Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:774

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-02-2015
Datum publicatie
23-02-2015
Zaaknummer
C-13-561408 - FA RK 14-1901
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdeling gemeenschap van goederen. Vastelling omvang van de boedel. Geen vernietigng aandelenoverdracht door man aan zoon van partijen in verzoekschriftprocedure. Geen sprake van verzwijging ex 3:194 lid 2 BW, nu verdeling nog niet heeft plaatsgevonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2015/30.9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/561408 / FA RK 14-1901 en C/13/575722 / FA RK 14-8281 (HCH/DC)

Beschikking van 18 februari 2015 betreffende echtscheiding en nevenvoorzieningen

in de zaak van:

[verzoekende tevens verwerende partij],

wonende te [woonplaats],

verzoekende tevens verwerende partij,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. M. Kashyap,

tegen

[verwerende tevens verzoekende partij],

wonende te[woonplaats]

verwerende tevens verzoekende partij,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. H. van Lingen.

1 De procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de ingekomen stukken, waaronder het op 14 maart 2014 ter griffie van deze rechtbank ingediende verzoekschrift en het daartegen ingediende verweerschrift.

1.2.

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter terechtzitting met gesloten deuren van 22 januari 2015. Verschenen zijn: partijen en hun advocaten.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn in algehele gemeenschap van goederen gehuwd te [plaats] op [datum].

2.2.

Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

3 De beoordeling

3.1.

De echtscheiding

3.1.1.

De vrouw verzoekt onder meer dat tussen partijen de echtscheiding wordt uitgesproken op grond van duurzame ontwrichting van hun huwelijk. De man verzet zich niet tegen het verzoek tot echtscheiding.

3.1.2.

De rechtbank zal het verzoek tot echtscheiding toewijzen, omdat aan de wettelijke vereisten is voldaan.

3.2.

De verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap

3.2.1.

De vrouw heeft de rechtbank verzocht de verdeling voor de huwelijksgemeenschap van partijen vast te stellen op de wijze als omschreven in de verzoeken 3 t/m 19. De man heeft tegen een aantal verzoeken verweer gevoerd. De rechtbank zal overgaan tot vaststelling van de verdeling.

Peildatum

3.2.2.

Partijen zijn overeengekomen dat de peildatum van de omvang en samenstelling van de huwelijksgoederengemeenschap 1 september 2013 is. De peildatum voor de waardering van de saldi van de bankrekeningen hebben zij gesteld op 1 september 2013 en voor de overige boedelbestanddelen op 1 januari 2014. De rechtbank zal van die peildata uitgaan.

3.2.3.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de huwelijksgoederengemeenschap per peildatum bestond uit de volgende bestanddelen:

  1. de echtelijke woning [straat] en de garage [straat], beiden te [plaats], hierna de woning en de garage,

  2. het appartementsrecht[straat] te [plaats], hierna het appartement,

  3. de inboedel in de woning met inbegrip van een viertal schilderijen, hierna de inboedel,

  4. bankrekeningen bij ING met[nummer],[nummer] en [nummer] en bij Alex Vermogensbank[nummer], hierna de bankrekeningen,

  5. en effectenportefeuille bij Alex

  6. 2 auto’s, te weten een Volvo en een Honda, hierna de auto’s,

  7. een aantal lijfrentepolissen bij Aegon (3 stuks) en bij Centraal Beheer (11 stuks), hierna de lijfrentepolissen,

  8. de aandelen in [bedrijf 1],

  9. een rekening/courant vordering op [bedrijf 1],

  10. een tweetal leningen van [bedrijf 1],

  11. belastingschulden

3.2.4.

De rechtbank zal alvorens de diverse bestanddelen te bespreken eerst ingaan op de vraag of de gemeenschap, zoals de vrouw stelt, ook omvat de aanspraak op een stamrecht in [bedrijf 1] en de aandelen [bedrijf 2].

aanspraak op stamrecht in [bedrijf 1]

3.2.5.

Partijen verschillen van mening of de aanspraak op een stamrecht in [bedrijf 1] tot de boedel behoort. De man heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat dit stamrecht aan hem verknocht is en dus geen onderdeel uitmaakt van de boedel. Hij heeft zich daarbij beroepen op een arrest van het Hof Den Haag van 28 mei 2014 (ECLI:NL:GHDHA:2014:2747). Nu dit beroep eerst ter zitting is gedaan zal de rechtbank de vrouw in de gelegenheid stellen zich hierover nog schriftelijk uit te laten, zoals ter zitting ook besproken is.

