Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:790

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-02-2015
Datum publicatie
23-02-2015
Zaaknummer
AMS 15-300 & AMS 15-301
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:1002, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Intrekking bedrijfsparkeervergunning, omdat volgens verweerder sprake is van één bedrijf. De voorzieningenrechter stelt vast en tussen partijen staat buiten kijf dat zowel verzoekster als het andere bedrijf zijn gevestigd op hetzelfde adres. Dat betekent dat één van de criteria om te kunnen spreken van één bedrijf in de zin van de Parkeerverordening 2013 is vervuld. De voorzieningenrechter is echter met verzoekster en anders dan verweerder van oordeel dat uit de feiten en omstandigheden zoals verweerder die naar voren heeft gebracht in het bestreden besluit en het verweerschrift niet de conclusie kan worden verbonden dat zodanige verwevenheid tussen de op dit adres gevestigde zelfstandige beroepsbeoefenaren bestaat dat naar maatschappelijke opvatting sprake is van één bedrijf. Beroep gegrond. De voorzieningenrechter voorziet zelf in de zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 15/300 (voorlopige voorziening) & AMS 15/301 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 februari 2015 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam verzoekster] , te Amsterdam, verzoekster

(gemachtigde: mr. [naam verzoekster]),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. D.R. de Vries).

Procesverloop

Bij besluit van 29 augustus 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder bepaald dat verzoeksters bedrijfsparkeervergunning per 28 februari 2015 wordt ingetrokken.

Bij besluit van 23 december 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2015. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden. Het onderzoek ter zitting is geschorst.

Verweerder heeft op 5 februari 2015 een nader stuk in het geding gebracht.

Daarop heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.1.

Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

1.2.

Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Awb niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

2.1.

Op het adres[adres 1] te Amsterdam zijn twee bedrijven gevestigd: verzoekster en de besloten vennootschap [naam b.v.]. (hierna: [naam b.v.]). Mr. [werknemer b.v.] (hierna: [werknemer b.v.]) is werkzaam bij [naam b.v.]. Aan [naam b.v.] is bij besluit van 23 februari 1995 een bedrijfsparkeervergunning verleend. Bij besluit van 3 maart 1995 is aan verzoekster een soortgelijke vergunning verleend.

2.2.

Bij brief van 6 augustus 2014 heeft verweerder verzoekster zijn voornemen kenbaar gemaakt de bedrijfsparkeervergunning van verzoekster in te trekken, omdat voor het adres[adres 1] meerdere bedrijfsparkeervergunningen zijn verleend, terwijl volgens verweerder sprake is van één bedrijf. Verzoekster voldoet niet aan de voorwaarden zoals neergelegd in de Parkeerverordening 2013 (hierna: de Verordening). Verzoekster heeft bij

e-mail van 18 augustus 2014 haar zienswijze gegeven.

2.3.

Bij het primaire besluit heeft verweerder uitvoering gegeven aan zijn voornemen en bepaald dat verzoeksters bedrijfsparkeervergunning per 28 februari 2015 wordt ingetrokken. Het door verzoekster gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.4.

Verweerder stelt zich – samengevat weergegeven – op het standpunt dat uit controle is gebleken dat op het adres[adres 1] aan [naam b.v.] op een eerdere datum een bedrijfsparkeervergunning is verleend. [naam b.v.] en verzoekster zijn gevestigd op hetzelfde adres in een pand waar sprake is van een gezamenlijke entree. Ook maken verzoekster en [naam b.v.] gebruik van hetzelfde telefoonnummer en zijn zij werkzaam in dezelfde branche, namelijk rechtsbijstand. In het verweerschrift heeft verweerder ter onderbouwing van de stelling dat sprake is van één bedrijf nog nader toegelicht dat blijkens de website [naam website]sprake is van een samenwerkingsverband tussen verzoekster en [werknemer b.v.]. Zowel [werknemer b.v.] als de gemachtigde van verzoekster maken gebruik van een

