Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:7498

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-10-2015
Datum publicatie
30-10-2015
Zaaknummer
13/845045-11 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

PGB-fraude. De rechtbank veroordeelt verdachte wegens het valselijk opmaken van PGB-formulieren, verduistering, mensensmokkel, witwassen, deelname aan een criminele organisatie en het doen van een onjuiste belastingaangiften. De raadsvrouw heeft verzocht de dagvaarding gedeeltelijk nietig te verklaren, nu de woorden ‘een groot aantal’ te onbepaald zijn. Dit verweer wordt verworpen. Bestuurlijke boete leidt niet tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de strafzaak, nu geen sprake is van hetzelfde feit. De officier van justitie heeft een gevangenisstraf van 21 maanden geëist. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van 21 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk. De rechtbank veroordeelt de medeverdachten tot een gevangenisstraf van respectievelijk 18 maanden waarvan 6 voorwaardelijk en 15 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/845045-11 (Promis)

Datum uitspraak: 15 oktober 2015

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1962,

verblijvende op het adres [adres, te plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 21, 22 en 24 september en 1 oktober 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. M. Boerlage, en van wat verdachte en haar raadsvrouw, mr. R. Shahbazi, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De op 21 september 2015 gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan:

Feit 1: medeplegen van valsheid in geschrift en/of medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift als ware het echt en onvervalst;

Feit 2: medeplegen van verduistering, gepleegd door haar die het goed uit hoofde van haar beroep onder zich heeft;

Feit 3: in de uitoefening van haar beroep tezamen en in vereniging met één of meer anderen, het een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, of hem daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen, terwijl zij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is;

Subsidiair: in de uitoefening van haar beroep tezamen en in vereniging met één of meer anderen, het een ander, die zich wederrechtelijk toegang tot of verblijf in Nederland heeft verschaft, krachtens overeenkomst of aanstelling arbeid doen verrichten, terwijl zij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk is;

Feit 4: medeplegen van witwassen;

Feit 5: het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

Feit 6: medeplegen van het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.

3 Voorvragen

3.1.

Geldigheid van de dagvaarding

Aan verdachte is onder 1 ten laste gelegd – kort en zakelijk weergegeven – dat zij met anderen een groot aantal, althans een of meer verantwoordingsformulieren, machtigingen en arbeidsovereenkomsten valselijk heeft opgemaakt of heeft vervalst en hiervan opzettelijk gebruik heeft gemaakt als ware zij echt en onvervalst. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de woorden ‘een groot aantal’ te onbepaald zijn, nu de documenten en de valsheid waar deze woorden betrekking op hebben deels niet geconcretiseerd zijn en ook niet feitelijk omschreven.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de tenlastelegging in deze specifieke zaak, mede bezien in het licht van het dossier, voldoende feitelijke betekenis toekomt in de zin van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Op grond van artikel 261 Sv dient een dagvaarding de opgave te behelzen van het feit dat aan verdachte wordt verweten. De functie van de tenlastelegging brengt mee dat – en de opgave van het feit zal dan ook voldoen aan artikel 261 Sv indien – deze zo duidelijk is dat verdachte zich naar behoren tegen het strafrechtelijke verwijt kan verdedigen.

Aan de bedoelde eis is in de onderhavige zaak invulling gegeven door ten aanzien van een aantal ten laste gelegde verantwoordingsformulieren, machtigingen en arbeidsovereenkomsten de valsheid of vervalsing nader te specificeren. Hierbij wordt verwezen naar ambtshandelingen, documentnummers en paginanummers alwaar, naast deze nader gespecificeerde documenten, ook andere valselijk opgemaakte of vervalste documenten in het dossier terug te vinden zijn.

De rechtbank is van oordeel dat, nu de tenlastelegging moet worden bezien in combinatie met het dossier en in aanmerking nemend de verwijzingen die wel op de tenlastelegging staan vermeld, er geen aanwijzing is dat verdachte niet heeft begrepen wat haar wordt verweten. De dagvaarding in onderhavige zaak voldoet daarom aan de in artikel 261 Sv gestelde eisen en is geldig.

3.2.

Bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank heeft vastgesteld dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten.

3.3.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat sprake is van een excessieve overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de strafzaak tegen verdachte behandeld moet zijn. Om die reden moet de officier van justitie niet-ontvankelijk worden verklaard in de strafvervolging tegen verdachte.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. In het arrest van 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2578) heeft de Hoge Raad algemene uitgangspunten en regels geformuleerd over de inbreuk op het in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) gewaarborgde recht van een verdachte op behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn en het rechtsgevolg dat aan een vastgestelde inbreuk op dat recht dient te worden verbonden. Op de voet van dit arrest komt de rechtbank tot het oordeel dat, indien sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, dit niet leidt tot de niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de strafvervolging. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de op te leggen straf. Het verweer wordt dan ook verworpen. Nadere bespreking van de vraag of er sprake is van overschrijding en welke gevolgen die overschrijding dan zou moeten hebben komt aan de orde als tot strafoplegging wordt overgegaan.

De raadsvrouw heeft voorts aangevoerd dat de officier van justitie ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte, nu het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bij inmiddels onherroepelijke beschikking een bestuurlijke boete heeft opgelegd aan de vennootschap onder firma (vof) [VOF 1] , waar verdachte vennoot van was. Strafrechtelijke vervolging van onderhavig feit is daarom in strijd met het ne bis in idem-beginsel.

De rechtbank overweegt als volgt. De tenlastelegging is primair toegesneden op artikel 197a tweede en vierde lid van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Dit betreft kort gezegd mensensmokkel, waarbij het gaat om het een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij illegaal verblijf en daarvan een beroep of gewoonte maken. De in de tenlastelegging omschreven gedragingen zien op het tegen betaling en/of kost en/of inwoning arbeid laten verrichten.

In het onderhavige geval zijn de feitelijke gedragingen van verdachte voor een belangrijk deel niet hetzelfde als de gedragingen die tot de oplegging van de bestuurlijke boete hebben geleid. Het gaat immers niet alleen om het beweerdelijk laten verrichten van arbeid door illegale vreemdelingen, maar ook om het verschaffen van verblijf in Nederland, waarop de ten laste gelegde – en op artikel 197a Sr toegespitste – gedragingen zien. Daarnaast verschilt het met artikel 2 Wet arbeid vreemdelingen (Wav) – het artikel op basis waarvan de bestuurlijke boete is opgelegd – beschermde rechtsgoed van het met artikel 197a Sr beschermde rechtsgoed. Waar artikel 2 Wav strekt tot het bevorderen van de goede werking van de arbeidsmarkt, strekt artikel 197a Sr tot bestrijding van illegaal verblijf in Nederland.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat het onder 3 primair ten laste gelegde feit niet hetzelfde feit is als waarvoor eerder een bestuurlijke boete is opgelegd. In het licht van de bewezenverklaring in overweging 5 van dit vonnis behoeft de rechtbank niet in te gaan op de vraag of dit anders ligt voor het onder 3 subsidiair ten laste gelegde feit.

De rechtbank komt tot de conclusie dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte.

3.4.

Schorsing van de vervolging

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich, zoals weergegeven in het door haar ter terechtzitting overgelegde requisitoir, op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het onder 1, 2, 3 primair, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan. Zij baseert haar standpunt op de in het dossier aanwezige ambtshandelingen, processen-verbaal van verhoor van verdachten, processen-verbaal van verhoor van getuigen en overige documenten.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte integraal van de haar ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken, op grond van de verweren zoals genoemd in haar pleitnota. De verweren bespreekt de rechtbank hierna – indien nodig – in haar oordeel.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van de in de voetnoten vermelde bewijsmiddelen gaat de rechtbank uit van de redengevende feiten en omstandigheden, zoals hieronder vermeld.1 De inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – wordt slechts gebruikt tot het bewijs van het ten laste gelegde feit waarop het, zoals blijkt uit de inhoud, kennelijk betrekking heeft.

4.3.1.

Inleiding

Het persoonsgebonden budget (PGB) is een regeling die valt onder de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). De AWBZ is in Nederland een verplichte, collectieve ziektekostenverzekering voor niet individueel verzekerbare ziektekostenrisico’s. Verzekerd voor de AWBZ zijn alle ingezetenen van Nederland en niet-ingezeten van Nederland die bepaalde inkomsten in Nederland genieten. De AWBZ is één van de zogenoemde volksverzekeringen. De AWBZ kent in het kader van het PGB zogenoemde functiegerichte aanspraken, namelijk verzorging, verpleging, begeleiding en (kortdurend) verblijf.

De zorgaanvrager, in het kader van het PGB budgethouder genoemd, dient een aanvraag in bij het Centrum voor Indicatiestelling Zorg (CIZ). Het CIZ oordeelt of de zorgaanvrager de aangevraagde zorg nodig heeft en in welke mate. Hierbij specificeert het CIZ welke typen zorg er nodig zijn, de klasse en het aantal uren. De zorgaanvrager ontvangt de indicatiestelling in de vorm van een schriftelijk besluit en elektronisch wordt het zorgkantoor, de instantie die het PGB uitbetaalt, op de hoogte gesteld van dit besluit. Aan de hand van de indicatiestelling wordt door het zorgkantoor vastgesteld wat het bruto PGB is waar de zorgaanvrager recht op heeft. Het berekende netto PGB wordt in beginsel op een daarvoor speciaal bestemde bankrekening op naam van de zorgaanvrager overgemaakt.

De zorgaanvrager, inmiddels budgethouder, sluit overeenkomsten met personen of bedrijven die de zorg gaan leveren en betaalt hen vanuit het PGB. Over de besteding moet de budgethouder een administratie bijhouden. De budgethouder moet periodiek verantwoording afleggen aan het zorgkantoor over de besteding van het PGB. De verantwoording gebeurt door het indienen en terugzenden van het verantwoordingsformulier PGB aan het zorgkantoor. Op dit verantwoordingsformulier worden naast de gegevens van de budgethouder de verantwoordingsperiode en het totaal aan de zorgverleners in die periode betaalde bedrag ingevuld. Volgens de PGB-regeling controleert het zorgkantoor achteraf of de verantwoordingsformulieren naar waarheid zijn ingevuld door overlegging van contracten, declaraties en bewijzen van betalingen. Blijkt na controle dat het budget correct is besteed aan zorg, dan wordt het voorschot omgezet in een definitieve vaststelling.

4.3.2.