Aandelen [bedrijf 2]

3.2.6.

De vrouw stelt voorts dat tot de gemeenschap behoren de aandelen in [bedrijf 2].

Zij heeft recent op grond van artikel 1:89 van het Burgerlijk Wetboek de overdracht van de aandelen aan de zoon van partijen, die plaatsvond in 1999, buitengerechtelijk vernietigd, omdat zij hiervoor nooit toestemming heeft gegeven. Volgens haar is die toestemming vereist op grond van artikel 1:88 BW. Tot de boedel behoren volgens haar ook de onttrekkingen uit [bedrijf 2] sinds de vernietigde overdracht. Volgens de vrouw dient geen rekening te worden gehouden met de onttrekkingen, dan wel dienen deze voor rekening en risico van de man te komen door deze in mindering te doen strekken op het aandeel van de man in de waarde van de aandelen [bedrijf 2]. Zij verzoekt de rechtbank een deskundige te benoemen voor de bepaling van de waarde van de onderneming en de onttrekkingen.

3.2.7.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat zij niet wist van de aandelenoverdracht en ook niet dat de geldlening waar zij wel over geïnformeerd was, iets van doen had met de aandelenoverdracht door de man aan de zoon. Als zij had geweten dat ze door toestemming te verlenen voor de kwijtschelding in feite akkoord ging met de schenking van de aandelen aan de zoon, had zij die toestemming niet gegeven. Hiermee heeft de man opzettelijk het inkomen, gerelateerd aan zijn werkactiviteiten, buiten de gemeenschap gehouden. Het gehele vermogen van partijen zit in de aandelen van deze BV, aldus de vrouw. De man is nog steeds directeur van de onderneming en hij ontvangt via [bedrijf 1] jaarlijks een managementfee van € 15.000,-.

Subsidiair doet zij een beroep op dwaling op grond van artikel 228 van boek 6 BW.

Meer subsidiair stelt zij dat de man jegens haar een onrechtmatige daad heeft gepleegd, dan wel dat hij heeft gehandeld in strijd met de redelijkheid en de billijkheid. De man heeft zijn inkomen gerelateerd aan zijn werkactiviteiten opzettelijk buiten de gemeenschap gehouden waardoor de vrouw schade lijdt. De vrouw stelt de schade op de helft van de geschatte waarde van de aandelen van [bedrijf 2] van € 1.000.000,- plus onttrekkingen aan de zoon van

€ 1.500.000,-.

3.2.8.

De man bestrijdt de stellingen van de vrouw. Volgens hem is geen toestemming nodig voor de aandelen overdracht; hij was als directeur bevoegd. Dit is geen rechtshandeling waarvoor de echtgenoot toestemming van de andere echtgenoot behoeft volgens artikel 1:88 BW, aldus de man. De waardering van de aandelen voor het bepalen van de verkoopprijs is destijds geschied in overleg met de belastingdienst. De zoon van partijen is niet betrokken in dit geding dus kan de overeenkomst niet in deze procedure worden vernietigd. De vrouw wist van de overdracht en zij wist dat geld is geleend aan de zoon voor de aanschaf van de aandelen. Hij heeft daarover de vrouw niet onjuist geïnformeerd en de vrouw heeft daarover niet gedwaald. Het verlenen van toestemming voor kwijtschelding is een eenzijdige rechtshandeling en geen overeenkomst. Artikel 6:228 BW ziet op overeenkomsten en dus niet op een toestemmingshandeling. Ten derde kan langs deze weg alleen de kwijtschelding worden vernietigd en vloeien de aandelen niet terug in de gemeenschap. De vrouw heeft onvoldoende gesteld om te kunnen concluderen dat sprake is van onrechtmatig handelen door hem, en schade aan haar kant.

3.2.9.

