Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:7955

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-11-2015
Datum publicatie
24-11-2015
Zaaknummer
C/13/575785 / HA ZA 14-1098
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen aansprakelijkheid bedrijfsarts wegens schending beroepsgeheim (condicio sine qua non-verband ontbreekt) of niet verlenen goede zorg.

Wetsverwijzingen
Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg
Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg 88
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 74
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 457
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 150
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2015-0493
JA 2016/3
AR 2015/2289

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/575785 / HA ZA 14-1098

Vonnis van 18 november 2015

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. T.G.M. Gersjes te Eindhoven,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. E.J.C. de Jong te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 3 november 2014 met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 7 januari 2015 waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 22 april 2015 met de daarin genoemde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is van [datum] tot eind 2007 als brug- en sluiswachter werkzaam geweest in dienst van (de Dienst Binnenwaterbeheer van) de gemeente Amsterdam.

2.2.

In de periode 2005-2007 heeft [gedaagde] als bedrijfsarts in die hoedanigheid bedrijfsgeneeskundige werkzaamheden verricht voor de Dienst Binnenwaterbeheer van de gemeente Amsterdam.

2.3.

Op 18 december 2003 heeft [eiser] de (niet in deze procedure betrokken) bedrijfsarts [naam 1] bezocht. Naar aanleiding van dit bezoek heeft de bedrijfsarts het volgende aan de werkgever van [eiser] teruggekoppeld:

“(…) Betrokkene heeft een medische aandoening die hem beperkingen oplevert. Deze beperking maakt dat (brom)fietsen erg pijnlijk is en schadelijk voor zijn gezondheid. Deze beperking zal op zijn minst duren totdat hij de specialistische behandeling heeft ondergaan waar hij nog op wacht. (…)”.

Deze brief van de bedrijfsarts is niet in het medisch dossier van [eiser] verwerkt.

2.4.

Op 6 augustus 2004 heeft [eiser] de (niet in deze procedure betrokken) bedrijfsarts [naam 2] bezocht (opvolger van [naam 1] ). Deze bedrijfsarts heeft bij [eiser] een aantal beperkingen vastgesteld, waaronder fietsen. [eiser] heeft van zijn werkgever bij brief van 9 augustus 2004 een bevestiging gekregen dat hij niet hoefde te fietsen totdat de bedrijfsarts bepaalt dat fietsen weer mogelijk is.

2.5.

In 2004 en 2005 heeft [eiser] een aantal keer de polikliniek urologie van het UMC Utrecht bezocht.

2.6.

Op 9 oktober 2005 is [eiser] van achteren aangereden. Op 18 november 2005 heeft [gedaagde] [eiser] voor het eerst op haar spreekuur gezien. Op een formulier aan de huisarts van [eiser] heeft [gedaagde] geschreven: “arbeidsongeschikt t.g.v. auto-ongeval > whiplash”.

2.7.

[eiser] woonde op dat moment in Duitsland. Op 2 december 2005 had [gedaagde] telefonisch contact met [eiser] en op 9 december 2005 kwam [eiser] weer bij [gedaagde] op het spreekuur. Tijdens dat spreekuur is gesproken over het conflict dat [eiser] had met zijn werkgever. [gedaagde] heeft in het dossier het volgende genoteerd:

“Betrokkene heeft [naam 3] persoonlijk bedreigd vanwege het niet toegekend krijgen om weer op bepaalde bruggen te mogen werken. Dreigde [naam 3] bij herhaling van de post te slaan.”.

Er is een re-integratieschema opgesteld. Aan de werkgever is bericht dat [eiser] vanaf 26 december 2005 zijn werk volledig kon hervatten (voor vier dagen per week).

2.8.

Op 16 maart 2006 kwam [eiser] weer op het spreekuur van [gedaagde] . [eiser] had zich op 14 maart 2006 ziek gemeld. [gedaagde] heeft aan [eiser] en de werkgever bericht dat de klachten niet zodanig waren dat sprake was van arbeidsongeschiktheid. In het dossier heeft [gedaagde] onder meer genoteerd:

“(…)

4. 27-4urologische controle vanwege testiscyste, punctie?

(…)

Betwist capaciteiten van de bedrijfsarts (Kent u het werk of mijn werkplek?)

Gewezen op de mogelijkheid van een deskundigenoordeel.

(…)

Brief werkgever :

Betrokkene kan m.i.v. 16-03-2006 weer volledig worden ingezet in alle diensten zonder specifieke beperkingen”.

2.9.

Bij besluit van 4 april 2006 is aan [eiser] voorwaardelijk strafontslag aangezegd vanwege onheuse bejegening en bedreiging van een leidinggevende. Dit is op 29 juni 2006 per e-mail door de werkgever aan [gedaagde] meegedeeld.

2.10.

Op 13 september 2006 kwam [eiser] weer bij [gedaagde] op het spreekuur. [gedaagde] heeft, voor zover van belang, het volgende in het dossier genoteerd:

“Staat onder grote druk vanwege voorwaardelijk strafontslag. (…) Defecte bediening boom en slagboom op hoofd passant. (…) Staat niet voor zichzelf in als hij alleen moet werken. Ziet dit als wraakactie van [naam 3] . Slaapt slechts sinds 4 a 5 maanden. Eczeem toegenomen, Geen vertrouwen. (…) In 1993 ook strafontslag. Door rechter ongedaan gemaakt. (…) Wil principieel niet weggaan en ze dat genoegen geven. ‘Gaat door totdat hij in de psychiatrie terecht komt’. Wil de verantwoordelijkheid voor de beslissing te werken bij bedrijfsarts leggen. Overweegt onbetaald verlof. Gesproken over relatieve keuzes, vertrekken, zich verzetten, hulp en steun zoeken. Aangesproken op agressieve gedrag in spreekkamer.

Onderzoek : Erg boos, slaat keihard op tafel

(…)

Brief werkgever :

Betrokkene heeft op eigen verzoek een gesprek gehad over klachten die in relatie tot het werk staan.”.

2.11.

Op 20 september 2006 zag [gedaagde] [eiser] weer op het spreekuur na ziekmelding op 16 september 2006. [eiser] had toen een arts in Duitsland bezocht. [gedaagde] heeft onder meer het volgende in het dossier genoteerd:

“(…) herbeleving auto-ongeval broer gezien 3 jaar geleden. Als hij opgejaagd is. Sinds 2 jaar deze klachten. Had dit feitelijk wel verwerkt. Slapen sinds anderhalf jaar niet goed. (…)

16 & 17-09 in ziekenhuis geweest (brief meegenomen ‘beiden tagen infusionen u laboratoruntersuchungen’) Uitslag onduidelijk. (…) Helft ‘emmer vol’ door werk rest door lichamelijke klachten. Advies gesprekken ter relativering. Staat daar niet erg voor open. Heeft totaal geen verlof meer, wel behoefte aan afwezigheid. Begint over onbetaald verlof.

(…)

Brief werkgever :

Betrokkene is arbeidsongeschikt met werkgerelateerde psychische en lichamelijke problemen. Er is passende behandeling gezocht. Betrokkene is 23-09-2006 weer arbeidsgeschikt voor het eigen werk.”.

2.12.

Op 4 oktober 2006 heeft [eiser] zich weer ziek gemeld. [gedaagde] en [eiser] hebben naar aanleiding hiervan telefonisch contact gehad. Naar aanleiding van dit contact heeft [gedaagde] , voor zover van belang, het volgende in het dossier genoteerd:

“Ziek geworden tijdens het werk. Kan niet meer helder denken (…) autosleutels en werksleutels verloren. Wil rust en kan niet meer werken. Huisarts bezocht vanmorgen, advies absolute rust en mag naar Duitsland reizen. Mag niet van de leidinggevende naar Duitsland.

(…)

Evaluatie : werkgerelateerde spanningsklachten als gevolg van conflict?

(…)

Brief werkgever :

Betrokkene heeft zich telefonisch bij de bedrijfsarts arbeidsongeschikt gemeld met werkgerelateerde psychische klachten. Er is passende behandeling gezocht. Ter beoordeling van de arbeidsongeschiktheid komt betrokkene op het spreekuur.”.

2.13.

Op 6 oktober 2006 kwam [eiser] op het spreekuur van [gedaagde] . [gedaagde] heeft het volgende in het dossier genoteerd:

“Tijdens werken opgestaan uit stoel en duizelig. Sleutels op de vloer gevonden. Houdt deze klachten. Draaierig gevoel in hoofd. Voelt zich erg afwezig. Gevoel van derealisatie. Aanleiding voor de klachten onduidelijk. (…) Gejaagd gevoel. (…) Wil wel hulp van een psychiater. (…)

Voorstel overleg huisarts over ondersteuning/therapie

(…)

Evaluatie : werkgerelateerde spanningsklachten met depressieve ondertoon

(…)

Brief werkgever :

Betrokkene is arbeidsongeschikt met werkgerelateerde psychische klachten. Er is passende behandeling gezocht die op 6-10 wordt geëvalueerd. De behandelaar heeft geadviseerd gedurende 2 weken niet te werken. (…)”.