Verdenking

Op 17 juni 2010 heeft Zorg & Zekerheid (in de rol van zorgkantoor) aangifte gedaan tegen onder meer verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) en [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) ter zake van PGB-fraude.2 Op 24 september 2010 heeft ook Agis (in de rol van zorgkantoor) aangifte gedaan tegen voornoemde personen in verband met dezelfde strafbare feiten.3

Verdachte, [medeverdachte 1] (dochter verdachte) en [medeverdachte 2] (partner verdachte) hebben sinds 2007 zorg verleend aan budgethouders van de zorgkantoren Zorg & Zekerheid en Agis.4 Per 1 april 2010 hebben zij onder de naam [VOF 1] zorg geleverd. Volgens het Handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) stond deze eenmanszaak op naam van [verdachte] en waren bij deze onderneming drie personen werkzaam.5 Op 13 januari 2011 is bij de KvK geregistreerd dat [VOF 1] met ingang van 7 april 2010 is omgezet in een vennootschap onder firma (vof), met verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] als vennoten.6 Vanaf 30 juni 2011 hebben verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] samengewerkt in de vorm van de [Stichting 1] , waarvan zij elk bestuurder waren.7

Uit voornoemde aangiftes van de zorgkantoren komt naar voren dat verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] alle drie werkzaam zijn als zorgverlener. Verdachte en [medeverdachte 1] hebben hierbij een leidinggevende en/of coördinerende rol vervuld. Op basis van de verantwoordingsformulieren, facturen, declaratieformulieren en verklaringen van budgethouders en/of hun familieleden, is bij de zorgkantoren het vermoeden dat verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] uren hebben opgevoerd en ten laste hebben gebracht van PGB’s, terwijl die uren in werkelijkheid niet of maar gedeeltelijk zijn gemaakt, dan wel niet door hen persoonlijk zijn gemaakt. Verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zouden in dat kader gezamenlijk hebben gefraudeerd met PGB-gelden, door het innen van deze gelden, terwijl door hen geen, andere of onvoldoende zorg werd geleverd. Voorts is naar voren gekomen dat zij zich vermoedelijk schuldig hebben gemaakt aan valsheid in geschrift, verduistering en belastingfraude en dat voor de zorg die wel is geleverd, gebruik is gemaakt van vrijwilligers en illegaal in Nederland verblijvende personen.

Verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ontkennen de hen ten laste gelegde feiten. Verdachte stelt dat dat zij zo druk bezig is geweest met het verlenen van zorg, dat de administratie haar boven het hoofd is gegroeid. Zij hielp mensen niet alleen door zorg te verlenen, maar ook door hen de administratie met betrekking tot die zorg uit handen te nemen. Voor de administratie heeft zij naar eigen zeggen wel professionele hulp ingeroepen, maar de door haar ingeschakelde persoon was niet zo professioneel als hij deed voorkomen, aldus haar raadsvrouw.

4.3.3.

Algemene overweging

De rechtbank ziet het samenwerkingsverband (eerst als eenmanszaak, daarna de vennootschap onder firma en de stichting) waarvan verdachten deel uitmaakten (mede in het licht van de hierna te bespreken bewezenverklaringen) als volgt. Juist is dat verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zorg hebben verleend aan personen die beschikten over een PGB. De kwaliteit daarvan was op zijn minst genomen wisselend, maar dat speelt in deze strafzaak geen rol. Verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben wel steeds alle administratieve handelingen verricht om de PGB-gelden voor hun cliënten te verkrijgen en te behouden, maar hebben daarbij onjuiste informatie verstrekt en dus valse en/of valselijk opgemaakte documenten ingediend. De overige administratieve handelingen bleven geheel of gedeeltelijk achterwege. Dit betrof onder andere het bijhouden van het aantal uren dat alle zorgverleners daadwerkelijk zorg hadden verleend, het factureren van de daadwerkelijk verleende zorg en het tijdig en juist doen van belastingaangiften. Ook een financiële administratie waaruit steeds de rechten en verplichtingen van de organisatie konden worden gekend was niet aanwezig. Verdachte had een leidende rol voor wat betreft de gevoerde administratie.

Verdachten hebben in sommige gevallen in strijd met de waarheid een onjuist aantal uren zorg in de verantwoordingsformulieren opgenomen, terwijl in vele gevallen de namen van de personen die de zorg hadden verleend en/of het aantal uren dat die personen zorg hadden verricht niet klopte. Personen die niet op de verantwoordingsformulieren waren vermeld maar wel zorg verleenden, ontvingen veelal een (veel) lager uurtarief dan werd gedeclareerd. In drie gevallen waren dit bovendien personen die geen legale verblijfstatus hadden. In een vijftal gevallen zijn gelden die zijn ontvangen, maar waarop geen recht (meer) bestond omdat de zorg wegens het overlijden van cliënten was beëindigd, niet terugbetaald.

Verdachten hebben om te verhullen dat zij anderen dan zichzelf de gedeclareerde werkzaamheden lieten verrichten hun werknemers grotendeels contant betaald. Van de van de zorgkantoren per bank ontvangen gelden is een bedrag van bijna € 1,2 miljoen contant opgenomen. Aannemelijk is dat verdachten dit behalve voor genoemde contante betalingen ook voor andere doeleinden ten eigen nutte hebben aangewend; zij hebben daarover ter zitting geen uitleg gegeven. Daarnaast zijn door verdachten voor grote bedragen pinbetalingen verricht.

Al met al kan niet worden gezegd dat verdachten goedwillende hardwerkende zorgverleners waren die slechts kan worden verweten dat hun administratie niet op orde was. Verdachten hebben door misleiding van de zorgkantoren Zorg en Zekerheid en Agis en de budgethouders een aanzienlijk hogere vergoeding voor geleverde zorg ontvangen dan hun toekwam, waarbij zij te veel ontvangen bedragen hebben behouden in plaats van die terug te betalen. Bovendien hebben zij ook de samenleving als geheel aanzienlijk benadeeld doordat zij niet naar behoren belastingaangifte hebben gedaan.

4.3.4.

Partiële vrijspraak

4.3.4.1. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

D-208, p. 26 en 27

De rechtbank is, met de raadsvrouw, van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte met anderen de machtigingen, zoals opgenomen in het dossier als D-208, pagina 26 en 27, valselijk heeft opgemaakt of heeft vervalst. Verdachte ontkent dat zij deze machtigingen heeft opgesteld en stelt zich op het standpunt dat de budgethouder, [persoon 1] ( [persoon 1] ), deze machtigingen zelf heeft ondertekend. In het dossier bevindt zich enkel de verklaring van [persoon 2] ( [persoon 2] ), die heeft verklaard dat hij de machtigingen niet kent en ook niet heeft ondertekend.

Nu de verklaring van [persoon 2] niet wordt ondersteund door andere objectieve bewijsmiddelen waaruit blijkt dat het verdachte of een van haar mededaders degene is geweest die deze machtigingen valselijk heeft opgemaakt of heeft vervalst – en daarmee niet wordt voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342 tweede lid Sv – kan dit onderdeel van het onder 1A en B ten laste gelegde niet worden bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

D-125, pagina 72, 73 en/of 75, 76

In het dossier bevinden zich voorts een tweetal arbeidsovereenkomsten tussen budgethouder

[persoon 3] ( [persoon 3] ) en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . [persoon 3] heeft hierover verklaard dat hij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] niet kent en dat zij geen zorg hebben verleend.

Naast deze verklaring van [persoon 3] , bevinden zich geen andere bewijsmiddelen in het dossier waaruit blijkt dat verdachte of een van haar mededaders de arbeidsovereenkomsten valselijk heeft opgemaakt of heeft vervalst. De rechtbank is dan ook, met de raadsvrouw, van oordeel dat ook dit onderdeel van het onder 1A en B ten laste gelegde niet kan worden bewezen, zodat verdachte hiervan wordt vrijgesproken.

4.3.4.2. Ten aanzien van het onder 2, sub 6 en 7 ten laste gelegde

Verdachte wordt verweten dat zij met anderen in de periode van 28 februari 2008 tot en met 13 maart 2009 opzettelijk € 5.400,- en € 60.000,- heeft verduisterd, toebehorende aan respectievelijk [persoon 4] ( [persoon 4] ) en [persoon 5] en/of [persoon 6] (familie [persoon 5 en 6] ).

Voornoemde [persoon 4] heeft verklaard dat verdachte van 17 juni 2011 tot en met 9 april 2012 zorg heeft geleverd. Verdachte heeft op 30 maart 2012 een bedrag van € 5.400,- opgenomen van de bankrekening van [persoon 4] . Dit betrof een voorschot PGB voor de maanden april, mei en juni 2012. Aangezien verdachte slechts tot en met 9 april 2012 zorg heeft geleverd, diende zij het resterende geldbedrag aan [persoon 4] terug te betalen, hetgeen zij niet heeft gedaan.

Ten aanzien van de familie [persoon 5 en 6] heeft verdachte, naast het leveren van zorg, eveneens de bankzaken geregeld. Op 17 april 2009 is ten behoeve van het PGB op naam van [persoon 6] een bankrekening geopend bij de ING Bank. Op deze bankrekening werd het PGB van de familie [persoon 5 en 6] gestort. De familie [persoon 5 en 6] hebben tot en met 12 mei 2011 zorg gehad van [VOF 1] . In deze periode zou verdachte volgens de tenlastelegging tezamen en in vereniging met anderen een totaalbedrag van € 60.000,-, toebehorende aan de familie [persoon 5 en 6] , hebben verduisterd.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de verweten gedragingen - wat daar verder ook van zij - ruim buiten de ten laste gelegde periode zouden hebben plaatsgevonden. Hierdoor kan niet worden bewezen dat verdachte in de ten laste gelegde periode tezamen en in vereniging voornoemde geldbedragen heeft verduisterd. Daarom zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het onder 2, sub 6 en 7 ten laste gelegde.

4.3.4.3. Ten aanzien van het onder 3, sub 1 ten laste gelegde

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat verdachte van het haar onder 3 sub 1 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, nu niet is gebleken dat verdachte wist dat het verblijf van [persoon 7] ( [persoon 7] ) in Nederland wederrechtelijk was. Voornoemde [persoon 7] beschikte – hoewel verlopen – over een sofinummer en verdachte heeft hierover ter terechtzitting verklaard dat zij daarom in de veronderstelling verkeerde dat [persoon 7] zich legaal in Nederland bevond.

Gelet op voornoemde vrijspraak, laat de rechtbank het verweer van raadsvrouw dat de door [persoon 7] afgelegde verklaringen dienen uitgesloten te worden van het bewijs, onbesproken.

4.3.5.

Bewezen verklaarde feiten

4.3.5.1. Ten aanzien van feit 1, valsheid in geschrift

Verantwoordingsformulieren - algemeen

In het dossier bevinden zich een groot aantal verantwoordingsformulieren die betrekking hebben op geldbedragen die budgethouders hebben betaald aan verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en/of [VOF 1] .