De rechtbank overweegt als volgt. Een vordering tot vernietiging ex artikel 3:51 BW, of vaststelling in rechte dat een buitengerechtelijke vernietiging rechtsgeldig is gedaan, kan niet in een verzoekschriftenprocedure. Datzelfde geldt voor de subsidiaire dwalingsvordering en vordering uit onrechtmatige daad. Dit betekent dat de vrouw indien zij een vordering uit deze hoofde jegens de man en/of de zoon van partijen wil instellen zij een aparte dagvaardingsprocedure dient te entameren. Aan de rechtbank ligt dan ook thans de vraag voor of de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap kan plaatsvinden of dat de boedelverdeling in afwachting van de uitkomst van die procedure dient te worden aangehouden, dan wel afgewezen.

3.2.10.

Vaststaat dat de zoon van partijen de aandelen in [bedrijf 2] van de man heeft gekocht en dat die aandelen middels een notariële akte aan hem geleverd zijn. Voor de omvang van de koopprijs is een onderbouwing door een accountant aanwezig en de overdracht is voorgelegd aan de belastingdienst. De aandelen zijn verworven met van partijen geleend geld. De lening bedroeg fl. 165.000,-. De man heeft deze lening met goedkeuring van de vrouw in twee gedeelten kwijtgescholden, wat ook is vastgelegd in notariële akten. Dit betekent dat op dit moment de aandelen niet van de man zijn en geen onderdeel uitmaken van de huwelijksgoederengemeenschap. Indien op dit moment wordt overgegaan tot vaststelling van de verdeling is dus geen sprake van een partiële verdeling, die in strijd met de wet is. Dat zou alleen anders zijn als aannemelijk is dat in een dagvaardingsprocedure de vorderingen van de vrouw zullen worden toegewezen en dus aannemelijk is dat de boedel meer omvat dan waar thans van wordt uitgegaan.

3.2.11.

Voorshands acht de rechtbank dat niet het geval. Op de vrouw rust de bewijslast dat zij in 1999 niet van wist van de overdracht van de aandelen [bedrijf 2] door de man aan de zoon van partijen. De man stelt dat hij het met de vrouw besproken heeft. De zoon van partijen heeft blijkens een overgelegde e-mail schriftelijk verklaard dat de vrouw er wel degelijk van afwist. De reden om de aandelen over te dragen was volgens de man estateplanning. De dochter van de vrouw (in de stukken aangeduid als [naam 1]) had door haar huwelijk (met een man die in stukken is aangeduid als [naam 2]) vermogen en de man wilde ook naar de zoon van partijen vermogen overhevelen. In de belastingaangiften van partijen van na 1999 staan de aandelen [bedrijf 2] ook niet vermeld. De verklaring van de vrouw dat zij alles blind tekende, zowel de kwijtschelding, als de belastingaangiften komt voor haar rekening en risico.

3.2.12.

Vorenstaande betekent dat de rechtbank de aandelen [bedrijf 2] buiten die verdeling houdt. Mocht later komen vast te staan dat de aandelen wel onderdeel zijn van de huwelijksgoederengemeenschap dan zullen deze op grond van artikel 3: 179 lid 2 BW alsnog verdeeld moeten worden.

3.2.13.

De rechtbank zal de diverse bestanddelen hieronder bespreken. De rechtbank kan in afwachting van de reactie van de vrouw over de verknochtheid van het stamrecht de verdeling nog niet volledig vaststellen, zodat sprake zal zijn van een tussenbeschikking, waarin op bepaalde onderdelen van de vaststelling van de boedelverdeling al een beslissing zal geven.

Uitgangspunt bij de vaststelling van de boedelverdeling is dat de rechtbank op grond van artikel 3:185 BW een grote mate van vrijheid heeft en daarbij ook buiten de verzoeken van de echtgenoten kan treden.

woning en garage,

3.2.14.

Partijen verschillen van mening over de waarde van de woning. Beide partijen stellen de waarde van de garage op € 20.000,- zodat de rechtbank daarvan uit zal gaan. De vrouw is in haar oorspronkelijke verzoek uitgegaan van een waarde van de woning van € 446.000,-, waarbij zij verzocht heeft de woning aan haar toe te delen onder de verplichting de helft ad
€ 223.000,- aan de man uit te betalen. De vrouw heeft vervolgens gesteld dat het door de man recent opgestelde taxatierapport, waarvan zij de inhoud niet kent, als basis voor de waardering dient te worden genomen. Zij vermoedt dat in dit rapport een lagere waarde is vermeld omdat de huizenprijzen gedaald zijn. De man heeft zich bereid verklaard akkoord te gaan dat de woning en de garage voor een waarde van € 450.000,- aan de vrouw worden toegedeeld, en als de vrouw hiermee niet instemt hij voor dit bedrag de woning en de garage toegedeeld wil krijgen.

