Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:7489

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-11-2015
Datum publicatie
09-11-2015
Zaaknummer
C/13/576623 / FA RK 14-8683
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

huwelijkse voorwaarden, koude uitsluiting, gemeenschapsgoederen, vennootschap, vergoedingsrecht investering woning van de man

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 131
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 182
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2016/8 met annotatie van prof. mr. B.E. Reinhartz
EB 2016/19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummers / rekestnummers: C/13/576623 / FA RK 14-8683 en C/13/577589 / FA RK 14/9082 (echtscheidingsverzoeken) en C/13/590333 / FA RK 15/5008 (afwikkeling huwelijks vermogen)

Beschikking van 4 november 2015 betreffende echtscheiding

in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekende tevens verwerende partij,

hierna mede te noemen de vrouw,

advocaat mr. A.J. Bakhuijsen te Amsterdam,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verwerende tevens verzoekende partij,

hierna mede te noemen de man,

advocaat mr. M.L. lic.iur Hamburger te Amstelveen.

1 Het verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de ingekomen stukken.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 29 september 2014.

Gehoord zijn partijen en hun advocaten.

2 De feiten

Partijen zijn met elkaar gehuwd te [plaats] op [datum] onder huwelijkse voorwaarden, met uitsluiting van deelgenootschap, enkel met verrekening in geval van overlijden. In de huwelijkse voorwaarden is verder opgenomen dat ieder der partijen slechts aansprakelijk is voor de schulden die door hem of haar persoonlijk zijn aangegaan, behalve de verbintenissen ten behoeve van de gewone gang van huishouden. De kosten

huishouding worden gedragen naar evenredigheid inkomsten dan wel vermogen.

Partijen hebben op 14 juni 2001 gezamenlijk de groentehandel [bedrijf] (vennootschap onder firma, hierna: de vennootschap) opgericht onder gemeenschappelijke naam en met een winstverdeling 60% (man) en 40% (vrouw). Op 1 mei 2010 zijn de activa van de vennootschap verkocht voor een bedrag van € 27.000,-. De vennootschap is daarmee beëindigd. De man heeft (later) de groentehandel als eenmanszaak voortgezet.

3 De beoordeling

In de zaken met zaaknummers C/13/576623/ FA RK 14-8683 en C/13/577589 / FA RK 14/9082 (echtscheidingsverzoeken)

3.1.

Ten aanzien van het hoofdverzoek

Partijen verzoeken de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij stellen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

Er is geen verweer gevoerd tegen de verzoeken over en weer tot echtscheiding, zodat deze toewijsbaar zijn.

3.2.

Ten aanzien van de nevenvoorzieningen

In de zaak met zaaknummer C/13/590333 / FA RK 15/5008 (afwikkeling huwelijks vermogen)

Afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de eenvoudige gemeenschappen

3.2.1.

De vrouw heeft verzocht om te gelasten dat in het kader van verrekening/verdeling:

- de man aan de vrouw terzake van de door haar ingebrachte gelden ter zake de woning van de man een bedrag betaalt van € 50.152,-;

- de garage, de Arena-certificaten en de boot ofwel aan de man worden toegedeeld onder de verplichting van vergoeding van de helft van de getaxeerde waarde, ofwel zaken onder regie van de vrouw aan derden te verkopen en de opbrengst te delen bij helfte;

- te gelasten dat de in eigendom aan de vrouw zijnde (lijf)sieraden aan haar blijven toegedeeld zonder enige recht op verrekening of verdeling;

- te bepalen dat de in gezamenlijke eigendom behorende inboedelzaken in de woning worden verdeeld in die zin dat aan de vrouw worden toegedeeld:

- tuinameublement,

- de tafel met zes bijbehorende stoelen;

- 2 schaaplederen stoelen

- het linnengoed

- het zwarte kamerscherm;

- het fitnessapparaat;

- 2 tafels met glazen plaat van Ikea;

- een koffer van het merk Samsonite;

- de televisie

- de wasmachine

- de droger,

en het restant aan de man.

