Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:7500

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-10-2015
Datum publicatie
02-11-2015
Zaaknummer
13/728089-13 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld voor mensenhandel, deels in vereniging, en gewoontewitwassen tot een gevangenisstraf van 6 jaar. Verdachte heeft 5 vrouwen gedurende een periode variërend van meerdere jaren tot enkele dagen uitgebuit. Kern van het handelen was de misleiding van deze vrouwen, het misbruik van het emotionele overwicht dat verdachte daardoor had op die vrouwen en het misbruik van de kwetsbare positie waarin zij zich bevonden en het gebruik van geweld. Zo onderhield verdachte met drie van de vijf vrouwen een liefdesrelatie waarbij hij hen een toekomst samen met hem voorspiegelde. Dit geloofden zij en gaven hem daarom (een groot deel van) hun verdiensten. Hierbij speelde hij de vrouwen onderling tegen elkaar uit. Verdachte wilde echter met geen van hen een toekomst opbouwen en was slechts uit op de verrijking van hem en zijn familie. Met de andere twee vrouwen had hij de afspraak gemaakt dat zij de helft van hun verdiensten aan hem zouden afstaan, zonder dat daar enige prestatie van verdachte tegenover staat. Hiervan kan ook niet gezegd worden dat er sprake is van omstandigheden vergelijkbaar met de situatie waarin een mondig prostituee verkeert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/728089-13 (Promis)

Datum uitspraak: 14 oktober 2015

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Hongarije) op [geboortedatum] 1981,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

met adres [adres, te plaats] ,

gedetineerd in het Huis van Bewaring “ [naam] ” te [plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 24, 28, 29 en 30 september 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.F. de Boer en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. J.H.W. van der Lee naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt, kort gezegd, verweten dat hij zich in de periode van 1 maart 2008 tot en met 28 januari 2014 tezamen met anderen heeft schuldig gemaakt aan mensenhandel jegens [medeverdachte] , [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 4] en [persoon 5] . Daarnaast wordt verdachte verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen.

De volledige – laatstelijk op de terechtzitting van 24 september 2015 gewijzigde – tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie concludeert op grond van de door haar in haar op schrift gestelde requisitoir genoemde bewijsmiddelen dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aan de hand van haar pleitnota aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.Inleiding

Het strafrechtelijk onderzoek [onderzoek A] start nadat de Hongaarse, voormalig prostituee, [persoon 2] op 14 juni 2013 tijdens een intakegesprek aan de politie vertelt dat zij in 2012 en 2013 in de prostitutie heeft gewerkt, waarbij zij de helft van haar verdiensten heeft afgestaan aan verdachte. In de woning waar zij verbleef, woonden ook [medeverdachte] , [persoon 1] en [persoon 3] . Volgens [persoon 2] werkten deze vrouwen ook in de prostitutie en gaven zij al hun verdiensten aan verdachte. De politie brengt deze informatie in verband met een eerdere politiemutatie waaruit blijkt dat op 15 november 2012 de inzittenden van een blauwe Volkswagen Passat, voorzien van het Hongaars kenteken [kenteken 1] zijn gecontroleerd. De bestuurder is verdachte, de passagiers zijn [persoon 6] , [medeverdachte] en [persoon 1] . Uit nader onderzoek blijkt dat [persoon 1] sinds 2011 als prostituee werkt op het adres [adres 1] . Op 31 augustus 2013 ziet de politie dat zij (gearmd) met verdachte van de Wallen naar een woning in [plaats] reist. Verder blijkt dat verdachte al eerder meerdere malen in het Wallengebied is gesignaleerd, onder meer in de werkkamer van [medeverdachte] . Ook is verdachte vaker aangetroffen in een auto met onder anderen [medeverdachte] en [persoon 1] . Op 28 augustus 2013 ontvangt het Expertisecentrum Mensenhandel/Mensensmokkel van de Kamer van Koophandel een meldingsbericht van mensenhandel betreffende [medeverdachte] .

4.3.2.

Telefoongesprekken

Deze gegevens zijn aanleiding om de telefoon van [persoon 1] af te luisteren in de periode van 12 november 2013 tot 26 november 2013, het moment dat [persoon 1] naar Hongarije afreist. Op grond van de inhoud van de gesprekken die [persoon 1] met verdachte en andere vrouwen heeft, ontstaat de verdenking dat verdachte zich schuldig maakt aan de uitbuiting van verschillende prostituees. Als [persoon 1] op 9 januari 2014 weer in het Wallengebied wordt gesignaleerd en er aanwijzingen zijn dat ook verdachte zich in [plaats] bevindt, wordt de telefoon van verdachte afgeluisterd van 20 januari 2014 tot de aanhouding van verdachte op 28 januari 2014.

Uit de inhoud van de afgeluisterde gesprekken die zijn gevoerd met de telefoon van [persoon 1] en de telefoon van verdachte in samenhang met de overige bevindingen, komt het volgende beeld naar voren.

Verdachte heeft een langdurige liefdesrelatie met een vrouw die [medeverdachte] wordt genoemd en [medeverdachte] blijkt te zijn. Daarnaast heeft verdachte sinds enige tijd een liefdesrelatie met een vrouw die [persoon 1] wordt genoemd, zijnde [persoon 1] . Verdachte heeft ook nog een liefdesrelatie met een vrouw die [persoon 4] wordt genoemd; haar volledige naam is [persoon 4] . Deze drie vrouwen werken in de prostitutie. Te horen is dat deze drie vrouwen verdachte op de hoogte houden van hun verdiensten en dat verdachte geld ontvangt van deze vrouwen. Daarnaast spoort verdachte hen aan om harder te werken, onder meer door hun verdiensten met elkaar te vergelijken.

Uit gesprekken blijkt dat verdachte veel moeite neemt om [persoon 1] te doen geloven dat zij de enige geliefde voor hem is en dat zij werkt voor een toekomst met hem. Daarentegen zegt verdachte tegen [medeverdachte] dat hij uit liefde met [medeverdachte] is en niet om het geld, zoals met [persoon 1] . Ook [medeverdachte] laat hij geloven dat zij nog een kans maakt op een toekomst met verdachte als zij geld voor hem verdient. In dezelfde periode onderhoudt verdachte een liefdesrelatie met [persoon 4] , tegen wie verdachte zegt dat hij [medeverdachte] niet als echtgenote wil hebben en alleen maar geld in haar ziet. Over [persoon 1] vertelt hij [persoon 4] dat hij niet meer met haar zou zijn, als zij geen geld meer voor hem verdiende.

Uit hetgeen [persoon 1] , [medeverdachte] en [persoon 4] tegen verdachte zeggen blijkt dat zij alledrie hopen op en geloven in een toekomstbestendige exclusieve liefdesrelatie hem. Dat dat voor verdachte anders is dan hij de vrouwen doet geloven, blijkt ook wanneer hij tegen een onbekend gebleven vrouw zegt dat hij nog vrijgezel is, dat hij in Nederland “iets van drie hoeren” heeft, maar niet voor één van hen wil kiezen, omdat hij een vrouw wil die geen prostituee is.

Alleen al uit de inhoud van deze telefoongesprekken ontstaat naar het oordeel van de rechtbank het beeld dat verdachte nietsontziend misbruik maakt van de (emotionele) afhankelijkheid van [medeverdachte] , [persoon 1] en [persoon 4] , teneinde deze vrouwen te bewegen zich te prostitueren en hun verdiensten uit prostitutiewerkzaamheden aan verdachte af te staan. Ook blijkt dat verdachte tegen [persoon 1] fors geweld gebruikt als hij het risico loopt dat zij minder geld voor hem zal verdienen. Daarnaast komt uit de gesprekken naar voren dat verdachte van een vrouw genaamd [persoon 5] de helft van haar verdiensten ontvangt, zonder dat verdachte daar iets voor hoeft te doen. Het gaat dan om [persoon 5] .