3.2.15.

De rechtbank zal bepalen dat de woning en de garage aan de vrouw worden toegedeeld tegen een geschatte koopprijs van € 450.000,-. Dit komt – nu partijen er niet over twisten dat de garage
€ 20.000,- waard is – neer op een waarde van € 430.000,- voor het huis. Deze waarde is
€ 16.000,- lager dan de waarde die de vrouw een jaar geleden genoemd heeft in haar inleidend verzoekschrift. Als de stelling van de vrouw gevolgd wordt dat de huizenprijzen in [plaats] het afgelopen jaar gedaald zijn al juist is, dan is dit in het door de man genoemde bedrag voor de woning en de garage naar het oordeel van de rechtbank verdisconteerd en de rechtbank acht
€ 430.000,- dan ook een reële waarde. Voor het overleggen van het taxatierapport door de man, danwel een nieuwe taxatie acht de rechtbank geen noodzaak aanwezig. Dit betekent dat de vrouw ten opzichte van de man wordt overbedeeld met een bedrag van € 225.000,-. De rechtbank zal bij eindbeschikking aldus beslissen.

appartement,

3.2.16.

Vaststaat dat het appartement tot de gemeenschap behoorde en dat dit na de peildatum is verkocht door de man voor een bedrag van € 159.765,91. De vrouw heeft ter zitting erkend dat de man met de opbrengst de schuld aan [bedrijf 1] heeft afgelost. In het kader van de boedelverdeling zal hiermee rekening worden gehouden in die zin dat de hoogte van de schuld aan [bedrijf 1] op de peildatum zal worden vastgesteld met inachtname van deze aflossing. De rechtbank verwijst naar hetgeen hieronder in r.o. 3.2.29 wordt overwogen. Een verdere beslissing ten aanzien van het appartement is niet nodig nu dit appartement thans niet meer tot de boedel behoort.

inboedel,

3.2.17.

Partijen verschillen over de waarde en de verdeling van de inboedel. De punten waarover zij verschillen betreffen de bank en een viertal schilderijen. Voor wat betreft de overige inboedelgoederen bestaat overeenstemming dat deze aan de vrouw worden toegedeeld voor een bedrag van € 5.000,-. Volgens de vrouw zijn de bank en schilderijen samen € 7.000,- waard en wil zij deze toebedeeld krijgen. De bank is 25 jaar oud en heeft volgens haar geen waarde. Zij is wel bereid akkoord te gaan dat de [naam 3] aan de man wordt toebedeeld. Deze heeft de meeste waarde volgens de vrouw. De man verzoekt de schilderijen en de bank aan hem toe te delen voor een bedrag van € 13.000,-.

3.2.18.

De rechtbank schat de waarde van de bank op nihil, nu deze bank onweersproken ca. 25 jaar oud is. De bank zal aan de vrouw worden toebedeeld, nu de bank past in de meubilering van de woning die met de overig inboedel aan haar wordt toebedeeld. De schilderijen zullen verdeeld worden zodat ieder der partijen 2 schilderijen krijgt toebedeeld. In elk geval zal de [naam 3] aan de man worden toegedeeld. Nu de vrouw de bank krijgt toebedeeld mag de man kiezen welk tweede schilderij hij toebedeeld wenst te krijgen. Partijen dienen zich voorts uit te laten over de waarde van de schilderijen die zij ieder toebedeeld zullen krijgen, zodat in de eindbeschikking een beslissing kan worden genomen over de (eventuele) overbedeling van de man terzake van de schilderijen. De man zal binnen 2 weken na deze beschikking aan de vrouw dienen aan te geven welk schilderij hij naast de [naam 3] wenst toebedeeld te krijgen, zodat de vrouw zich over de waarde van de schilderijen kan uitlaten en de man daarop kan reageren. Bij eindbeschikking zal de rechtbank dan de overbedelingsvordering vaststellen, rekening houdende met de overbedeling van de vrouw voor de overige inboedel met een bedrag van € 2.500,-.

bankrekeningen,

3.2.19.