Uit de aangiften van de zorgkantoren Zorg en Zekerheid en Agis volgt dat over de jaren 2007, 2008 en 2009 in totaal een bedrag € 1.100.308,- aan PGB-gelden aan verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] is uitbetaald. Op de facturen, die ter onderbouwing van het PGB zijn ingestuurd, staat vermeld dat verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] een uurtarief van € 25,- hebben gehanteerd. Ten aanzien van de over het jaar 2009 (365 dagen) verantwoorde zorg – en uitgaande van dit uurtarief – zou het gemiddelde aantal gewerkte uren per dag uitkomen op 14,46 uur voor verdachte, 21,18 uur voor [medeverdachte 1] en 18,08 uur voor [medeverdachte 2] .8 De verantwoordingsformulieren vermelden in vrijwel alle gevallen dat de zorg is geleverd door verdachte, [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] . Verdachte heeft hierover verklaard dat de werkzaamheden niet altijd door haar, [medeverdachte 1] of [medeverdachte 2] persoonlijk zijn verricht, maar dat zij ook gebruik hebben gemaakt van vrijwilligers. Dit betekent dat op de verantwoordingsformulieren meer uren zijn vermeld dan dat er daadwerkelijk door verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] persoonlijk aan zorg zijn verleend.9 Verdachte heeft verklaard dat zij de naam van [medeverdachte 2] op verantwoordingsformulieren heeft ingevuld, terwijl hij geen werkzaamheden als zorgverlener heeft verricht. Volgens haar boekhouder zou het beter zijn om de uren te verdelen en daarom heeft zij alleen een beetje geschoven met de bedragen.10

[medeverdachte 1] – als medevennoot van [VOF 1] – heeft verklaard dat zij facturen heeft opgemaakt, ook samen met verdachte. Voorts volgt uit haar verklaring dat zij wist welke administratieve verplichtingen er bestonden rondom het PGB.11 Tot slot heeft [medeverdachte 1] verklaard dat het kan kloppen dat facturen zijn verstuurd waarin uren voor haar zijn gedeclareerd die betrekking hadden op een periode waarin zij op vakantie was.12

[persoon 1]

Op de verantwoordingsformulieren van budgethouder [persoon 1]13 over de verantwoordingsperiode van 6 juli 2007 tot en met 31 december 2011 staat vermeld dat door de budgethouder geldbedragen zijn uitbetaald aan onder meer verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [VOF 1] , [Stichting 1] en [persoon 8] ( [persoon 8] ).14 In voornoemde periode is in totaal een bedrag van € 209.369,84 verantwoord middels deze verantwoordingsformulieren. Van dit bedrag is € 176.469,14 verantwoord door verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [VOF 1] en [Stichting 1] .15 [persoon 2] heeft verklaard de verantwoordingsformulieren niet te kennen.

Voor 2007 en 2008 heeft [persoon 2] verklaard dat [medeverdachte 2] slechts een paar keer is langs geweest en dat door hem vrijwel geen zorg is verleend, terwijl voor [medeverdachte 2] over de periode juni 2007 – december 2008 ongeveer € 39.000 is gedeclareerd. Verder is [persoon 2] niet bekend met [Stichting 1] .16

Op het verantwoordingsformulier van [persoon 1] over de verantwoordingsperiode van 1 juli 2008 tot en met 31 december 2008 staat ook [persoon 8] vermeld als zorgverlener.17 [persoon 8] heeft hierover verklaard dat zij in het jaar 2008 niet bij [persoon 1] heeft gewerkt en pas vanaf het jaar 2009 zorg heeft verleend aan [persoon 1] .18

[persoon 9]

In het dossier bevinden zich ook een tweetal verantwoordingsformulieren van budgethouder [persoon 9] ( [persoon 9] ) over de verantwoordingsperiode 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008. Op deze verantwoordingsformulieren staan, naast de naam van verdachte, ook de namen van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [persoon 10] en [persoon 11] vermeld. Aan deze personen zijn veelal grote geldbedragen uitbetaald, hetgeen inhoudt dat voor een groot aantal uren zorg is verleend aan [persoon 9] .19 heeft verklaard niet bekend te zijn met voormelde verantwoordingsformulieren en dat de persoon genaamd [medeverdachte 2] geen zorg heeft verleend, terwijl voor hem ongeveer € 9.300,- is gedeclareerd over het jaar 2008. Verdachte zou hierover tegen [persoon 9] hebben gezegd dat zij niet teveel belasting wilde betalen en daarom [medeverdachte 2] op het verantwoordingsformulier heeft gezet. Over het tweede halfjaar van 2008 heeft ook verdachte geen zorg verleend, aldus [persoon 9] .20 Uit een brief van de dochter van [persoon 9] , [persoon 12] ( [persoon 12] ), gericht aan Dienst Zorg en Samenleven, volgt dat [persoon 12] is gebleken dat verdachte de verantwoording van het PGB niet op de juiste wijze deed. Op de verantwoordingsformulieren werden namen en geldbedragen vermeld, die niet conform de waarheid waren. [persoon 12] zou verdachte hiermee hebben geconfronteerd, waarop verdachte heeft geantwoord dat het normaal was dat bedragen en namen niet correspondeerden.21

Overige budgethouders

De rechtbank komt op grond van de besproken verklaringen tot het oordeel dat de inzake [persoon 2] en [persoon 9] ingediende verantwoordingsformulieren een onjuiste opgave van het aantal gewerkte uren bevatten. Uit het dossier volgt voorts dat ook andere verantwoordingsformulieren een onjuiste opgave bevatten. Zo is gebleken dat ten aanzien van verantwoordingsformulieren van budgethouders [persoon 13] ( [persoon 13] )22, [persoon 14] ( [persoon 14] )23, [persoon 15] ( [persoon 15] )24, [persoon 16] en [persoon 17] (familie [persoon 16 en 17] )25 en de familie [persoon 5 en 6]26 veelal namen staan vermeld van verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , terwijl uit onderzoek blijkt dat zij niet, dan wel aanzienlijk minder zorg hebben verleend dan op de verantwoordingsformulieren is aangegeven.

[persoon 18] ( [persoon 18] ), moeder van voornoemde [persoon 13] , heeft verklaard dat haar dochter een machtiging moest tekenen, waarmee zij verdachte machtigde27 om de PGB-gelden te ontvangen op een rekeningnummer op naam van verdachte. Voorts heeft zij verklaard dat de zorg door anderen dan verdachte, [medeverdachte 1] of [medeverdachte 2] is geleverd.28 Tijdens de periode waarin zorg werd verleend, heeft [persoon 13] presentielijsten bijgehouden. Hierop komt de naam van verdachte, [medeverdachte 1] of [medeverdachte 2] niet voor. De namen die wel op deze presentielijsten staan vermeld, komen weer niet voor op de verantwoordingsformulieren.29

Ten aanzien van de verantwoordingsformulieren op naam van budgethouder [persoon 14] , waar de namen van verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op staan vermeld, heeft [persoon 19] verklaard dat zij voor verdachte heeft gewerkt en dat verdachte geen zorg heeft verleend en [medeverdachte 2] helemaal niets heeft gedaan. Ook [persoon 11] heeft verklaard dat zij bij verdachte heeft gewerkt en dat verdachte geen zorg heeft verleend en bij budgethouders alleen de post heeft opgehaald.30 [persoon 14] heeft verklaard dat zij de verantwoordingsformulieren D-140 en D-141 niet heeft ingevuld en [medeverdachte 2] niet kent en hij dus ook geen zorg heeft verleend.31

Ten aanzien van budgethouder [persoon 15] is uit onderzoek gebleken dat een groot deel van de gedeclareerde zorg geen werkzaamheden betreffen waarvan de kosten ten laste van het PGB mochten worden gebracht. Voorts blijkt uit het PGB-dossier van [persoon 15] dat vanaf het eerste halfjaar van 2009 zorg is verleend door verdachte en [medeverdachte 2] . Blijkens het verantwoordingsformulier D-157 zou verdachte – conform het indicatiebesluit – in het tweede halfjaar van 2009 7 dagen per week, 7 uur per dag zorg hebben verleend aan [persoon 15] .32 Aangezien [persoon 15] 24 uur per dag zorg nodig had, zijn de overige 17 uren vanuit het privévermogen van [persoon 15] gefinancierd en heeft [medeverdachte 1] over de periode 23 februari 2009 tot en met 28 december 2009 (315 dagen, 5361 uren) 7 dagen per week voor 17 uur per dag een totaalbedrag van € 53.220,- betaald gekregen door de bewindvoerder van [persoon 15] uit het privévermogen van [persoon 15] .33 Naast dit hoge aantal gedeclareerde uren per dag gedurende 7 dagen per week over voornoemde lange periodes is in 2009 alleen al bij zorgkantoor Agis voor 26 andere budgethouders zorg verantwoord in verantwoordingsformulieren voor verdachte en [medeverdachte 1] voor bedragen van respectievelijk ruim € 222.000,- en € 93.000,-.34 Uitgaande van het eerder vermelde uurtarief van € 25,- betekent dit dat beiden op alle dagen per jaar naast de uren bij budgethouder [persoon 15] , gemiddeld respectievelijk 24 uur en 10 uur hebben gewerkt.

[persoon 20] , een vrijwilliger die met [persoon 15] iedere zondag ging wandelen, heeft verklaard dat hij bij [persoon 15] altijd een persoon aantrof met de voornaam [persoon 30] . Deze persoon verleende volgens [persoon 20] 24-uurs zorg aan [persoon 15] . Daarnaast is hij regelmatig een persoon met de voornaam [persoon 21] tegengekomen.35 [persoon 21] ( [persoon 21] ), de nicht van verdachte, heeft verklaard dat zij zorg heeft verleend aan [persoon 15] . Op de vraag of [medeverdachte 2] ook zorg heeft verleend aan [persoon 15] , heeft [persoon 21] ontkennend geantwoord.36 [persoon 22] ( [persoon 22] ), die dagelijks bij [persoon 15] kwam, heeft verklaard dat een persoon genaamd [persoon 30] vrijwel altijd aanwezig was en dat de gedeclareerde zorg niet of nauwelijks werd verleend door verdachte, [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] .37

Voor [persoon 17] zijn over de jaren 2009, 2010 en 2011 verantwoordingsformulieren ingediend bij zorgkantoor Agis. Over de periode 16 januari 2009 tot en met 30 juni 2009 hebben verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ieder voor € 5.556,50 zorg verantwoord. Verdachte heeft echter verklaard dat [medeverdachte 2] meer chauffeur was dan zorgverlener en dat zij alleen een beetje heeft geschoven met de bedragen.38 Verder zijn op het adres [adres, te plaats] , het adres van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , waar ook de eenmanszaak en vof [VOF 1] en [Stichting 1] stonden ingeschreven, een aantal verantwoordingsformulieren aangetroffen op naam van onder meer [persoon 21] en [persoon 8] . Uit onderzoek blijkt dat deze formulieren niet overeenkomen met de bij Agis bekende onderliggende facturen.39

De familie [persoon 5 en 6] heeft vanaf april 2009 tot 12 mei 2011 zorg gehad van [VOF 1] . Voor budgethouder mevrouw [persoon 6] zijn over de jaren 2009, 2010 en 2011 verantwoordingsformulieren ingediend. Voor budgethouder de heer [persoon 5] zijn over de jaren 2009 en 2010 verantwoordingsformulieren ingediend. Uit de verantwoordingsformulieren blijkt dat onder meer door verdachte, [medeverdachte 2] en [VOF 1] zorg is verantwoord, maar ook door [persoon 21] , het nichtje van verdachte.40 De budgethouders hebben verklaard dat verdachte alles heeft ingevuld en opgestuurd.41 Verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte 2] vooral haar chauffeur was, maar dat zij hem toch als zorgverlener heeft verantwoord om belastingtechnische redenen.42 [persoon 21] heeft verklaard dat zij in september 2010 is gestopt met het verlenen van zorg. Zij wordt echter wel op het verantwoordingsformulier op naam van mevrouw [persoon 6] over de eerste helft van het jaar 2011 vermeld voor een bedrag van bijna € 14.000,-.43 Op het adres van de budgethouders is op 12 mei 2011 [persoon 23] ( [persoon 23] ) aangetroffen.. [persoon 23] verbleef op dat moment illegaal in Nederland en verleende naar eigen zeggen sinds december 2010 24-uurs zorg bij de familie [persoon 5 en 6] . Op de verantwoordingsformulieren komt zij niet voor. Verdachte heeft verklaard dat [persoon 23] werd betaald vanuit het privévermogen van de familie [persoon 5 en 6] , maar het echtpaar [persoon 5 en 6] heeft verklaard dat [persoon 23] de enige was in huis, 24 uur per dag en alleen als zij even vrij was er een vrijwilliger kwam. Daarom gaat de rechtbank ervan uit dat de uren die op naam van [persoon 21] zijn gedeclareerd niet alleen uren zijn die door [persoon 23] zijn gewerkt, maar dat hiervoor ook een hoger bedrag door verdachten is ontvangen dan aan [persoon 23] (zwart) is uitbetaald.44