4.3.3.

Nader onderzoek

Uit nader onderzoek is gebleken dat zowel [medeverdachte] als [persoon 1] berooid waren toen verdachte werd aangehouden. Van een gezamenlijke toekomst met één van deze vrouwen was tot dan toe niets terecht gekomen. Daar komt nog bij dat [persoon 1] na de aanhouding van verdachte bij de politie drie verklaringen heeft afgelegd die het bovengeschetste beeld bevestigen, waaronder het gegeven dat zij haar verdiensten aan verdachte heeft afgestaan. [medeverdachte] heeft deze gang van zaken ter terechtzitting bevestigd en verklaard dat zij sinds 2008 haar verdiensten aan verdachte heeft afgestaan. [persoon 5] heeft aangifte gedaan van seksuele uitbuiting door verdachte.

Verdachte heeft zich daarnaast nog schuldig gemaakt aan de seksuele uitbuiting van [persoon 2] . Blijkens haar eigen verklaring en die van [medeverdachte] , is [persoon 2] na overleg met en op kosten van verdachte met de bus naar Nederland gereisd met [medeverdachte] . Zij had met verdachte afgesproken dat zij de helft van haar verdiensten aan hem zou afstaan. Dat daar niets van gekomen is omdat zij door ziekte weinig had verdiend maakt het oogmerk van uitbuiting niet anders.

4.3.4.

Betrouwbaarheid verklaringen

Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen stelt de rechtbank voorop dat zij ten aanzien van de waardering van het bewijs veel waarde hecht aan de tapgesprekken die zich in het dossier bevinden. De telefoons van [persoon 1] en verdachte zijn namelijk getapt zonder dat zij en de personen met wie zij spraken zich hiervan bewust waren. Zij waanden zich, met andere woorden, onbespied.

Ten aanzien van [persoon 1]

De rechtbank gaat uit van de verklaringen van [persoon 1] die zij bij de politie op 28 en 29 januari 2014 en in haar aangifte van 4 februari 2014 heeft afgelegd. Deze verklaringen, waarin zij zegt door verdachte te zijn uitgebuit, sluiten namelijk aan bij de tapgesprekken uit het dossier. In het bijzonder wijst de rechtbank in dit verband op het gesprek van verdachte met zijn moeder op 23 januari 2014 waarin verdachte onomwonden tegen zijn moeder spreekt over de uitbuitingssituatie waarin [persoon 1] , door verdachte ‘die met die paardenkop’ of ‘Hongaarse dienstmeid’ genoemd, zich bevindt en over zijn vrees dat [persoon 1] aangifte tegen hem zal doen als hij de relatie zou beëindigen. In dat gesprek zegt verdachte met zoveel woorden: “Maar als ik haar zou weggooien dan zou ze natuurlijk wel aangifte tegen mij doen. Zij is diegene die is uitgebuit. Zij heeft alleen maar de kleding die ze aan heeft. Zij heeft geen land of vaderland (…) Denk maar erover na hoe ’t zou zijn als ik tegen haar zou zeggen dat ik [medeverdachte] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte] ) terug wilde en dat ik met haar ging slapen en tegen haar zou zeggen dat ze daar maar in het bed moest liggen of tegen haar zou zeggen dat ze weg moest wat zou dan de gekke Hongaarse dienstmeid doen? Ze zou meteen aangifte tegen mij doen. Meteen.”

De verklaringen van [persoon 1] waarin zij belastend verklaart over verdachte sluiten ook aan bij wat [medeverdachte] hierover als getuige ter terechtzitting heeft verklaard, namelijk dat [persoon 1] haar geld afstond aan verdachte en ook aan [medeverdachte] als verdachte in Hongarije verbleef. Uit het dossier blijkt bovendien dat [persoon 1] geld overboekte naar verdachte via Western Union.

De rechtbank hecht geen geloof aan de onder ede afgelegde verklaringen van [persoon 1] bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting. In de eerste plaats niet omdat deze niet in overeenstemming zijn te brengen met de overige bewijsmiddelen en in het bijzonder niet met de tapgesprekken. Verder is gebleken dat [persoon 1] haar belastende verklaring heeft ingetrokken nadat [medeverdachte] haar had gevraagd dat te doen. Dit heeft [persoon 1] ter terechtzitting als getuige bevestigd. [medeverdachte] heeft als getuige ter zitting verklaard dat zij [persoon 1] op verzoek van verdachte heeft gesmeekt haar aangifte in te trekken en tegen [persoon 1] gezegd dat zij haar geld terug kon krijgen. Dit doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van de latere verklaringen van [persoon 1] . De omstandigheid dat [persoon 1] over de reden van het terugkomen op de eerdere belastende verklaringen wisselend verklaard, doet verdere afbreuk aan de geloofwaardigheid van haar latere verklaringen. Bij de politie, op 20 februari 2014, zegt dat zij hierover dat zij onder invloed was van cocaïne. Bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting geeft zij echter als verklaring voor het terugkomen op het eerder belastend verklaren ook en voor het eerst dat zij jaloers was omdat de politie haar had gezegd dat verdachte gelijktijdig een relatie met [persoon 4] had en zij na een gesprek met [persoon 4] inmiddels weet dat dat niet het geval is. Hoewel de rechtbank oog ervoor heeft dat belastende verklaringen onder invloed van jaloezie kunnen worden afgelegd, overtuigt dit in dit geval niet omdat dit niet eerder is verklaard maar ook omdat uit het politieverhoor blijkt dat de directe aanleiding voor [persoon 1] om te zeggen dat ze aangifte wil doen is gelegen in het confronteren door de politie met het hiervoor genoemde gesprek tussen verdachte en zijn moeder op 23 januari 2014. In dat gesprek gaat het echter om de relatie tussen verdachte en [medeverdachte] en niet om de relatie tussen verdachte en [persoon 4] . Tenslotte komt de verklaring van [persoon 1] over alsof die op de verklaring van verdachte is afgestemd. Dit komt bijvoorbeeld tot uitdrukking als [persoon 1] ter terechtzitting wordt geconfronteerd met de verklaring van verdachte die zegt dat hij het door [persoon 1] verdiende geld in 2014 op een spaarrekening voor haar in Hongarije heeft gezet. Als [persoon 1] met deze verklaring wordt geconfronteerd zegt zij namelijk dat dat klopt maar zij kan vervolgens niet, ook niet bij benadering, zeggen om hoeveel geld het dan gaat.

Bij het voorgaande betrekt de rechtbank dat uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het meermalen is voorgekomen dat verdachte getuigen heeft geprobeerd te beïnvloeden. Niet alleen is [medeverdachte] op verzoek van verdachte met [persoon 1] gaan praten om haar aangifte in te trekken, ook blijkt dat [persoon 1] door verdachte in het bezit is gesteld van de Hongaarse vertaling van de verklaring die [persoon 5] bij de rechter-commissaris had afgelegd, welke verklaring door [persoon 1] is voorgelezen aan [persoon 7] voordat zij bij de rechter-commissaris ging verklaren. [persoon 7] heeft daar onder meer verklaard, dat zij van [persoon 1] heeft gehoord dat zij haar eerdere verklaring bij de politie onder invloed van cocaïne heeft afgelegd. Verder acht de rechtbank aannemelijk dat verdachte [medeverdachte] kort voor de terechtzitting heeft gebeld om haar te zeggen dat zij ‘goed moest verklaren zodat hij niet jaren komt vast te zitten’ en daarbij financiële beloften gedaan, zoals [medeverdachte] ter terechtzitting heeft verklaard. Verdachte heeft zich desgevraagd of dit klopt, op zijn zwijgrecht beroepen. Vast is echter komen te staan dat het 06- nummer waarvandaan [medeverdachte] toen is gebeld in gebruik is bij [persoon 1] . Aangezien verdachte en [persoon 1] inmiddels zijn gehuwd en samen naar Nederland zijn gereisd voor de terechtzitting, hecht de rechtbank op dit punt geloof aan de verklaring van [medeverdachte] .