Partijen zijn het eens over de verdeling van de bankrekeningen bij ING en de waarde van de saldi op de peildatum. Dat betekent dat aan de man wordt toegedeeld het saldo op de rekeningen met [nummer], met een waarde op peildatum van € 29.036,-
(€ 3.801,- en € 25.235,-). Aan de vrouw wordt toegedeeld het saldo op de rekeningen met nummer ING 24.56.340 met een waarde op peildatum van € 5.252,- en ING[nummer] met een waarde op peildatum van € 973,-. Dit betekent dat de man is overbedeeld met een bedrag van € 11.405,50, welk bedrag hij aan de vrouw dient te voldoen. De rechtbank zal bij eindbeschikking aldus beslissen.

3.2.20.

Partijen zijn het erover eens dat er op peildatum tevens een bankrekening bestond bij Alex Vermogensbank met[nummer], waarop op peildatum een saldo stond van
€ 30.599,-. De man stelt dat hij deze bankrekening in eerste instantie per abuis vergeten is te melden en verzoekt het saldo aan hem toe te delen waar tegenover hij de vrouw wegens overbedeling de helft dient te vergoeden. De vrouw stelt dat de man dit saldo bewust heeft verzwegen en dat op grond van artikel 3: 194 lid BW het saldo volledig aan haar toekomt.

3.2.21.

Artikel 3:194 lid 2 BW bepaalt dat de deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt of verborgen houdt, zijn aandeel in die goederen verbeurt aan de andere echtgenoot. Door de toevoeging van het woord opzettelijk kan alleen met succes een beroep worden gedaan op de bepaling, indien de man wist dat de goederen tot de gemeenschap behoorden. Daarvan is niet gebleken. Daarnaast is naar het oordeel van de rechtbank het bepaalde in dit artikel pas van toepassing indien de verdeling daadwerkelijk heeft plaatsgevonden of een boedelbeschrijving is opgemaakt waarover beide partijen verklaren dat daarop alle boedelbestanddelen zijn vermeld. Dat is hier niet aan de orde. In de loop van het geding is gebleken dat deze rekening er ook nog is en dat betekent dat deze in de verdeling wordt meegenomen. Het saldo op de rekening zal aan de man worden toegedeeld, waartegenover hij de vrouw een bedrag van € 15.299,50 wegens overbedeling dient te voldoen. De rechtbank zal bij eindbeschikking aldus beslissen.

effectenportefeuille bij Alex

3.2.22.

Partijen verschillen van mening over de waarde van de effectenportefeuille bij Alex op de peildatum 1 januari 2014. Dit verschil betreft of de tegenrekening bij Alex waarvan de aankopen in de periode tussen 1 september 2013 en 1 januari 2014 zijn gedaan en waar de verkopen in de periode op zijn bijgeschreven tot de effectenportefeuille behoort of dat die tegenrekening bij de bankrekeningen hoort waarvoor een andere peildatum is afgesproken. Nu de tegenrekening en de effecten in feite een geheel vormen en ook als zodanig geadministreerd worden (anders dan de rekening bij Alex die hiervoor onder 3.2.20 is besproken) is de rechtbank van oordeel dat naar het geheel gekeken moet worden.

3.2.23.

Volgens het gedetailleerde overzicht dat door de vrouw is gemaakt (na correctie) en dat als productie 19 is overgelegd bedraagt deze waarde € 674.586,43. Deze correctie is uitgevoerd naar aanleiding van de door de man naar voren gebrachte optieomwisseling die volgens hem in het eerdere overzicht niet juist was verwerkt. De man stelt dat de waarde
€ 652.509,17 is uitgaande van de hoor hem gehanteerde systematiek waarbij voor de tegenrekening een andere peildatum wordt aangehouden. De rechtbank zal gezien het voorgaande de vrouw volgen. Vorengaande betekent dat de effectenportefeuille als door partijen verzocht aan de man wordt toegedeeld, waartegenover de man is overbedeeld met een bedrag van afgerond € 337.293,-. De rechtbank zal bij eindbeschikking aldus beslissen.

auto’s,

3.2.24.

