Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:7499

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-10-2015
Datum publicatie
02-11-2015
Zaaknummer
13/730014-14 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld voor internationale mensenhandel ten aanzien van twee vrouwen en mensenhandel in vereniging van één van die twee vrouwen tot een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, te weten 41 dagen. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank na uitvoerige afweging van oordeel dat het non-punishmentbeginsel niet dient te worden toegepast. Zij overweegt hiertoe als volgt. Verdachte heeft ten koste van anderen zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig strafbaar feit met het doel haar eigen positie veilig te stellen. De rechtbank rekent verdachte in de kern aan dat zij, in haar wens met de medeverdachte een toekomst op te bouwen waar zij in feite alles – als haar medeverdachte zou hebben gevraagd een levensdelict te begaan had zij dit gedaan - voor over had, andere keuzes had moeten en kunnen maken. Bij dit oordeel, afgezet tegen de ernst van de bewezenverklaarde feiten, past niet dat geen enkele straf of maatregel wordt opgelegd, maar past in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/730014-14 (Promis)

Datum uitspraak: 14 oktober 2015

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Hongarije) op [geboortedatum] 1978,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,’

met adres [adres, te plaats] (Hongarije).

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 24, 28, 29 en 30 september 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.F. de Boer en van wat verdachte en haar raadsman mr. A. Kupelian naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt, kort gezegd, verweten dat zij zich in de periode van 1 mei 2011 tot en met 28 januari 2014 tezamen met anderen heeft schuldig gemaakt aan mensenhandel jegens [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 4] en [persoon 5] . Daarnaast wordt verdachte verweten dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen.

De volledige tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie concludeert op grond van de door haar in haar op schrift gestelde requisitoir genoemde bewijsmiddelen dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aan de hand van haar pleitnota aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.Inleiding

Het strafrechtelijk onderzoek [onderzoek A] start nadat de Hongaarse, voormalig prostituee, [persoon 2] op 14 juni 2013 tijdens een intakegesprek aan de politie vertelt dat zij in 2012 en 2013 in de prostitutie heeft gewerkt, waarbij zij de helft van haar verdiensten heeft afgestaan aan medeverdachte [medeverdachte] . In de woning waar zij verbleef, woonden ook verdachte, [persoon 1] en [persoon 3] . Volgens [persoon 2] werkten deze vrouwen ook in de prostitutie en gaven zij al hun verdiensten aan medeverdachte [medeverdachte] . De politie brengt deze informatie in verband met een eerdere politiemutatie waaruit blijkt dat op 15 november 2012 de inzittenden van een blauwe Volkswagen Passat, voorzien van het Hongaars kenteken [kenteken 1] zijn gecontroleerd. De bestuurder is medeverdachte [medeverdachte] , de passagiers zijn [persoon 6] , [verdachte] en [persoon 1] . Uit nader onderzoek blijkt dat [persoon 1] sinds 2011 als prostituee werkt op het adres [adres 1] . Op 31 augustus 2013 ziet de politie dat zij (gearmd) met [medeverdachte] van de Wallen naar een woning in [plaats] reist. Verder blijkt dat [medeverdachte] al eerder meerdere malen in het Wallengebied is gesignaleerd, onder meer in de werkkamer van [verdachte] . Ook is [medeverdachte] vaker aangetroffen in een auto met onder anderen [verdachte] en [persoon 1] . Op 28 augustus 2013 ontvangt het Expertisecentrum Mensenhandel/Mensensmokkel van de Kamer van Koophandel een meldingsbericht van mensenhandel betreffende [verdachte] .

4.3.2.

Medeplegen

Bij de beoordeling van de vraag of ten aanzien van verdachte kan worden bewezen dat zij medepleger is van, kort gezegd, mensenhandel staat het volgende voorop.

Voor medeplegen is noodzakelijk dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met (een) ander(en) gericht op het voltooien (gezamenlijk uitvoeren) van het delict. De vraag wanneer de samenwerking in de praktijk zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval.

De rechtbank verwijst in dit verband naar de arresten van de Hoge Raad van 2 december 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3474) en 24 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:718) waarin de Hoge Raad onder meer heeft overwogen dat de kwalificatie medeplegen slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Dit geldt volgens de Hoge Raad in vergelijkbare zin indien het medeplegen - bij voorbeeld in de vorm van 'in vereniging' - een bestanddeel vormt van de delictsomschrijving. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Indien de verdachte hoofdzakelijk gedragingen na de uitvoering van het strafbare feit heeft verricht, is in uitzonderlijke gevallen medeplegen denkbaar. Maar een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal dan wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding, terwijl in de bewijsvoering in zulke uitzonderlijke gevallen ook bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen. Tegen de achtergrond van deze jurisprudentie van de Hoge Raad oordeelt de rechtbank ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte als volgt.