e-mailadres dat eindigt op [mailadres]. Voorts zijn voornoemde personen bestuurder van de [naam stichting]. Ook maakt verzoekster gebruik van het briefpapier van [naam bedrijf]. Op basis van het voorgaande concludeert verweerder dat sprake is van één bedrijf in de zin van de Verordening. Nu het aantal te verlenen bedrijfsvergunningen afhankelijk is van het gezamenlijk aantal werknemers en verzoekster en [naam b.v.] gezamenlijk minder dan tien werknemers in dienst hebben, hebben [naam b.v.] en verzoekster gezamenlijk recht op één bedrijfsparkeervergunning. Verzoeksters vergunning wordt ingetrokken, omdat deze de jongste rechtsgeldigheidsdatum heeft.

2.5.

Verzoekster voert – kort en bondig gezegd – ten eerste aan dat verweerder ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat zij en [naam b.v.] één bedrijf zijn in de zin van de Verordening. Alle ondernemingen binnen het bedrijfspand aan de[adres 1] zijn volledig zelfstandig, voeren een eigen administratie, doen zelfstandig aangifte bij de Belastingdienst, hebben ieder zelfstandige kantoorruimte in het pand, hebben ieder eigen personeel en hebben een eigen inschrijving bij de Kamer van Koophandel. Zowel verzoekster als [naam b.v.] zijn zelfstandige entiteiten, zowel in juridische als operationeel vlak. ‘[naam bedrijf]’ is een roepnaam of lege huls, met slechts praktische redenen, zoals het terugdringen van kosten. Beide advocaten zijn een eigen rechtspersoon en voeren een eigen praktijk in verschillende rechtsgebieden. Verzoekster voert voorts aan dat het bestreden besluit in weerwil met het vertrouwensbeginsel is genomen, nu (de rechtsvoorganger van) verweerder bij brief van 7 april 2003 te kennen heeft gegeven geen aanleiding te zien tot intrekking van verzoeksters bedrijfsparkeervergunning over te gaan, omdat er geen sprake is van verweving met – naar de voorzieningenrechter begrijpt – [naam b.v.]. Sindsdien is niets veranderd in de regelgeving of de feitelijke situatie zo dat niet valt in de zien waarom verweerder nu op dezelfde grond tot intrekking overgaat, zo stelt verzoekster. Ook is niet duidelijk op grond van welke regelgeving verweerder overgaat tot intrekking van de jongste vergunning.

3.1.

Op grond van artikel 10, eerste lid, van de Verordening kan verweerder een bedrijfsvergunning verlenen aan een bedrijf dat gelegen is in een vergunninggebied.

3.2.

Op grond van artikel 1, aanhef en onder b, van de Verordening wordt onder bedrijf of beroep – voor zover hier relevant – verstaan: de zelfstandige die voor de voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in het eigen bedrijf of zelfstandig beroep, met dien verstande dat bedrijven en beroepen worden beschouwd als één bedrijf en één beroep indien de vestigingsadressen dezelfde zijn of het een aaneengesloten bebouwing betreft, dan wel sprake is van een (juridische) constructie waaruit moet worden geconcludeerd dat het in wezen één bedrijf of beroep betreft.

3.3.

Op grond van artikel 37, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening – voor zover hier van belang – trekt verweerder een vergunning in, indien niet voldaan of niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening.

4.1.

Bij de beoordeling van het geschil stelt de voorzieningenrechter voorop dat het bestreden besluit voor verzoekster belastend is. Hieruit volgt dat op verweerder de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan.

4.2.

