Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:7982

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-11-2015
Datum publicatie
20-11-2015
Zaaknummer
AMS 15/3680
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wsf 2000, herziening uitwonendenbeurs, gegrond, gelet op in bezwaar overgelegde documenten is onderzoek verweerder onvoldoende

De rechtbank overweegt dat eiseres in bezwaar tegenbewijs heeft geleverd, onder andere in de vorm van verklaringen van de buren, waarvan twee geen verklaring tegenover de toezichthouders hebben afgelegd. In deze omstandigheid, gezien in samenhang met het feit dat de verklaringen in het rapport summier zijn en dat uit het rapport niet blijkt dat is doorgevraagd of eiseres ook op het adres woonde, had verweerder aanleiding moeten zien nader onderzoek te doen. De enkele rapportage biedt onder deze omstandigheden onvoldoende grondslag voor het bestreden besluit. Dit geldt temeer nu eiseres in bezwaar niet werd bijgestaan door een professionele gemachtigde. Eiseres heeft daarbij een verklaring gegeven voor het weigerachtige gedrag van de hoofdbewoonster. De controleurs hebben nadat zij het telefoonnummer van eiseres hadden gekregen, eiseres niet gebeld, ondanks dat eiseres haar medewerking aan het onderzoek had toegezegd. Daardoor heeft eiseres niet de mogelijkheid gekregen de hoofdbewoonster op andere gedachten te brengen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is genomen en daarom voor vernietiging in aanmerking komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 15/3680

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 november 2015 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. D. Hendriks),

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder

(gemachtigde: mr. T. Holtrop).

Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de studiefinanciering van eiseres op grond van de Wet studiefinanciering (Wsf) 2000 herzien.

Bij besluit van 7 mei 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2015. Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. F. Penders, kantoorgenoot van haar gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

Eiseres heeft vanaf 1 september 2012 studiefinanciering naar de norm van een uitwonende. Verweerder heeft onderzoek verricht naar het adres [adres 1] te [woonplaats] , het adres waar eiseres ingeschreven staat in de Basisregistratie Personen (BRP-adres). De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in de Rapportage Huisbezoek van 1 december 2014 (het rapport). In het rapport staat dat toezichthouders op 22 november 2014 een huisbezoek hebben afgelegd aan het BRP-adres. De hoofdbewoonster gaf aan dat eiseres op het BRP-adres woonde en niet thuis was. De hoofdbewoonster heeft het telefoonnummer van eiseres gegeven. De hoofdbewoonster heeft de controleurs geen toestemming gegeven de woning te betreden. Ook in het bijzijn van eiseres zouden de controleurs de woning niet mogen betreden. De hoofdbewoonster weigerde een schriftelijke verklaring te ondertekenen. De controleurs hebben geen telefonisch contact gezocht met eiseres. Op 26 november 2014 hebben de bewoners van [adres 2] schriftelijke verklaringen afgelegd. Op de vraag wie er naast hen op nummer [huisnummer] wonen, heeft een van de bewoners geantwoord: “Ik weet dat daar een echtpaar woonachtig is met twee jongere kinderen. Er wonen daar vier personen. Ikzelf woon hier nu al vijf jaar ongeveer” De andere bewoner antwoordde op dezelfde vraag: “Ik woon hier nu al ongeveer zes jaar. Naast mij op nummer [huisnummer] woont een gezin bestaande uit een man, vrouw en twee jonge kinderen. De kinderen zijn in de leeftijd van twee en een half en zes jaar.” Uit een telefoonnotitie in het dossier blijkt dat eiseres op 26 november 2014 telefonisch contact heeft opgenomen met DUO en heeft gezegd ‘dat de hoofdbewoonster een bijzonder mens is’ en dat eiseres graag wil meewerken aan het onderzoek.

1.2.

Verweerder heeft uit het rapport de conclusie getrokken dat eiseres niet op het BRP-adres woont en bij het primaire besluit het recht op studiefinanciering over de periode van september 2012 tot en met augustus 2013 en vanaf september 2014 herzien, eiseres per 1 september 2012 aangemerkt als thuiswonend en een bedrag van € 2.921,47 aan ontvangen studiefinanciering maandelijks met de studiefinanciering verrekend.

1.3.