Ten aanzien van [medeverdachte]

De rechtbank gaat uit van de onder ede afgelegde verklaring van [medeverdachte] als getuige ter terechtzitting waarin zij belastend heeft verklaard over verdachte. Deze verklaring sluit, anders dan haar eerdere verklaringen waarin zij ontkende slachtoffer van uitbuiting door verdachte te zijn, aan bij de overige bevindingen in het dossier. Haar verklaring sluit met name aan bij de tapgesprekken waaraan - zoals reeds overwogen - grote waarde voor het bewijs wordt toegekend omdat verdachte, [persoon 1] en hun gesprekspartners zich hierin onbespied waanden.

De rechtbank heeft zich bij dit oordeel rekenschap gegeven van het feit dat [medeverdachte] belang erbij heeft verdachte te belasten en haar eigen rol te marginaliseren omdat zij medeverdachte is alsook omdat zij inmiddels als benadeelde partij een vordering tot vergoeding van immateriële en materiële schade heeft ingediend. Dit leidt echter niet tot het oordeel dat haar verklaring ter terechtzitting niet voor het bewijs gebruikt kan worden. [medeverdachte] heeft immers met haar verklaringen ook zichzelf belast, te weten ten aanzien van haar rol bij het aannemen van geld van [persoon 1] op momenten dat verdachte in Hongarije was en haar rol in de beïnvloeding van [persoon 1] als getuige, haar rol in de uitbuiting van [persoon 5] en ook haar rol in de komst van [persoon 2] naar Nederland om hier in de prostitutie te gaan werken. Ook kan haar vordering, zowel ten aanzien van de materiële schade als de immateriële schade niet als hoog worden aangemerkt, in acht genomen dat [medeverdachte] gedurende vele jaren door verdachte is uitgebuit en nu berooid achter is gebleven.

Voor zover de raadsvrouw heeft betoogd dat aan de belastende verklaring van [medeverdachte] geen geloof kan worden gehecht, omdat die verklaring mede is ingegeven door wraakgevoelens jegens verdachte omdat verdachte gekozen heeft voor [persoon 1] en niet voor haar, wordt dit betoog verworpen. Voor het bestaan van wraakgevoelens bij [medeverdachte] zijn geen objectieve aanknopingspunten. Zelfs al zou van wraakgevoelens sprake zijn, dan maakt dat bovendien, mede in achtgenomen wat hiervoor is overwogen over het aansluiten van haar belastende verklaring bij de overige bewijsmiddelen, niet aannemelijk dat [medeverdachte] in strijd met de waarheid heeft verklaard.

Ten aanzien van [persoon 5]

De rechtbank gebruikt voor het bewijs de aangifte van [persoon 5] van 21 oktober 2014 alsmede de belastende verklaringen die zij ten overstaan van de rechter-commissaris op 20 mei en 23 juni 2014 heeft afgelegd. Anders dan de verklaringen van [persoon 5] in haar intakegesprek bij de politie op 25 februari 2014 en haar antwoorden op de eerste vragen in het verhoor van 20 mei 2014 bij de rechter-commissaris, acht de rechtbank deze latere belastende verklaringen geloofwaardig. Zij stemmen namelijk overeen met de overige bewijsmiddelen in het dossier, waaronder met name de tapgesprekken. Zo blijkt uit de tapgesprekken onder meer dat verdachte tegen [persoon 4] zegt dat [persoon 5] (de rechtbank begrijpt: [persoon 5] ) op 50/50 basis is, zij € 400,- heeft verdiend en hem € 200,- heeft gegeven, dat verdachte [persoon 5] instrueert om haar geld aan ‘de zigeuner’, waarmee [persoon 8] - neef van verdachte - wordt bedoeld, te geven, dat [persoon 5] door verdachte wordt aangespoord harder te werken omdat er ‘geen brood en zout’ is en dat verdachte tegen [medeverdachte] zegt dat zij niet tegen [persoon 5] moet zeggen dat hij in het casino is geweest en dat zij tegen [persoon 5] moet zeggen dat het niet goed loopt omdat ze dan beter haar best doet. Uit de kamerverhuurgegevens blijkt voorts dat [persoon 5] vanaf 16 januari 2014 tot en met 24 februari 2014 een kamer heeft gehuurd bij kamerverhuurder [persoon 11] . Dit stemt overeen met de verklaring van [medeverdachte] ter terechtzitting, dat [persoon 5] twee weken na haar komst naar Nederland aan het werk is gegaan. [medeverdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat [persoon 5] met haar mee is gegaan naar de Wallen en [medeverdachte] tegen de kamerverhuurder heeft gezegd dat zij een vriendin had die wilde werken. Uit de verklaring van [medeverdachte] ter terechtzitting blijkt verder dat [medeverdachte] dagelijks vele malen opbelde om te vragen hoeveel zij had verdiend.

De rechtbank volgt de raadsvrouw van verdachte niet in haar betoog dat de verklaring van [persoon 5] onbetrouwbaar is omdat die is ingegeven doordat zij aanspraak wenst te maken op de B8 regeling. Uit haar verklaring bij de rechter-commissaris leidt de rechtbank af dat [persoon 5] op dat moment bij de [stichting A] verblijft. Hoewel [persoon 5] de formulieren met betrekking tot de B8 regeling dan nog niet heeft ingevuld - dit heeft zij naar eigen zeggen de week of twee weken voorafgaand aan het verhoor op 23 juni 2014 gedaan - mag worden verondersteld dat zij door (haar verblijf bij) [stichting A] in ieder geval globaal op de hoogte is gebracht van de mogelijkheid die die regeling haar biedt. In dat licht bezien had het in de rede gelegen dat [persoon 5] bij de rechter-commissaris direct belastend zou hebben verklaard als het haar daadwerkelijk (mede) te doen was om haar B8 aanspraken. Uit haar verklaring bij de rechter-commissaris leidt de rechtbank veeleer af dat zij angstig is om belastend te verklaren over verdachte. Zij heeft bij de rechter-commissaris namelijk gevraagd of zij niet meer hoeft terug te komen als zij alles verteld en de andere mensen niet meer wil tegen komen. Zij kan dat niet uitleggen, zegt dat ze deze mensen kent en weet waarmee zij zich bezighouden en verklaart dat als zij alles gaat vertellen, ze dan langer blijven vastzitten. Als haar wordt medegedeeld dat zij de waarheid moet vertellen, zegt zij eerder niet de waarheid te hebben verklaard. Op dat moment, na 5 pagina’s verhoor door de rechter-commissaris, begint de rechter-commissaris opnieuw met het verhoor, waarna zij belastend voor verdachte verklaart.

4.3.5.