3.2.2.

De man heeft verweer gevoerd tegen deze verzoeken van de vrouw en zelfstandig verzocht:

- over te gaan tot verdeling en verrekening van de eenvoudige gemeenschap(pen) en wel door:

- de garage aan de man toe te scheiden met verrekening van de waarde in de verhouding 60% (man)/40% (vrouw);

- de Amsterdam Arena certificaten aan de man toe te scheiden met verrekening van de waarde in de verhouding 60%/40%;

- de auto aan de vrouw toe te scheiden met verrekening van de waarde 60%/40%;

- de boot aan de man toe te scheiden, met verrekening van de dagwaarde in 60%/40%;

- de sieraden aan de vrouw toe te scheiden met verrekening van de waarde in de verhouding 60%/40%;

- de hond [hond] aan de vrouw toe te scheiden, en te bepalen dat de dierenartskosten voor haar rekening komen en

- de verdeling van de inboedelgoederen toe te wijzen.

3.2.3.

De rechtbank overweegt als volgt. In de huwelijkse voorwaarden is geen verrekenbeding opgenomen en is elke gemeenschap van goederen uitgesloten. Partijen hebben in de staat van aanbrengsten, welke is aangehecht aan de huwelijkse voorwaarden, uiteengezet welke goederen zij hebben aangebracht ten tijde van het huwelijk.

3.2.4.

Partijen zijn het erover eens dat thans nog de volgende eenvoudige gemeenschappen tussen hen dienen te worden verdeeld:

- de garage;

- de auto

- de boot en

- de inboedel.

Ter zitting is gebleken dat de vrouw de hond [hond] heeft moeten onderbrengen op een ander adres, zodat de rechtbank over de hond geen beslissing meer hoeft te nemen.

Tussen partijen is in geschil of de tijdens het huwelijk aangeschafte sieraden als lijfsieraden hebben te gelden als bedoeld in de huwelijkse voorwaarden of niet. Ook is in geschil de vraag of de Amsterdam Arena certificaten en de auto die thans op naam staat van de vrouw als gemeenschappelijke goederen hebben te gelden.

3.2.5.

Als peildatum voor de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen heeft, nu ten aanzien daarvan geen afwijkende afspraak is gemaakt in de huwelijkse voorwaarden, te gelden de datum indiening van het echtscheidingsverzoekschrift, te weten 12 november 2014. Voor de waardering van de gezamenlijke goederen geldt in beginsel het tijdstip van feitelijke verdeling.

3.2.6.

De man heeft kort vóór de zitting als productie 13 een nieuwe berekening van de kapitaalsontwikkeling van de vennootschap per 31 december 2010 en een nieuwe opstelling ter verdeling van het gezamenlijk vermogen overgelegd, welke op verzoek van de man voor deze zitting zijn opgemaakt door de toenmalige boekhouder van partijen, [boekhouder] . De rechtbank zal met deze nieuwe stukken geen rekening houden nu deze eerst kort vóór de zitting zijn opgesteld, terwijl de vrouw zich daarin niet kan vinden. De rechtbank zal voor de beoordeling van de verzoeken uitgaan van de jaarstukken zoals die zijn opgemaakt ten tijde van het beëindigen van de vennootschap, welke stukken tevens gebruikt zijn voor de fiscale aangiften van partijen.

De garage

3.2.7.

Uit de stukken blijkt dat de garage is aangekocht op 15 januari 2009 voor € 32.500,- op naam van beider partijen. De koopsom is direct betaald van de rekening van de vennootschap. Volgens het kadaster is ieder der partijen voor de helft eigenaar.

3.2.8.

De man heeft aangevoerd dat de garage aan hem dient te worden toebedeeld tegen een waarde van € 32.000, waarbij hij de vrouw 40% van deze waarde moet vergoeden in het kader van overbedeling. De man heeft daartoe aangevoerd dat de winstdeling binnen de vennootschap altijd 60 % (man) en 40 % (vrouw) is geweest, hetgeen blijkt uit de vennootschapsovereenkomst, en dat de boekhouder deze verdeling ten allen tijde heeft doorgevoerd in die zin dat de vrouw voor elke aanschaf van gemeenschappelijke goederen in datzelfde percentage heeft bijgedragen.