Nadere overweging

Uit voornoemde bewijsmiddelen volgt dat op de door verdachte opgemaakte verantwoordingsformulieren ten behoeve van de budgethouders, zorgverleners (waaronder verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ) zijn vermeld die geen zorg hebben verleend en dat er PGB-gelden bij verdachte, [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] terecht zijn gekomen, terwijl geen of (veel) minder zorg door hen is verleend dan op basis van de betaalde bedragen had gemoeten. Hiermee staat de valsheid van deze verantwoordingsformulieren vast. Deze verantwoordingsformulieren dienen als basis voor de definitieve vaststellingsbesluiten PGB van de zorgkantoren. Doel en strekking van deze formulieren binnen het maatschappelijk verkeer is dan ook dat zij voor alle betrokkenen als bewijs dienen voor de hoeveelheid geld die is besteed aan daadwerkelijk verleende zorg. De in het voorgaande beschreven verantwoordingsformulieren doen dat niet en zijn daarom vals.

Uit het dossier leidt de rechtbank af dat de verantwoordingsformulieren grotendeels door verdachte zijn ingevuld en opgestuurd naar de zorgkantoren. Verdachte heeft hierover zelf verklaard dat zij verantwoordingsformulieren inderdaad heeft ingevuld. Zij wist dan ook dat deze verantwoordingsformulieren onjuist waren, wat zij ook, voor wat betreft in ieder geval [medeverdachte 2] , heeft bekend.

Machtigingen en arbeidsovereenkomsten

Tot medio 2009 was het mogelijk dat budgethouders hun zorgverlener machtigden. Deze machtiging hield onder meer in dat de zorgverlener de voorschotten PGB rechtstreeks op diens bankrekening ontving. Vanaf medio 2009 kon het PGB niet meer rechtstreeks worden uitbetaald op het rekeningnummer van de gemachtigde, maar werd het alleen nog maar uitbetaald op het rekeningnummer van de budgethouder. Wel bestond de mogelijkheid tot ‘opting-in’; de zorgverlener machtigt dan het SVB Servicecentrum PGB om de loonheffing en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet direct af te dragen.

In het dossier bevinden zich op naam van budgethouder [persoon 24] ( [persoon 24] )45 twee machtigingen voor opting-in. Op deze machtigingen staan respectievelijk verdachte en [medeverdachte 2] als zorgverlener vermeld, met als ingangsdatum 1 januari 2010.46 Voorts bevinden zich in het dossier twee arbeidsovereenkomsten tussen [persoon 24] en respectievelijk verdachte en [medeverdachte 2] , beide ondertekend op 1 januari 2010.47

Uit een brief op naam van [persoon 24] aan de SVB van 30 maart 2010 blijkt dat [persoon 24] na haar vertrek uit verpleeghuis [verpleeghuis 1] in contact is gekomen met verdachte als zorgverlener van [VOF 1] . Verdachte zou vanaf 29 april 2009 zorg verlenen bij [persoon 24] , maar hier is niet veel van terecht gekomen. Na een gesprek tussen [persoon 24] , verdachte en een maatschappelijk werker, is afgesproken dat per 1 januari 2010 de zorg zou worden beëindigd. Na 1 januari 2010 heeft [VOF 1] geen zorg meer verleend, dit alles aldus [persoon 24] . Na 1 januari 2010 heeft [persoon 24] nog wel salarisstroken ontvangen van de SVB voor de maanden januari, februari en maart 2010, met daarop vermeld de namen van verdachte en [medeverdachte 2] .48

Uit een bankafschrift van de bankrekening op naam van [persoon 24] blijkt dat op 18 maart 2010 drie keer een geldbedrag is afgeschreven door het SVB Servicecentrum PGB. Het betreffen de facturen met nummer 1495382, 1495383 en 1495384. Op bankafschriften van bankrekeningen op naam van respectievelijk verdachte en [medeverdachte 2] – dezelfde rekeningnummers die door hen zijn opgegeven in de arbeidsovereenkomsten – is te zien dat op 26 maart 2010 bedragen van respectievelijk ruim € 4.600,- en € 4.500,- zijn bijgeschreven met als omschrijving jan’ 10 ref: 1495382, febr’ 10 ref: 1495383 en mrt’ 10 ref: 1495384.49

Aan verdachte is gevraagd of zij de machtigingen en arbeidsovereenkomsten, die met behulp van weglakmiddel zijn gewijzigd, heeft veranderd. Verdachte antwoordde dat zij de documenten heeft ingevuld, haar handtekening onderaan D-239 en D-242 heeft gezet en ten aanzien van D-231, D-241 en D-242 de datum met weglakmiddel heeft gewijzigd naar 1 januari 2010. Voorts heeft verdachte verklaard dat [medeverdachte 2] zijn handtekening op D-231 heeft gezet en aanwezig was toen verdachte de arbeidsovereenkomst (D-241) tussen [persoon 24] en [medeverdachte 2] invulde.50

Nadere overweging

Verdachte heeft erkend dat zij met gebruikmaking van weglakmiddel op reeds bestaande documenten de datum van 1 oktober 2009 naar 1 januari 2010 heeft gewijzigd. Zij heeft ter zitting verklaard dat het invullen van deze documenten in overleg met [persoon 24] heeft plaatsgevonden en dat in de maanden januari, februari en maart 2010 wel degelijk zorg is geleverd. De reden om gebruik te maken van weglakmiddel was omdat hierdoor geen nieuwe documenten bij de SVB hoefden te worden opgevraagd.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte ongeloofwaardig. [persoon 24] heeft per brief van 30 maart 2010 aan de SVB – vrijwel direct nadat zij heeft geconstateerd dat door het SVB Servicecentrum PGB drie keer een geldbedrag van haar bankrekening heeft afgeschreven – gemeld dat met ingang van 1 januari 2010 de zorg was beëindigd en dat feitelijk na 1 januari 2010 geen zorg meer was verleend door [VOF 1] . Blijkens die brief heeft verdachte zich in eerste instantie niet op het standpunt gesteld dat zij na 1 januari 2010 nog zorg had verleend, maar heeft zij gezegd dat het contract niet was opgezegd. Ongeloofwaardig is daarom het later ingenomen standpunt dat zij die zorg wel verleend zou hebben. Nu niet aannemelijk is dat er na 1 januari 2010 nog zorg door verdachte en/of haar medeverdachten is verleend, is ook onaannemelijk dat verdachte in overleg met [persoon 24] heeft gekozen voor het gebruiken van weglakmiddel. De aldus gewijzigde documenten kwamen immers niet overeen met de wens van [persoon 24] . De conclusie moet dan ook zijn dat door de wijziging van de datum met weglakmiddel sprake is van vervalste documenten. Verdachte en [medeverdachte 2] hebben door hun handelen de indruk gewekt dat tussen hen en [persoon 24] een arbeidsovereenkomst bestond en dat met haar toestemming het SVB Servicecentrum PGB was gemachtigd voor opting-in. Op deze wijze hebben verdachte en [medeverdachte 2] , zonder dat mevrouw [persoon 24] daarvan op de hoogte was, via het SVB meerdere geldbedragen op hun bankrekening ontvangen.

Conclusie

De verantwoordingsformulieren, machtigingen en arbeidsovereenkomsten zijn geschriften. Deze geschriften zijn bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen. Immers, aan de hand van deze geschriften kunnen zorgkantoren controleren op welke wijze budgethouders hun PGB-gelden hebben besteed en verantwoord.

Ten aanzien van de onder 1 ten laste gelegde geschriften komt de rechtbank op basis van bovenstaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, tot het oordeel dat verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] genoemde geschriften valselijk heeft opgemaakt, dan wel heeft vervalst en tevens het oogmerk heeft gehad deze geschriften als echt en onvervalst te gebruik. De rechtbank is van oordeel dat feit 1 wettig en overtuigd is bewezen.

4.3.5.2. Ten aanzien van feit 2, verduistering

Uit de aangifte van zorgkantoor Agis volgt dat na het overlijden van vijf budgethouders, hun PGB voorschotten zijn uitgekeerd op rekeningnummer [rekeningnummer 1] . Deze bankrekening staat op naam van [medeverdachte 1] .51 [medeverdachte 1] heeft verklaard dat dit de bankrekening van [VOF 1] betreft. De bankpas, behorende bij deze bankrekening, lag volgens [medeverdachte 1] of op het adres [adres, te plaats] , of was in het bezit van verdachte.52 Verdachte heeft verklaard dat zij ook over deze rekening kon beschikken.53

Uit overzichten van zorgkantoor Agis volgt het volgende:

  • -

    Na het overlijden van budgethouder [persoon 25] op 18 oktober 2008 is een PGB voorschot uitgekeerd van € 23.917,49;

  • -

    Na het overlijden van budgethouder [persoon 26] op 28 februari 2008 is een PGB voorschot uitgekeerd van € 13.054,46;

  • -

    Na het overlijden van budgethouder [persoon 27] op 28 februari 2009 is een PGB voorschot uitgekeerd van € 2.311,68;

  • -

    Na het overlijden van budgethouder [persoon 28] op 11 april 2008 is een PGB voorschot uitgekeerd van € 48.777,57;

  • -

    Na het overlijden van budgethouder [persoon 29] op 22 oktober 2008 is een PGB voorschot uitgekeerd van € 30.239,05.54

Het zorgkantoor Agis heeft [medeverdachte 1] hierover schriftelijk benaderd. [medewerker Agis] , medewerker van Agis, heeft verklaard dat uit de schriftelijke beantwoording viel op te maken dat zij ‘na het overlijden van de budgethouders niet langer gemachtigd is’55 en dat geen voorschotten zijn terugbetaald. Vanuit het zorgkantoor zijn (per aangetekende post) meerdere brieven verstuurd naar het adres [adres, te plaats] , waarin melding wordt gemaakt dat zorgkantoor Agis een vordering heeft op [medeverdachte 1] , omdat zij als zorgverlener en gemachtigde van de budgethouders was opgetreden en de PGB-gelden op haar bankrekening heeft ontvangen.56 Bij de doorzoeking op het adres [adres, te plaats] is een grote hoeveelheid documenten in beslag genomen, waaronder voormelde brieven.57 Ter zitting heeft verdachte verklaard dat zij niet weet waarom deze gelden niet zijn terugbetaald.