Pleegperiode

Ten aanzien van [medeverdachte]

Volgens [medeverdachte] zijn verdachte en zij op haar initiatief rond maart 2008 naar Amsterdam gegaan om met haar werkzaamheden in de prostitutie een inkomen voor hen beiden te verdienen. Verdachte heeft ter terechtzitting beaamd dat hij vanaf die maand heeft geleefd van de verdiensten van [medeverdachte] . [medeverdachte] was naar haar eigen zeggen daartoe bereid omdat zij van verdachte hield en hij zei van haar te houden. Het geld dat zij verdiende gaf zij aan verdachte met het doel om in de dagelijkse kosten van levensonderhoud te voorzien en te sparen voor een gezamenlijke toekomst, waaronder een huis in Hongarije. Toen verdachte werd aangehouden op 28 januari 2014 bezat [medeverdachte] niets van het geld dat zij vanaf 2008 met haar prostitutiewerk had verdiend. Door hetgeen aan het licht is gekomen in de onderhavige strafzaak is zij tot de conclusie gekomen dat verdachte haar vanaf het begin van de relatie heeft uitgebuit omdat verdachte het grootste gedeelte van het geld voor zichzelf heeft aangewend. Gelet op de verklaring van [medeverdachte] , bezien in het licht van de inhoud van de afgeluisterde telefoongesprekken en het gegeven dat er geen aanwijzingen zijn dat verdachte ooit wel [medeverdachte] op min of meer aan hem gelijkwaardige manier heeft laten delen in de opbrengst van haar eigen prostitutiewerkzaamheden, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte vanaf 1 maart 2008 [medeverdachte] seksueel heeft uitgebuit. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verdachte vanaf september 2009 meermalen in bijzijn van [medeverdachte] en andere vrouwen/prostituees is aangetroffen op de Wallen, onder meer om, zo heeft [medeverdachte] verklaard, haar in de gaten te houden. Dat verdachte en [medeverdachte] in 2011 gezamenlijk een huis hebben gekocht maakt het voorgaande niet anders, aangezien het aankoopbedrag van HUF 800.000 een fractie is van hetgeen [medeverdachte] vanaf maart 2008 had verdiend. Bovendien is het huis in 2012 door verdachte weer verkocht en heeft verdachte niet aannemelijk gemaakt dat [medeverdachte] de helft van de opbrengst heeft ontvangen.

Ten aanzien van [persoon 1]

Volgens haar eigen verklaring en die van verdachte heeft verdachte [persoon 1] in juni 2011 opgehaald in Den Haag omdat zij daar het slachtoffer was van een pooier, en is [persoon 1] bij verdachte en [medeverdachte] in [plaats] gaan wonen. Blijkens de beschikbare kamerverhuurgegevens is [persoon 1] vanaf 6 augustus 2011 als prostituee gaan werken. Zowel [persoon 1] als [medeverdachte] hebben verklaard dat [persoon 1] vanaf die datum haar verdiensten afstond aan verdachte en, als verdachte er niet was, aan [medeverdachte] , die het geld vervolgens aan verdachte gaf. Naar het oordeel van de rechtbank was er vanaf dat moment sprake van seksuele uitbuiting van [persoon 1] door verdachte. Volgens [persoon 1] hebben verdachte en zij sinds begin 2012 een liefdesrelatie. In het licht van de inhoud van de afgeluisterde telefoongesprekken waaruit blijkt dat verdachte doet alsof hij van [persoon 1] houdt zodat zij bereid is geld voor hem te verdienen, is het niet geloofwaardig dat verdachte en [persoon 1] van haar verdiensten leefden als echtgenoten. Dat verdachte op 7 september 2015 met [persoon 1] is gehuwd, maakt dit niet anders, aangezien dit huwelijk heeft plaats gevonden nadat verdachte was aangehouden en hij bijna een jaar in voorlopige hechtenis had doorgebracht. Het huwelijk kan door verdachte gesloten zijn om de kans op een veroordeling te minimaliseren. Dat verdachte daar niet voor terugdeinst moge blijken uit een afgeluisterd telefoongesprek waarin hij tegen [persoon 4] over [medeverdachte] zegt dat hij op de rechtbank zou zeggen dat hij verliefd op haar was en dat zij niets kan bewijzen.

De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte [persoon 1] heeft uitgebuit in de periode van juni 2011 tot aan de aanhouding van verdachte op 28 januari 2014.

Ten aanzien van [persoon 4]

is in 2010 vanuit Hongarije naar Amsterdam gekomen om in de prostitutie te werken. Uit de beschikbare onderzoeksgegevens komt naar voren dat zij toen (een deel van) haar verdiensten afstond aan [persoon 9] , die [persoon 9] wordt genoemd. Weliswaar wordt [persoon 4] in 2010 aangetroffen in bijzijn van verdachte, echter, vanwege het ontbreken van voldoende aanwijzingen niet gezegd kan worden, dat verdachte vanaf die datum als medepleger van uitbuiting van [persoon 4] kan worden aangemerkt.

Uit de verklaring van [persoon 4] blijkt dat zij vanaf september 2013 tot 13 november 2013 en de maand januari 2014 in Amsterdam werkzaam is geweest als prostituee en zij bij verdachte en [persoon 1] woonde. Uit de inhoud van een telefoongesprek tussen verdachte en [persoon 1] begrijpt de rechtbank dat [persoon 4] in 2013 op dezelfde voorwaarden werkzaam is geweest als in de maand januari 2014, te weten dat zij de helft van haar verdiensten aan verdachte moest afstaan. De rechtbank is van oordeel dat verdachte haar in de periode van september 2013 tot 28 januari 2014 seksueel heeft uitgebuit.

Ten aanzien van [persoon 2]

Uit de verklaringen die [persoon 2] heeft afgelegd bij de politie en de rechter-commissaris kan worden afgeleid dat [persoon 2] zowel in 2012 als in 2013 als prostituee in Amsterdam heeft gewerkt. Nu evenwel noch op grond van haar verklaringen, noch anderszins voldoende kan worden vastgesteld hoe en met wie zij in 2012 naar Amsterdam in gekomen en onder welke omstandigheden zij heeft gewerkt, gaat de rechtbank uit van de periode in 2013 waarover [medeverdachte] mede heeft verklaard en waarvan kamerverhuurgegevens beschikbaar zijn, te weten van 29 april 2013 tot en met 1 mei 2013.

4.3.6.

Oogmerk van uitbuiting als bedoeld in artikel 273f, eerste lid, onder 1, Sr

De rechtbank is van oordeel dat het oogmerk van uitbuiting ten aanzien van [medeverdachte] , [persoon 1] , [persoon 4] , [persoon 5] en [persoon 2] kan worden bewezen. Van een uitbuitingssituatie is blijkens de wetsgeschiedenis sprake als een prostituee verkeert in een situatie die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee verkeert. Zoals hierboven is overwogen heeft verdachte misbruik gemaakt van de (emotionele) afhankelijkheid van [medeverdachte] , [persoon 1] en [persoon 4] teneinde deze vrouwen te bewegen zich te prostitueren en een groot deel hun verdiensten aan verdachte af te staan. Ook in het geval van [persoon 5] en [persoon 2] heeft verdachte misbruik gemaakt van de kwetsbare positie van deze vrouwen die voortkomt uit (onder meer) de omstandigheden dat zij in Hongarije weinig inkomsten hebben en in Nederland niemand hebben om op terug te vallen. Bovendien kan ook van de afspraak om de helft van de verdiensten af te staan zonder dat daar enige prestatie van verdachte tegenover staat, niet gezegd worden dat er sprake is van omstandigheden vergelijkbaar met de situatie waarin een mondig prostituee verkeert.

4.3.7.

Medeplegen

Bij de beoordeling van de vraag of verdachte zich tezamen en in vereniging met een ander, in dit geval [medeverdachte] , schuldig heeft gemaakt aan, kort gezegd, mensenhandel stelt de rechtbank het volgende voorop.

Voor medeplegen is noodzakelijk dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met (een) ander(en) gericht op het voltooien (gezamenlijk uitvoeren) van het delict. De vraag wanneer de samenwerking in de praktijk zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval.

