Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:7578

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-11-2015
Datum publicatie
19-11-2015
Zaaknummer
AMS 15/2686
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering wegens meerinkomen. De DUO noch de studiefinanciering valt onder de Wft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2016/9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 15/2686

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 november 2015 in de zaak tussen

[naam] , te Amsterdam, eiser,

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder

(gemachtigde: mr. E.H.A. van den Berg).

Procesverloop

Bij besluit van 21 februari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiser over de periode van januari tot en met december 2012 een meerinkomen heeft gehad dat leidt tot een vordering van in totaal € 4.892,45.

Bij besluit van 27 maart 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2015. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

Eiser ontving in de maanden januari tot en met augustus 2012 studiefinanciering in de vorm van een basisbeurs en aanvullende beurs ten bedrage van € 4.071,92. Voorts ontving eiser van januari tot en met september 2012 een studentenreisproduct ten bedrage van € 820,53. Vanaf september 2012 ontving eiser een aanvullende lening. Eiser heeft in 2012 tevens inkomsten uit arbeid genoten.

1.2.

Bij het primaire besluit, gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder de basisbeurs, aanvullende beurs en het reisproduct, zijnde een bedrag van in totaal € 4.892,45 van eiser teruggevorderd, omdat hij in 2012 meer heeft verdiend dan de bijverdiengrens van € 13.362,53.

2. Eiser stelt dat de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is tekortgeschoten in zijn communicatie inzake de voorwaarden van de rentedragende lening. Bij het aanvragen van de rentedragende lening ontving eiser een bevestiging per post dat de lening is aangevraagd, maar zonder de algemene voorwaarden. Verder is deze informatie niet duidelijk te vinden op de website van de DUO. Eiser was niet ervan op de hoogte dat bij het ontvangen van de rentedragende lening zijn bijverdiensten worden meegeteld voor de bijverdiengrens. Hij verkeerde in onzekerheid over zijn toekomstige inkomstenbron en de rentedragende lening diende tevens als aanvulling op zijn inkomen om zijn vaste lasten, waaronder de kosten van een huurwoning van € 650,- per maand, te betalen. Het is opmerkelijk dat de DUO de inkomsten van eiser in de leenfase als basis gebruikt om de ontvangen beurs in de studiefase terug te vorderen. In de leenfase heeft eiser geen recht op de basisbeurs en aanvullende beurs, waardoor hij genoodzaakt was via een bijbaan zijn inkomsten aan te vullen. Volgens eiser heeft verweerder ten onrechte niet de zorgplicht als bedoeld in de voorschriften van de Wet op het financieel toezicht (Wft) en de Autoriteit Financiële Markten in acht genomen. Voorts doet eiser een beroep op de hardheidsclausule. Daartoe verwijst hij naar zijn persoonlijke situatie van werken en studeren, zijn stellingen dat de DUO onjuist en onvolledig heeft geïnformeerd over de voorwaarden van de rentedragende lening en dat de inkomsten in de leenfase niet als basis kunnen worden gebruikt om de ontvangen beurs in de studiefase terug te vorderen.

3. Verweerder stelt dat op pagina 3 van de brochure “Studiefinanciering Bijverdienen 2012” staat vermeld dat voordat je de bijverdiengrens hebt bereikt, je je studiefinanciering en de studentenreisproduct moet stopzetten. Per 1 januari 2013 kun je dan weer studiefinanciering aanvragen. Hetzelfde geldt als je het recht op prestatiebeurs hebt verbruikt, maar nog wel recht hebt op een lening. Dat eiser de rentedragende lening nodig had als aanvulling op zijn inkomen kan, gezien de wettelijke regeling, niet tot een andere beslissing leiden. Uit de wettelijke regeling vloeit voort dat ook de inkomsten in de leenfase worden meegeteld. Volgens verweerder is niet gebleken van een situatie die noopt tot toepassing van de hardheidsclausule.

4.1.

In artikel 3.1, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) is bepaald dat studiefinanciering bestaat uit basisbeurs, uit basislening en uit aanvullende beurs of aanvullende lening en voor studenten ook uit collegegeldkrediet.

4.2.

In artikel 3.3, eerste lid, van de Wsf 2000 is bepaald dat het budget voor een student voor een kalendermaand het totaal van een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud en een reisvoorziening is.

4.3.

In artikel 3.17, eerste lid, van de Wsf 2000 is bepaald dat indien een studerende in een kalenderjaar meerinkomen heeft, dit leidt tot een vordering van Onze Minister op de studerende. Meerinkomen is het toetsingsinkomen, verminderd met een vrije voet naar de maatstaf van 1 januari 2011 van € 13.215,83 (per 1 januari 2012: € 13.362,53).

In het vijfde lid van dit artikel is bepaald dat bij de berekening van het meerinkomen buiten beschouwing blijft inkomen waarvan de studerende aantoont dat het is verworven over de periode in het kalenderjaar waarin hij zonder onderbreking geen studerende was in de zin van deze wet of waarin hij heeft afgezien van zijn aanspraak op studiefinanciering. Dit kan slechts de periode betreffen:

a. die begint bij de aanvang van het kalenderjaar, of

b. die eindigt bij het einde van het kalenderjaar.