3.2.9.

De vrouw heeft deze stelling van de man weersproken en heeft daartoe aangevoerd dat uit de jaarrekening 2009 blijkt dat de aankoopsom van de garage is gefinancierd door belasting van ieders kapitaalrekening met 50%. Dat partijen hebben afgesproken dat de winstdeling 60/40 zou zijn maakt dat volgens de vrouw niet anders. De vrouw maakt daarom aanspraak op de helft van de waarde.

3.2.10.

De rechtbank overweegt als volgt. De enkele omstandigheid dat partijen zijn overeengekomen dat zij de winst in de vennootschap zouden verdelen in de verhouding 60%-40%, hetgeen de vrouw op zichzelf ook niet betwist, leidt niet zonder meer tot de conclusie dat ook alle kosten en de aanschaf van gemeenschappelijke goederen in die verhouding zouden worden gedeeld. Uit de jaarrekening 2009 van de vennootschap blijkt dat boekhoudkundig ieder der partijen voor de helft heeft bijgedragen in de aanschaf van de garage, zodat het op de weg van de man had gelegen om zijn stelling dat de vrouw feitelijk minder zou hebben bijgedragen nader had dienen te onderbouwen. De rechtbank er dan ook vanuit dat ieder der partijen gerechtigd is tot de helft van de waarde van de garage.

3.2.11.

Ter zitting heeft de man aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de waardering van de garage op een bedrag van € 32.000,-. Hij kan de garage echter tegen deze waarde niet overnemen met een vergoeding van 50% aan de vrouw, zodat partijen de garage dienen te verkopen aan een derde. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding te beslissen dat de garage dient te worden verkocht aan een derde, en dat de verkoopopbrengst, minus de te maken kosten, tussen partijen dient te worden verdeeld . Partijen zullen gezamenlijk op korte termijn de garage te koop moeten zetten en hun medewerking moeten verlenen aan de verkoophandelingen. Er is geen aanleiding om thans te bepalen dat de verkoop onder regie van de vrouw dient plaats te vinden.

De Amsterdam Arena certificaten en de auto

3.2.12.

De man stelt dat in het kader van de beëindiging van de vennootschap partijen zijn overeengekomen dat de Amsterdam Arena certificaten ter waarde van € 15.000,- op naam van de man zouden worden gezeten de auto van de vennootschap ( de [auto] ) tegen een zelfde waarde op naam van de vrouw. Beide goederen zijn volgens de man reeds toen privégoederen geworden die thans niet meer hoeven te worden verdeeld. Voor het geval de rechtbank van oordeel is dat deze goederen als gemeenschappelijke goederen alsnog dienen te worden verdeeld, zouden deze volgens de man moeten worden toegedeeld aan degene op wiens naam ze staan, tegen een overbedelingsvergoeding van telkens 60% (man) en 40% (vrouw) gelet op de verhoudingen binnen de vennootschap.

3.2.13.

De vrouw voert daartegen aan dat de Amsterdam Arena certificaten en de auto [auto] na ontbinding van de vennootschap gemeenschappelijke goederen zijn geworden en dat deze thans naar rato van de feitelijke bijdrage (50-50%) dienen te worden toegedeeld aan respectievelijk de man en de vrouw. Dat de vrouw recht heeft op de helft van de waarde blijkt uit de jaarstukken.

3.2.14.