Nadere overweging

Van verduistering is sprake indien een persoon, zonder daartoe gemachtigd te zijn, als heer en meester beschikt over een goed dat aan een ander toebehoort. Van zodanig beschikken kan, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, onder meer sprake zijn indien aan een ander dan verdachte toebehorende gelden aan verdachte zijn overgemaakt met een bepaald, al dan niet contractueel vastgelegd doel en verdachte deze gelden tegen de afspraken in beheert of voor andere doeleinden heeft aangewend, dan wel indien teruggave van die gelden door verdachte onmogelijk is gemaakt of aanmerkelijk is bemoeilijkt.

In onderhavig geval heeft het zorgkantoor Agis na het overlijden van de budgethouders, voorschotten PGB uitbetaald op een bankrekening op naam van [medeverdachte 1] . Zowel verdachte als [medeverdachte 1] konden over deze bankrekening beschikken. De voorschotten zijn uitbetaald op basis van de eerder door CIZ vastgestelde indicatiestelling, maar zijn niet gebruikt voor het financieren van zorg. Immers, na het overlijden van de budgethouders is geen zorg meer verleend.

Gelet op het feit dat verdachte en [medeverdachte 1] voor deze budgethouders zijn opgetreden als zorgcoördinator dan wel zorgverlener, kan het niet anders zijn dan dat zij wisten dat de budgethouders waren overleden. Ondanks meerdere brieven van zorgkantoor Agis, hebben verdachte en [medeverdachte 1] tot op heden de onterecht uitgekeerde PGB voorschotten niet terugbetaald.

Het zorgkantoor Agis is niet tijdig op de hoogte gebracht van het overlijden van de budgethouders, waardoor het uitbetalen van PGB voorschotten niet is gestopt. Deze PGB voorschotten zijn, ook na overlijden, op basis van de eerder door CIZ vastgestelde indicatiestelling uitbetaald. Daarmee zijn de voorschotten onverschuldigd maar niet onrechtmatig uitbetaald. Gelet hierop, is de rechtbank van oordeel dat verdachte de geldbedragen anders dan door misdrijf onder zich heeft gekregen.

Conclusie

Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat verdachte en [medeverdachte 1] de gelden anders hebben aangewend dan waarvoor zij zijn uitgekeerd, waardoor sprake is van verduistering van die geldbedragen in vereniging, gepleegd uit hoofde van hun beroep.

4.3.5.3. Ten aanzien van feit 3, mensensmokkel

[persoon 30]

Op 12 juni 2012 vindt in het kader van het strafrechtelijk onderzoek tegen onder meer verdachte een doorzoeking plaats op het adres van de budgethouders [persoon 16 en 17] en [persoon 17] . Naast voornoemde budgethouders en verdachte is op dit adres ook [persoon 30] ( [persoon 30] ) in een kamer op de eerste verdieping aangetroffen. Tijdens de doorzoeking zijn veel persoonlijke spullen aangetroffen van [persoon 30] . In de jaszak van [persoon 30] is een sleutel aangetroffen, waarvan is vastgesteld dat dit de huissleutel betrof van voornoemd adres. Ook zijn op haar telefoon foto’s gevonden van het echtpaar [persoon 16 en 17] .58

[persoon 30] heeft verklaard dat zij verdachte expliciet heeft verteld dat ze illegaal in Nederland verbleef. Ook heeft zij verklaard dat zij geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft en regelmatig met verdachte bij budgethouders is geweest en dat zij en verdachte boezemvriendinnen zijn.59 De getuige [persoon 22] , die dagelijks in de naast de woning van [persoon 15] gelegen manage aanwezig was, heeft verklaard dat bij [persoon 15] vrijwel altijd een persoon, genaamd [persoon 30] , aanwezig was.60 Haar verklaring wordt bevestigd door de verklaring van [persoon 21] .61 Budgethouder [persoon 6] heeft verklaard dat [persoon 30] bij hen heeft gewerkt en in haar woning heeft geslapen.62 Tot slot hebben [medeverdachte 1] en [persoon 31] ( [persoon 31] ) verklaard dat [persoon 30] 24-uurs zorg leverde bij de familie [persoon 16 en 17] .63

Hoewel [persoon 30] heeft verklaard dat zij niet voor verdachte werkte en ook geen salaris van haar heeft ontvangen, blijkt uit een winst- en verliesopstelling over de jaren 2008 en 2009 dat aan [persoon 30] respectievelijk € 12.787,65 en € 13.263,80 is betaald.64 Voorts blijkt uit rekeningafschriften de bankrekening op naam van [medeverdachte 1] dat meerdere betalingen zijn verricht aan [persoon 30] , waarbij in twee gevallen is vermeld “decl. aug 2008” en “decl. sept. 2008”.65

Uit informatie van het Bureau Bijzonder Onderzoek Immigratie- en Naturalisatiedienst blijkt dat de status van [persoon 30] op 9 mei 2006 onrechtmatig is geworden.66

[persoon 23]

Op 12 mei 2011 heeft de politie, samen met een sociaalpsychiatrisch verpleegkundige, een bezoek gebracht aan het adres van de familie [persoon 5 en 6] . De deur werd geopend door een vrouw die zich voorstelde als [persoon 21] . Zij verklaarde dat ze werkzaam was in de thuiszorg, bij de familie [persoon 5 en 6] 24-uurs zorg verleende en haar salaris van verdachte van het bedrijf [VOF 1] ontving67. Uit nader onderzoek bleek de vrouw in werkelijkheid te zijn genaamd [persoon 23] . [persoon 23] verklaarde illegaal in Nederland te verblijven en geen vaste woon- of verblijfplaats te hebben. Verdachte zou tegen haar hebben gezegd dat zij zich moest voordoen als [persoon 21] .68

[persoon 21] , de nicht van verdachte, heeft verklaard dat zij [persoon 23] kent van de familie [persoon 5 en 6] en dat [persoon 23] 24-uurs zorg verleende bij deze familie.69 Dit wordt ondersteund door de verklaring van mevrouw [persoon 6] .70

Bij de FIOD en bij de rechter-commissaris heeft [persoon 23] verklaard dat zij bij de familie [persoon 5 en 6] inwoonde en voor verdachte werkte. Ook zou zij tegen verdachte hebben verteld dat zij illegaal in Nederland verbleef. [persoon 23] had met verdachte afgesproken per maand € 1.200,- te verdienen, maar kreeg meestal tussen de € 300,- en € 700,- contant van verdachte overhandigd.71

Uit informatie van het Bureau Bijzonder Onderzoek Immigratie- en Naturalisatiedienst blijkt dat de status van [persoon 23] op 12 mei 2011 onrechtmatig was.72

Nadere overweging

Niet in geschil is dat [persoon 30] sinds 9 mei 2006 en [persoon 23] op 12 mei 2012 zich onrechtmatig in Nederland bevonden. Voorts volgt uit de inhoud van het dossier dat onder meer [persoon 30] en [persoon 23] zorg hebben geleverd, terwijl zij niet op de naar de zorgkantoren verstuurde verantwoordingsformulieren staan vermeld.

De rechtbank leidt uit vorenstaande bewijsmiddelen af dat zowel [persoon 30] als [persoon 23] in de periode van 1 augustus 2008 tot en met 12 mei 2012 met grote regelmaat werkzaamheden hebben verricht voor verdachte en dat zij hiervoor ook betaald zijn. De inhoud van deze bewijsmiddelen spreken de verklaring van verdachte, namelijk dat zij [persoon 30] en [persoon 23] geen arbeid heeft laten verrichten tegen betaling en inwoning, tegen.

De rechtbank overweegt dat het bestanddeel ‘behulpzaam zijn bij’ in artikel 197a Sr moet worden uitgelegd als in artikel 48 Sr. Het gaat er om of de betrokkene het (verdere) verblijf in Nederland van de vreemdeling in enigerlei opzicht bevordert of gemakkelijk maakt. Naar het oordeel van de rechtbank is dat in de onderhavige zaak het geval. Verdachte heeft, als zorgcoördinator van [VOF 1] , illegaal in Nederland verblijvende personen tewerkgesteld. De zorg die door [persoon 30] en [persoon 23] is geleverd, heeft verdachte onder de naam van andere zorgverleners bij zorgkantoren gedeclareerd. Hierdoor zijn [persoon 30] en [persoon 23] buiten het zicht van de zorgkantoren, maar ook overheidsinstanties gehouden.

Voorts volgt uit het dossier dat vanuit [VOF 1] 24-uurs zorg is aangeboden. Uit diverse verklaringen blijkt dat [persoon 30] en [persoon 23] inwonend waren bij budgethouders, alwaar zij 24-uurs zorg hebben verleend. Aangezien [persoon 30] en [persoon 23] zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland verbleven, is voor hen op deze wijze een woonruimte gecreëerd alwaar zij konden verblijven. Tot slot blijkt dat verdachte [persoon 30] en [persoon 23] heeft betaald voor hun werkzaamheden. Het ‘uurloon’ dat zij ontvingen, was echter aanzienlijk lager dan het uurtarief dat verdachte bij zorgkantoren in rekening bracht. Desalniettemin zijn [persoon 30] en [persoon 23] door deze gelden in staat gesteld hun verblijf in Nederland te financieren. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, dan ook van oordeel dat verdachte [persoon 30] en [persoon 23] behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland.

De stelling van de raadsvrouw dat [persoon 30] en [persoon 23] reeds jarenlang onrechtmatig in Nederland verbleven en tevens hulp hebben gehad van partners, familieleden en kennissen, doet aan de strafrechtelijke verwijtbaarheid van het handelen van verdachte niet af.

De rechtbank stelt voorts vast dat zowel [persoon 30] als [persoon 23] geen regulier loon ontvingen voor hun werkzaamheden. Verdachte had aldus de beschikking over twee goedkope, niet geregistreerde arbeidskrachten, waarvoor zij eveneens geen loonbelasting of premies hoefde af te dragen. Indien verdachte [persoon 30] en [persoon 23] op legale wijze in dienst had genomen, waren de feitelijke loonkosten van verdachte en [VOF 1] aanmerkelijk hoger geweest. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat van winstbejag reeds sprake is, indien beoogd wordt enig voordeel te genieten, bijvoorbeeld het voordeel dat voortvloeit uit om niet verrichte werkzaamheden.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij niet wist dat [persoon 30] en [persoon 23] onrechtmatig in Nederland verbleven. Gelet op de hiervoor besproken omstandigheden waaronder [persoon 30] en [persoon 23] tewerk zijn gesteld door verdachte, zij niet op verantwoordingsformulieren aan zorgkantoren staan vermeld en de verklaringen van [persoon 30] en [persoon 23] dat zij verdachte hebben verteld dat zij illegaal in Nederland verbleven, acht de rechtbank de verklaring van verdachte ongeloofwaardig. De rechtbank leidt hieruit juist af dat verdachte wel degelijk bekend was met het feit dat [persoon 30] en [persoon 23] illegaal in Nederland verbleven en dat zij voor eigen financieel gewin hen heeft ingezet om goedkope zorg te verlenen.

Nu [persoon 30] en [persoon 23] ten aanzien van onderhavig feit niets hebben verklaard over de betrokkenheid van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en uit de overige bewijsmiddelen eveneens niet blijkt waar de rechtstreekse betrokkenheid van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bij dit feit uit heeft bestaan, is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde medeplegen niet kan worden bewezen.

Conclusie

Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden, die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het haar onder 3 primair ten laste gelegde feit.