Ten aanzien van [persoon 1]

Op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting kan worden vastgesteld dat [persoon 1] het door haar in de prostitutie verdiende geld aan verdachte gaf als [medeverdachte] in Hongarije was, waarna verdachte dit geld aan [medeverdachte] gaf. Verder kan worden vastgesteld dat [persoon 1] , nadat zij door [medeverdachte] vanuit Den Haag was meegenomen naar [plaats] , bij [medeverdachte] en verdachte in huis is gaan wonen. Ook kan uit het getapte telefoongesprek (316) van 23 januari 2014 tussen verdachte en [medeverdachte] worden afgeleid dat verdachte zich bewust moet zijn geweest van het feit dat [persoon 1] door [medeverdachte] werd uitgebuit nu in dat telefoongesprek wordt gesproken over de vrees dat [persoon 1] aangifte gaat doen tegen [medeverdachte] .

Deze feiten en omstandigheden zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te concluderen dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] . Ten aanzien van het huisvesten van [persoon 1] in [plaats] geldt dat de rechtbank geen aanwijzingen heeft dat verdachte, die zelf werd uitgebuit door [medeverdachte] , enige zeggenschap had over het al dan niet laten wonen van [persoon 1] bij haar en [medeverdachte] . Ten aanzien van het aannemen van geld van [persoon 1] op momenten dat [medeverdachte] in Hongarije verbleef geldt dat verdachte dit geld vervolgens weer afgaf aan Moscar. Hiermee heeft zij [medeverdachte] weliswaar geholpen, maar haar rol bleef beperkt tot zogenoemd ‘doorgeefluik’. Van inwisselbaarheid van de rollen is geen sprake. Haar bijdrage aan het strafbare feit is dan ook van onvoldoende gewicht om te kunnen concluderen dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] gericht op de uitbuiting van [persoon 1] . Bij dit oordeel wordt betrokken dat verdachte in de periode dat [persoon 1] is uitgebuit, zelf bepaald niet minder is gaan werken. Eind 2013 is verdachte zelfs meer gaan werken dan voorheen. De omstandigheid dat verdachte heeft moeten beseffen dat [persoon 1] door [medeverdachte] werd uitgebuit, maakt niet dat zij als medepleger kan worden beschouwd. Haar materiële bijdrage is daarmee namelijk niet groter geworden, terwijl er evenmin aanwijzingen zijn dat haar intellectuele bijdrage groter moet zijn geweest. Verdachte zat namelijk zelf in een uitbuitingssituatie en deed wat verdachte van haar verlangde. Haar hulp aan verdachte kan mogelijk gekwalificeerd worden als medeplichtigheid aan mensenhandel, maar nu medeplichtigheid niet ten laste is gelegd behoeft dit geen bespreking.

Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de tenlastegelegde mensenhandel ten aanzien van [persoon 1] .

Ten aanzien van [persoon 2]

Op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting kan worden vastgesteld dat verdachte het ticket, waarmee [persoon 2] naar Nederland is gereisd om hier in de prostitutie gaan werken, heeft betaald met het geld dat [medeverdachte] daartoe aan haar heeft overgemaakt. En het overleg, zie [medeverdachte] Daarmee kan ten aanzien van verdachte worden bewezen dat zij zich tezamen en in vereniging met haar medeverdachte, te weten [medeverdachte] , heeft schuldig gemaakt aan de zogenoemde internationale mensenhandel, neergelegd in artikel 273f, eerste lid en onder sub 3 Sr. Voor het overige is onvoldoende bewijs voorhanden dat verdachte medepleger is van de mensenhandel ten aanzien van [persoon 2] , zodat verdachte voor het overige zal worden vrijgesproken.