Partijen zijn het erover eens dat de Volvo aan de man en de Honda aan de vrouw wordt toegedeeld zonder verdere verrekening. De rechtbank zal bij eindbeschikking aldus beslissen.

de lijfrentepolissen,

3.2.25.

Tot de boedel behoort een groot aantal lijfrentepolissen. Partijen zijn het erover eens dat de 3 Aegon polissen aan de vrouw worden toegedeeld [nummer],[nummer] en[nummer]) en 3 Centraal Beheer Achmea polissen aan de man ([nummer], [nummer] en [nummer]) aan de man, welke polissen met elkaar worden verrekend.

3.2.26.

Terzake van de overige polissen had de vrouw oorspronkelijk voorgesteld die te splitsen. Zij is daar ter zitting op teruggekomen. Partijen verschillen thans van mening over de vraag of splitsen mogelijk is op deze wijze. Dit gezien het feit dat een groot deel van de polissen binnenkort vrijkomt en het de vraag is of de polissen kunnen worden “doorgerold”, gezien de leeftijd van de vrouw. Afkoop is voor haar fiscaal dan niet gunstig. Dit is met name ook afhankelijk van de vraag of de polissen onder het “oude” of “nieuwe” regime vallen. Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat fiscaal advies zal worden ingewonnen op welke wijze de lijfrentepolissen verdeeld dienen te worden. Partijen zullen nadien de rechtbank informeren wat hun standpunt is ten aanzien van de verdeling van de overige lijfrentepolissen.

de aandelen in [bedrijf 1],

3.2.27.

Ter zitting is gebleken dat partijen overeenstemming hebben over de waarde van de aandelen [bedrijf 1] van € 137.100,- en dat de aandelen aan de man dienen te worden toegedeeld, waarbij hij wegens overbedeling een bedrag van € 68.550,- aan de vrouw dient te voldoen. De rechtbank zal bij eindbeschikking aldus beslissen.

rekening/courant vordering op [bedrijf 1],

3.2.28.

Ter zitting is voorts gebleken dat partijen het erover eens zijn dat tot de boedel behoort een rekening/courantvordering op [bedrijf 1] van € 38.362,-. Partijen hebben verzocht deze vordering aan de man toe te delen, waarbij hij wegens overbedeling een bedrag van € 19.181,- aan de vrouw dient te voldoen. De rechtbank zal bij eindbeschikking aldus beslissen.

een tweetal leningen van [bedrijf 1]

3.2.29.

Partijen zijn het tevens eens over het bestaan van een tweetal leningen van [bedrijf 1] aan partijen. Deze schuld bedraagt thans – na aflossing na verkoop van het appartement -
€ 270.000,- (€ 140.000,- en € 130.000,-). De door de vrouw verzochte toedeling van de schulden aan de man kan niet, nu schulden geen goederen zijn en niet toegedeeld kunnen worden. De rechtbank kan wel bepalen dat de man volledig draagplichtig is voor deze schulden, waartegenover de vrouw is overbedeeld met een bedrag van € 135.000,-. De rechtbank zal bij eindbeschikking aldus beslissen.

belastingschulden

3.2.30.

Volgens de man behoren ook nog een aantal belastingschulden tot de gemeenschap die betrekking hebben op de jaren 2012 en 2013. Hij heeft daartoe aangiftes overgelegd waar dat uit zou blijken. De vrouw is van mening dat de man zichzelf meer heeft uitgekeerd dan zij heeft ontvangen en dat zij niet ziet waarom zij voor de helft zou moeten bijdragen.

Uitgangspunt is dat partijen ieder voor de helft van de schulden draagplichtig zijn. Er is geen redenen om daar van af te wijken. De rechtbank zal bij eindbeschikking dan ook beslissen dat ieder der partijen voor de helft draagplichtig is voor eventuele belastingschulden tot en met het jaar 2013.

3.3.

Pensioenverevening

3.3.1.

De vrouw verzoekt de rechtbank om een voor recht verklaring dat het ouderdomspensioen dat de door de man is opgebouwd tijdens het huwelijk dient te worden verevend. Voorts verzoekt zij de rechtbank de man te gelasten tot het verstrekken van stukken over de aanspraken van de vrouw tot ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen. Tot slot verzoekt zij de rechtbank de man te veroordelen om het benodigde kapitaal af te storten bij een door de vrouw aan te wijzen spaarrekening dan wel te voldoen op een andere voor de vrouw fiscaal aantrekkelijke en toelaatbare wijze.

