16.

Gelast de teruggave aan [verdachte] van de voorwerpen genoemd op de aangehechte beslaglijst onder de nummers:

1, 8, 10, 11, 12, 13, 15, 16, 19 en 20.

Benadeelde partijen

Wijst de vorderingen van ING gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot betaling van

€ 480,- (vierhonderdtachtig euro) aan de benadeelde partij.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan ING voornoemd, behalve voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door ING gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verklaart ING niet-ontvankelijk in de overige (delen van) de vordering(en).

Wijst de vorderingen van Rabobank gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot betaling van € 900,- (negenhonderd euro) aan de benadeelde partij.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan Rabobank voornoemd, behalve voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door Rabobank gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verklaart Rabobank niet-ontvankelijk in de overige (delen van) de vordering(en).

Verklaart [persoon 10] niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart [persoon 7] niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart [persoon 11] niet-ontvankelijk in de vordering.

Voorlopige hechtenis

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.B. Martens, voorzitter,

mrs. R. Hirzalla en M.B. de Boer, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Flikkenschild, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 november 2015.