2.14.

Op 17 oktober 2006 had [gedaagde] telefonisch overleg met de huisarts van [eiser] . Van dit gesprek heeft zij de volgende aantekeningen gemaakt in het dossier:

“Advies aan betrokkene was juist om snel weer werk te hervatten en om niet meer krediet verliezen bij de werkgever. Hervatten al was maar voor halve dagen voor volgende week. Bloedonderzoek afgesproken. Heeft niet gezegd twee weken thuis te blijven! Psychologische hulp niet besproken. Moet vooral aan het werk blijven. (…)”.

2.15.

Op 20 oktober 2006 is [eiser] op het spreekuur van de (niet in deze procedure betrokken) bedrijfsarts [naam 4] geweest. Deze bedrijfsarts heeft in het dossier onder meer het volgende genoteerd:

“(…)

Heeft voor 24-10 een afspraak met maatschappelijk werk via huisarts. Verwacht daar niet veel van want wat kan die nu aan de werksfeer en de werksituatie veranderen? Gesprek over noodzaak om zichzelf beter te leren begrijpen en veranderen van gedrag. (…)

(…)

Evaluatie : werkgerelateerde spanningsklachten

Plan : werkhervatting alle uren per heden, wel op rustigere brug

(…)

Brief werkgever :

Betrokkene is gedeeltelijk arbeidsongeschikt met werkgerelateerde psychische klachten. Er zijn beperkingen op het mentale vlak vooral concentratie en geheugen is nog beperkt. (…) Het is wenselijk om in verband met bovenstaande beperkingen te proberen dhr [eiser] aan aantal weken op de rustigere bruggen in te zetten (…). Per heden zal dhr [eiser] weer alle diensten draaien. (…)”.

2.16.

Op 15 november 2006 is [eiser] weer op het spreekuur van [gedaagde] geweest. [gedaagde] heeft het volgende in het dossier genoteerd:

“Werkt en wil daarmee de goede kant tonen. (…) Iets rustiger geworden. (…) Huisarts niet meer bezocht. Weer officiële berisping gekregen. (…) Kouder weer dan last nek en knieën. (…) Besproken dat de beperking qua inzetbaarheid m.i. kan stoppen. Kan zich daar in vinden.

(…)

Brief werkgever :

Betrokkene is op dit moment weer volledig arbeidsongeschikt en daarmee weer volledig inzetbaar voor alle taken van de eigen functie.”.

2.17.

Op 19 maart 2007 heeft [eiser] zich ziek gemeld op de voicemail van [gedaagde] . [gedaagde] heeft het volgende in het dossier genoteerd:

“(…) Onduidelijk welke klachten. Staat in Duitsland onder doktersbehandeling. Gaat mij e-mail sturen met informatie”.

Op 20 maart 2007 heeft [gedaagde] [eiser] naar aanleiding van deze ziekmelding telefonisch gesproken. [eiser] heeft haar meegedeeld dat hij niet kan reizen.

2.18.

Op 22 maart 2007 is [eiser] op het spreekuur geweest bij een (niet in deze procedure betrokken) bedrijfsarts van de arbodienst van het UMC Groningen. In het medisch dossier van [eiser] staat over dit bezoek het volgende genoteerd:

“Hij geeft aan sinds 1 week zeer veel pijnklachten te hebben in het gebied rond zijn anus. De pijn straalt uit rond de heupen naar ventraal. Hij slaapt daardoor slecht en kan moeilijk zitten. (…)

Onderzoek

Op het spreekuur blijft betrokkene voortdurend staan omdat zitten te pijnlijk is. Hij maakt een gespannen indruk. (…) Bij onderzoek zijn geen afwijkingen zichtbaar rond de anus, heupen en genitaal streek. (…)

Ik bespreek met betrokkene dat ik geen enkele afwijking zie en dat ik de klachten die hij heeft niet in relatie kan brengen met wat ik vind bij onderzoek. (…)

Evaluatie :

Pijnklachten waarvan de oorzaak waarschijnlijk psychogeen is. Geen adequate behandeling tot nu toe door internist. Er is op grond van de klachten een beperking voor langer dan half uur zitten. Voor het overige geen beperkingen.

(…).

Aan de werkgever van [eiser] heeft deze bedrijfsarts bericht dat [eiser] na het bezoeken van de behandelend arts op 24 maart 2007, rekening houdend met de beperking van niet langer dan een half uur zitten, weer inzetbaar is in aangepast of zijn eigen werk.

2.19.

Op 23 april 2007 heeft [gedaagde] [eiser] weer op haar spreekuur gezien. In het dossier heeft zij, voor zover van belang, het volgende genoteerd:

“1. Pijnklachten algemeen in testikelgebied en lies links. (…)

2. Pijn laag in de rug die uitstraalt naar de anus.

(…)

4. Op 22 november in stilstaande auto achter aangereden (voor trouwdag). (…) Stress speelt geen rol in deze klachten. (…)

Uroloog stelt kleine ingreep in testikel voor, wacht op toestemming unive.

(…)

Stelt voor te overleggen met de behandelend arts.

(...)”.

[gedaagde] heeft naar aanleiding van dit bezoek aan de werkgever geschreven dat [eiser] arbeidsongeschikt is met niet werkgerelateerde klachten.

2.20.

In het dossier heeft [gedaagde] , voor zover van belang, de volgende aantekeningen gemaakt van haar gesprek met de huisarts van [eiser] in Duitsland op 2 mei 2007:

“Betrokkene heeft verschillende klachten waarvoor behandeling is;

  1. Lage rugklachten (…)

  2. . Poctitis (…) verdenking M. Crohn

  3. . Eenzijdige testis klein echografisch suspect, wacht op punctie van de uroloog.

  4. . Psychisch lijdt betrokkene, onduidelijk waarom. Ziek[t]e of andere problemen. Laatste is de belangrijkste beperking om niet te werken. Zij acht hem absoluut volledig arbeidsongeschikt voor onbepaalde tijd.”.

2.21.

Op 9 mei 2007 is [eiser] weer bij [gedaagde] op het spreekuur geweest. Van dat bezoek heeft [gedaagde] onder meer de volgende aantekeningen gemaakt

“(…)

1. Lage rugklachten (…)

2. Darmklachten (…)

3. Testisonderzoek. Heeft geen toestemming van ziektekostenverzekeraar nog, wacht daarop voor geplande operatieve punctie. (…) Wisselende klachten in liesgebied, onduidelijk wat de oorzaak provoceert en vermindert.

3. Hoofdpijn en slecht slapen t.g.v. auto-ongeval.

4. Al jaren op zoek naar fietsmutatie, gehad bij Commit, niet bij KLM Arbo. Tijdelijke fietsmutatie is m.i. te bespreken.

Stelt zelf voor 2 dagen te gaan hervatten i.o.m. behandelaar. (…)”.

Naar aanleiding van dit spreekuurbezoek heeft [gedaagde] aan de werkgever bericht dat [eiser] nog steeds arbeidsongeschikt is met niet werkgerelateerde klachten en:

“Na 11-5 kan betrokkene hervatten in het eigen werk 2 dagen/week mits rekening wordt gehouden met een (tijdelijke) fietsmutatie en nog geen nachtdienst. (…)”.

2.22.

Op 25 mei 2007 heeft [eiser] het spreekuur van bedrijfsarts [naam 4] bezocht (conform afspraak met [gedaagde] op 19 mei 2007). Uit de aantekeningen van [naam 4] in het dossier blijkt dat het onderzoek naar aanleiding van de testis klachten nog niet heeft plaatsgevonden en dat er nog geen medische diagnose bekend is ten aanzien van deze klachten. Ook heeft zij genoteerd dat [eiser] zelf aangeeft wel weer alle dagen te kunnen gaan werken, maar dat hij niet kan fietsen. Aan de werkgever heeft [naam 4] geschreven dat [eiser] nog klachten heeft waarvoor hij onder behandeling is bij twee specialisten en dat het voornaamste probleem is dat [eiser] niet lang achter elkaar kan zitten, dat [eiser] weer alle uren in het eigen rooster kan gaan werken, maar dat hij niet kan fietsen (“fiets en snor mutatie”).

2.23.

Op 20 juni 2007 is [eiser] weer bij [gedaagde] op het spreekuur geweest. In het dossier heeft [gedaagde] , voor zover van belang, de volgende aantekeningen gemaakt:

“Klachten wisselen per week en dag, heeft ondanks klachten toch gewerkt. (…)

Klachten van de lies en bal nog. Nog steeds niets gehoord van uroloog/ziektekosten over geplande onderzoeken. (…)

Werkt 8 uur als BOA in maasgouw. (…)”.

Aan de werkgever heeft [gedaagde] geschreven dat [eiser] vanaf 21 juni 2007 weer zijn eigen werk volledig kan hervatten, maar dat zij adviseert rekening te houden met een (tijdelijke) “fiets en snorfietsmutatie” gedurende ongeveer zes weken.

2.24.