De rechtbank verwijst in dit verband naar de arresten van de Hoge Raad van 2 december 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3474) en 24 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:718) waarin de Hoge Raad onder meer heeft overwogen dat de kwalificatie medeplegen slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Dit geldt volgens de Hoge Raad in vergelijkbare zin indien het medeplegen - bij voorbeeld in de vorm van 'in vereniging' - een bestanddeel vormt van de delictsomschrijving. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Indien de verdachte hoofdzakelijk gedragingen na de uitvoering van het strafbare feit heeft verricht, is in uitzonderlijke gevallen medeplegen denkbaar. Maar een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal dan wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding, terwijl in de bewijsvoering in zulke uitzonderlijke gevallen ook bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen. Tegen de achtergrond van deze jurisprudentie van de Hoge Raad oordeelt de rechtbank ten aanzien van de betrokkenheid van [medeverdachte] als volgt.

Ten aanzien van [persoon 1]

Op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting kan worden vastgesteld dat [persoon 1] het door haar in de prostitutie verdiende geld aan [medeverdachte] gaf als [verdachte] in Hongarije was waarna [medeverdachte] dit geld aan [verdachte] gaf. Verder kan worden vastgesteld dat [persoon 1] , nadat zij door [verdachte] vanuit Den Haag was meegenomen naar [plaats] , bij [verdachte] en [medeverdachte] in huis is gaan wonen. Ook kan uit het getapte telefoongesprek (316) van 23 januari 2014 tussen [medeverdachte] en verdachte worden afgeleid dat [medeverdachte] zich bewust moet zijn geweest van het feit dat [persoon 1] door verdachte werd uitgebuit nu in dat telefoongesprek wordt gesproken over de vrees dat [persoon 1] aangifte gaat doen tegen [verdachte] .

Deze feiten en omstandigheden zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te concluderen dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte] en verdachte. Ten aanzien van het huisvesten van [persoon 1] in [plaats] geldt dat de rechtbank geen aanwijzingen heeft dat [medeverdachte] , die zelf werd uitgebuit door verdachte, enige zeggenschap had over het al dan niet laten wonen van [persoon 1] bij haar en [verdachte] . Ten aanzien van het aannemen van geld van [persoon 1] op momenten dat [verdachte] in Hongarije verbleef geldt dat [medeverdachte] dit geld vervolgens weer afgaf aan [verdachte] . Hiermee heeft zij [verdachte] weliswaar geholpen, maar haar rol bleef beperkt tot zogenoemd ‘doorgeefluik’. Van inwisselbaarheid van de rollen is geen sprake. Haar bijdrage aan het strafbare feit is dan ook van onvoldoende gewicht om te kunnen concluderen dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte] en [verdachte] gericht op de uitbuiting van [persoon 1] . Bij dit oordeel wordt betrokken dat [medeverdachte] in de periode dat [persoon 1] is uitgebuit, zelf niet minder is gaan werken. Eind 2013 is [medeverdachte] zelfs meer gaan werken dan voorheen. De omstandigheid dat [medeverdachte] heeft moeten beseffen dat [persoon 1] door verdachte werd uitgebuit, maakt niet dat zij als medepleger kan worden beschouwd. Haar fysieke bijdrage aan de uitbuiting is daarmee namelijk niet groter geworden, terwijl er evenmin aanwijzingen zijn dat haar intellectuele bijdrage groter moet zijn geweest. [medeverdachte] zat namelijk zelf in een uitbuitingssituatie en deed wat verdachte van haar verlangde. Haar hulp aan verdachte kan mogelijk gekwalificeerd worden als medeplichtigheid aan mensenhandel, maar nu medeplichtigheid niet ten laste is gelegd behoeft dit geen bespreking.

Verdachte zal daarom worden vrijgesproken voor zover hem wordt verweten dat hij het feit tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepleegd.

Ten aanzien van [persoon 2]

Op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting kan worden vastgesteld dat [medeverdachte] het ticket, waarmee [persoon 2] naar Nederland is gereisd om hier in de prostitutie te gaan werken, heeft betaald met het geld dat verdachte daartoe aan haar heeft overgemaakt. [medeverdachte] is met [persoon 2] naar Nederland gereisd, nadat verdachte daarover met [persoon 2] en [medeverdachte] had gesproken. Voor het overige is onvoldoende bewijs voorhanden dat [medeverdachte] medepleger is van de mensenhandel ten aanzien van [persoon 2] . Verdachte heeft zich dan ook tezamen en in vereniging met [medeverdachte] schuldig gemaakt aan de zogenoemde internationale mensenhandel, neergelegd in artikel 273f, eerste lid en onder sub 3 Sr.

Ten aanzien van [persoon 5]

Op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vast dat [persoon 5] met verdachte de afspraak had gemaakt dat zij naar Nederland zou komen om in de prostitutie te werken en dat [persoon 5] de helft van haar verdiensten aan hem zou afstaan. Verdachte heeft voorafgaand aan de komst van [persoon 5] naar Nederland geregeld dat [persoon 5] kon gaan wonen bij [persoon 7] en [persoon 10] op de [adres 2] in [plaats] , waar [medeverdachte] ook verbleef. [medeverdachte] heeft op verzoek van [verdachte] dit adres telefonisch doorgegeven aan de chauffeur, die [persoon 5] vervoerde vanuit Hongarije naar [plaats] . Op verzoek van verdachte heeft [medeverdachte] de busreis van [persoon 5] bij aankomst in [plaats] betaald aan deze chauffeur. Daarnaast heeft [medeverdachte] geholpen met het zoeken naar en het regelen van een werkkamer op de Amsterdamse Wallen. [persoon 5] heeft de helft van haar verdiensten aan verdachte afgestaan. [medeverdachte] heeft [persoon 5] gecontroleerd. Zij belde dagelijks vele malen, zeker om het half uur, met [persoon 5] en vroeg haar dan hoeveel zij had verdiend. Ook heeft [medeverdachte] tegen [persoon 5] gezegd dat zij meer geld moest verdienen. Uit een getapt telefoongesprek van 28 januari 2014 tussen [medeverdachte] en verdachte blijkt dat verdachte tegen [medeverdachte] zegt dat [medeverdachte] tegen [persoon 5] niet over het casino moet praten en dat [medeverdachte] tegen [persoon 5] moet zeggen dat het niet goed loopt zodat [persoon 5] haar best doet. [medeverdachte] heeft ter terechtzitting als getuige verklaard dat zij [persoon 5] heeft gevraagd of het geld voor de kamer al heeft omdat de straat slecht was.

Deze feiten en omstandigheden leiden tot het oordeel dat verdachte en [medeverdachte] ieder een eigen, elkaar over en weer aanvullende rol hadden bij het tot stand brengen en houden van de uitbuitingssituatie van [persoon 5] . De rechtbank acht dan ook bewezen dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] . Als gevolg hiervan kunnen de door [medeverdachte] verrichte handelingen aan verdachte worden toegerekend en omgekeerd.

4.3.8.

Vrijspraak (internationale) mensenhandel ten aanzien van [persoon 3]

De rechtbank is - anders dan de officier van justitie en met de raadsvrouw - van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan internationale mensenhandel ten aanzien van [persoon 3] . Zij oordeelt als volgt.

Uit de beschikbare kamerverhuurgegevens blijkt dat [persoon 3] zowel in 2012 als in 2013 in Amsterdam werkzaam is geweest als prostituee. Blijkens haar eigen verklaring afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris op 26 mei 2014 is zij in 2012 op eigen gelegenheid met de bus naar [plaats] gereisd. Daar aangekomen heeft zij verdachte en [medeverdachte] om onderdak gevraagd. In april 2013 is zij ook met de bus, samen met [persoon 2] , naar Nederland gereisd. Vooraf had zij van verdachte en/of [medeverdachte] gehoord dat zij in hun woning zou kunnen verblijven. [medeverdachte] heeft ter terechtzitting stellig verklaard dat zij in 2013 met [persoon 3] en [persoon 2] in de bus naar Nederland is gereisd. Zij heeft daaraan toegevoegd dat [persoon 3] zich op eigen initiatief en eigen kosten bij [persoon 2] had aangesloten.