De rechtbank overweegt als volgt. Partijen zijn het erover eens dat de Amsterdam Arena certificaten en de auto ( [auto] ) bij beëindiging van de vennootschap naar privé gegaan zijn. Zij twisten over de vraag of het vervolgens privégoederen (stelling man) of gemeenschappelijke goederen (stelling vrouw) zijn geworden. Gelet op de inhoud van de huwelijkse voorwaarden, waarin elke gemeenschap van goederen is uitgesloten, is de rechtbank van oordeel dat de goederen niet als gemeenschappelijke goederen zijn aan te merken en derhalve niet voor verdeling in aanmerking komen. Dat partijen dat ook zo beoogd hebben blijkt uit het feit dat de Amsterdam Arena certificaten thans op naam van de man staan en dat de auto ( [auto] ) op naam van de vrouw stond, en dat de auto die zij inmiddels in haar bezit heeft (en waar de Saab door haar tegen is ingeruild) op haar naam staat en het ook zo verwerkt is in de jaarrekening 2010, waarbij aan beide vermogensbestanddelen een gelijke waarde is toegekend. Dat die waarde thans niet meer gelijk is maakt dit niet anders.

De boot

3.2.15.

Partijen zijn het erover eens dat de boot een gemeenschappelijk goed is dat dient te worden verdeeld. De man heeft ter zitting meegedeeld bereid te zijn de vrouw 50% van de waarde te vergoeden als de waarde op € 25.000,- wordt gesteld. Indien de rechtbank een waarde van € 34.000,- hanteert, dan zal de man ermee instemmen dat de boot wordt verkocht waarna de waarde dient te worden verdeeld in de sleutel 60%/40%, in acht nemende de tussen partijen overeengekomen winstdeling, zoals hierboven al is uiteengezet. De man heeft verzocht om te bepalen dat ook de verkoop-, onderhoud- en ligkosten door partijen dienen te worden gedeeld.

3.2.16.

De vrouw heeft aangevoerd dat het haar niet uitmaakt of de boot wordt verkocht aan een derde of aan de man. Zij heeft recht op 50% van de waarde omdat zij in de aankoop met 50% heeft bijgedragen. Uit de jaarrekening 2009 blijkt dat ieder der partijen met 50% in de “bijbetaling aankoop boot” heeft bijgedragen. De vrouw heeft zich verzet tegen het hanteren van een waarde van € 25.000,-. Zij heeft een taxatierapport ingebracht waaruit blijkt dat de boot een waarde van € 34.000,- zou hebben.

3.2.17.

De rechtbank overweegt als volgt. Partijen verschillen van mening over de waarde van de boot en over de verhouding waarin zij gerechtigd zijn. Nu partijen het niet eens zijn over de waarde van de boot en geen van beide bereid is de boot over te nemen tegen een nog vast te stellen waarde, dient de boot te worden verkocht aan een derde. Partijen zullen gezamenlijk op korte termijn de garage te koop moeten zetten en hun medewerking moeten verlenen aan de verkoophandelingen. Tegenover de gemotiveerde betwisting van de vrouw heeft de man zijn stelling dat de vrouw minder dan 50% heeft bijgedragen in de aankoop van de te verdelen boot, inclusief de ingeruilde boot, onvoldoende onderbouwd. Uit de jaarrekening 2009 blijkt immers dat de kapitaalrekening van beide partijen voor een gelijk bedrag is belast. Dit betekent dat de verkoopopbrengst dient te worden verdeeld tussen partijen bij helfte.

3.2.18.

De rechtbank is van oordeel dat de redelijke en noodzakelijke kosten die de man heeft gemaakt - en tot verkoop zal moeten maken - voor stalling en onderhoud wèl in mindering zullen dienen te worden gebracht op de uiteindelijke verkoopopbrengst, omdat deze kosten kunnen worden aangemerkt als noodzakelijk ter behoud en onderhoud van de boot, die gemeenschappelijk eigendom is. Bovendien heeft de man de stelling van de vrouw dat de boot op een andere dan de gebruikelijke plek is gestald, weersproken, alsook de stelling van de vrouw dat de man haar er actief van heeft weerhouden om van de boot (mede) gebruik te maken. Mitsdien dienen met de verkoopwaarde de eerder genoemde kosten te worden verrekend alvorens de restant waarde wordt verdeeld.

Sieraden

3.2.19.