Op 25 juli 2007 heeft de leidinggevende van [eiser] aan [gedaagde] meegedeeld dat de fietsmutatie is ingetrokken omdat [eiser] met de motor naar het werk kwam.

2.25.

Op 1 augustus 2007 is [eiser] op het spreekuur van bedrijfsarts [naam 4] geweest. Onderwerp van gesprek is onder meer dat hem de fietsmutatie is afgenomen. In de aantekeningen van bedrijfsarts [naam 4] in het dossier van [eiser] is het volgende te lezen:

“(…) Betr stelt dat hij het motorrijden maar een paar keer heeft gedaan en in overleg met de internist om uit te proberen hoe dat ging! Aangegeven dat hij dit met de wg had moeten bespreken om dit soort conflicten / vertrouwensbreuken te voorkomen. Aangegeven dat hij deze lastige situatie zelf gecreëerd heeft door met een mutatie wel te gaan motorrijden.

Klachten zijn nog idem: (…) verder onderzoek zal op 26-9 in Duitsland plaat[s]vinden (…) Bij gewoon onderzoek geeft dhr [eiser] aan is niets te zien, de infectie zit dieper in de overgang kloon, rectum en kan alleen met scoop gezien worden. (…)

Aangegeven dat infectie ziekten in de darmen niet verergeren door tijdelijke druk bij zitten of bromfietsen de ziekte wordt niet erger, het is wel hinderlijk!

Betr vind dat men hem met rust moet laten, “ik ben er nu toch weer gewoon maar moet alleen tussen de bruggen met de auto vervoerd worden”.

(…)

Beleid : Betr heeft mi geen klachten die verergeren kunnen tgv korte stukken fietsen of brommer rijden. Het is wel hinderlijk. (…)

Betr aangegeven dat hij bij het UWV moet zijn als hij een second opinion wenst en niet in Duitsland.

Beleid: volledige intrekking mutatie lijkt mij op medische gronden niet reëel, er zijn klachten waardoor zeker lange stukken fietsen erg pijnlijk zouden kunnen zijn.

Brief werkgever:

(…)

Ten aanzien van de mutatie voor het fietsen en snorfietsen:

Dhr [eiser] heeft nog klachten waarvoor hij op 26-9-2007 verder onderzocht zal worden. Door deze klachten heeft hij last bij fietsen en brommer rijden. De onderliggende medische aandoening zal echter niet verergeren tengevolge van korte stukken rijden. Wel kan dit hinderlijk zijn voor dhr [eiser] . Geadviseerd wordt om een gedeeltelijke ontheffing te verstrekken voor de lange afstand tussen verschillende bruggen. Korte afstanden, waarbij minder dan 10-15 minuten van de fiets of snorfiets gebruik gemaakt moet worden, is haalbaar. (…)”.

2.26.

Op 27 augustus 2007 heeft [eiser] zich weer ziek gemeld. Op 28 augustus 2007 kwam hij bij [gedaagde] op het spreekuur. [gedaagde] heeft van dit bezoek de volgende aantekeningen gemaakt in het dossier:

“(…)

Het is onduidelijk wat de acute verslechtering van klachten afgelopen zaterdag heeft veroorzaakt. Geeft aan dat het langdurige fietsen er de schuld van is. Kan steeds niet goed verwoorden hoe hij zich verplaatst heeft in die 2 uur heen en 2 uur terug. Kan zich niets meer herinneren? (…) De klachten zijn feitelijk niet van aard veranderd. Zowel maandag als dinsdag Duitse arts bezocht dr [huisarts] .

Laat een krankenschein zien gedateerd gisteren die 1 week arbeidsongeschiktheid adviseert. Geeft mij een kopie van een brief die vandaag gemaakt zou zijn maar 10-8 gedateerd is? In de brief wordt nadrukkelijk geadviseerd niet op een relatief smal fiets of bromzadel te zitten. (…) Ik krijg kopie toch niet in het dossier, betrokkene neemt de kopie weer mee.

Niets van UWV gehoord. Ook geen contact gezocht. Wel was telefonisch op verzoek van betrokkene door mij de dag tevoren speciaal het nummer verstrekt.

Beperkingen;

  • -

    Zitten beperkt 10-15 mits afwisselend met staan.

  • -

    Staan niet beperkt

  • -

    Fietsen

Voor afgelopen zaterdag ging het eigenlijk redelijk goed. Is de situatie goed zat met alle brieven van de werkgever, vindt alles onduidelijk. ‘Als hij nou gewoon ontslagen werd was het wel duidelijk’. Heeft net een brief waarin nevenwerkzaamheden worden verboden etc.

Afweging;

Gezien het ongewijzigde chronische klachtenpatroon, de onduidelijke oorzaak van de verslechtering van de klachten zie ik geen aanleiding om het advies van 01-08-2007 te wijzigen. De werknemer kan zich hier volstrekt niet in vinden. Nogmaals heb ik gewezen op de mogelijkheid van het deskundigenoordeel bij het UWV. Nogmaals toegelicht wat de rol van de Nederlandse bedrijfsarts is i.t.t. de rol van de specialist in Duitsland. Vindt het een krankzinnig systeem in Nederland en bestookt mij op luide toon met allerlei diskwalificerende opmerkingen. Gezien de steeds grimmigere toon van het gesprek beeindig ik het gesprek om met betrokkene en de leidinggevende het advies te bespreken en waar nodig toe te lichten. De werkgever informeer ik in aanwezigheid van werknemer dat hij zich opnieuw agressief en dreigend uitlaat. Indien dit niet wijzigt zal ik de heer [eiser] niet meer willen zien om verdere escalatie te voorkomen.

Onderzoek : zit 35 minuten aaneen op de stoel zonder zichtbare problemen (…)”.

In haar brief aan de werkgever geeft [gedaagde] hetzelfde advies als bedrijfsarts [naam 4] op 1 augustus 2007.

2.27.

In de nacht van 6 op 7 september 2007 heeft [eiser] zich per sms bij [gedaagde] ziek gemeld. De volgende dag heeft [gedaagde] hem telefonisch gesproken. Naar aanleiding van dit gesprek heeft [gedaagde] het volgende aan de werkgever geschreven:

“Uw werknemer heeft zich vannacht per sms en vandaag ook telefonisch ziek gemeld bij de bedrijfsarts. Uw werknemer heeft de bedrijfsarts zijn klachten, de behandeling en adviezen van de behandelaar telefonisch medegedeeld.

De behandelaar in Duitsland heeft de werknemer een ‘reisverbod’ gegeven. Het is mij onduidelijk waar het ‘verbod’ precies uit bestaat en wat de medische achtergrond van dit advies is. Om tot een zorgvuldige beoordeling van de arbeidsongeschiktheid en het reisverbod te komen adviseer ik u een spreekuur te plannen. Uw werknemer geeft aan dat er een verschil van inzicht is tussen werknemer en werkgever met betrekking tot zijn inzetbaarheid en mogelijke beperkingen. Uw werknemer is het niet eens met de laatste twee spreekuur adviezen (01-08 & 28-08) van de bedrijfsarts. Begin Augustus heeft uw werknemer bij het UWV een verzoek ingediend voor een deskundigenoordeel. Gisteren heeft de werkgever naar eigen zeggen telefonisch geïnformeerd bij het UWV. Het verzoek tot een deskundigenoordeel is door het UWV in behandeling genomen.”.

2.28.

Op 9 september 2007 heeft [gedaagde] een fax van [eiser] ontvangen die zij aan het dossier heeft toegevoegd.

2.29.

De volgende dag heeft [gedaagde] telefonisch contact gehad met [eiser] . Na dit gesprek heeft zij het volgende aan de werkgever geschreven:

“Uw werkgever heeft zich op het afgesproken tijdstip voor het spreekuur vandaag, bij de bedrijfsarts telefonisch afgemeld. De werknemer kan naar eigen zeggen niet komen vanwege het door de behandelaar geadviseerde reisverbod. Het is mij op dit moment onvoldoende duidelijk of er sprake is van arbeidsongeschiktheid dan wel of er sprake is van een reisverbod op medische gronden. De werknemer zal de bedrijfsarts door middel van een nog toe te zenden schriftelijke machtiging toestemming geven om te overleggen met de behandelaar over de aard, oorzaak en ernst van de beperkingen. (…)”.

2.30.

Op 13 september 2007 is [eiser] thuis in Duitsland door de (niet in deze procedure betrokken) bedrijfsarts [naam 5] bezocht. In de uitvoerige aantekeningen van bedrijfsarts [naam 5] in het medisch dossier van [eiser] is, voor zover van belang, het volgende te lezen:

“(…) Dr [huisarts] zou iets gezien hebben vlak boven de anus of in de kringspier wat niet goed was (…)

Binnenkort krijgt hij een punctie ivm een cyste in de testikel. (…)

Strikt genomen lijkt het dat kortdurend fietsen of brommer rijden (…) tot de mogelijkheden zou moeten behoren, maar gezien de (werk)stressgerelateerde reactie is het advies om dit bijv 3mnd geheel te vermijden. Er is geen sprake van een reisverbod. (…)”.