Op 18 december 2014 heeft verweerder eiseres bericht over het voornemen haar een boete op te leggen en eiseres in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen. Verweerder heeft de reactie van eiseres van 24 december 2014 op het voornemen opgevat als bezwaarschrift tegen het primaire besluit en het besluit over het opleggen van de boete opgeschort. Verweerder heeft eiseres bij brief van 9 april 2015 in de gelegenheid gesteld objectieve en verifieerbare bewijsstukken te overleggen, waaruit blijkt dat zij woont en woonde op het BRP-adres.

1.4.

Bij brief van 23 april 2015 heeft eiseres een schriftelijke aanvulling over haar woonsituatie gegeven. Eiseres heeft verklaard toestemming te geven om haar kamer te bezichtigen. Voorts hebben de bewoners van huisnummers [huisnummer] , [huisnummer] en [huisnummer] een door eiseres opgestelde brief getekend, waarin zij verklaren dat eiseres woonachtig is op de [adres 4] en dat zij eiseres door het raam van haar kamer zien.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard voor zover dit het recht op een uitwonendenbeurs over de maand september 2012 betreft, omdat zij toen op een ander adres uitwonend was, en voor het overige ongegrond verklaard. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat uit het onderzoek is gebleken dat eiseres geen hoofdverblijf op het BRP-adres heeft. Verweerder acht de verklaring waarin eiseres toestemming geeft voor een huisbezoek niet van belang, nu de hoofdbewoonster geen toestemming heeft gegeven om de woning te betreden. Uit de door de drie buren ondertekende verklaring, waarvan één verklaring afwijkt van de verklaring die tegenover de controleurs is afgelegd, blijkt niet onomstotelijk dat eiseres wel op het BRP-adres woont. Verweerder heeft de uitwonendenbeurs over de periode oktober 2012 tot en met december 2012 herzien en een bedrag van € 2.730,93 aan ontvangen studiefinanciering met de maandbetalingen verrekend.

3. Eiseres stelt in beroep dat zij wel degelijk op het BRP-adres woont. Eiseres heeft een verklaring van de bedrijfsarts van 1 december 2011 overgelegd, waaruit blijkt dat bij de hoofdbewoonster van het BRP-adres, haar nicht, sprake is van een depressieve stoornis in ernstige mate. Hierin ligt de oorzaak dat de hoofdbewoonster geen toestemming heeft gegeven om de woning te betreden. Verweerder heeft nimmer telefonisch contact opgenomen met eiseres, waardoor eiseres niet in de gelegenheid is gesteld om haar situatie goed uit te leggen. Eiseres heeft voorts in beroep een uitgebreidere verklaring van de bewoonster van [adres 3] overgelegd, een verklaring van de bewoners van nummer [huisnummer] , een verklaring van haar vriend, kopieën van de identiteitsbewijzen van de buren die verklaringen hebben ondertekend, alsmede enkele foto’s van haar kamer.

4.1.

De rechtbank overweegt dat eiseres in bezwaar tegenbewijs heeft geleverd, onder andere in de vorm van verklaringen van de buren, waarvan twee geen verklaring tegenover de toezichthouders hebben afgelegd. In deze omstandigheid, gezien in samenhang met het feit dat de verklaringen in het rapport summier zijn en dat uit het rapport niet blijkt dat is doorgevraagd of eiseres ook op het adres woonde, had verweerder aanleiding moeten zien nader onderzoek te doen. De enkele rapportage biedt onder deze omstandigheden onvoldoende grondslag voor het bestreden besluit. Dit geldt temeer nu eiseres in bezwaar niet werd bijgestaan door een professionele gemachtigde. Eiseres heeft daarbij een verklaring gegeven voor het weigerachtige gedrag van de hoofdbewoonster. De controleurs hebben nadat zij het telefoonnummer van eiseres hadden gekregen, eiseres niet gebeld, ondanks dat eiseres haar medewerking aan het onderzoek had toegezegd. Daardoor heeft eiseres niet de mogelijkheid gekregen de hoofdbewoonster op andere gedachten te brengen.

4.2.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is genomen en daarom voor vernietiging in aanmerking komt.

5. De rechtbank zal het beroep dan ook gegrond verklaren. De rechtbank zal niet zelf in de zaak voorzien, om verweerder de mogelijkheid tot nader onderzoek niet te ontnemen. De rechtbank bepaalt daarom dat verweerder binnen zes weken na verzending van dit besluit een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen.

6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 980,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.L. Fernig - Rocour, rechter, in aanwezigheid van

mr. E.H. Kalse-Spoon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 november 2015.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.