Tussen partijen is niet in geschil zij tijdens het huwelijk sierraden hebben aangeschaft, waaronder in ieder geval een gouden collier, een parelcollier, een paar oorbellen en een tweetal ringen, waarvan de beide colliers een gezamenlijke waarde kennen van minimaal € 25.000,-.

3.2.20.

De man heeft aangevoerd dat partijen gezamenlijk eigenaar zijn van deze sieraden, die destijds zijn aangeschaft met de bedoeling om daarmee deels in het pensioen te voorzien. Hij wenst toedeling daarvan aan de vrouw, tegen vergoeding van de waarde in de verhouding 60%(man) – 40%(vrouw) omdat partijen in de aankoop van deze sieraden hebben bijgedragen via de vennootschap in de verhouding 60% - 40%, conform de overeengekomen winstdeling in de vennootschap.

3.2.21.

De vrouw heeft aangevoerd dat de sieraden als cadeau aan haar zijn gegeven, en dat deze als lijfsieraden hebben te gelden als bedoeld in artikel 5 van de huwelijkse voorwaarden en dat deze niet dienen te worden betrokken in de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. De vrouw draagt de sieraden. Er is nooit gesproken over een beleggingsdoel. Zij zag het ook niet als pensioen. Voor het geval de rechtbank daar anders over denkt, dan is de vrouw bereid om de sieraden te verkopen. Het is voor haar niet op te brengen om de man de helft te vergoeden.

3.2.22.

De rechtbank overweegt als volgt.

Partijen zijn in artikel 5 van de huwelijkse voorwaarden overeengekomen als volgt:

“De kleding, lijfstoebehoren en lijfsieraden worden geacht het eigendom te zijn van de echtgenoot door wie deze gebruikt zijn of tot wiens gebruik zij bestemd zijn zonder enige verrekening deswege, behoudens bewijs van het tegendeel”.

Genoemd artikel houdt een bewijsvermoeden in betreffende de eigendom van de sieraden. Vaststaat dat de sieraden die zijn aangeschaft damessieraden waren, en dat deze ook feitelijk door de vrouw zijn gedragen. Naar het oordeel van de rechtbank leidt het voorgaande ertoe dat het op de weg van de man had gelegen om het bewijsvermoeden te ontkrachten door te weerleggen dat de sieraden geen cadeau voor de vrouw waren, maar dat deze sieraden door partijen zijn aangeschaft als pensioenvoorziening, en niet als lijfsieraden hebben te geleden., De man is daar naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende in geslaagd, temeer nu hij ter zitting ook verklaard heeft dat bij aanschaf van de sieraden niets is afgesproken over wat het doel van de aanschaf was. Het was volgens de rechtbank dan ook niet kenbaar voor de vrouw dat zij de sieraden niet als cadeau kreeg. Dit betekent dat de sieraden eigendom van de vrouw zijn en derhalve niet in aanmerking komen voor verdeling. Het verzoek van de vrouw wordt in die zin afgewezen, omdat er geen verdeling hoeft plaats te vinden.

Inboedel

3.2.23.

De vrouw heeft verzocht om te bepalen dat de in gezamenlijke eigendom behorende inboedelzaken in de woning worden verdeeld in die zin dat aan de vrouw worden toegedeeld:

- tuinameublement,

- de tafel met zes bijbehorende stoelen;

- 2 schaaplederen stoelen

- het linnengoed

- het zwarte kamerscherm;

- het fitnessapparaat;

- 2 tafels met glazen plaat van Ikea;

- een koffer van het merk Samsonite;

- de televisie

- de wasmachine

- de droger

en het restant aan de man.

3.2.24.

De vrouw heeft aangevoerd dat zij - zoals blijkt uit de lijst van aanbrengsten - verreweg de meeste spullen heeft ingebracht. Zij heeft haar eigen spullen meegenomen toen zij vertrok. De spullen waarvan zij nu verdeling wenst zijn gemeenschappelijke spullen. De waarde is waarschijnlijk nihil. De vrouw wenst dat ieder der partijen aangeeft wat hij of zij wenst, en als er iets is wat partijen allebei willen, dan moeten partijen loten. De vrouw bestrijdt met klem een voorschot te hebben genomen op verdeling van gemeenschappelijke goederen.