In de brief aan de werkgever naar aanleiding van dit bezoek heeft deze bedrijfsarts, voor zover van belang, het volgende aan de werkgever geschreven:

“(…)

Er is geen medische reden voor een reisverbod. Uw werknemer moet geacht worden te kunnen reizen met auto en/of openbaar vervoer zonder beperkingen

Uw werknemer is arbeidsgeschikt met de volgende beperkingen:

- Op grond van medische klachten is langdurig achtereen (1/2 á 1 uur) zitten beperkt

- Zitten in combinatie met trillingsbelasting is beperkt

Praktisch betekent dat in het geheel niet fietsen, brommeren of motorrijden op een oneffen ondergrond. (…)”.

2.31.

Op 14 september 2007 heeft [gedaagde] telefonisch contact met [eiser] gehad (op zijn initiatief). Van dit gesprek heeft zij de volgende aantekeningen in het dossier gemaakt:

“(…)

Heeft gesprek dr [huisarts] gehad en wil maandag weer hervatten. Ik heb het advies van collega [naam 5] voorgelezen. Had het nog niet ontvangen. Hij kan zich in dit advies volledig vinden. ‘Zo heb ik geen probleem meer’.

Het UWV heeft zijn brief 12-08 ontvangen en wordt z.s.m. uitgenodigd.

(…)”.

2.32.

Op 18 september 2007 heeft [eiser] een brief ontvangen van zijn werkgever (waarvan [eiser] de eerste pagina in het geding heeft gebracht). In deze brief is onder meer het volgende te lezen.

“Op 22 augustus jl. bent u uitgenodigd voor een gesprek met de directeur BBA (…) op 28 september a.s. Uw functioneren in de afgelopen periode zou daarin aan de orde worden gesteld. U zou zich onder meer moeten verantwoorden voor de door u verrichte nevenwerkzaamheden.

Inmiddels hebben zich een aantal incidenten voorgedaan in verband met uw functioneren, die tot gevolg hebben dat ik het gesprek van 28 september a.s. geheel als een verantwoordingsgesprek aanmerk. Dit gesprek (…) zal door mij gebruikt worden om vast te stellen of uw handelwijze in de afgelopen periode aangemerkt dient te worden als ernstig plichtsverzuim, als gevolg waarvan het u verleende voorwaardelijk strafontslag ten uitvoer moet worden gelegd.

Tijdens het gesprek zullen diverse aspecten van uw functioneren, waaronder uw houding en gedrag, aan de orde komen. Naast uw opstelling in het kader van uw medische aandoening en de wijze van bejegening door u van onder andere de bedrijfsarts zullen in ieder geval aan de orde komen:

Uw handelen in verband met door u verrichte nevenwerkzaamheden.

Van augustus 2000 tot september 2007 verrichtte u nevenwerkzaamheden voor de gemeente Maasgouw (…). Deze nevenwerkzaamheden heeft u in strijd met de regelgeving niet gemeld bij BBA. U bent hier reeds op aangesproken door mevrouw Forrer. (…) blijkt dat u omtrent de verkregen toestemming niet de waarheid heeft verteld. U dient zich hiervoor te verantwoorden.

Uw handelen op 25 augustus jl.

U bent aangesproken op uw handelwijze tijdens uw dienst op 25 augustus jl., waarbij door uw toedoen grote vertraging is ontstaan bij de doorvaart van schepen. (…)”.

2.33.

Op 20 september 2007 heeft [gedaagde] de werkgever van [eiser] mondeling geadviseerd om de fietsmutatie minimaal drie tot vier weken voort te zetten.

2.34.

Op 3 oktober 2007 heeft [gedaagde] in het dossier genoteerd dat [eiser] haar spontaan heeft gebeld om excuses aan te bieden over zijn gedrag tijdens het laatste spreekuur.

2.35.

[eiser] heeft op 11 januari 2011 een klacht ingediend tegen [gedaagde] bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam. Bij beslissing van 6 december 2011 heeft het Tuchtcollege de klacht deels gegrond verklaard en [gedaagde] de maatregel van waarschuwing opgelegd. [gedaagde] is van die beslissing in hoger beroep gegaan. In de beslissing van het Tuchtcollege wordt, voor zover van belang, het volgende overwogen:

“(…)

5.1.

Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel [schending beroepsgeheim, rb] ziet het college zich allereerst gesteld voor de vraag of [ [gedaagde] ] de werkgever op 28 augustus 2007 mondeling heeft geïnformeerd over de gedragingen van klager tijdens het spreekuur die dag. Ter zitting is door [ [gedaagde] ] namelijk aangevoerd dat zij tijdens het gesprek met de werkgever, toen klager in aanwezigheid van de werkgever weer boos en agressief werd, klager heeft aangesproken op zijn gedrag. Klager heeft deze lezing van [ [gedaagde] ] betwist.

Het college wijst erop dat [ [gedaagde] ] (…) in haar medisch dossier en in haar brief aan klager van 9 april 2009 expliciet heeft vermeld dat zij de werkgever heeft geïnformeerd over het gedrag van klager tijdens het spreekuur. In deze beide door [ [gedaagde] ] opgestelde samenvattingen van het gesprek zijn de mededelingen van [ [gedaagde] ] aan de werkgever over de gedragingen van klager slechts gericht op hetgeen tijdens het spreekuur is voorgevallen. Nu deze beschrijvingen geheel overeenstemmen met de gang van zaken zoals klager die heeft gesteld, vermag het college aan de ter zitting door [ [gedaagde] ] gegeven nuancering geen betekenis toekennen. Het college gaat er hierna dan ook vanuit dat [ [gedaagde] ] tijden het gesprek met de werkgever op 28 augustus 2007 de werkgever heeft geïnformeerd over de gedragingen van klager tijdens het spreekuur.

Het college dient vervolgens de vraag te beantwoorden of [ [gedaagde] ] door het verstrekken van deze informatie aan de werkgever haar beroepsgeheim heeft geschonden. Een bedrijfsarts is (…) geheimhoudingsplichtig, maar de aard van de functie beperkt de omvang van de zwijgplicht. (…) Dit noodzakelijkheidscriterium brengt mee dat het uitgangspunt dient te zijn dat er louter gevolgtrekkingen aan de werkgever worden medegedeeld. (…)

Mededelingen over alle mogelijke overige zaken (…) vallen derhalve onder het medisch beroepsgeheim.

(…) [ [gedaagde] ] had zich tijdens het spreekuur op 28 augustus 2007 al een oordeel gevormd over de geschiktheid van klager om zijn functie – met een beperking – te kunnen vervullen. Daarbij acht het college ook nog van belang dat [ [gedaagde] ] niet heeft uitgesloten dat de gedragingen van klager samenhingen met zijn, bij haar reeds bekende, spanningsklachten. Nu de mededeling over het gedrag van klager aan de werkgever niet noodzakelijk was voor haar taak als bedrijfsarts heeft [ [gedaagde] ] haar geheimhoudingsplicht geschonden.

(…) Slechts in gevallen waarin de gedragingen van een werknemer de beoordeling van de arbeidsgeschiktheid of de re-integratie-inspanningen onmogelijk maken of bemoeilijken kan er aanleiding bestaan de werkgever in algemene termen te informeren over het gedrag van die werknemer. Daarvan was in dit geval geen sprake. Dit alles leidt tot de slotsom dat [ [gedaagde] ] het voor de bedrijfsarts geldende beroepsgeheim heeft geschonden en ook overigens onzorgvuldig heeft gehandeld. (…)”.

2.36.

Tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege heeft [eiser] hoger beroep ingesteld. De beslissing van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg van 22 januari 2013 luidt, voor zover van belang, als volgt:

“(…)

Klachtonderdeel 1: beroepsgeheim

(…)

4.5

Niet in geschil is dat de bedrijfsarts op 28 augustus 2007 tijdens het gesprek met de leidinggevende van klager in bijzijn van klager heeft medegedeeld dat klager zich opnieuw dreigend en agressief heeft uitgelaten en dat indien klager zijn gedrag in dit opzicht niet wijzigt, zij hem niet meer zal willen zien om verdere escalatie te voorkomen. Door het doen van deze mededeling heeft de bedrijfsarts de werkgever geïnformeerd over het gedrag van klager tijdens het spreekuur van de bedrijfsarts op 28 augustus 2007, voorafgaand aan het gesprek met de leidinggevende van klager.

4.6

De bedrijfsarts is als hulpverlener gehouden aan het beroepsgeheim. (…) Anders dan de bedrijfsarts ter zitting heeft betoogd, valt informatie aan de werkgever over de agressieve bejegening van de bedrijfsarts door klager tijdens het spreekuur van 28 augustus 2007 (…) onder het beroepsgeheim. (…)

4.7

Het beroepsgeheim kan door een bedrijfsarts worden doorbroken wanneer dit voor de uitoefening van zijn taak noodzakelijk is met het oog op hetgeen de werkgever nodig heeft voor zijn besluitvorming in het kader van de verzuimbegeleiding en re-integratie van de (zieke) werknemer.