Ter zitting heeft verweerder nader toegelicht dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van één bedrijf in de zin van de Verordening niet alleen wordt gekeken of meerdere bedrijven op één adres zijn gevestigd, maar dat in dat geval ook aan de hand van een checklist wordt beoordeeld of de bedrijven al dan niet (juridisch) verweven zijn. Ondanks dat verweerder ter zitting heeft aangeboden die checklist in het geding te brengen, ziet de voorzieningenrechter daarvoor geen aanleiding, nu de inhoud van het bestreden besluit en het verweerschrift voldoende inzichtelijk maakt aan welke criteria hij toetst.

4.3.

De voorzieningenrechter stelt vast en tussen partijen staat buiten kijf dat zowel verzoekster als [naam b.v.] zijn gevestigd op hetzelfde adres. Dat betekent dat één van de criteria om te kunnen spreken van één bedrijf in de zin van de Verordening is vervuld. De voorzieningenrechter is echter met verzoekster en anders dan verweerder van oordeel dat uit de feiten en omstandigheden zoals verweerder die naar voren heeft gebracht in het bestreden besluit en het verweerschrift niet de conclusie kan worden verbonden dat zodanige verwevenheid tussen de op dit adres gevestigde zelfstandige beroepsbeoefenaren bestaat dat naar maatschappelijke opvatting sprake is van één bedrijf. Daarvoor is bepalend dat verzoekster genoegzaam heeft toegelicht dat haar en [naam b.v.] bedrijfsvoering zodanig juridisch op papier en (intern) feitelijk gescheiden zijn, dat beide bedrijven zelfstandige entiteiten zijn. Dat beide bedrijven gebruik maken van enkele gemeenschappelijke diensten, zoals een gezamenlijke entree, één telefoonnummer en de naam '[naam bedrijf]’, kent de voorzieningenrechter geen doorslaggevende betekenis toe. Het is immers niet ongebruikelijk dat zelfstandige beroepsbeoefenaren om de kosten te delen gebruikmaken van een telefoonnummer of gezamenlijk in een gebouw gevestigd zijn.

4.4.

Ook hecht de voorzieningenrechter betekenis aan het feit dat dezelfde feitelijke situatie van beide advocaten in 2003 beoordeeld is door Stadstoezicht en dat de directeur van Stadstoezicht in een brief van 7 april 2003 aan onder meer [naam b.v.] en verzoekster heeft meegedeeld dat het voornemen tot intrekking van één van de verleende bedrijfsvergunningen op grond van verweving niet meer van toepassing is. Nu verzoekster heeft aangevoerd dat sedertdien de facto niets is veranderd, is het aan verweerder om aannemelijk te maken dat thans een zodanige juridische en economische verwevenheid bestaat dat sprake is van één bedrijf in de zin van de Verordening. De aanwijzingen die verweerder daartoe heeft genoemd te weten adres, telefoonnummer en website acht de voorzieningenrechter in dit geval ontoereikend.

4.5.

De slotsom is dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter verweerders stelling dat verzoekster en [naam b.v.] naar maatschappelijke opvatting één bedrijf zijn in de zin van de Verordening geen stand kan houden. Verweerder heeft daarom ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 37, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening. Gelet hierop behoeven de overige door verzoekster aangevoerde beroepsgronden geen bespreking meer.

4.6.

Het beroep is gegrond. De voorzieningenrechter zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat aan het primaire besluit dezelfde gebreken kleven. Om het geschil finaal te beslechten zal zij het primaire besluit daarom herroepen en bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

4.7.

Gegeven de gegrondverklaring van het beroep, zal verweerder worden opgedragen het door verzoekster betaalde griffierecht in die procedure te vergoeden. Ondanks dat verzoekster daarom heeft verzocht, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten, omdat haar gemachtigde die optreedt in zijn eigen zaak niet als derde in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht kan worden aangemerkt. Verletkosten kunnen ook niet worden toegewezen, omdat verzoekster deze als rechtspersoon niet heeft.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167, - (zegge: honderdzevenenzestig euro) aan verzoekster te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Rooij, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Looij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2015.

de griffier

de voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzoek om voorlopige voorziening geen rechtsmiddel open.