3.2.25.

De man heeft aangevoerd dat de vrouw wel degelijk al gemeenschappelijke goederen heeft meegenomen, hij vindt dat de goederen die nu nog bij hem thuis zijn, nu zij ook geen waarde vertegenwoordigen, aan de man moeten verblijven.

3.2.26.

De rechtbank overweegt als volgt. Niet in geschil is dat de goederen die de vrouw expliciet heeft benoemd, gemeenschappelijke goederen zijn, die zich in de woning van de man bevinden. De rechtbank zal dan ook beslissen dat partijen in onderling overleg tot verdeling van de door de vrouw genoemde gemeenschappelijke goederen dienen te komen. Als partijen niet in onderling overleg tot een verdeling komen geschiedt de verdeling van de inboedel bij helfte door middel van het opgooien van een muntstuk. Degene die de toss wint mag beginnen met het uitkiezen van een inboedelgoed vervolgens mag de ander een inboedelgoed kiezen en zo voort.

De vrouw heeft aangevoerd dat zij enkel haar eigen goederen bij vertrek heeft meegenomen uit de woning. De man heeft dit weliswaar weersproken, doch heeft geen specifieke gemeenschappelijke goederen benoemd die de vrouw toen reeds zou hebben meegenomen. De rechtbank kan dan ook geen beslissing nemen over mogelijke andere gemeenschappelijke inboedelgoederen, nu een concreet verzoek daartoe ontbreekt.

Vergoeding investeringen in woning van de man

3.2.27.

De vrouw heeft verzocht om te bepalen dat de man aan de vrouw ter zake van de door haar ingebrachte gelden ter zake de woning van de man een bedrag betaalt van € 50.152,-.

Zij heeft daartoe aangevoerd dat partijen getuige de jaarstukken 2010 gezamenlijk ieder de helft van € 100.303,- ten laste van ieders eigen kapitaalrekening geïnvesteerd hebben in verbouwing van de woning van de man. Het door de vrouw bijgedragen bedrag dient nominaal aan haar vergoed te worden omdat de investeringen van de vrouw in de woning van de man dateren van vóór januari 2012, zulks met inachtneming van het arrest Kriek/Smit. De verbouwing is in 2010 gedaan, terwijl de vrouw in het voorjaar van 2013 uit de woning is vertrokken. Volgens de vrouw zijn leidingen omgelegd, is de middelste laag van de drive-in woning ingrijpend verbouwd, is de keuken van links naar rechts verplaatst, is er gestuckt, is er een nieuwe vloer gelegd, zijn er nieuwe kozijnen aangebracht en tegels gelegd, en is er een vloerverwarming aangelegd. Ook zijn er nieuwe gordijnen opgehangen. Omdat de vrouw een nominaal vergoedingsrecht heeft, is het niet aan haar om te onderbouwen in hoeverre er een waardestijging heeft plaatsgevonden. De vrouw betwist de stelling van de man dat de verbouwing slechts € 63.000,- dan wel € 70.000,- in totaal heeft gekost. Zij betwist ook de stelling van de man dat de man uit privé salaris het meerdere van de totale verbouwingskosten heeft voldaan. De man heeft deze stelling op geen enkele wijze onderbouwd. De vrouw heeft de stelling van de man weersproken dat de door partijen opgenomen liquide middelen voor een bedrag hoger dan € 63.000,- dan wel € 70.000,- door partijen zouden zijn besteed aan huishoudelijke kosten.

3.2.28.

De man heeft de stelling van de vrouw betwist dat zij € 50.152,- heeft bijgedragen aan de verbouwing van het woonhuis van de man. De man heeft aangevoerd dat de man in 2010 feitelijk een bedrag van € 77.585,91 uit de vennootschap heeft opgenomen en de vrouw € 51.723,95, en dat slechts een gedeelte van deze opnamen zijn aangewend voor de verbouwing van het woonhuis, namelijk een bedrag van in totaal € 63.000,-, dan wel € 70.000,-. De WOZ-waarde is niet toegenomen als gevolg van de verbouwing.