(…)

4.9

De bedrijfsarts heeft aangevoerd dat bij de beoordeling van de vraag of zij al dan niet haar beroepsgeheim heeft geschonden, rekening gehouden moet worden met de context waarin deze mededeling is gedaan, daarmee doelend op het verbaal agressieve en dreigende gedrag dat klager volgens de bedrijfsarts op haar spreekuur van 28 augustus 2007 heeft vertoond, welk gedrag hij heeft herhaald in het daaropvolgende gesprek met de leidinggevende.

4.10

Het Centraal Tuchtcollege overweegt in dit verband dat algemeen bekend is dat bedrijfsartsen bij de uitoefeningen van hun taak naar de aard van hun werk en daarmee gemoeide belangen van de werknemers geconfronteerd kunnen worden met verbaal geweld en agressie van werknemers. Hoewel verbaal geweld en agressie nimmer kan worden goedgekeurd, mag van een bedrijfsarts die zich met dergelijk gedrag geconfronteerd ziet, worden verwacht dat deze zich ten overstaan van de (zieke) werknemer professioneel blijft opstellen. Dit houdt onder meer in dat de bedrijfsarts nimmer uit het oog mag verliezen dat het informeren van de werkgever over verbaal geweld en agressief gedrag van een werknemer voor de werkgever in het uiterste geval gevolgen kan hebben in het kader van de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever of zelfs voor de voortzetting van de arbeidsovereenkomst met de werknemer.

(…)

4.12

Het Centraal Tuchtcollege is niet gebleken dat het gedrag van klager adequate verzuimbegeleiding door de bedrijfsarts heeft bemoeilijkt of onmogelijk heeft gemaakt. Het gedrag van klager heeft de bedrijfsarts niet belemmerd om een oordeel te geven over de belastbaarheid van klager. Immers, de bedrijfsarts had haar re-integratieadvies reeds aan klager medegedeeld, waarmee het spreekuur wat betreft de verzuimbegeleiding van klager formeel gezien inhoudelijk reeds was afgerond. Het Centraal Tuchtcollege is voorts niet gebleken dat aan de gewraakte mededeling van de bedrijfsarts aan de werkgever een zorgvuldige inschatting van het gedrag van klager is voorafgegaan. Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege kan evenmin gezegd worden dat de bedrijfsarts met de mededeling dat klager zich “opnieuw agressief en dreigend” had uitgelaten, zich in algemene en neutrale termen over het gedrag van klager heeft uitgedrukt.

4.13

Het Centraal Tuchtcollege is dan ook van oordeel dat het door de bedrijfsarts gestelde verbaal agressieve en dreigende gedrag van klager geen rechtvaardiging is voor het doorbreken van haar beroepsgeheim. (…)

(…)

Klachtonderdeel 2: psychische klachten

4.15

Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege was er naar aanleiding van klagers ziekmelding op 19 maart 2007 voor de bedrijfsarts onvoldoende aanleiding om nader onderzoek te (laten) verrichten naar mogelijke psychische klachten van klager.

4.16

Blijkens het medisch dossier heeft klager – anders dan bij zijn eerdere ziekmeldingen – bij zijn ziekmelding op 19 maart 2007 enkel lichamelijke pijnklachten aangevoerd als reden voor zijn arbeidsverzuim. Psychische klachten zijn door klager niet ter sprake gebracht. Ook bij de daaropvolgende spreekuurcontacten van 22 maart 2007 en 23 april 2007 zijn telkens lichamelijke pijnklachten opgevoerd als reden voor het werkverzuim en bij het spreekuurcontact van 23 april 2007 heeft klager zelfs uitdrukkelijk aangegeven: ‘Stress speelt geen rol in deze klachten’. Aanwijzingen dat klager vanwege psychische problematiek de greep op het eigen functioneren op het werk kwijt was, waren er op dat moment niet (Richtlijn Handelen van de Bedrijfsaarts bij werkenden met psychische problemen, 22 mei 2007). Hoewel onder omstandigheden medische gegevens betreffende eerdere ziekmeldingen van werknemers van belang kunnen zijn bij de beoordeling van een nieuwe ziekmelding, was er (…) in het onderhavige geval voor de bedrijfsarts onvoldoende aanleiding om de psychische klachten van klager verband houdende met zijn eerdere arbeidsongeschiktheid als gevolg van werkgerelateerde spanningsklachten bij de ziekmelding van 19 maart 2007 te betrekken. Deze eerdere werkgerelateerde spanningsklachten waren blijkens het medisch dossier immers reeds bij het spreekuurcontact van 15 november 2006 in remissie en klager is vanaf toen weer volledig arbeidsgeschikt verklaard.

4.17

Weliswaar was de bedrijfsarts nadien in het telefonisch overleg met klagers behandelend huisarts [huisarts] op 2 mei 2007 door de huisarts op de hoogte gesteld van het door de huisarts bij klager geconstateerde ‘psychisch lijden’ dat volgens de huisarts tevens de belangrijkste reden was om klager absoluut volledig arbeidsongeschikt te achten, maar gelet op het feit dat het psychisch lijden door de huisarts niet verder werd geconcretiseerd – het medisch dossier vermeldt hierover: ‘psychisch lijdt betrokkene, onduidelijk waarom’ – en bezien in het licht van het feit dat bij de ziekmelding van 19 maart 2007 door klager enkel melding was gemaakt van lichamelijke klachten, was er naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege voor de bedrijfsarts onvoldoende aanleiding om nader onderzoek te (laten) verrichten naar het gestelde psychisch lijden van klager of klager naar een deskundige te verwijzen of om daarop als bedrijfsarts anderszins zorg of begeleiding in te zetten. Daarbij is van belang dat de rol van de bedrijfsarts als hulpverlener verschilt van die van een reguliere arts, in die zin dat de zorgverlening van de bedrijfsarts is gericht op werkgerelateerde gezondheidsklachten en het begeleiden en teruggeleiden van de (zieke) werknemer naar het arbeidsproces.

4.18

Dit neemt niet weg dat het Centraal Tuchtcollege het in het onderhavige geval goed had kunnen begrijpen wanneer de bedrijfsarts na voormeld telefonisch overleg met de behandelend huisarts op 2 mei 2007 op het eerstvolgende spreekuur met klager het ‘psychisch lijden’ wel ter sprake had gebracht. Dat de bedrijfsarts daartoe niet is overgegaan acht het Centraal Tuchtcollege gelet op het voorgaande echter niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.

4.19

Het Centraal Tuchtcollege acht het verwijt dat de bedrijfsarts onvoldoende aandacht heeft besteed aan de psychische klachten van klager (…) dan ook ongegrond. In zoverre treft het beroep van de bedrijfsarts doel.

(…)”.

2.37.

Op 23 november 2007 heeft het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: de gemeente) besloten tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke strafontslag. Aan dit besluit zijn, zo ontleent de rechtbank aan de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 8 december 2011 in de zaak in hoger beroep van [eiser] tegen de de gemeente, tien gedragingen ten grondslag gelegd, die naar het oordeel van de gemeente de kwalificatie van ernstig plichtsverzuim opleveren. Samengevat betreft het de volgende gedragingen:

  • -

    het, zonder voorafgaande toestemming van de werkgever, verrichten van nevenwerkzaamheden voor de gemeente Maasgouw, en het daarover leugenachtig verklaren;

  • -

    het, zonder voorafgaand overleg met de bedrijfsarts, in privé-tijd afleggen van langere afstanden op de motor gedurende een periode waarin een zogeheten fietsmutatie van kracht was, dat wil zeggen dat [ [eiser] ], vanwege klachten aan het zitvlak, niet mocht fietsen ter uitvoering van zijn werkzaamheden;

  • -

    het op 25 augustus 2007, hoewel op dat moment nog een fietsmutatie voor langere afstanden gold, deels fietsend en deels lopend afleggen van de afstand tussen de Akersluis en de Cramersluis, hetgeen meer dan twee uur in beslag heeft genomen gedurende welke de Cramersluis niet is bediend, als gevolg waarvan ernstige hinder voor het scheepvaartverkeer is ontstaan;

  • -

    het onheus bejegenen van de bedrijfsarts tijdens een bezoek op 28 augustus 2007;

  • -

    het voor een tweede maal en langs andere weg aanvragen van overwerkcompensatie voor het ophalen van een dienstauto nadat een aanvraag om een dergelijke compensatie door de leidinggevende van [ [eiser] ] was afgewezen;

  • -

    het, mede als gevolg van het lopend afleggen van de afstand tussen twee bruggen, veroorzaken van vertragingen voor het scheepvaartverkeer op 4 september 2007;

  • -

    het midden in de nacht door middel van sms ziekmelden bij de bedrijfsarts in de nacht van 6 op 7 september 2007;

  • -

    het niet eerder dan op het tijdstip van aanvang afzeggen van een afspraak op 10 september 2007 met de bedrijfsarts, het vervolgens pas na een kwartier bij de P&O-adviseur afzeggen van een aansluitende afspraak met de leidinggevende, en het pas na lang aandringen van de P&O-adviseur afzeggen van deze afspraak bij de leidinggevende zelf;

  • -

    het in strijd met gemaakte afspraken anders dan tijdens verlof afreizen naar Duitsland in augustus 2007 en september 2007, als gevolg waarvan de geneeskundige beoordeling door de bedrijfsarts is bemoeilijkt, en afspraken met de leidinggevende op 7 september 2007 en 10 september [2007] geen doorgang hebben gevonden;

  • -

    het een uur te laat en pas na daartoe telefonisch te zijn opgeroepen gevolg geven aan een dienstopdracht om te verschijnen op een gesprek met de leidinggevende op 17 december 2007.