Nu, anders dan in het geval van [persoon 2] , niet is gebleken dat verdachte (of [medeverdachte] ) de busreis voor [persoon 3] heeft geregeld en/of betaald, spreekt de rechtbank verdachte vrij van het aanwerven en naar Nederland vervoeren van [persoon 3] met het oogmerk haar in Nederland ertoe te brengen zich als prostituee beschikbaar te stellen. Voor het verwijt dat verdachte [persoon 3] in de prostitutie heeft uitgebuit is evenmin voldoende bewijs. [persoon 3] heeft zelf ontkend door verdachte gedwongen te zijn en/of verdachte (een deel van) haar verdiensten te hebben gegeven. De verklaring van [persoon 1] van 4 februari 2014 dat [persoon 3] twee jaar daarvoor naar Nederland kwam om op “fifty-fifty basis” voor verdachte te werken is onvoldoende om buiten redelijke twijfel te achten dat [persoon 3] door verdachte is uitgebuit.

Verdachte wordt vrijgesproken voor zover de beschuldiging [persoon 3] betreft.

4.3.9.

Gewoontewitwassen

De rechtbank stelt vast dat verdachte een groot deel van de verdiensten uit de gedwongen prostitutiewerkzaamheden van [medeverdachte] , [persoon 1] , [persoon 4] en [persoon 5] heeft ontvangen en dat hij dat geld heeft omgezet en gebruikt.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte geen eigen inkomsten had. Hij leefde van de inkomsten uit de prostitutiewerkzaamheden van genoemde vrouwen. Van deze inkomsten werden onder meer de huur en de reizen van en naar Hongarije betaald en werden levensmiddelen gekocht om in het dagelijks onderhoud te voorzien. Verder heeft verdachte van deze inkomsten in 2011 een huis en in 2013 een stukje grond in Hongarije gekocht. Ook heeft verdachte hiervan twee personenauto’s (een zwarte en een blauwe Volkswagen Passat) gekocht. Met deze uitgaven heeft de verdachte geldbedragen die uit misdrijf afkomstig zijn het legale betalingscircuit ingebracht en daarmee veilig gesteld. Door het geld aldus om te zetten en te gebruiken heeft verdachte de criminele herkomst ervan verhuld en zich schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen. Nu ten aanzien van [persoon 2] niet kan worden bewezen dat zij geld heeft afgestaan aan verdachte, acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte de verdiensten van haar heeft witgewassen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

in de periode van 1 maart 2008 tot en met 28 januari 2014 te Amsterdam en/of te Den Haag en/of in Hongarije, (ten aanzien van [persoon 2] en [persoon 5] ) tezamen en in vereniging met een ander en (ten aanzien van [medeverdachte] , [persoon 1] en [persoon 4] ) alleen

anderen te weten [medeverdachte] en [persoon 1] en [persoon 2] en [persoon 4] en [persoon 5]

door dwang en (ten aanzien van [persoon 1] ) geweld en misleiding en misbruik van uit

feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een

kwetsbare positie

heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen, met het

oogmerk van uitbuiting van die [medeverdachte] en/of die [persoon 1] en/of die [persoon 2] en/of die [persoon 4] en/of die [persoon 5]

en/of

voornoemde [medeverdachte] en/of die [persoon 1] en/of die [persoon 4] en/of die [persoon 5] heeft aangeworven en/of medegenomen met het oogmerk die [medeverdachte] en/of die [persoon 1] en/of die [persoon 4] en/of die [persoon 5] in Nederland, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling

en

die [medeverdachte] en die [persoon 1] en [persoon 2] en die [persoon 4] en die [persoon 5] met één of meer van voornoemde middelen heeft gedwongen en bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, te weten: prostitutiewerkzaamheden

en

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [medeverdachte] en die [persoon 1] en die [persoon 4] en die [persoon 5]

en

die [medeverdachte] en die [persoon 1] en die [persoon 4] en die [persoon 5] met één of meer van de voornoemde middelen en omstandigheden heeft gedwongen en bewogen hem, verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [medeverdachte] en die [persoon 1] en die [persoon 2] en die [persoon 4] en die [persoon 5] met een derde

immers, heeft/is hij, verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met zijn mededader

ten aanzien van die [medeverdachte] terwijl hij wist dat die [medeverdachte] gevoelens voor hem, verdachte, had

  • -

    met die [medeverdachte] naar Nederland gereisd, om die [medeverdachte] in Nederland in de prostitutie te laten werken en

  • -

    in Nederland meermalen woonruimte voor die [medeverdachte] geregeld en die [medeverdachte] gehuisvest in [plaats] en

  • -

    een groot deel van de verdiensten uit de verrichte prostitutiewerkzaamheden van die [medeverdachte] door die [medeverdachte] laten afstaan en aan hem, verdachte, laten overmaken en/of bij hem, verdachte, in bewaring laten geven en

  • -

    die [medeverdachte] heeft laten geloven dat hij alleen met haar een liefdesrelatie had en met haar een toekomst op wilde bouwen en

  • -

    die [medeverdachte] verantwoording aan hem, verdachte, af laten leggen over haar werkzaamheden en verdiensten door die [medeverdachte] aan te sporen hem, verdachte, te bellen als zij een klant had en door te geven hoeveel geld zij had verdiend en

  • -

    die [medeverdachte] aangespoord beter haar best te doen en harder te werken en meer geld te verdienen in de prostitutie

en

ten aanzien van die [persoon 1] terwijl hij wist dat die [persoon 1] voor een gewelddadige pooier had gewerkt en die [persoon 1] gevoelens voor hem, verdachte, had en die [persoon 1] in Nederland niemand had om op terug te vallen en bij niemand terecht kon en die [persoon 1] geen of nauwelijks Nederlands en Engels en Duits sprak

  • -

    die [persoon 1] meegenomen en vervoerd van Den Haag naar [plaats] en die [persoon 1] gehuisvest in [plaats] en

  • -

    die [persoon 1] laten geloven dat hij, verdachte, een exclusieve liefdesrelatie met haar had en dat hij zijn vorige relatie had verbroken en

  • -

    die [persoon 1] voorgehouden dat zij de verdiensten van die [persoon 1] spaarden voor een gezamenlijke toekomst en het bouwen van een huis en dat hij, verdachte, met die [persoon 1] kinderen wilde en

  • -

    een groot deel van de verdiensten uit de verrichte prostitutiewerkzaamheden van die [persoon 1] door die [persoon 1] heeft laten afstaan en/of bij hem, verdachte, in bewaring laten geven en/of

  • -

    de verdiensten van die [persoon 1] door die [persoon 1] aan hem, verdachte, heeft laten overmaken en

  • -

    die [persoon 1] tijdens haar werkzaamheden gecontroleerd en verantwoording aan hem, verdachte, af laten leggen over haar werkzaamheden en verdiensten door die [persoon 1] aan te sporen hem, verdachte, te bellen en/of te sms-en als zij een klant had en door te geven hoeveel geld zij had verdiend en

  • -

    met die [persoon 1] van Nederland naar Hongarije en van Hongarije naar Nederland gereisd en

  • -

    die [persoon 1] meermalen (zwaar) mishandeld, onder meer door haar te schoppen en te stompen en tegen de grond te smijten waardoor die [persoon 1] onder meer een gebroken oogkas en gebroken neus heeft opgelopen en

  • -

    die [persoon 1] aangespoord beter haar best te doen en harder te werken en meer geld te verdienen in de prostitutie

en

ten aanzien van die [persoon 2] terwijl hij wist dat die [persoon 2] in Hongarije geen of weinig inkomsten had en onvoldoende geld had om haar kinderen te onderhouden en in Nederland niemand kende en in Nederland niemand had om op terug te vallen