Ten aanzien van [persoon 4]

Op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting kan niet worden vastgesteld dat [persoon 4] al voor september 2013 voor [medeverdachte] werkzaam was in de prostitutie. Dit verklaart alleen [persoon 4] . De omstandigheid dat [medeverdachte] , [persoon 7] , [persoon 4] en verdachte in 2010 slapend in een auto zijn aangetroffen, kan onvoldoende bijdragen aan het bewijs dat [persoon 4] reeds sedert 2010 door [medeverdachte] al dan niet tezamen en in vereniging met [persoon 7] en verdachte is uitgebuit. In die periode had [persoon 4] immers nog een relatie met eerdergenoemde [persoon 7] (de broer van de ex-vrouw van [medeverdachte] ) en niet ondenkbaar is dat zij alleen voor hem werkte. De rechtbank acht onvoldoende bewijs voorhanden dat verdachte medepleger is van de mensenhandel ten aanzien van [persoon 4] , zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. Dit geldt derhalve ook voor het onder artikel 273f, eerste lid en onder sub 3 Sr ten laste gelegde, nu niet duidelijk is geworden hoe [persoon 4] in september 2013 naar Nederland is gereisd zodat niet kan worden vastgesteld of, en zo ja welke rol, verdachte hierin heeft gehad.

Ten aanzien van [persoon 5]

Op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vast dat [persoon 5] met [medeverdachte] de afspraak heeft gemaakt dat zij naar Nederland zou komen om in de prostitutie te werken en dat [persoon 5] de helft van haar verdiensten aan hem zou afstaan. [medeverdachte] heeft voorafgaand aan de komst van [persoon 5] naar Nederland geregeld dat [persoon 5] kon gaan wonen bij [persoon 8] en [persoon 9] op de [adres 2] in [plaats] , waar ook verdachte verbleef. Verdachte heeft op verzoek van [medeverdachte] dit adres telefonisch doorgegeven aan de chauffeur, die [persoon 5] vervoerde vanuit Hongarije naar [plaats] . Op verzoek van [medeverdachte] heeft verdachte de busreis van [persoon 5] bij aankomst in [plaats] betaald aan deze chauffeur. Daarnaast heeft verdachte [persoon 5] geholpen met het zoeken naar en het regelen van een werkkamer op de Amsterdamse Wallen. [persoon 5] heeft de helft van haar verdiensten aan [medeverdachte] afgestaan. Verdachte heeft [persoon 5] gecontroleerd. Zij belde dagelijks vele malen, namelijk om het half uur, met [persoon 5] en vroeg haar dan hoeveel zij had verdiend. Ook heeft verdachte tegen [persoon 5] gezegd dat zij meer geld moest verdienen. Uit een getapt telefoongesprek van 28 januari 2014 tussen verdachte en [medeverdachte] blijkt dat [medeverdachte] tegen verdachte zegt dat verdachte tegen [persoon 5] niet over het casino moet praten en dat verdachte tegen [persoon 5] moet zeggen dat het niet goed loopt zodat [persoon 5] haar best doet. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij tegen [persoon 5] gezegd heeft dat zij beter haar best moest doen omdat het niet goed loopt.

Deze feiten en omstandigheden leiden tot het oordeel dat [medeverdachte] en verdachte ieder een eigen, elkaar over en weer aanvullende rol hadden bij het tot stand brengen en houden van de uitbuitingssituatie van [persoon 5] . De rechtbank acht dan ook bewezen dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] . Als gevolg hiervan kunnen de door [medeverdachte] verrichte handelingen aan verdachte worden toegerekend en omgekeerd.

4.3.3.

Vrijspraak (internationale) mensenhandel ten aanzien van [persoon 3]

De rechtbank is – anders dan de officier van justitie en met de raadsvrouw – van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan internationale mensenhandel ten aanzien van [persoon 3] . Zij oordeelt als volgt.

Uit de beschikbare kamerverhuurgegevens blijkt dat [persoon 3] zowel in 2012 als in 2013 in [plaats] werkzaam is geweest als prostituee. Blijkens haar eigen verklaring afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris op 26 mei 2014 is zij in 2012 op eigen gelegenheid met de bus naar [plaats] gereisd. Daar aangekomen heeft zij verdachte en [verdachte] om onderdak gevraagd. In april 2013 is zij ook met de bus, samen met [persoon 2] , naar Nederland is gereisd. Vooraf had zij van verdachte en/of [verdachte] gehoord dat zij in hun woning zou kunnen verblijven. [verdachte] heeft ter terechtzitting stellig verklaard dat zij in 2013 met [persoon 3] en [persoon 2] in de bus naar Nederland is gereisd. Zij heeft daaraan toegevoegd dat [persoon 3] zich op eigen initiatief en eigen kosten bij [persoon 2] had aangesloten.