2.38.

De rechtbank heeft het beroep van [eiser] tegen het besluit van de gemeente ongegrond verklaard. De CRvB heeft de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De CRvB heeft daartoe – voor zover van belang – het volgende overwogen:

“(…)

3.3. [

[eiser] ] heeft de feitelijke weergave van de hem verweten gedragingen, zoals opgenomen in het besluit van 23 november 2007, grotendeels bevstigd dan wel onweersproken gelaten. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat in elk geval het samenstel van bedoelde gedragingen ernstig plichtsverzuim oplevert. De Raad noemt in dit verband met name het zonder toestemming verrichten van nevenwerkzaamheden voor de gemeente Maasgouw (…), de gebeurtenissen op 25 augustus 2007 en het onheus bejegenen van de bedrijfsarts. Wat betreft het eerst aspect overweegt de Raad dat artikel 818 van het ARA, in samenhang met artikel 805 van het ARA zoals luidende ten tijde van belang, voorschrijft dat voor nevenwerkzaamheden waardoor de juiste vervulling van de betrekking in het geding kan komen dan wel waardoor de belangen van de gemeente kunnen worden geschaad, vooraf toestemming moet worden gevraagd. Naar het oordeel van de Raad was in dit geval, alleen al gelet op de afstand van de gemeente Maasgouw tot de woonplaats van [ [eiser] ] alsmede tot zijn reguliere standplaats, evident sprake van nevenwerkzaamheden als bedoeld in deze bepaling. (…) Vast staat dat een schriftelijk verzoek om deze toestemming nooit is ingediend. [ [eiser] ] heeft jarenlang over zijn nevenwerkzaamheden gezwegen. De Raad acht het bepaald onaannemelijk dat de vereiste voorafgaande toestemming, zoals door [ [eiser] ] is gesteld, indertijd mondeling zou zijn verleend, zonder invulling van details of het stellen van enige voorwaarde. Wat betreft de gang van zaken op 25 augustus 2007 overweegt de Raad dat uit de gedingstukken genoegzaam is gebleken dat er een afspraak gold tot het, voor de afstanden waarvoor een fietsmutatie van kracht was, gebruiken van een dienstauto. Het college heeft toegelicht dat [ [eiser] ] daarnaast gebruik mocht maken van eigen vervoer, zij het dat de kosten daarvan niet konden worden gedeclareerd. De stelling van [ [eiser] ] dat hij niet wist dat er op de bewuste datum nog een fietsmutatie gold, wordt ontkracht door de gedingstukken. De op genoemde datum ontstane hinder voor de scheepvaart valt [ [eiser] ] dus toe te rekenen. Noch het feit dat [ [eiser] ] de dienstauto in eigen tijd diende op te halen, noch het gegeven dat de kosten van eventueel gebruik van eigen vervoer niet werden vergoed, kan daaraan afdoen. Onder verwijzing naar artikel 1004 van het ARA overweegt de Raad ten slotte dat de aan appellant verweten en door hem erkende onheuse bejegening van de bedrijfsarts op 28 augustus 2007, soortgelijk plichtsverzuim inhoudt als het plichtsverzuim dat ten grondslag is gelegd aan het voorwaardelijk strafontslag. Nu de hier genoemde gedragingen de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafontslag reeds kunnen dragen, zal de Raad de overige aan appellant verweten gedragingen onbesproken laten. (…)”.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, verklaart voor recht dat [gedaagde] jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld, de zaak verwijst naar de schadestaatprocedure, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag.

Schending beroepsgeheim

3.3.

Allereerst verwijt [eiser] [gedaagde] dat zij op 28 augustus 2007 haar beroepsgeheim jegens hem heeft geschonden door aan zijn werkgever mededelingen te doen die onder het beroepsgeheim vallen. [gedaagde] heeft aan de werkgever onder meer meegedeeld dat zij door [eiser] in de spreekkamer was bedreigd.

Geen goede zorg verleend

3.4.

Naar de rechtbank ter comparitie heeft begrepen komt het betoog dat [eiser] voor het overige aan zijn vordering ten grondslag legt er in de kern op neer dat [gedaagde] hem als bedrijfsarts onjuist heeft begeleid en dat hij bij een juiste bedrijfskundige begeleiding volledig arbeidsongeschikt zou zijn verklaard, zowel om fysieke als psychische redenen.

Fysieke klachten

3.5.

[gedaagde] heeft aan [eiser] onvoldoende zorg verleend ten aanzien van zijn somatische klachten zoals het niet kunnen zitten vanwege testikelproblematiek. Deze zitproblemen en fietsbeperkingen heeft [eiser] reeds in 2003 aan de vorige bedrijfsarts gemeld. Ook de opvolgende bedrijfsarts heeft vastgesteld dat [eiser] voor zijn werkzaamheden beperkingen had en dat hij niet kon fietsen. [gedaagde] heeft als opvolgend bedrijfsarts hiervan geen kennis genomen en is op geen enkele wijze voor de belangen van [eiser] bij de werkgever opgekomen. Ondanks het feit dat [eiser] tegenover [gedaagde] in de jaren 2005 en 2006 bleef herhalen dat hij niet kon (snor)fietsen, en ook de behandelend arts in Duitsland heeft aangegeven dat fietsen slechts mogelijk was met grote bezwaren/aangaf dat hij niet mocht fietsen of snorfietsen heeft [gedaagde] hem steeds weer arbeidsgeschikt verklaard (al dan niet met een mutatie voor fietsen). Zij heeft geen actie ondernomen om tot een juiste diagnose te komen ondanks de aanhoudende klachten van [eiser] . Zij heeft verzuimd informatie in te winnen bij de behandelend artsen over de testikelproblematiek van [eiser] .

Psychische klachten

3.6.

[gedaagde] heeft niet onderkend dat [eiser] een stressstoornis ontwikkelde omdat hij tegenover zijn werkgever onder zeer hoge druk is komen te verkeren vanaf het moment dat hem op 4 april 2006 voorwaardelijk strafontslag werd aangezegd met een proefperiode van twee jaar. Hij zou ontslagen worden als hij binnen deze periode nog eens iemand tijdens het werk bedreigde of onheus bejegende. Het was [gedaagde] bekend dat dit hem als een zwaard van Damoclaes boven het hoofd hing. [eiser] kwam steeds meer onder druk te staan door het feit dat hij niet in staat was om zich tijdens zijn werkzaamheden per fiets te verplaatsen, hetgeen tot zijn taak behoorde. [gedaagde] wist dit en heeft op geen enkele wijze deze problematiek met de werkgever van [eiser] besproken, laat staan er bij de werkgever op aangedrongen om in het belang van [eiser] passende maatregelen of voorzieningen te treffen.

3.7.

[gedaagde] heeft niet onderkend dat [eiser] leed aan een posttraumatische stress stoornis (PTSS) ten gevolge van het ongeval van zijn broer en de later hemzelf overkomen ongevallen, terwijl uit het dossier blijkt dat [gedaagde] wel op de hoogte was van het bestaan van de PTSS.

3.8.

[eiser] heeft ten gevolge van het ongeval op 9 oktober 2005 whiplashklachten gekregen. [gedaagde] heeft hierover alleen de huisarts geïnformeerd en verder nooit meer naar deze klachten omgekeken, terwijl [eiser] eerst in 2011 van deze klachten genezen is verklaard.

3.9.

Ten slotte heeft [eiser] er in dit verband op gewezen dat [gedaagde] van hem op 1 juni 2007 een e-mailbericht ontvangen, waarin [eiser] aan [gedaagde] meedeelt dat de arbeidstherapie die uitgaat van 36 uur per week hem veel te intensief is. Daarnaast geeft hij aan dat hij last heeft van concentratieproblemen, hoofdpijn, nekpijn, schouderpijn en pijn onder in de rug, die hij zelf in verband brengt met het ongeval in november 2006. [eiser] laat hier duidelijk merken dat hij bang is voor ontslag en hij verzoekt [gedaagde] om in overleg met de werkgever ervoor te willen zorgdragen dat hij op minder drukke locaties wordt geplaatst waar werkdruk en stress kan ontstaan. [gedaagde] heeft met dit verzoek (deze noodkreet) van [eiser] niets gedaan.

Geen probleemanalyse

3.10.

[gedaagde] heeft vanaf 2005 tot en met 2007 geen probleemanalyse en advies opgesteld voor het UWV, hoewel zij daartoe alle reden had en de Wet Verbetering Poortwachter dit ook voorschrijft.

3.11.

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer.

