Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:7526

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-11-2015
Datum publicatie
11-11-2015
Zaaknummer
C/13/575869 / FA RK 14-8343
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kinderbijdrage; stiefouder draagt al bij in hoge kosten kind, wat voor rechtbank aanleiding is hem buiten draagkrachtberekening te houden. Sprake van hoog inkomen aan beide zijden. Verzoek man tot verlaging kinderbijdrage afgewezen

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 392
Burgerlijk Wetboek Boek 1 395
Burgerlijk Wetboek Boek 1 404
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2016/16
JPF 2016/30 met annotatie van prof. mr. P. Vlaardingerbroek
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/575869 / FA RK 14-8343 (HHo/HHe)

Beschikking van 4 november 2015 betreffende wijziging van de kinderbijdrage

in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. M.F.B. Hersman te Amsterdam,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verwerende partij,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. I.M.B. Kramer te Amsterdam.

1 De procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de ingekomen stukken, waaronder het op 5 november 2014 door de man ingediende verzoekschrift.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 5 oktober 2015.

Gehoord zijn: partijen en hun advocaten.

2 De feiten

Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie is geboren:

[minderjarige],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] .

[minderjarige] is door de man erkend. Zij verblijft bij de vrouw.

De vrouw is in 2010 gehuwd met [stiefvader] (hierna: de stiefvader).

Bij beschikking van deze rechtbank van 9 september 2009 is bepaald dat de man een bedrag van € 593,- per maand zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het [minderjarige] . De rechtbank is er daarbij vanuit gegaan dat [minderjarige] een behoefte had van € 790,- per maand. Rekening houdend met de wettelijke indexatie bedraagt de kinderbijdrage thans € 641,37 per maand.

3 Het verzoek van de man

De man verzoekt, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 9 september 2009, de door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] te bepalen op € 53,- per maand. Zulks primair met ingang van 1 juni 2014, subsidiair met ingang van 1 augustus 2014 en meer subsidiair met ingang van de datum van indiening het verzoekschrift, zijnde 5 november 2014.

De man voert aan dat het inkomen van de vrouw sinds de te wijzigen beschikking sterk is gestegen en dat de vrouw in het huwelijk is getreden met de heer [stiefvader] , wiens inkomen gelijk is aan dat van de man. De vrouw heeft volgens de man ook inkomen uit vermogen.

De man heeft drie van de 14 dagen omgang met [minderjarige] en [minderjarige] brengt de helft van de vakanties bij de man door. De man acht het redelijk dat de kosten van [minderjarige] gelijkelijk worden verdeeld. Partijen dienen volgens hem elk bij helfte de kosten van [minderjarige] te voldoen, dus elk € 475,- per maand. De man neemt al een derde deel voor zijn rekening. Daarom heeft de man ter zitting gesteld dat de kinderbijdrage moet worden vastgesteld op € 158,- per maand.

De man is van mening dat er geen rekening moet worden gehouden met de opvangkosten, nu deze kosten niet zijn gespecificeerd en hijzelf bovendien beschikbaar is voor de opvang van [minderjarige] . Volgens de man zou [minderjarige] zelf wel door de man willen worden opgevangen. De man betwist de noodzaak voor de behandeling van [minderjarige] door een kinderpsycholoog en aldus ook de daaraan verbonden kosten. De man heeft ter zitting erkend dat hij voldoende draagkracht heeft om de eerder vastgestelde bijdrage te blijven voldoen.

4 Het verweer van de vrouw

De vrouw verweert zich tegen het verzoek van de man.

Volgens de vrouw bedraagt de basisbehoefte van [minderjarige] thans € 950,- per maand. Zij meent dat de opvangkosten kunnen worden gesteld op € 500,- per maand, waarvan de man een deel dient te betalen. Verhoogd met de kosten verbonden aan de behandeling door een kinderpsycholoog ad € 190,- per maand, kunnen de werkelijke kosten van [minderjarige] worden gesteld op € 1.640,- per maand. De opvangkosten zijn hoog, omdat de vrouw en de stiefvader op internationale vluchten werken en meermaals twee of meer dagen per maand van huis weg zijn. [minderjarige] wordt dan dag en nacht thuis opgevangen, hetgeen € 6,- per uur kost ofwel € 144,- per etmaal. De vrouw vindt opvang door de man geen optie, nu [minderjarige] geen uitgebreidere omgang met haar vader wil. De man heeft een tijdlang geen contact met [minderjarige] willen hebben, waardoor een vertrouwensbreuk tussen haar en de man is ontstaan. Dit is mede een reden waarom zij thans in behandeling is bij een kinderpsycholoog.

Volgens de vrouw kan de man recht doen gelden op een zorgkorting van 15%. Zij is van mening dat de man geen bijzonder omstandigheden heeft gesteld die een afwijking zou kunnen rechtvaardigen om de eventuele wijziging op een eerdere datum te doen ingaan van de datum van de ten deze te geven beschikking.

5 De beoordeling

5.1.

Ingevolge artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een rechterlijke uitspraak of overeenkomst betreffende levensonderhoud worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. De man stelt dat hiervan sprake is. Ter onderbouwing voert hij aan dat het inkomen van de vrouw is gestegen en zij in het huwelijk is getreden.