4.3.5.4. Ten aanzien van feit 4, witwassen

Over de periode van 1 december 2007 tot en met september 2011 hebben verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op zeven verschillende bankrekeningen in totaal € 2.390.746,83 aan PGB-gelden ontvangen.73 In de periode 1 december 2007 tot en met 7 juni 2012 is in totaal

€ 1.191.384,90 contant van deze bankrekeningen opgenomen.74

In totaal is van een bankrekening op naam van verdachte in de periode van mei 2009 tot en met juni 2012 een contant geldbedrag van € 173.080,- opgenomen.75 Van de bankrekeningen op naam van [medeverdachte 1] is over de periode december 2007 tot en met mei 2012 een geldbedrag van € 573.896,15 contant opgenomen.76 Van de bankrekening op naam van [medeverdachte 2] is in de periode van december 2007 tot en met juni 2012 een contant geldbedrag van € 370.928,13 opgenomen.77 Tot slot is van de bankrekening met betrekking tot [VOF 1] in de periode van april 2010 tot en met september 2011 een contant geldbedrag van € 73.480,- opgenomen.78

Nadere overweging

Uit de inhoud van het dossier volgt dat verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en/of [VOF 1] zorg hebben verleend aan budgethouders, alleen niet voor de uren en bedragen zoals die middels verantwoordingsformulieren aan Zorg en Zekerheid en Agis zijn opgegeven. Doordat verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] een onjuiste administratie hebben gevoerd en – zoals onder feit 1 bewezen – ten aanzien van de urenverantwoording gebruik hebben gemaakt van door hen valselijk opgemaakte verantwoordingsformulieren, valt niet meer te achterhalen wat zij daadwerkelijk aan zorg hebben verleend. De rechtbank leidt uit de inhoud van het dossier af dat de door hen verleende zorg echter in geen verhouding staat tot de door hen in totaal ontvangen PGB-gelden. Op basis daarvan stelt de rechtbank vast dat een substantieel deel van de totaal ontvangen PGB-gelden afkomstig is uit misdrijf.

De omstandigheid dat een deel van de PGB-gelden daadwerkelijk ziet op door hen verleende zorg, doet niet af aan het oordeel dat ten aanzien van het gehele ten laste gelegde bedrag sprake is van witwassen, nu uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat, wanneer van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen zijn vermengd met vermogensbestanddelen uit legale activiteiten, het aldus vermengde vermogen kan worden aangemerkt als geheel uit misdrijf afkomstig.

Gelet op de bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde, zijn verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] door het plegen van valsheid in geschrift en verduistering in het bezit gekomen van het ten laste gelegde geldbedrag, waarover zij ook konden beschikken. De rechtbank merkt in dit verband op dat voor bewezenverklaring van witwassen sprake moet zijn van gedragingen die meer omvatten dan het enkele voorhanden hebben van die gelden en die gericht zijn op of het karakter hebben van een daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die gelden (ECLI:NL:HR:2014:702).

De raadsvrouw heeft gesteld dat geen sprake is geweest van verhullingshandelingen, omdat het contant opnemen van geldbedragen niet als zodanig kan worden aangemerkt. Hierdoor kan de ten laste gelegde gedraging niet als witwassen worden gekwalificeerd, zodat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Uit het dossier volgt dat verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] het geldbedrag van

€ 1.191.384,90 via geldautomaten hebben opgenomen, terwijl die opnames niet zijn verantwoord in de administratie. Verdachte had met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hierdoor de gelden voorhanden, die afkomstig waren uit hun eigen misdrijf. Het opnemen van geld via een geldautomaat kan worden geduid als ‘omzetten’ in de betekenis van artikel 420bis, eerste lid sub b Sr. De handeling moet naar het oordeel van de rechtbank worden beschouwd als een handeling die erop is gericht ‘om de criminele opbrengsten veilig te stellen’. Immers, door deze handeling is sprake van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijke verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Het contant opgenomen geld is nadien immers ook uit het zicht verdwenen. Op een situatie als deze is de

kwalificatieuitsluitingsgrond niet van toepassing.

Conclusie

Verdachte, haar dochter [medeverdachte 1] en haar partner [medeverdachte 2] , tevens vennoten van [VOF 1] , moeten – mede in het licht van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde – hebben geweten dat zij (deels) geen recht hadden op de PGB-gelden die op hun bankrekeningen zijn uitgekeerd. Door het – gedeeltelijk – contant opnemen van deze onterecht uitgekeerde PBG-gelden hebben zij zich tezamen en in vereniging schuldig gemaakt aan witwassen.

4.3.5.5. Ten aanzien van feit 5, deelname aan een criminele organisatie

Volgens vaste jurisprudentie wordt onder een criminele organisatie in de zin artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht een samenwerkingsverband verstaan met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. De rechtbank is van oordeel dat in de ten laste gelegde periode sprake was van een samenwerkingsverband van verdachte en haar mededaders dat aangemerkt moet worden als een criminele organisatie in bovenbedoelde zin.

Uit de bewijsmiddelen79 volgt dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en verdachte, hiertoe gedurende een langere periode regelmatig hebben samengewerkt. Het gemeenschappelijk oogmerk hierbij was het ontvangen en declareren van PGB-gelden, terwijl hieraan door verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] valselijk opgemaakte en vervalste geschriften ten grondslag lagen. Met deze geschriften is de indruk gewekt dat er conform het (maximaal) geïndiceerde aantal uren zorg was, of zou worden verleend door de zorgverleners die op deze geschriften stonden vermeld, terwijl dat in werkelijkheid niet het geval was.

De PGB-gelden zijn – onder meer – uitbetaald op bankrekeningen op naam van verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , waarna deze geldbedragen voor een groot gedeelte contant door hen zijn opgenomen. Deze PGB-gelden zijn niet of niet geheel besteed aan het doel waarvoor zij waren uitgekeerd, maar onder verdachte en haar mededaders verdeeld.

Verdachte was primair verantwoordelijk voor de administratie en het valselijk opmaken van de geschriften en had kennis van het aanvragen van PGB’s. Ook [medeverdachte 1] bemoeide zich met het voeren van administratie en ook zij was bekend met de regels omtrent de administratie en uitbetaling van PGB’s.80 [medeverdachte 1] heeft tevens gedurende een lange periode aanzienlijke geldbedragen op haar bankrekeningen ontvangen en daarvan grote delen contant opgenomen of laten opnemen, terwijl zij wist dat deze bedragen (tenminste gedeeltelijk) ten onrechte waren uitgekeerd. Blijkens de inhoud van het dossier komt [medeverdachte 2] naar voren als de chauffeur van onder meer verdachte en [medeverdachte 1] . Meerdere budgethouders hebben verklaard dat [medeverdachte 2] geen of nauwelijks zorg heeft verleend. Desondanks blijkt uit onderzoek van de zorgkantoren Zorg en Zekerheid en Agis dat [medeverdachte 2] over het jaar 2009 (365 dagen) meer dan 18 uur per dag zou hebben gewerkt en dat hij gedurende een lange periode grote geldbedragen aan PGB op zijn bankrekening heeft ontvangen. Hiertoe heeft hij, zo blijkt uit het dossier, zijn gegevens beschikbaar gesteld en handtekeningen op valselijk opgemaakte of vervalste geschriften gezet. Dat hij ook overigens van hetgeen in de onderneming plaatsvond op de hoogte was leidt de rechtbank af uit het feit dat [medeverdachte 2] samen met verdachte bij de boekhouder verscheen voor besprekingen.81

De rechtbank acht het samenwerkingsverband daarnaast ook voldoende duurzaam om te kunnen spreken van een organisatie, nu verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zich gedurende een aantal jaren en met een zekere frequentie bezighielden met het plegen van misdrijven. Hieruit volgt dat het oogmerk van deze organisatie er op was gericht om op basis van valselijk opgestelde en vervalste geschriften op grote schaal PGB-gelden, te declareren, te ontvangen en wit te wassen.

Verdachte heeft een aandeel gehad in dit samenwerkingsverband en gedragingen verricht die strekten tot de verwezenlijking van het oogmerk van deze organisatie. Ook kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat verdachte opzet heeft gehad op het deelnemen aan die criminele organisatie. Voor een nadere onderbouwing van deze bewezenverklaring verwijst de rechtbank voorts naar hetgeen hierboven ten aanzien van de valsheid in geschrift, verduistering en het witwassen is overwogen.

Conclusie

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank bewezen acht dat verdachte samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven.

4.3.5.6. Ten aanzien van feit 6, onjuiste aangiften inkomstenbelasting

Verdachte heeft op 31 maart 2010 de aangifte Inkomstenbelasting over het jaar 2008 ingediend en op 22 april 2010 de aangifte Inkomstenbelasting over het jaar 2009.82 Op 21 februari 2011 heeft de Belastingdienst een tweede aangifte Inkomstenbelasting over het jaar 2009 ten name van verdachte ontvangen.83

Over het jaar 2008 heeft verdachte een bruto resultaat uit werkzaamheden van € 55.963,- opgegeven, terwijl uit onderzoek van de zorgkantoren Zorg en Zekerheid en Agis blijkt dat zij over het jaar 2008 een bedrag van € 176.062,14 aan vergoedingen heeft ontvangen.84 Ten aanzien van het jaar 2009 heeft verdachte een bedrag van € 217.995,61 aan vergoedingen ontvangen.85 Uit de aangifte Inkomstenbelasting van 22 april 2010 volgt echter dat verdachte een resultaat uit werkzaamheden van € 44.569,- heeft opgegeven. In de tweede aangifte Inkomstenbelasting over het jaar 2009, ontvangen op 21 februari 2011, staat een inkomen van € 131.968,- vermeld.86

De aangiften Inkomstenbelasting 2008 en de eerste aangifte Inkomstenbelasting over 2009 zijn ingediend door [persoon 32] ( [persoon 32] ). De tweede aangifte Inkomstenbelasting 2009 is ingediend door [persoon 33] ( [persoon 33] ). Zowel [persoon 32] als [persoon 33] hebben verklaard dat zij de aangiften hebben ingevuld op basis van de door verdachte aangeleverde informatie.87 [persoon 32] heeft verdachte er zelfs op gewezen dat de aangiften onvolledig waren.88

Verdachte stelt dat zij voor het doen van de aangiften Inkomstenbelasting alle documenten aan [persoon 32] en [persoon 33] heeft overhandigd op basis waarvan zij aangifte konden doen. Verdachte heeft voorts verklaard dat de administratie een puinhoop was.

Nadere overweging

Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat verdachte wel verantwoordelijk kan worden gehouden voor het doen van onjuiste belastingaangifte.

De rechtbank neemt aan dat de onjuiste belastingaangiften feitelijk door derden zijn ingediend. De vraag die dan voorligt is of verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het doen van deze onjuiste aangiften.