Van deze bijdrage is de verbouwing in de verhouding 60% (man) en 40% (vrouw) bekostigd. De verbouwing heeft niet meer gekost. De overige opnamen/ uitgaven zijn besteed aan het huishouden, onder meer aan gebruikelijke onderhoudskosten van de woning waarin de vrouw ook woonde, zoals onder andere schilderwerk, stucwerk, het vervangen van tegels en kozijnen en uitgaven voor bijvoorbeeld gordijnen. De man heeft ter onderbouwing een hoeveelheid bankafschriften overgelegd. De man heeft geen verweer gevoerd tegen het toekennen van het vergoedingsrecht mits dit het bedrag van € 25.500,- (40% van € 63.000,-) niet overschrijdt. Voor de bijdrage in de huishoudelijke kosten bestaat er geen verrekening/vergoedingsrecht.

3.2.29.

De rechtbank overweegt als volgt.

Blijkens de akte van huwelijkse voorwaarden was tussen partijen elke gemeenschap van goederen uitgesloten. De voormalige echtelijke woning, is eigendom van de man. Niet is weersproken dat er een ingrijpende verbouwing ten behoeve van de (middelste verdieping van de drive-in) woning heeft plaatsgevonden in 2010, zodat op de vraag naar (de hoogte van) het gestelde vergoedingsrecht van de vrouw conform rechtspraak van vóór 1 januari 2012, de datum van inwerkingtreding van de huidige artikelen 1:87 en 1:95 van het Burgerlijk Wetboek, de nominale leer van toepassing is. Tussen partijen is ook niet in geschil dat de vrouw een vergoedingsrecht heeft vanwege haar bijdrage uit privé-vermogen ten behoeve van (de verbouwing van) het woonhuis van de man, partijen twisten echter over de hoogte daarvan.

3.2.30.

De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van de vrouw had gelegen om haar stelling dat zij een vergoedingsrecht heeft gelijk aan het bedrag van € 50.152,-, welk bedrag in de jaarrekening 2010 is genoemd bij de post opnamen kapitaalrekening vrouw wegens “verbouwing woonhuis”, nader te onderbouwen, gezien de gemotiveerde betwisting van de man. Met de vermelding van deze post in de jaarrekening 2010, heeft de vrouw naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan haar stelplicht. De vrouw had haar stelling nader dienen te onderbouwen met, bijvoorbeeld, facturen en betalingsbewijzen van de precieze verbouwingskosten en ten laste van welke partij deze zijn betaald.

3.2.31.

Zoals hierboven is vermeld, heeft de man op zichzelf niet weersproken dat er een ingrijpende verbouwing heeft plaatsgevonden ten behoeve van zijn woonhuis en dat de vrouw in de kosten daarvan heeft bijgedragen uit privévermogen, zodat zij een vergoedingsrecht heeft. Volgens de man is met deze verbouwing een bedrag van in totaal € 63.000,- € 70.000,- gemoeid geweest.

3.2.32.

Nu geen der partijen hun stellingen voor wat betreft de kosten van de verbouwing heeft onderbouwd met stukken, waarbij de rechtbank overweegt dat het niet op de weg van de rechtbank ligt om uit de overgelegde stapel bankafschriften te construeren welke kosten waren gemoeid met de verbouwing ten behoeve van het woonhuis van de man, zal de rechtbank deze kosten schatten op € 70.000,-.De rechtbank laat daarin meewegen dat voor een vergoedingsrecht als het onderhavige sprake moet zijn van een investering in het woonhuis en dat uit de stelling van partijen kan worden afgeleid dat niet alle kosten zijn aan te merken als investeringen in het woonhuis zelf. Dit geldt bijvoorbeeld voor de gordijnen, maar ook stuckwerk of vervangen van tegels kan (deels) als onderhoud worden gezien.

3.2.33.