3.12.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, (nader) ingegaan.

4 De beoordeling

Schending beroepsgeheim

4.1.

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg heeft geoordeeld dat [gedaagde] op ontoelaatbare wijze haar beroepsgeheim heeft geschonden. Dit brengt evenwel – zoals [gedaagde] terecht heeft aangevoerd – niet automatisch met zich dat zij ook onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] en aansprakelijk is voor de door hem geleden schade. Voor aansprakelijkheid van [gedaagde] is vereist dat causaal verband (condicio sine qua non-verband) bestaat tussen (a) het handelen van [gedaagde] (schending van haar beroepsgeheim; aan werkgever meedelen dat [eiser] tijdens het spreekuur verbaal geweld en agressief gedrag had vertoond) en (b) de schade van [eiser] (verlies van inkomen door (straf)ontslag). Aan dit vereiste is niet voldaan als bij het wegdenken van omstandigheid (a) de schade toch zou zijn ontstaan. Alleen als bij het wegdenken van omstandigheid (a) de schade niet zou zijn ontstaan, is de omstandigheid een condicio sine qua non. Volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv moet [eiser] het bestaan van het condicio sine qua non-verband stellen en bij betwisting te bewijzen. Voor toepassing van de omkeringsregel – zoals door [eiser] is betoogd – bestaat geen grond. De omkeringsregel wordt toegepast als sprake is van schending van een norm die beschermt tegen een specifiek risico en dat risico zich heeft verwezenlijkt. (Bedrijfs)artsen hebben een beroepsgeheim om te bewerkstelligen dat patiënten zich niet belemmerd voelen hun (medische) problemen met hen te bespreken. Deze norm is niet in het leven geroepen om werknemers die zich onbehoorlijk of agressief gedragen richting de bedrijfsarts te beschermen tegen het risico van ontslag.

4.2.

De rechtbank oordeelt als volgt. Uit zowel de brief van de gemeente van 18 september 2007 als het vonnis van de rechtbank en de beslissing van de CRvB blijkt dat de gemeente een (groot) aantal (tien) redenen had om [eiser] te ontslaan (het voorwaardelijk strafontslag van 4 april 2006 ten uitvoer te leggen). [eiser] heeft (ter comparitie) aangevoerd dat de bejegening van de bedrijfsarts voor de gemeente de hoofdreden was om [eiser] te ontslaan en dat de andere plichtsverzuimverwijten er met de haren zijn bijgesleept. Dit betoog van [eiser] vindt geen steun in de feiten. Uit de brief van de gemeente van 18 september 2007 volgt dat de werkgever [eiser] reeds op 22 augustus 2007 had uitgenodigd voor een gesprek. In dat gesprek zou zijn functioneren in de afgelopen periode aan de orde worden gesteld en moest hij zich verantwoorden voor de door hem verrichte nevenwerkzaamheden. Vervolgens hebben zich verschillende incidenten voorgedaan ten gevolge waarvan het gesprek door de werkgever als een “verantwoordingsgesprek” wordt aangemerkt waarin de werkgever zal vaststellen of de handelwijze van [eiser] in de afgelopen periode aangemerkt dient te worden als ernstig plichtsverzuim als gevolg waarvan het voorwaardelijk strafontslag ten uitvoer moet worden gelegd. De incidenten die worden genoemd zijn: (i) de door het handelen van [eiser] tijdens de dienst op 25 augustus 2007 ontstane vertraging bij de doorvaart van schepen, (ii) zijn opstelling in het kader van zijn medische aandoening (zoals uit het procesdossier blijkt, gaat het hier om de periode augustus-september 2007 en in ieder geval de data 6, 7 en 10 september) en (iii) de bejegening van de bedrijfsarts tijdens het spreekuur op 28 augustus 2007. In het gedeelte van de brief dat door [eiser] in het geding is gebracht wordt vervolgens uitgebreid ingegaan op de door hem zonder toestemming verrichte nevenwerkzaamheden en zijn handelen op 25 augustus 2007. Uit niets blijkt – ook niet uit de volgorde van de door de gemeente aangevoerde en de door de CRvB in zijn uitspraak opgesomde ontslaggronden – dat [eiser] niet zou zijn ontslagen als hij de bedrijfsarts op 28 augustus 2007 niet onheus had bejegend (althans wanneer dit niet bij de werkgever bekend was geworden). De gemeente heeft aangevoerd dat alle tien gedragingen van [eiser] ernstig plichtsverzuim opleveren, en in ieder geval plichtsverzuim, en dat deze in hun onderlinge samenhang in ieder geval de kwalificatie van ernstig plichtsverzuim opleveren. De rechtbank heeft dit standpunt van de gemeente kennelijk gevolgd. De CRvB heeft overwogen dat hij met de rechtbank van oordeel is dat in elk geval het samenstel van de gedragingen ernstig plichtsverzuim oplevert. De CRvB bespreekt dan drie ontslaggronden in het bijzonder: (i) het verrichten van nevenwerkzaamheden zonder toestemming; (ii) de gang van zaken op 25 augustus 2007 en (iii) de bejegening van de bedrijfsarts. Uit al het voorgaande blijkt geenszins – zoals [eiser] stelt – dat de bejegening van de bedrijfsarts voor de gemeente de belangrijkste reden was om [eiser] te ontslaan en dat zonder dat dit voorval aan de werkgever bekend was geworden, het voorwaardelijk strafontslag niet ten uitvoer zou zijn gelegd, zodat aan het vereiste van causaal verband (condicio sine qua non-verband) niet is voldaan. Dit betekent dat [gedaagde] door haar beroepsgeheim te schenden niet onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld.

Geen goede zorg verleend

4.3.

Ten aanzien van de andere verwijten van [eiser] geldt dat beoordeeld moet worden of [gedaagde] jegens [eiser] de zorgvuldigheid in acht heeft genomen die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot (bedrijfsarts) mag worden verwacht. Van belang voor de beoordeling is dat de rol van de bedrijfsarts verschilt van die van een reguliere arts, in die zin dat de zorgverlening van de bedrijfsarts is gericht op werkgerelateerde gezondheidsklachten en het begeleiden en teruggeleiden van (gedeeltelijk) arbeidsongeschikte werknemers naar het arbeidsproces. De rechtbank is van oordeel dat het handelen van [gedaagde] de toets der kritiek kan volstaan. Dit impliceert ook dat de rechtbank het betoog van [eiser] dat hij bij een juiste bedrijfsgeneeskundige begeleiding door [gedaagde] eerder zou zijn afgekeurd niet volgt. Voor dit laatste oordeel is allereerst het volgende van belang. [eiser] heeft – op vragen van de rechtbank ter comparitie – verklaard dat op enig moment (wanneer is niet duidelijk geworden) een herbeoordeling door het UWV heeft plaatsgevonden. Hij heeft ook desgevraagd verklaard dat de herbeoordeling erop neerkwam dat het UWV vond dat hij “te zwaar werd belast”. Niet gesteld of gebleken is dat het UWV van oordeel was dat [eiser] eerder volledig arbeidsongeschikt had moeten worden verklaard. Stukken betreffende de herbeoordeling zijn ook niet in het geding gebracht. [eiser] , althans zijn advocaat, heeft ter comparitie weliswaar aangeboden alsnog de brief van (de arbeidsdeskundige van) het UWV in het geding te brengen, maar aangezien hij niet heeft gesteld dat en waarom deze brief een ander licht op de zaak zou kunnen werpen wordt aan dit aanbod voorbij gegaan. Onduidelijk is gebleven, wanneer [eiser] (blijvend) volledig arbeidsongeschikt is verklaard. Uit de dagvaarding lijkt te volgen dat dit eerst op 30 juni 2014 is gebeurd. Voorts is van belang dat [eiser] in de periode waarin hij aan de zorg van [gedaagde] was toevertrouwd niet alleen door [gedaagde] is begeleid, maar ook door een aantal andere bedrijfsartsen. Ook deze bedrijfsartsen hebben in de klachten van [eiser] geen aanleiding gezien hem volledig arbeidsongeschikt te verklaren. Bij lezing van het medisch dossier van [eiser] is de rechtbank niet opgevallen dat de begeleiding door de andere bedrijfsartsen een andere richting in ging dan de begeleiding door [gedaagde] . Ten aanzien van het gestelde onvoldoende erkennen door [gedaagde] van de fysieke en psychische klachten van [eiser] wordt het volgende overwogen.

Fysieke klachten

4.4.