De stelling dat [persoon 32] en [persoon 33] hebben nagelaten om – op basis van onvolledige gegevens – juiste aangifte van inkomstenbelasting te doen, verontschuldigt verdachte dan ook niet. Zelfs indien de rechtbank verdachte op dit punt zou volgen, dan nog geldt dat verdachte op de hoogte kon zijn van de onvolledigheid van de gegevens die aan de aangifte inkomstenbelasting ten grondslag lagen nu zij zelf verklaart dat de administratie een puinhoop was. Het was haar verantwoordelijkheid haar administratie zo te ordenen dat zij de gegevens kon aanleveren waarmee een juiste belastingaangifte kon worden gedaan.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat verdachte wist dat er sprake was van onjuiste aangiften inkomstenbelasting over de tijdvakken 2008 en 2009. Het onder 6 ten laste gelegde kan dan ook worden bewezen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte,

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde,

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2007 tot en met 7 juni 2012 te Almere en Amsterdam, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, telkens

A) een groot aantal verantwoordingsformulieren en een aantal machtigingen en

arbeidsovereenkomsten (OPV-1 pagina 52-55), waaronder:

1.) de machtigingen opgenomen in het dossier als D-231 en D-239 en

2.) de verantwoordingsformulieren opgenomen in het dossier als D-063 en D-064 en D-208 en

3.) de arbeidsovereenkomsten opgenomen in het dossier als D-241 en D-242,

telkens zijnde een geschrift bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen,

telkens valselijk hebben opgemaakt of hebben vervalst,

bestaande die valsheid of vervalsing telkens hierin dat - zakelijk weergeven – verdachte en haar mededaders telkens in die

1.) machtigingen hebben doen voorkomen dat de daarop vermelde budgethouder deze zelf heeft opgemaakt, terwijl dit niet het geval is en

2.) verantwoordingsformulieren hebben vermeld en doen voorkomen dat de opgegeven gewerkte uren, door zorgverleners zijn gewerkt, terwijl de daadwerkelijk gewerkte uren minder zijn of helemaal niet zijn gewerkt of de namen van de daarop genoemde zorgverleners niet de namen zijn van degenen die daadwerkelijk zorg hebben verleend (AH-065 tot en met AH-067, AH-074 tot en met AH-077) en

3.) arbeidsovereenkomsten hebben vermeld en doen voorkomen dat deze zijn opgemaakt met instemming van de daarin genoemde budgethouder, terwijl de budgethouder hier geen weet van had en de datum is gewijzigd door gebruik van weglakmiddel,

zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te doen gebruiken;

en

B) opzettelijk gebruik hebben gemaakt van en hebben afgeleverd en voorhanden hebben gehad, een groot aantal verantwoordingsformulieren en een aantal machtigingen en

arbeidsovereenkomsten (OPV-l pagina 52), waaronder:

1.) de machtigingen opgenomen in het dossier als D-231 en D-239 en

2.) de verantwoordingsformulieren opgenomen in het dossier als D-063 en D-064 en D-208 en

3.) de arbeidsovereenkomsten opgenomen in het dossier als D-241 en D-242,

telkens zijnde een geschrift bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen,

terwijl verdachte en haar mededaders telkens wisten dat die geschriften telkens bestemd waren voor gebruik als waren deze echt en onvervalst;

bestaande die valsheid of vervalsing telkens hierin dat - zakelijk weergeven – verdachte en haar mededaders telkens in die

1.) machtigingen hebben doen voorkomen dat de daarop vermelde budgethouder deze zelf heeft opgemaakt, terwijl dit niet het geval is en

2.) verantwoordingsformulieren hebben vermeld en doen voorkomen dat de opgegeven gewerkte uren, door zorgverleners zijn gewerkt, terwijl de daadwerkelijk gewerkte uren minder zijn of helemaal niet zijn gewerkt of de namen van de daarop genoemde zorgverleners niet de namen zijn van degenen die daadwerkelijk zorg hebben verleend (AH-065 tot en met AH-067, AH-074 tot en met AH-077) en

3.) arbeidsovereenkomsten hebben vermeld en doen voorkomen dat deze zijn opgemaakt met instemming van de daarin genoemde budgethouder, terwijl de budgethouder hier geen weet van had en de datum is gewijzigd door gebruik van weglakmiddel,

en

bestaande het gebruik maken en het afleveren van voornoemde valse of vervalste machtigingen en verantwoordingsformulieren en arbeidsovereenkomsten telkens hierin dat verdachte en haar mededaders deze documenten ter verantwoording van voorgeschoten PGB-budgetten hebben overgelegd aan Agis en Zorg en Zekerheid,

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde,

in de periode van 28 februari 2008 tot en met 13 maart 2009 te Almere en Amsterdam, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk telkens geldbedragen (AH-057), in totaal 183.700,26 euro, te weten:

1.) 23.917,49 euro (D-410, D-454) en

2.) 13.054,46 euro (D-356, D-411) en

3.) 2.311,68 euro (D-412, D-455) en

4.) 48.777,57 euro (D-21O, D-413) en

5.) 30.239,05 euro (D-216, D-418),

die geheel toebehoorden aan een ander dan aan verdachte en haar mededader, en

welke geldbedragen verdachte en haar mededader telkens uit hoofde van hun beroep als zorgverlener/zorgcoördinator, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich hadden, telkens wederrechtelijk zich hebben toegeëigend,

ten aanzien van het onder 3 primair ten laste gelegde,

in de periode van 1 augustus 2008 tot en met 12 mei 2012 te Almere en Amsterdam, in elk geval in Nederland,

bij wijze van beroep, te weten in de capaciteit van zorgcoördinator, anderen (AH-072), te weten:

2.) [persoon 30] (AH-044, G-043, D-509, D-598,) en

3.) [persoon 23] (AH-006, G-04, D-509, D-598),

uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het verblijven in Nederland, terwijl zij, verdachte, wist dat dat verblijf wederrechtelijk was,

immers heeft zij, verdachte, voornoemde [persoon 30] en [persoon 23] telkens tegen betaling en inwoning arbeid laten verrichten, terwijl voornoemde [persoon 30] en [persoon 23] illegaal in Nederland verbleven,

ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde,

in de periode van 1 december 2007 tot en met 7 juni 2012 te Almere en Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen,

voorwerpen, te weten geldbedragen tot een totaal bedrag van 1.191.384,90 euro (AH-079),

voorhanden gehad en verworven en omgezet,

en

daarvan de vindplaats en de verplaatsing heeft verborgen,

terwijl verdachte en haar mededaders telkens wisten dat die geldbedragen geheel of gedeeltelijk onmiddellijk afkomstig waren uit enig misdrijf,

ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde,

in de periode van 1 januari 2007 tot en met 7 juni 2012 te Almere en Amsterdam, in ieder geval in Nederland,

heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband met:

  • -

    [medeverdachte 1] en

  • -

    [medeverdachte 2]

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van de volgende misdrijven:

  • -

    valsheid in geschrifte, strafbaar gesteld bij artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht en

  • -

    verduistering in dienstbetrekking, strafbaar gesteld bij artikel 321 en 322 van het Wetboek van Strafrecht en

  • -

    gewoontewitwassen, strafbaar gesteld bij artikel 420ter Wetboek van Strafrecht,

ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde,

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2010 tot en met 1 maart 2011 te Almere en Amsterdam, in ieder geval in Nederland,

telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten:

1.) een aangifte Inkomstenbelasting over het jaar 2008 ten name van [verdachte]

(D-025) en

2.) een aangifte Inkomstenbelasting over het jaar 2009 ten name van [verdachte]

(D-040) en

3) een aangifte Inkomstenbelasting over het jaar 2009 ten name van [verdachte]

(D-027),

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, althans heeft laten doen door anderen,

immers heeft verdachte opzettelijk op de bij de Belastingdienst ingeleverde aangiftebiljetten Inkomstenbelasting over genoemde jaren telkens een te laag belastbaar bedrag aan belasting opgegeven, althans laten opgeven, terwijl die feiten er telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven.

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf en maatregel

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 tot en met 6 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 21 maanden, met aftrek van voorarrest.

De officier van justitie heeft bij haar eis onder meer rekening gehouden met de ernst en de duur van de feiten, de rol van verdachte, de hoogte van het benadelingsbedrag en de deelneming aan een criminele organisatie. Ook heeft zij een overschrijding van de redelijke termijn in het voordeel van verdachte laten meewegen.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om, indien de rechtbank tot bewezenverklaring komt, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest. Voorts heeft de verdediging verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de mate en aard van de publiciteit waarmee deze zaak gepaard is gegaan.

Tot slot heeft de verdediging gesteld dat bij de strafoplegging rekening moet worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

Strafoplegging

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft deel uitgemaakt van een criminele organisatie die gedurende een lange periode zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift, verduistering en het witwassen van onterecht ontvangen PGB-gelden.

Verdachte en haar mededaders hebben een aantal jaren namen van personen en geldbedragen vermeld op verantwoordingsformulieren, terwijl deze ‘zorgverleners’ in werkelijkheid geen zorg hebben verleend en de geldbedragen niet of slechts gedeeltelijk aan zorg besteed zijn. Dit is vaak op initiatief van verdachte gebeurd. Hierdoor heeft verdachte het vertrouwen dat in de juistheid van deze geschriften moet kunnen worden gesteld schade toegebracht. De onterecht ontvangen PBG-gelden hebben verdachte en haar mededaders witgewassen. Hiermee heeft verdachte de integriteit van het financiële en economische verkeer aangetast.

Ook heeft verdachte met één van haar mededaders uit hoofde van hun beroep PGB-gelden ontvangen, terwijl de budgethouders voor wie deze PGB-gelden waren bedoeld, reeds waren overleden. Door deze gelden niet terug te betalen aan de zorgkantoren, heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan verduistering.

Verdachte heeft met haar handelen misbruik gemaakt van zorgafhankelijke mensen die vertrouwen hadden in haar en haar mededaders. Deze personen hebben niet of minder zorg ontvangen dan waarop zij volgens de indicatiestelling recht hadden en die ze klaarblijkelijk ook nodig hadden. Voorts heeft verdachte misbruik gemaakt van gemeenschapsgeld waarbij zij en haar mededaders geen oog hebben gehad voor de schadelijke gevolgen hiervan voor de regeling van de PBG’s in het algemeen en voor de betreffende budgethouders in het bijzonder, die met behulp van een PGB op een adequate manier in hun zorgbehoefte hadden kunnen voorzien.

Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan belastingfraude over de jaren 2008 en 2009 door een aanzienlijk geldbedrag aan inkomsten die zij heeft ontvangen van zorgkantoren Zorg en Zekerheid en Agis voor de door haar gedeclareerde zorgverlening niet op te geven aan de belastingdienst. Hierdoor is te weinig belasting afgedragen aan de Staat. Belastingen dragen in belangrijke mate bij aan de financiering van de kosten die inherent zijn aan de Nederlandse samenleving. Door dergelijk handelen wordt ook het algemeen vertrouwen in het belastingsysteem geschaad, een systeem waarbinnen sprake zou moeten zijn van eerlijke lastenverdeling.

Tot slot heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 197a Sr. Door aldus te handelen heeft verdachte het overheidsbeleid inzake de bestrijding van illegaal verblijf in Nederland en andere landen van de Europese Unie doorkruist.

Gelet op de ernst van de feiten, de rol die verdachte daarbij wordt verweten en de hoogte van het benadelingsbedrag, kan niet worden gekomen tot een andere dan een vrijheidsbenemende straf. De rechtbank heeft als uitgangspunt bij het bepalen van de straf acht geslagen op de oriëntatiepunten die zijn vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).