Nu, anders dan in het geval van [persoon 2] , niet is gebleken dat verdachte (of [verdachte] ) de busreis voor [persoon 3] heeft geregeld en/of betaald, spreekt de rechtbank verdachte vrij van het aanwerven en naar Nederland vervoeren van [persoon 3] met het oogmerk haar in Nederland ertoe te brengen zich als prostituee beschikbaar te stellen. Voor het verwijt dat verdachte [persoon 3] in de prostitutie heeft uitgebuit is evenmin voldoende bewijs. [persoon 3] heeft zelf ontkend door verdachte gedwongen te zijn en/of verdachte (een deel van) haar verdiensten te hebben gegeven. De verklaring van [persoon 1] van 4 februari 2014 dat [persoon 3] twee jaar daarvoor naar Nederland kwam om op “fifty-fifty basis” voor verdachte te werken is onvoldoende om buiten redelijke twijfel te achten dat [persoon 3] door verdachte is uitgebuit.

Verdachte wordt vrijgesproken voor zover de beschuldiging [persoon 3] betreft.

4.3.4.

Gewoontewitwassen

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat [persoon 1] een deel van de verdiensten uit de door haar verrichte prostitutiewerkzaamheden heeft afgestaan aan verdachte, namelijk op momenten waarop [medeverdachte] niet in Nederland maar in Hongarije verbleef. Verdachte heeft deze bedragen vervolgens afgegeven aan [medeverdachte] . Verdachte wist dat deze geldbedragen afkomstig waren uit de uitbuiting van die [persoon 1] door [medeverdachte] . Hiermee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen.

Ten aanzien van de overige in de tenlastelegging genoemde vrouwen is onvoldoende komen vast te staan dat zij hun verdiensten aan verdachte hebben afgestaan. Voor het meer of anders ten laste gelegde zal verdachte daarom worden vrijgesproken.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

in de periode van 1 mei 2011 tot en met 28 januari 2014 te [plaats] en Hongarije, tezamen en in vereniging met een ander

anderen te weten

[persoon 2] heeft medegenomen met het oogmerk die [persoon 2] in Nederland, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling

en

[persoon 5] door dwang en door misleiding en door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie heeft medegenomen en aangeworven met het oogmerk die [persoon 2] en die [persoon 5] in Nederland, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling

en

die [persoon 5] met één van de voornoemde middelen heeft gedwongen en bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, te weten: prostitutiewerkzaamheden

immers, heeft zij, verdachte, tezamen en in vereniging met haar mededader

ten aanzien van die [persoon 2]

- die [persoon 2] vanuit Hongarije naar Nederland meegenomen en geholpen bij de komst van die [persoon 2] naar Nederland door het overmaken van geld voor een busticket opdat die [persoon 2] in Amsterdam in de prostitutie zou kunnen gaan werken

en

ten aanzien van die [persoon 5] terwijl zij wist dat die [persoon 5] in Hongarije geen of onvoldoende inkomsten had en in Nederland niemand kende en in Nederland niemand had om op terug te vallen

  • -

    die [persoon 5] geholpen met de reis van Hongarije naar Nederland

  • -

    die [persoon 5] tijdens haar werkzaamheden gecontroleerd en verantwoording aan haar, verdachte, af laten leggen over haar werkzaamheden en verdiensten, door die [persoon 5] te bellen en aan te sporen haar, verdachte, te bellen als zij een klant had en door te geven hoeveel geld zij had verdiend en

  • -

    die [persoon 5] gezegd dat zij meer geld moet verdienen om haar, verdachte, en haar mededader in hun levensonderhoud te voorzien

2.

zij in de periode van 1 mei 2011 tot en met 28 januari 2014 te Amsterdam van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft zij, verdachte, contante geldbedragen te weten:

- een deel van de verdiensten uit de door [persoon 1] verrichte prostitutiewerkzaamheden

voorhanden gehad en overgedragen terwijl zij wist dat die geldbedragen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit misdrijf;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar onder 1 en 2 bewezen geachte feiten schuldig zal worden verklaard zonder oplegging van een straf of maatregel

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft voor het geval verdachte niet wordt vrijgesproken, verzocht verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf of maatregel waarbij hij zich heeft aangesloten bij het betoog van de officier van justitie ten aanzien van het non-punishmentbeginsel. Mocht de rechtbank toch van oordeel zijn dat een straf dient te worden opgelegd, verzoekt de raadsman een straf gelijk aan het voorarrest op te leggen.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft ten aanzien van de verdachte, kort gezegd, bewezenverklaard de internationale mensenhandel van [persoon 2] en [persoon 5] , de seksuele uitbuiting van die [persoon 5] en witwassen.