De man heeft naar het oordeel van de rechtbank zijn stelling dat de vrouw met slechts 40% - in plaats van 50% - zou hebben bijgedragen in deze verbouwingskosten, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende onderbouwd. De rechtbank verwijst hierbij ook naar hetgeen hierboven is overwogen en dat ook in dit geval de kapitaalrekening van partijen voor een gelijk bedrag is belast. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de vrouw een nominaal vergoedingsrecht heeft van 50%, te weten € 35.000,-.

3.2.34.

Mitsdien wordt beslist als na te melden.

In de zaak met zaaknummer C/13/576623/ FA RK 14-8683 (echtscheidingsverzoek vrouw)

Levensonderhoud partner

3.2.35.

De vrouw heeft verzocht om een bijdrage van de man in haar kosten van levensonderhoud vast te stellen van € 1.250,- bruto per maand. Ter zitting is afgesproken dat de vrouw na het kennisnemen van deze beschikking de rechtbank zal berichten wat er wat haar betreft moet gebeuren met haar verzoek. Zij krijgt daartoe de gelegenheid tot 23 november 2015, waarna de man tot 7 december 2015 de gelegenheid krijgt om, zo nodig zijn reactie in te dienen. Beide partijen dienen hun reactie te doen vergezellen van de benodigde financiële stukken en draagkrachtberekeningen. De rechtbank zal vervolgens beslissen of er een nadere zitting moet worden gepland of dat het verzoek schriftelijk kan worden afgedaan.

3.2.36.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

4 De beslissing

De rechtbank:

In de zaken met zaaknummers C/13/576623/ FA RK 14-8683 en C/13/577589 / FA RK 14/9082 (echtscheidingsverzoeken)

- spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] op [datum] ;

In de zaak met zaaknummer C/13/590333 / FA RK 15/5008 (afwikkeling huwelijks vermogen)

- bepaalt in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden dat:

- partijen de garage dienen te verkopen aan een derde, waarna de verkoopopbrengst, minus de kosten die moeten worden gemaakt om de garage te verkopen, bij helfte tussen partijen dient te worden verdeeld;

- partijen de boot dienen te verkopen aan een derde, waarna de verkoopopbrengst, minus de kosten die zijn gemaakt voor stalling en onderhoud, mits onderbouwd met facturen en betalingsbewijzen, bij helfte tussen partijen dient te worden verdeeld;

- partijen de hierboven onder 3.2.23 genoemde gemeenschappelijke inboedelgoederen in onderling overleg dienen te verdelen. Als partijen niet in onderling overleg tot een verdeling komen geschiedt de verdeling van de inboedel bij helfte door middel van het opgooien van een muntstuk. Degene die de toss wint mag beginnen met het uitkiezen van een inboedelgoed vervolgens mag de ander een inboedelgoed kiezen en zo voort;

- bepaalt dat de man aan de vrouw een bedrag van € 35.000,- (vijfendertig duizend euro) dient te betalen in het kader van een vergoedingsrecht wegens investeringen van de vrouw in de woning van de man;

- wijst het meer of anders verzochte af;

- verklaart deze beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;

In de zaak met zaaknummer C/13/576623/ FA RK 14-8683 (echtscheidingsverzoek vrouw)

- bepaalt dat de behandeling van het verzoek van de vrouw tot het bepalen van een partneralimentatie pro forma wordt voortgezet op 7 december 2015, in afwachting van nader schriftelijk bericht van de vrouw over de gewenste voortgang, zo nodig vergezeld van de financiële stukken en een draagkrachtberekening, en de schriftelijke reactie van de man daarop, zo nodig vergezeld van financiële stukken en een draagkrachtberekening, en houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.C. Hoogeveen, rechter, en in het openbaar

uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. van den Berg, griffier, op 4 november 2015.1

1 Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en door de verschenen wederpartij binnen drie maanden na dagtekening van de beschikking;
- door de niet-verschenen wederpartij binnen drie maanden na de betekening van de beschikking in persoon of binnen drie maanden nadat deze beschikking op andere wijze is betekend en overeenkomstig art. 820, lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.