3.3.2.

De man heeft geen bezwaar tegen de gevraagde pensioenverevening. Wel maakt hij bezwaar tegen de afstorting van de aan de vrouw toekomende aanspraken van het in eigen beheer in [bedrijf 1] opgebouwde pensioen bij een verzekeringsmaatschappij omdat daarvoor onvoldoende dekking is. Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat zij de mogelijkheden om de vrouw eigen aanspraken op het in [bedrijf 1] opgebouwde pensioen te geven nader zullen onderzoeken o.a. door het laten berekenen van de benodigde bedragen voor afstorting en het splitsen van [bedrijf 1] waarbij de vrouw haar eigen pensioen BV krijgt. De vrouw zal zich dienen uit te laten of zij het verzoek onder 22 van het verzoekschrift gedaan wenst te handhaven, waarna de man daarop mag reageren.

3.4.

De partneralimentatie

3.4.1.

De vrouw verzoekt na wijziging van haar aanvankelijk verzoek te bepalen dat de man een uitkering in haar levensonderhoud zal voldoen ten bedrage van € 2.500,- netto per maand, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag en ingangsdatum.

3.4.2.

De man bestrijdt het verzoek van de vrouw. Hij ontvangt alleen een AOW uitkering en heeft geen inkomsten uit de onderneming [bedrijf 1]. Het pensioen dat hij ontvangt van Nationale Nederlanden zal worden verevend en het vermogen bij helfte verdeeld. Uiteindelijk zullen partijen gelijke inkomensposities hebben.

De man stelt dat hij geen draagkracht heeft om een uitkering aan de vrouw te voldoen. Voorts betwist hij de behoefte van de vrouw aan een uitkering. De vrouw heeft nauwelijks woonlasten en kan rond komen met haar AOW uitkering. Zij heeft bovendien neveninkomsten uit het geven van danslessen.

Tijdens het huwelijk lagen de uitgaven hoger doordat partijen inteerden op vermogen.

3.4.3.

Ter zitting zijn partijen overeengekomen het verzoek aan te houden in afwachting van de boedelscheiding en de pensioenverevening.

3.5.

Proceskosten

3.5.1.

De man verzoekt de rechtbank om de vrouw te veroordelen in de kosten van het geding. De rechtbank zal die beslissing aanhouden tot de eindbeslissing.

4 De beslissing

De rechtbank:

In de zaak met nummer C/13/561408 / FA RK 14-1901:

4.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] op [datum];

4.2.

houdt de zaak voor het overige aan in afwachting van de boedelverdeling, waarbij de vrouw nader in de gelegenheid zal worden gesteld om zich uit te laten of zij haar verzoek partneralimentatie handhaaft;

In de zaak met nummer C/13/575722 / FA RK 14-8281:

4.3.

bepaalt dat de zaak pro forma wordt aangehouden tot 28 april 2015;

4.4.

stelt de vrouw in de gelegenheid om zich uiterlijk 4 weken na deze beschikking (18 maart 2015) uit te laten over het navolgende:

a. de verknochtheid van de aanspraak op het stamrecht in [bedrijf 1] (zie r.o. 3.2.5 hiervoor);

b. de waarde van de 2 schilderijen (incl de [naam 3]) die de man toebedeeld wenst te krijgen, alsmede de waarde van de 2 schilderijen die zij toebedeeld zal krijgen(zie r.o. 3.2.18 hiervoor);

c. het standpunt ten aanzien van de verdeling van de overige lijfrentepolissen (zie r.o. 3.2.26 hiervoor);

d. of zij het verzoek tot afstorting als onder 22 van het verzoekschrift gedaan wenst te handhaven (zie r.o. 3.3.2 hiervoor);

waarna de man vervolgens 4 weken (uiterlijk 15 april 2015) de gelegenheid krijgt om daarop te reageren.

4.5.

houdt de zaak voor het overige aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.C. Hoogeveen, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. D.K.W. Collins, griffier, op 18 februari 2015.