De officier van justitie heeft bij het formuleren en de onderbouwing van haar strafeis meer feiten bewezen geacht dan de rechtbank.

De officier van justitie heeft de vraag opgeworpen of in deze zaak het non-punishmentbeginsel van toepassing zou moeten zijn. De officier van justitie heeft die vraag bevestigend beantwoord. Dit standpunt is door haar uitvoerig beargumenteerd. Zij heeft opgemerkt dat verdachte zo afhankelijk was van haar medeverdachte dat zij niet in staat was een eigen keus te maken, maar slechts als willoos werktuig voor haar medeverdachte heeft gedaan wat hij van haar verlangde. Zij heeft aan haar bijdrage niets overgehouden, sterker nog: zij is alles kwijt.

Ondanks de enorme afhankelijkheid van haar medeverdachte is er echter - nu zij zich bewust moest zijn van de consequenties van haar handelen - geen sprake van afwezigheid van alle schuld. De officier van justitie heeft verzocht de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf omdat dit naar haar mening de enig juiste conclusie is met het oog op het slachtofferschap van verdachte. De raadsman heeft zich ter zitting summier over dit onderdeel uitgelaten en heeft (subsidiair) opgemerkt zich aan te sluiten bij het standpunt van de officier van justitie. Dit standpunt van de officier van justitie geeft de rechtbank aanleiding voor een wat uitvoeriger beschouwing.

Het non-punishmentbeginsel kent enige geschiedenis, te weten aanvankelijk als niet bindende resolutie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 31 januari 2001 betreffende de ‘Trafficking on women and girls’, en vervolgens als - inmiddels - bindende verplichting in het kader van het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bestrijding van mensenhandel van 16 mei 2005 en de meergenoemde Richtlijn 2011/36/EU.

In artikel 26 van het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bestrijding van mensenhandel van 16 mei 2005, zoals nader verklaard in het bij dat verdrag behorende zogenoemde Explanatory report, is bepaald dat: Elke partij (..) voorziet in de mogelijkheid slachtoffers geen straf op te leggen voor hun betrokkenheid bij onrechtmatige handelingen indien zij hiertoe gedwongen worden.” Opgemerkt moet worden dat in het Verdrag geen nadere specificatie van dat handelen is gegeven.

De officier van justitie heeft gewezen op de Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011, in het bijzonder op onderdeel 14 van de considerans en artikel 8 van de Richtlijn. In dat verband dient te worden opgemerkt dat noch in de considerans noch in het betreffende artikel een uitputtende opsomming is gegeven welke strafbare feiten onder dit beginsel zouden kunnen vallen. Er zijn wel enige – indicatieve – voorbeelden genoemd. Relevant is ook dat blijkens het genoemde onderdeel van de considerans “ Het doel van die bescherming is de mensenrechten van de slachtoffers te beschermen, verder slachtofferschap te voorkomen en hen aan te moedigen als getuige tegen de daders op te treden in de strafprocedure. Deze bescherming belet niet dat zij kunnen worden vervolgd of gestraft voor misdrijven die zij vrijwillig hebben begaan of waaraan zij vrijwillig hebben deelgenomen.”

Het Verdrag en de Richtlijn voorzien - kort gezegd - in een verplichting voor de aangesloten (lid) staten tot het treffen van een voorziening voor slachtoffers van mensenhandel ter bescherming tegen strafrechtelijke aansprakelijkheid indien sprake is van zekere omstandigheden. Die omstandigheden zijn identiek aan de dwangmiddelen die opgenomen zijn in artikel 273 f lid 1, sub 1, Sr.

Voorts is gewezen op de parlementaire stukken die betrekking hebben op de implementatie van de genoemde Richtlijn.

Daarin is als antwoord van de Minister van Veiligheid en Justitie op vragen uit de Eerste Kamer te lezen: “ In artikel 8 van de Richtlijn ligt het zogeheten non-punishmentbeginsel besloten. Dat beginsel verplicht de lidstaten ertoe te voorzien in de mogelijkheid om strafvervolging of bestraffing achterwege te laten wanneer de schuldige als slachtoffer van mensenhandel tot het plegen van het strafbare feit is gedwongen. Die mogelijkheid verschaft de Nederlandse strafwetgeving reeds. Zo kan het Openbaar Ministerie op grond van het opportuniteitsbeginsel gebruik maken van de mogelijkheid om dit soort zaken te seponeren. En als een dergelijke zaak toch voor de rechter wordt gebracht, biedt artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht de mogelijkheid van een rechterlijk pardon”.