Vaststaat dat pas in november 2010 bij [eiser] zaadbalkanker is gediagnosticeerd. Kennelijk hebben de specialisten (zoals ook blijkt uit de in het geding gebrachte brieven van de behandelend specialisten in Utrecht en Duitsland) voordien deze diagnose niet gesteld. Er was in de periode dat [eiser] aan de zorg van [gedaagde] was toevertrouwd slechts sprake van een mogelijke verdenking van aanwezigheid van een cyste of een tumor die reden was voor nader onderzoek. Ook staat vast dat de brief van bedrijfsarts [naam 1] aan de werkgever van [eiser] van 18 december 2003 (zie hiervoor onder 2.3) niet in het medisch dossier van [eiser] is gevoegd. In het midden kan blijven of [eiser] [gedaagde] bij brief van 2 april 2007 heeft geïnformeerd dat hij is doorverwezen naar de uroloog [naam 6] in Duitsland en dat hij een operatie moet ondergaan aan een testikel en of hij aan [gedaagde] op een spreekuur eind april een brief van [naam 6] heeft overhandigd (zoals [eiser] stelt en [gedaagde] betwist). Uit de brief van de uroloog volgt niet dat is vastgesteld dat [eiser] zaadbalkanker heeft, maar slechts dat aanbevolen wordt een “Operative Hodenfreilegung zur weiteren Diagnosesicherung” te laten plaatsvinden. In het medisch dossier van [eiser] is bovendien te lezen dat [gedaagde] op 2 mei 2007 telefonisch contact heeft gehad met de huisarts van [eiser] in Duitsland. Van dat gesprek heeft [gedaagde] , voor zover van belang, de volgende aantekening gemaakt: “Eenzijdige testis klein echografisch suspect, wacht op punctie uroloog”. Ook dit duidt er niet op dat op dat moment reeds zaadbalkanker was geconstateerd (of dat daar een ernstige verdenking van bestond). Dus zelfs als er vanuit wordt gegaan dat [gedaagde] de brieven van [eiser] wel heeft ontvangen, is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onduidelijk op grond waarvan [gedaagde] in de periode dat [eiser] aan haar zorg was toevertrouwd de “testikelproblematiek” van [eiser] had moeten onderkennen en de diagnose had moeten stellen dat [eiser] (mogelijk) zaadbalkanker had, waar de behandelend specialist en huisarts die diagnose zelf (toen nog) niet hadden gesteld. Dat aan de testikelproblematiek en de zitproblemen die daar het gevolg van waren (voldoende) aandacht is besteed blijkt uit het dossier. De problematiek is met regelmaat tijdens de spreekuren besproken.

4.5.

Naar de rechtbank begrijpt, stelt [eiser] zich op het standpunt dat hij door zijn testikelproblematiek niet kon (brom)fietsen en dat [gedaagde] aan de werkgever ten onrechte niet heeft gemeld dat hij helemaal niet kon (brom)fietsen. De rechtbank volgt [eiser] hierin niet. Wanneer [eiser] met klachten kwam die beperkingen met zich brachten ten aanzien van zitten, hebben [gedaagde] en de andere bedrijfsartsen zijn beperkingen beoordeeld en, waar nodig, aan de werkgever doorgegeven dat er in dat opzicht beperkingen waren. [eiser] heeft niet, althans onvoldoende onderbouwd, gesteld dat hij minder kon fietsen dan waarvoor de beoordeling van [gedaagde] ruimte bood. Voor het oordeel dat [gedaagde] in dit opzicht geen verwijt kan worden gemaakt, vindt de rechtbank voorts steun in het volgende. Niet alleen [gedaagde] , maar ook andere bedrijfsartsen waren van mening dat [eiser] wel beperkt kon zitten en korte afstanden kon fietsen. In het bijzonder wordt verwezen naar de beoordeling van bedrijfsarts [naam 4] op 1 augustus 2007: deze bedrijfsarts stelde op dat moment – ondanks de brief van de huisarts van [eiser] in Duitsland dat hij niet mag fietsen – vast dat er slechts een beperking is voor (brom)fietsen (korte afstanden werden mogelijk geacht). Ten onrechte wordt deze beoordeling in de dagvaarding toegeschreven aan [gedaagde] . [eiser] was bovendien daarvoor – terwijl een fietsmutatie gold – zonder toestemming van zijn werkgever en zonder overleg met de bedrijfsarts gaan motorrijden. Ten slotte volgt uit het medisch dossier van [eiser] dat de klachten die hem het zitten en fietsen moeilijk of onmogelijk maakten, veelal niet zijn testikelproblemen waren, maar pijnklachten rond de anus.

Psychische klachten

4.6.

Ten aanzien van het verwijt van [eiser] dat [gedaagde] onvoldoende nader onderzoek heeft laten verrichten naar de psychische klachten van [eiser] heeft het Centraal Tuchtcollege geoordeeld dat [gedaagde] in dit opzicht niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De rechtbank neemt de overwegingen van het Centraal Tuchtcollege over en is op grond daarvan van oordeel dat [gedaagde] evenmin onzorgvuldig in civielrechtelijke zin heeft gehandeld. In aanvulling op die overwegingen acht de rechtbank nog van belang dat uit het medisch dossier van [eiser] blijkt dat aan hem een aantal keren suggesties zijn gedaan voor behandeling van zijn psychische problemen maar dat hij er geen blijk van heeft gegeven dat hij daarvoor open stond en er veel van verwachtte.

4.7.

[eiser] verwijt [gedaagde] ook dat zij niet heeft onderkend dat hij leed aan PTSS. Dit verwijt gaat niet op. Zoals [gedaagde] terecht stelt zijn in de overgelegde stukken geen aanknopingspunten te vinden dat bij [eiser] (in de periode waarin hij aan de zorg van [gedaagde] was toevertrouwd) PTSS is gediagnosticeerd en dat dit bij [gedaagde] bekend was. De brieven die [eiser] heeft overgelegd dateren uit 2011 en 2013 en kunnen dus niet dienen ter onderbouwing van zijn stelling.

4.8.

Ook het verwijt van [eiser] dat [gedaagde] te weinig aandacht heeft besteed aan zijn whiplashklachten gaat niet op. [gedaagde] voert terecht tot haar verweer aan dat hij die klachten (nadat [gedaagde] hiervan in een briefje aan zijn huisarts melding had gemaakt) nooit meer te berde heeft gebracht.

Geen probleemanalyse en plan van aanpak

4.9.

[eiser] verwijt [gedaagde] ten slotte dat [gedaagde] (te lang) heeft nagelaten een probleemanalyse en plan van aanpak op te stellen. [gedaagde] verwijst voor haar verweer tegen deze verwijten van [eiser] naar de uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege. Ten aanzien van het (niet) opstellen van een probleemanalyse heeft het Regionaal Tuchtcollege geoordeeld dat de bedrijfsarts niet gehouden is op eigen initiatief een officiële probleemanalyse op te stellen. Het Tuchtcollege heeft voorts geoordeeld dat [gedaagde] met haar uitgebreide brieven aan de werkgever deze steeds adequaat heeft geïnformeerd en dat de in die brieven verstrekte informatie in belangrijke mate overeenkomt met een probleemanalyse. Ten aanzien het verwijt dat [gedaagde] geen plan van aanpak heeft gemaakt heeft het Regionaal Tuchtcollege geoordeeld dat zo’n plan van aanpak niet door de bedrijfsarts moet worden opgesteld maar door de werkgever en de bedrijfsarts tezamen en dat [gedaagde] derhalve niet kan worden verweten dat geen plan van aanpak is gemaakt.

4.10.

De rechtbank neemt het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege op deze punten over, mede omdat [eiser] geen argumenten heeft aangevoerd waarom het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege niet juist zou zijn.

4.11.

Voor zover [eiser] aan zijn vordering nog als zelfstandig verwijt ten grondslag legt dat [gedaagde] zijn e-mail van 1 juni 2007 niet serieus genoeg heeft genomen, gaat ook dit niet op. Naar aanleiding van de e-mail 1 juni 2007 heeft [gedaagde] [eiser] uitgenodigd voor het spreekuur op 6 juni 2007. Deze afspraak heeft [eiser] zelf afgezegd. [gedaagde] heeft (onweersproken) ter comparitie heeft verklaard dat zij op het spreekuur van 20 juni 2007 (eerste datum waarop [eiser] op het spreekuur kon komen) de e-mail alsnog met hem heeft besproken, waarna zij de werkgever heeft geadviseerd dat hij zijn werk volledig kon hervatten, maar dat wel rekening gehouden moest worden met beperkingen ten aanzien van fietsen en snorfietsen. Uit het medisch dossier blijkt niet dat [eiser] het met die beoordeling niet eens was (terwijl hij dat op andere momenten wel heeft aangegeven). Bovendien is [eiser] daarna – ondanks het feit dat [gedaagde] had geadviseerd dat er voor hem beperkingen golden ten aanzien van fietsen en snorfietsen – gaan motorrijden.

Slotsom

4.12.

Het voorgaande betekent dat de vordering van [eiser] zal worden afgewezen en dat [eiser] als de in het ongelijk gestelde partij zal worden veroordeeld in proceskosten. De proceskosten aan de zijde van [gedaagde] worden tot heden begroot op:

- griffierecht € 282,00

- salaris advocaat 904,00 (2 punten x tarief € 452)

_______________

€ 1.186,00

De wettelijke rente over de proceskosten is toewijsbaar als gevorderd.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst het gevorderde af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.186,00, te vermeerderen met de wettelijke rente indien en voor zover dit bedrag niet binnen 14 dagen na heden is voldaan,

5.3.

verklaart dit vonnis ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2015.1

1 *