  • -

    die [persoon 2] vanuit Hongarije naar Nederland meegenomen of naar Nederland laten komen en geholpen bij de komst van die [persoon 2] naar Nederland onder meer door het overmaken van geld voor een busticket, opdat die [persoon 2] in Amsterdam in de prostitutie zou kunnen gaan werken en

  • -

    woonruimte voor die [persoon 2] in Nederland geregeld en die [persoon 2] gehuisvest

en

ten aanzien van die [persoon 4] terwijl hij wist dat die [persoon 4] gevoelens voor hem, verdachte, had en die [persoon 4] in onvoldoende mate andere talen dan het Hongaars machtig was en in Nederland niemand kende en niemand had om op terug te vallen

  • -

    die [persoon 4] in [plaats] gehuisvest en

  • -

    die [persoon 4] het gevoel gegeven dat zij een liefdesrelatie had met hem, verdachte, en

  • -

    een groot deel van de verdiensten van die [persoon 4] door die [persoon 4] laten afstaan aan hem, verdachte, en/of bij hem, verdachte, in bewaring laten geven en

  • -

    die [persoon 4] tijdens haar werkzaamheden gecontroleerd en verantwoording aan hem, verdachte, af laten leggen over haar werkzaamheden en verdiensten, door die [persoon 4] te bellen en aan te sporen hem, verdachte, te bellen als zij een klant had en door te geven hoeveel geld zij had verdiend en

  • -

    die [persoon 4] heeft aangespoord beter haar best te doen en harder te werken en meer geld te verdienen in de prostitutie

en

ten aanzien van die [persoon 5] terwijl hij wist dat die [persoon 5] in Hongarije onvoldoende inkomsten had en in Nederland niemand kende en in Nederland niemand had om op terug te vallen

  • -

    met die [persoon 5] de afspraak gemaakt dat zij naar Nederland zou komen om in de prostitutie te gaan werken en dat die [persoon 5] de helft van haar verdiensten aan hem, verdachte, zou afstaan en

  • -

    die [persoon 5] geholpen met de reis van Hongarije naar Nederland en die [persoon 5] vervolgens gehuisvest in Nederland en

  • -

    die [persoon 5] tijdens haar werkzaamheden gecontroleerd en verantwoording aan hem, verdachte, af laten leggen over haar werkzaamheden en verdiensten, door die [persoon 5] te bellen en aan te sporen hem, verdachte en zijn mededader, te bellen als zij een klant had en door te laten geven hoeveel geld zij had verdiend en

  • -

    die [persoon 5] gezegd dat zij meer geld moet verdienen om hem, verdachte, in zijn levensonderhoud te voorzien;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

in de periode van 1 maart 2008 tot en met 28 januari 2014 te Amsterdam en/of in Hongarije, (ten aanzien van [persoon 1] ) tezamen en in vereniging met een ander, (ten aanzien van [medeverdachte] , [persoon 4] en [persoon 5] ) alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, (ten aanzien van [persoon 1] ) tezamen en in vereniging met een ander, (ten aanzien van [medeverdachte] , [persoon 4] en [persoon 5] ) alleen, (contante) geldbedragen

te weten:

- een groot deel van de verdiensten uit de door [medeverdachte] en [persoon 1] en [persoon 4] en [persoon 5] verrichte prostitutiewerkzaamheden omgezet

en van voorwerpen te weten:

- personenauto’s, te weten een blauwe Volkswagen Passat, met Hongaars kenteken [kenteken 1] en een zwarte Volkswagen Passat, met Hongaars kenteken [kenteken 2]

gebruik gemaakt, terwijl hij (en zijn mededader) wist(en) dat die geldbedragen en voorwerpen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit misdrijven;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregel

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor door haar onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 jaren, met aftrek van voorarrest.

8.2.

Het strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft, voor het geval de rechtbank tot bewezenverklaring van (een deel van) de feiten zou komen aangevoerd dat het strafmaximum voor mensenhandel in 2013 is verhoogd van 8 naar 12 jaren en dat daarom voor wat betreft de ten laste gelegde feiten in de periode voor deze wijziging, rekening dient te worden gehouden met het oude strafmaximum. Daarnaast dient in ogenschouw te worden genomen dat geen sprake was van excessief geweld, bedreigingen, dubbele diensten, slechte werkomstandigheden, erbarmelijke woonomstandigheden en met de omstandigheid dat alle vrouwen vrij waren om af te reizen naar familie in Hongarije als zij dit wilden. Bovendien is verdachte niet eerder met justitie in aanraking geweest. Tot slot heeft verdachte zijn leven een andere wending gegeven. Hij is getrouwd met [persoon 1] en zij hebben zich helemaal onttrokken aan de prostitutiewereld. De raadsvrouw verzoekt, mocht de rechtbank tot een veroordeling komen, een straf op te leggen gelijk aan het voorarrest met eventueel een forse voorwaardelijke straf.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de uitbuiting van meerdere vrouwen gedurende een periode variërend van meerdere jaren tot enkele dagen. Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen.

Vooropgesteld wordt dat mensenhandel en het voordeeltrekken uit uitbuiting ernstige strafbare feiten zijn, waarmee inbreuk op de lichamelijke en geestelijke integriteit van een ander wordt gemaakt en de persoonlijke vrijheid van die ander ernstig wordt geschaad.

Verdachte heeft de respectievelijke vrouwen gedurende zes jaar (in het geval van [medeverdachte] ), bijna drie jaar (in het geval van [persoon 1] ), en voorts enkele maanden tot dagen (in de gevallen van [persoon 4] , [persoon 5] en [persoon 2] ) uitgebuit en is daarbij geraffineerd, maar ook gewelddadig te werk gegaan. Kern van het handelen was de misleiding van deze vrouwen, het misbruik van het emotionele overwicht dat verdachte had op die vrouwen en het misbruik van de kwetsbare positie waarin zij zich bevonden en het gebruik van geweld. Verdachte lijkt deze vrouwen slechts als nuttig voorwerp of als handelsartikel te hebben beschouwd. Verdachte heeft daarbij op schaamteloze wijze [medeverdachte] , [persoon 1] en [persoon 4] in de waan gelaten dat zij met hem een toekomst aan het opbouwen waren danwel konden opbouwen. Niet alleen deed verdachte het zowel tegenover [medeverdachte] als [persoon 1] voorkomen dat zij werkten voor een gezamenlijke (financiële) toekomst met hem in Hongarije, ook is slechts een fractie van dat geld dat [medeverdachte] met haar prostitutiewerkzaamheden verdiende ten goede gekomen aan haar dochter die in Hongarije een ingrijpende medische behandeling moest ondergaan. Ontluisterend is de bedrevenheid waarmee verdachte, blijkens de telefoongesprekken met die vrouwen, er in geslaagd is om hen een toekomst voor te spiegelen die op geen enkele wijze overeen kwam met zijn motieven, namelijk zijn eigen verrijking en die van de mensen waarom hij kennelijk wel gaf. Verdachte slaagde er in [medeverdachte] en [persoon 1] te laten betalen voor een door hem begeerde auto, die verdachte op naam van zijn moeder zette. Daarnaast is een groot deel van hun inkomsten besteed aan de kosten van levensonderhoud van verdachtes ex-partner en zijn kinderen.

Verdachte heeft bovendien meermalen fysiek geweld jegens [persoon 1] gebruikt op momenten dat verdachte het risico liep dat [persoon 1] minder voor hem zou gaan verdienen.