In het zevende lid van dit artikel is bepaald dat indien een studerende in een kalenderjaar meerinkomen heeft, die studerende aan Onze Minister een bedrag ter grootte van het meerinkomen is verschuldigd, met dien verstande dat dit bedrag niet groter kan zijn dan de som van de met betrekking tot dat kalenderjaar aan die studerende toegekende bedragen aan:

a. basisbeurs,

b. aanvullende beurs, en

c. voor iedere maand waarin hij op enig moment beschikte over de reisvoorziening, het bedrag gelijk aan eentwaalfde deel van de waarde van de reisvoorziening, bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, vermenigvuldigd met het aantal maanden waarover met inachtneming van het vijfde lid het toetsingsinkomen is berekend.

4.4.

Op grond van artikel 11.5, eerste lid, van de Wsf 2000 kan Onze Minister voor bepaalde gevallen de wet buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

5.1.

De rechtbank stelt vast dat eiser ook na augustus 2012 studiefinanciering heeft gehad. Dit volgt uit artikel 3.1, eerste lid, van de Wsf 2000. Daar staat namelijk dat een rentedragende lening ook studiefinanciering is. Dit betekent dan ook dat ook na augustus 2012 de regels omtrent bijverdiensten onverkort op hem van toepassing waren.

5.2.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de DUO is tekortgeschoten in de informatieverstrekking jegens hem. Naar het oordeel van de rechtbank valt er geen rechtsregel aan te wijzen op grond waarvan verweerder verplicht was eiser persoonlijk te informeren over de gevolgen van het ontvangen van een rentedragende lening met een reisvoorziening voor de toepassing van artikel 3.17 van de Wsf 2000. Verweerder kon volstaan met het informeren via folders en de website. Anders dan eiser meent, valt de DUO noch de studiefinanciering onder de Wft. Uit artikel 1:20, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wft volgt dat studieleningen van de DUO niet worden aangemerkt als een consumptief krediet in de zin van de Wft. Studieleningen van de DUO hebben een ander karakter dan een consumptief krediet. Het betreft een krediet welke volgens een wettelijke bepaling wordt aangeboden en de voorwaarden van een studielening van de DUO, zoals de hoogte van de rente, wijken af van de voorwaarden van een consumptief krediet. De in de Wft genoemde verplichtingen gelden daarom niet. Overigens staat in de folder “Studiefinanciering bijverdienen 2012” vermeld dat zowel de studiefinanciering als het reisrecht dienen te worden stopgezet bij inkomsten die de bijverdiengrens te boven gaan. Daarin staat voorts aangegeven dat dit ook geldt als het recht op prestatiebeurs is verbruikt, maar nog wel recht bestaat op een lening. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het op de weg van eiser om zich op de hoogte te stellen van de geldende regels. Dit geldt zeker voor de bijverdienregeling die als een van de hoofdlijnen van de studiefinanciering geldt. De plicht om zich goed te informeren over de wettelijke regels rust bij eiser. Eiser had zich hiervan op de hoogte kunnen stellen, bijvoorbeeld door de website van verweerder te raadplegen of telefonisch contact met verweerder op te nemen. Dat eiser dit niet heeft gedaan, is een omstandigheid die voor zijn rekening dient te komen.

5.3.

Ten aanzien van de stelling van eiser dat hij pas in september 2012 de bijverdiengrens heeft overschreden en dat de terugvordering over het gehele jaar 2012 niet terecht is, overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep kan uit de tekst van het – dwingendrechtelijke – artikel 3.17 van de Wsf 2000 niet anders worden afgeleid dan dat het de bedoeling van de wetgever en de strekking van de wet is dat verweerder een vordering wegens meerinkomen vaststelt indien een studerende in een kalenderjaar een hoger toetsingsinkomen heeft dan de toepasselijke vrije voet (zie de uitspraak van 17 april 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI1760). Er bestaat voor verweerder geen ruimte om eiser alleen een vordering op te leggen over de periode dat de bijverdiengrens was overschreden. De wettelijke systematiek biedt daarvoor geen ruimte.

5.4.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien tot toepassing van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 11.5 van de Wsf 2000. Hetgeen eiser heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding om met toepassing van de hardheidsclausule af te wijken van artikel 3.17 van de Wsf 2000. Dat eiser zich de consequenties van het bijverdienen niet heeft gerealiseerd, komt voor zijn risico.

5.5.

Verweerder heeft de hoogte van het meerinkomen en de daaruit voortvloeiende vordering overeenkomstig artikel 3.17 van de Wsf 2000 vastgesteld. Dit betekent dat verweerder eiser op goede gronden een vordering wegens meerinkomen heeft opgelegd van € 4.892,45.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling dan wel een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van mr. S.P.M. van Boheemen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 november 2015.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.