Op grond van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr) kan door de rechter worden bepaald dat in verband met de geringe ernst van het feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan dan wel die zich nadien hebben voorgedaan, bepalen dat geen straf of maatregel wordt opgelegd. Dit is in overeenstemming met de in artikel 26 van het Verdrag en artikel 8 van de Richtlijn genoemde uitgangspunten en blijkens de parlementaire geschiedenis de bepaling die in die verplichting voorziet.

Naar het oordeel van de rechtbank komen in het onderhavige geval de omstandigheden waaronder het feit is begaan dan wel die zich nadien hebben voorgedaan voor afweging in aanmerking bij de vraag of er aanleiding bestaat om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

Van belang is dat de uitbuiting van verdachte door medeverdachte [medeverdachte] bij vonnis van heden is bewezenverklaard en medeverdachte [medeverdachte] ter zake daarvan is veroordeeld tot een aanzienlijke onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Deze bewezenverklaring is mede gebaseerd op het bewijs dat jegens verdachte sprake was van dwangmiddelen zoals hiervoor, bij bespreking van de achtergrond van het non-punishmentbeginsel, genoemd.

Welke omstandigheden nog meer van belang zijn, kunnen niet in algemene uitgangspunten worden geformuleerd. In de onderhavige zaak acht de rechtbank de navolgende factoren van belang.

Verdachte is gedurende een periode van zes jaar door haar medeverdachte - met wie zij meende een gezamenlijke toekomst op te bouwen - op geraffineerde wijze misleid en uitgebuit waardoor zij een groot deel van haar verdiensten heeft aan hem heeft afgestaan. Verdachte heeft in die periode ongeveer 40 weken per jaar, zes dagen per week gewerkt en verdiende 100 tot 150 euro per dag, hetgeen resulteerde in een bedrag - bij een voorzichtige begroting over die zes jaar - van € 180.000 gedurende die uitbuitingsperiode. Verdachtes sterkste wapen in die uitbuiting was de (emotionele) afhankelijkheid van verdachte van haar medeverdachte. Aannemelijk is dat verdachte uit angst medeverdachte te verliezen zich schuldig heeft gemaakt aan internationale mensenhandel en een belangrijke rol heeft gespeeld in de uitbuiting in de prostitutie van één van zijn slachtoffers. Niet is gebleken dat die bewezenverklaarde feiten (financiële) voordelen voor verdachte hebben opgeleverd. Verdachte is door haar medeverdachte, en mogelijk ook door zijn familie, onder druk gezet ontlastend voor hem te blijven verklaren, zelfs daags voor de zitting heeft medeverdachte nog geprobeerd haar te beïnvloeden. Voorts heeft verdachte tijdens haar verhoor als getuige ter zitting erkend dat zij in haar politieverklaring in februari 2014 heeft gelogen omtrent de werkelijke rol van medeverdachte en dat zij bij de rechter-commissaris in mei 2014 (meermalen) een meinedige verklaring heeft afgelegd. Zij heeft als getuige ook belastend over haarzelf verklaard.

Hoewel de hiervoor genoemde factoren aanleiding zouden kunnen geven tot de toepassing van artikel 9a Sr, ziet de rechtbank hiervoor, anders dan de officier van justitie, onvoldoende aanleiding. Verdachte heeft ten koste van anderen zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig strafbaar feit met het doel haar eigen positie veilig te stellen. De rechtbank rekent verdachte in de kern aan dat zij, in haar wens met de medeverdachte een toekomst op te bouwen waar zij in feite alles - naar eigen zeggen ter zitting zelfs een moord - voor over had, andere keuzes had moeten en kunnen maken. Bij dit oordeel, afgezet tegen de ernst van de bewezenverklaarde feiten, past niet dat geen enkele straf of maatregel wordt opgelegd, maar past in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De hiervoor genoemde factoren leiden de rechtbank echter wel tot het oordeel dat volstaan kan worden met gevangenisstraf voor de duur van de periode die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank acht een straf van 41 dagen met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

10 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

Mensenhandel in vereniging, meermalen gepleegd

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

Gewoontewitwassen

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 41 (eenenveertig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. B.E. Mildner, voorzitter,

mrs. C. Klomp en A.R.P.J. Davids, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A. Beerts, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 oktober 2015.