Ook [persoon 4] werd door middel van de seksuele relatie die verdachte met haar onderhield en zijn openhartigheid dat hij met [persoon 1] en [medeverdachte] het bed deelde vanwege het geld dat zij voor hem verdienden, in de waan gelaten dat zij nog wel een kans maakte op een gezamenlijke toekomst met verdachte.

Verdachte misbruikte de emotionele afhankelijkheid en de angst van de vrouwen om de liefde van verdachte te verliezen ook om hen te motiveren harder te werken en meer geld voor hem te verdienen. Uit de kamerverhuuroverzichten blijkt bijvoorbeeld dat eind 2013 [medeverdachte] over ging tot het verrichten van dubbele diensten, kennelijk om zich van verdachtes aandacht te verzekeren. Ook zijn er meerdere tapgesprekken tussen verdachte en deze vrouwen waaruit blijkt dat hij de verdiensten van de vrouwen met elkaar vergelijkt en hen aanspoort meer te verdienen. Verdachte heeft zijn slachtoffers zover gekregen dat zij een groot deel van hun verdiensten aan hem hebben afgestaan. Deze verdiensten moeten – zelfs bij een voorzichtige begroting – meerdere honderdduizenden euro’s hebben bedragen.

Ook nadat verdachte gedetineerd is geraakt en zelfs tot nog kort voor de inhoudelijke behandeling van deze stafzaak is verdachte doorgegaan met het controleren en beïnvloeden van zijn slachtoffers. Aangenomen moet worden dat de aantoonbare beïnvloeding van [persoon 1] via [medeverdachte] en later door hemzelf niet op zichzelf stond. Ook andere getuigen en/of slachtoffers hebben verklaringen in verdachtes voordeel afgelegd die in strijd moeten worden geachte met de waarheid. Zelfs daags voor de zitting heeft verdachte getracht [medeverdachte] als getuige te beïnvloeden, hetgeen de volstrekt egocentrische houding van verdachte tekent. Ook de omstandigheid dat hij enkele weken voor de zitting met één van de slachtoffers - en ter zitting te horen getuige [persoon 1] - is gehuwd wenst de rechtbank in dit verband niet onvermeld te laten.

Ook van [persoon 5] en [persoon 2] heeft verdachte misbruik gemaakt, door minstens de helft van hun verdiensten op te eisen zonder daar een reële prestatie tegenover te stellen.

Verdachte heeft zich tijdens het onderzoek en ter zitting niet of nauwelijks uitgelaten over zijn handelingen, terwijl wat hij heeft verklaard in schril contrast staat tot zijn wijze van opereren en zijn daadwerkelijke motieven zoals die zijn gebleken uit de hiervoor al aangehaalde selectie uit een grote hoeveelheid vergelijkbare tapgesprekken. Voor zover verdachte ter terechtzitting spijt heeft betuigd, is dit dan ook niet geloofwaardig overgekomen.

Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het witwassen van geldbedragen. Door zijn handelen heeft de verdachte opbrengsten uit misdrijf aan het zicht van justitie onttrokken en daaraan een schijnbaar legale herkomst verschaft. De rechtbank rekent de verdachte aan dat hij daardoor de integriteit van het economische verkeer heeft geschaad.

Naar het oordeel van de rechtbank kan gelet op het voorgaande uit een oogpunt van vergelding, speciale en algemene preventie bij de bepaling van de omvang van de aan verdachte op leggen straf alleen worden volstaan met een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van langere duur. De rechtbank zal, nu zij tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie, wel in voor verdachte gunstige zin afwijken van de door haar gevorderde vrijheidsstraf. De rechtbank ziet in de verklaring van verdachte dat hij zijn leven een andere wending heeft gegeven geen aanleiding daarbij te bepalen dat een deel van die straf voorwaardelijk is, nu de rechtbank aan die verklaring in het licht van hetgeen overigens is gebleken weinig waarde toekent.

Verbeurdverklaring

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  • -

    1 STK Personenauto [kenteken 2] , Volkswagen Passat 2007 Kl:blauw (nr. 4693887)

  • -

    3 STK Kentekenbewijs (nr. 4693845)

  • -

    Geld Euro, 7.287,90 (nr. 4693973)

  • -

    Geld buitenlands, 30.500 HUT en 150 csd incourant (nr. 4693978)

  • -

    Geld buitenlands, 2x20 gbp (nr. 4693975)

die aan verdachte toebehoren, worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien die voorwerpen met het plegen van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde zijn verkregen en/of het bewezenverklaarde daarmee zijn begaan.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [medeverdachte] vordert € 9.221,00 aan materiële schadevergoeding en

€ 12.500,00 aan immateriële schadevergoeding.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoeding aangevoerd dat de beoordeling daarvan niet eenvoudig van aard is. Er is geld overgemaakt aan verdachte, aan zijn ex-vrouw. Niet duidelijk is waar het geld terecht is gekomen. Verdachte heeft bovendien samen met de benadeelde partij van dit geld geleefd.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De rechtbank acht de vordering, met de overgelegde overschrijvingsbewijzen en bezien tegen de achtergrond van de bewijsmiddelen, voldoende onderbouwd. Verdachte heeft daarnaast niet aangetoond dat (een gedeelte van) het bedrag dat de benadeelde partij aan verdachte heeft overgemaakt aan haar is teruggegeven. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat hetgeen de benadeelde partij heeft gevorderd slechts een klein deel is van de materiële schade die zij door toedoen van verdachte heeft geleden. Gelet op het voorgaande zal aan materiële schadevergoeding het volledig gevorderde bedrag van in totaal

€ 9.221,00 worden toegewezen.

Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op immateriële schadevergoeding aangezien ten gevolge van het strafbare feit een ernstige inbreuk is gepleegd op haar lichamelijke integriteit. Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat niet noodzakelijk is dat de benadeelde partij deze schade nog nader onderbouwt met een verklaring van een psycholoog. Uit de verklaring van de benadeelde partij ter zitting is voldoende duidelijk naar voren gekomen wat de jarenlange uitbuiting voor gevolgen voor haar heeft gehad. Zij heeft jarenlang gewerkt en heeft helemaal niets van het verdiende geld terug gezien, zij heeft niet eens een dak boven haar hoofd.

Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, begroot de rechtbank de immateriële schade op € 12.500,00.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [medeverdachte] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 47, 57, 273f en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

mensenhandel, meermalen gepleegd

en

mensenhandel in vereniging, meermalen gepleegd

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

medeplegen van gewoontewitwassen

en

gewoontewitwassen

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart verbeurd:

  • -

    1 STK Personenauto [kenteken 2] , Volkswagen Passat 2007 Kl:blauw (nr. 4693887)

  • -

    3 STK Kentekenbewijs (nr. 4693845)

  • -

    Geld Euro, 7.287,90 (nr. 4693973)

  • -

    Geld buitenlands, 30.500 HUT en 150 csd incourant (nr. 4693978)

  • -

    Geld buitenlands, 2x20 gbp (nr. 4693975)

Gelast de teruggave aan verdachte van:

  • -

    1 STK Spaarbankboek, map met bankbescheiden (nr. 4694407)

  • -

    1 STK Map met autopapieren (nr. 4694411)

Wijst de vordering van [medeverdachte] toe tot € 21.721,00 (éénentwintig duizend zevenhonderdéénentwintig euro), bestaande uit € 9.221,00 aan materiële schade en € 12.500,00 aan immateriële schade.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [medeverdachte] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [medeverdachte] aan de Staat € 21.721,00 (éénentwintig duizend zevenhonderdéénentwintig euro) te betalen, bestaande uit € 9.221,00 aan materiële schade en € 12.500,00 aan immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 144 (honderdvierenveertig) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. B.E. Mildner, voorzitter,

mrs. C. Klomp en A.R.P.J. Davids, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A. Beerts, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 oktober 2015.