De vrouw heeft hiertegen aangevoerd dat er geen sprake is van vermeerdering van haar inkomen in die zin dat dit een verlaging van de kinderbijdrage zou rechtvaardigen, terwijl de behoefte van [minderjarige] behoorlijk is toegenomen.

De rechtbank is van oordeel dat het over en weer gestelde een wijziging van de omstandigheden oplevert, zodat de man ontvankelijk is in zijn verzoek. Daarom zal worden beoordeeld of en zo ja, in hoeverre de onderhoudsbijdrage is opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

5.2

De vaststelling van de behoefte van [minderjarige]

5.2.1

De rechtbank heeft de basisbehoefte van de minderjarige [minderjarige] in september 2009 vastgesteld op € 790,- per maand. Rekening houdend met de wettelijke indexering is de behoefte thans – afgerond € 854,- per maand.

5.2.2

Partijen twisten over de vraag of de behoefte moet worden verhoogd vanwege de opvangkosten van ongeveer € 500,- per maand en de kosten van de kinderpsycholoog van € 190,- per maand. De rechtbank is van oordeel dat met de opvangkosten in dit geval geen rekening dient te worden gehouden. Deze kosten zijn een gevolg van de wijze waarop de vrouw en haar echtgenoot hun vluchtschema’s invullen. De kosten van de psycholoog leiden wel tot een hogere behoefte van [minderjarige] . Dat [minderjarige] last heeft van de wijze waarop haar ouders zich jegens elkaar opstellen acht de rechtbank niet onaannemelijk, gezien het grote aantal procedures dat gevoerd is/wordt. Dat zij daar hulp bij nodig heeft die kosten met zich brengt staat daarmee vast. De rechtbank zal de behoefte van [minderjarige] dan ook verhogen met de door de vrouw gestelde kosten van € 190,- per maand, zodat de behoefte wordt vastgesteld op € 1.044,- per maand.

5.2.3.

Ten aanzien van de behoefte wordt voorts overwogen dat deze in 2009 fictief is vastgesteld, omdat het gezamenlijke inkomen van de ouders uitsteeg boven het maximum tabelbedrag. De rechtbank stelt voorts vast dat de stiefvader (mede) bijdraagt in de werkelijke behoefte van [minderjarige] , waarvan aannemelijk is dat deze hoger is gezien het inkomen van de vrouw en de stiefvader. Dit blijkt ook onder meer uit de opvangkosten. De rechtbank ziet in de omstandigheden van dit geval om die reden dan ook aanleiding om de draagkracht van de stiefvader, in afwijking van het bepaalde in artikel 1:395 BW niet in de draagkrachtvergelijking te betrekken, temeer nu de ouders tezamen voldoende draagkracht hebben om in de basisbehoefte van [minderjarige] te voorzien.

5.3

Het aandeel van elk der partijen in de kosten.

5.3.1

De rechtbank zal thans beoordelen of het redelijk is de eerder vastgestelde bijdrage van de man in de kosten van [minderjarige] te verlagen, en zal dit doen aan de hand van de in het Rapport Alimentatienormen (Tremarapport) gebruikte formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 875)]. In deze formule staat NBI voor het netto besteedbaar inkomen en 0,3 NBI voor de woonlast en € 875,- voor het draagkrachtloos inkomen 2015.

5.3.2

De rechtbank gaat hierbij uit van de door de vrouw overgelegde alimentatieberekeningen, nu de man deze niet inhoudelijk heeft betwist. In zoverre de man zijn stelling handhaaft dat de vrouw inkomen uit vermogen verkrijgt, heeft hij deze stelling niet althans onvoldoende aannemelijk gemaakt. Vaststaat dat de vrouw geen recht kan doen gelden op kindgebondenbudget.

5.3.3

Uit de stukken blijkt dat de man een NBI (netto besteedbaar inkomen) heeft van € 9.392,- per maand en de vrouw een NBI van € 2.409,- per maand.

5.3.4

Aan de hand van de formule wordt de draagkracht van de man berekend op € 3.989,- per maand en die van de vrouw op € 567,- per maand. De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt aldus € 4.556,- per maand. Nu deze hoger is dan de behoefte zal een draagkrachtvergelijking worden gemaakt.

5.3.5

De verdeling van de kosten over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:

het eigen aandeel van de man bedraagt: [3989] / [4556] x [1044] = € 914,-

het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: [567] / [4556] x [1044] = € 130,-

samen € 1.044,-

5.3.6

Gelet op de thans geldende omgangsregeling zal de rechtbank rekening houden met een zorgkorting van 20% van de behoefte van € 1.044,-, aldus met € 209,- per maand.

5.3.7

Het bedrag aan zorgkorting strekt in mindering op het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige] , zodat een bijdrage van (1.044 minus 209) € 835,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven wordt geacht te zijn. Voor aftrek van kinderbijslag, zoals door de man gedaan, is geen grond, gegeven de rekensystematiek van het Tremarapport.

5.4

Nu de man op grond van de eerder vastgestelde bijdrage een bedrag moet betalen van € 641,37 per maand zal het verzoek van de man tot verlaging van de bijdrage worden afgewezen.

6 De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek van de man af.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.C. Hoogeveen, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van H. Hendriks, griffier, op 4 november 2015.1

1 Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.