De rechtbank weegt bij de straftoemeting in het nadeel van verdachte mee dat zij en haar mededaders gedurende een lange periode en voor een aanzienlijk geldbedrag in georganiseerd verband hebben witgewassen. Daarbij is bovendien misbruik gemaakt van mensen in een kwetsbare positie. Verdachte en haar mededaders zijn op geraffineerde wijze te werk gegaan, waarbij verdachte een sturende rol heeft gehad. Bovendien heeft verdachte de fraude niet uit zichzelf beëindigd.

De rechtbank heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 18 september 2015, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Redelijke termijn

De Hoge Raad heeft bepaald dat de behandeling van de zaak in eerste aanleg ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden (ECLI:NL:HR:2008:BD2578).

Op 12 juni 2012 heeft de doorzoeking in de woning van verdachte plaatsgevonden en vanaf dat moment heeft verdachte redelijkerwijs kunnen verwachten dat tegen haar een strafvervolging zou worden ingesteld. De termijn begon dan ook op dat moment te lopen. Op 6 december 2012 heeft een regiezitting plaatsgevonden, waarop de rechtbank – op verzoek van de verdediging – heeft beslist een aantal personen als getuigen te horen. Vervolgens is op 21 september 2015 – drie jaar en drie maanden na de doorzoeking – de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting begonnen. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden dient mee te wegen dat een deel van de door de rechter-commissaris te horen getuigen zich in het buitenland bevond. De zaak kon pas op zitting worden behandeld nadat dit onderzoek door de rechter-commissaris was voltooid. Hoewel op 27 augustus 2015 nog een getuige is gehoord, kan de volledige duur van het onderzoek door de rechter-commissaris de verdediging niet worden toegerekend.

Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een onnodige overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank acht, alles afwegende en gelet op de LOVS-oriëntatiepunten, in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend, doch zal deze, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn, matigen.

Alles afwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf moet worden opgelegd van na te melden duur, waarvan een deel voorwaardelijk zal worden opgelegd, teneinde verdachte er van te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [persoon 18]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [persoon 18] geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 2.013,58 (zegge tweeduizend en dertien euro en achtenvijftig cent), bestaande uit materiële schade. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [persoon 18] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

Ten aanzien van de benadeelde partij Zorgkantoor Zorg en Zekerheid

Zorgkantoor Zorg en Zekerheid heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulieren, bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van de door haar geleden schade.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van zorgkantoor Zorg en Zekerheid een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, nu onvoldoende duidelijk is welk deel van de vordering rechtstreeks is toegebracht door de bewezen verklaarde feiten en welk deel niet, een en ander zoals bedoeld in artikel 361, tweede lid onder b Sv. Daarom is de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [persoon 34]

De benadeelde partij [persoon 34] heeft zich door middel van een voegingsformulier in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 584,-. De rechtbank stelt vast dat de vordering van de benadeelde partij niet met stukken onderbouwd is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan daarom thans in zijn vordering niet worden ontvangen en kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [persoon 23]

Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd [persoon 23] met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade, bestaande uit € 3.400,- aan materiële schade en € 5.000,- immateriële schade. Deze schade betreft enerzijds de tot dusverre onbetaalde loon voor werkzaamheden en anderzijds voor de naar aanleiding van haar aanhouding doorgebrachte detentie in Vreemdelingenbewaring.

Ten aanzien van de gevorderde schade blijkt niet dat sprake is van een causaal verband tussen het onder 3 primair bewezen verklaarde feit en de schade die volgens de benadeelde partij is geleden. De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 57, 140, 197a, 225, 322 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 primair, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

en

medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

medeplegen van verduistering, meermalen gepleegd

Ten aanzien van het onder 3 primair bewezen verklaarde:

in de uitoefening van haar beroep het een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl zij weet dat dat verblijf wederrechtelijk is, meermalen gepleegd

Ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde:

medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd

Ten aanzien van het onder 5 bewezen verklaarde:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven

Ten aanzien van het onder 6 bewezen verklaarde:

het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 21 (eenentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 3 (drie) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Wijst de vordering van [persoon 18] , wonende op het adres [adres, te plaats] , toe tot € 2.013,58 (zegge tweeduizend en dertien euro en achtenvijftig cent), bestaande uit materiële schade.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 18] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 18] , aan de Staat € 2.013,58 (zegge tweeduizend en dertien euro en achtenvijftig cent), bestaande uit materiële schade, te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens anderen is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt de betalingsverplichting door hechtenis van 30 dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Verklaart Zorgkantoor Zorg en Zekerheid niet-ontvankelijk in haar vordering.

Verklaart [persoon 34] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Verklaart [persoon 23] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.H.C. Jongeneel, voorzitter,

mrs. B. Vogel en A.B.M. Wijnveldt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. T. van de Kraats, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 oktober 2015.

1 De weergegeven bewijsmiddelen bevinden zich, tenzij anders vermeld, in de dossiers van de FIOD-ECD. De in de voetnoten als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en voldoen aan de daaraan bij de wet gestelde eisen. Verwezen wordt naar de desbetreffende pagina’s in het dossier.

2 D-004, p. 500019 tot en met p. 500042.

3 D-005, p. 500042A tot en met p. 500042P.

4 D-008, p. 500045 tot en met p. 500046 en D-009, p. 500047.

5 D-006, p. 500043.

6 D-007, p. 500044.

7 D-046, p. 500157.

8 D-005, p. 500042j en AH-001, p. 100015.

9 D-004, p. 500034.

10 V01-008, p. 300067 en 300068.

11 V02-03, p. 300118 tot en met p. 300124.

12 V02-03, p. 300129.

13 AH-074, p. 100241f tot en met p. 100241i.

14 D-208, p. 500698 tot en met p. 500751, m.n. p. 14-16, 34-40, 42-45, 46-47 en D-600, p. 502097 en 502098, D-601, p. 502099 en 502100, D-602, p. 502101 en 502102 en D-194, p. 500520 en 500521.

15 AH-074, p. 100241g.

16 G23-002, p. 400157 en G23-004, p. 400165.

17 D-208, p. 40 van 54, p. 500737

18 G35-001, p. 400216.

19 D-063 en D-064, p. 500188 tot en met 500193.

20 G-05-001, p. 400042 en 400043.

21 D-059, p. 500180.

22 AH-065, p. 100213d tot en met 100213e.

23 AH-066, p. 100214d tot en met 100214m.

24 AH-067, p. 100215a tot en met 100215z.

25 AH-075, p. 100242i tot en met 100242r.

26 AH-076, p. 100243j tot en met 100243p.

27 D-113, p. 500294

28 G16-001, p. 400106 tot en met 400108.

29 D-115, p. 500297 en AH-065, p. 100213i.

30 AH-066, p. 100214g tot en met 100214j en G37-001, p. 400222 tot en met 400226 en G42-001, p. 400242 tot en met 400246.

31 AH-19-001, p. 400113 en 400114.

32 D-157, p. 500400 tot en met 500405 en AH-067, p. 100215f.

33 D-173, p. 500442 tot en met 500444 en AH-067, p. 100215f.

34 D-583, p.501991d en AH-067, p. 100215g en 100215h.

35 AH-067, p. 100215c en 100215d.

36 V06-001, p. 300217 tot en met 300226.

37 G49-001, p. 400305 tot en met 400307.

38 V01-008, p. 300066 tot en met 300073.

39 AH-075, p. 100242j-100242n en D-551, p. 501807-501810, D-552, p. 501811, D-553, p. 501812, D-554, p. 501813-501817, D-555, p. 501818-501820 en D-556, p. 501821-501825.

40 AH-076, p. 100243k

41 G17-001, p. 400108A/1 tot en met 400108A/8.

42 V01-008, p. 300068.

43 V06-001, p. 300217 tot en met 300226.

44 AH-006, AH-072 en AH-076.

45 AH-030, p. 100125 tot en met 100128.

46 D-231, p. 500838 en 500839 en D-239, p. 500857 en 500858.

47 D-241, p. 500861 tot en met 500867 en D-242, p. 500868 tot en met 500874.

48 D-236, p. 500847 tot en met 500850.

49 AH-030, p. 100126 en 100127, D-262, p. 500908 en D-259, p. 500903.

50 V01-005, p. 300043 en 300044.

51 AH-057, p. 100200c-100200e.

52 V02-02, p. 300092 tot en met 300115.

53 V01-06 p. 300055.

54 AH-057, p. 100200d-100200e en D-410, p. 501461-501462, D-411, p. 501463-501464, D-412, p. 501465-501466, D-41, p. 501467-5014683 en D-418, p. 501475-501476.

55 G02-001, p. 400017.

56 D-464 ( [persoon 25] ), p. 501605-501606, D-471 ( [persoon 26] ), p. 501617-501618, D-472, p. 501619-501620 en D-474 ( [persoon 27] ), p. 501622-501623, D-479 ( [persoon 28] ), p. 501629-501630 en D-483 ( [persoon 29] ), p. 501635-501636.

57 AH-057, p. 100200n tot en met 100200e.

58 AH-044, p. 100162 e.v.

59 G43-001, p. 400247 tot en met 400251 en de getuigenverklaring van [persoon 30] bij de rechter-commissaris van 2 februari 2015.

60 G49-001, p. 400305 tot en met 400307.

61 V06-001, p. 300217 tot en met 300226.

62 G17-001, p. 400108A/1 tot en met 400108A/8.

63 V02-007, p. 300139-300154 en V04-004, p. 300183-300188.

64 D-572, p. 501873 en D-575, p. 501883

65 D-608, D-609, D-610 en D-615, p. 502112tot en met 502114 en 502119.

66 D-598, p. 502094 en D-509, p. 501696

67 AH-006, p. 100031B

68 AH-006, p. 100031B en G04-001, p. 400035

69 V06-001, p. 300217 tot en met 300226.

70 G17-001, p. 400108A/1 tot en met 400108A/8.

71 G04-001, p. 300161-300167 en het getuigenverhoor van [persoon 23] bij de rechtercommissaris d.d. 11 april 2013.

72 D-598, p. 502094 en D-509, p. 501696

73 AH-022, p. 100098 en D-251, p. 500895.

74 AH-079, p. 100248o.

75 AH-079, p. 100248f en D-511, p. 501698.

76 AH-079, p. 100248f en D-257, D-257, p. 500901, D-258, p. 500902 en D-513, p. 501700.

77 AH-079, p. 100248f en 100248g en D-512, p. 501699.

78 AH-079, p. 100248g en D-252, p. 500896.

79 Zie - naast de in dit vonnis besproken bewijsmiddelen inzake de feiten 1, 2, 3 en 4 - het Overzichtsproces-verbaal (OPV-1), p. 1 tot en met 65 en AH-001, p. 100002 tot en met 100025.

80 V02-03, p. 300118 en 300119.

81 Een proces-verbaal van verhoor van [persoon 33] van 27 augustus 2015 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, pagina 5.

82 D-532, p. 501764 en D-025, p. 500107 en D-040, p. 500141.

83 D-027, p. 500109-500111.

84 D-024, p. 500105 en D-025, p. 500107.

85 D-024, p. 500106.

86 D-027, p. 500110.

87 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [persoon 32] d.d. 11 april 2013 en een proces-verbaal van verhoor van getuige [persoon 33] d.d. 27 augustus 2015, in beide gevallen afgelegd bij rechter-commissaris

88 V05-002, p. 300210.