Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:7470

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-10-2015
Datum publicatie
05-11-2015
Zaaknummer
C/13/576579 / FA RK 14-8662
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De bepaling van de behoefte van kinderen die geplaatst zijn in een netwerkpleeggezin.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/576579 / FA RK 14-8662 (JB/SM)

Beschikking van 14 oktober 2015 betreffende wijziging van de kinderbijdrage en wijziging bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw

in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij,

hierna te noemen man,

advocaat mr. R.K. Uppal te Amsterdam,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verwerende partij,

hierna te noemen vrouw,

advocaat mr. Z. Taspinar te Amsterdam.

1 De procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de ingekomen stukken.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 17 september 2015.

Gehoord zijn: partijen en hun advocaten.

De minderjarige, [minderjarige 1] , die 16 jaar of ouder is, is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken.

2 De feiten

Partijen zijn gehuwd op [trouwdatum] . Hun huwelijk is op 22 juli 2009 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van [datum] in de registers van de burgerlijke stand.

Uit het huwelijk van partijen geboren:

  • -

    [minderjarige 1],
    geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ;

  • -

    [minderjarige 2],
    geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ;

  • -

    [minderjarige 3] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ;

- [minderjarige 4] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] .

De man heeft [minderjarige 1] bij akte van 8 juli 2003 erkend.

Bij beschikking van [datum] van deze rechtbank is de man bij verstek veroordeeld een kinderbijdrage te voldoen van € 250,-- per kind per maand en daarnaast is bepaald dat hij een partneralimentatie dient te voldoen van € 1.500,-- per maand.

Partijen hebben tot 30 mei 2012 het gezamenlijk gezag gehad over de minderjarigen.

Bij beschikking van 30 mei 2012 is de vrouw alleen belast met het gezag over de minderjarigen.

Bij beschikking van de kinderrechter te Amsterdam van 23 januari 2014 zijn voornoemde minderjarigen met ingang van 22 januari 2014 onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst bij een netwerkpleeggezin, te weten bij de grootouders van moederszijde, tot 28 januari 2014. Deze ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn bij beschikkingen van 28 januari 2014 en 20 januari 2015 telkens voor de duur van één jaar verlengd.

3 Het verzoek en het verweer

De man verzoekt, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van [datum] van deze rechtbank, te bepalen dat:

1. de door hem te betalen partneralimentatie vanaf [datum] op nihil wordt gesteld;

2. de door hem te betalen kinderbijdrage ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen vanaf [datum] op nihil wordt gesteld tot [datum] (de datum van de Colombiaanse echtscheidingsbeschikking), te bepalen dat de kinderbijdrage in de periode van [datum] tot 10 september 2013 op € 300,-- per maand wordt vastgesteld voor de vier kinderen gezamenlijk, en de kinderbijdrage vanaf

10 september 2013 op nihil te stellen;

3. althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie meent te behoren;

4. de proceskosten tussen partijen gecompenseerd dienen te worden.

De vrouw verweert zich tegen het verzoek van de man. Zij verzoekt de rechtbank om de man niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken dan wel deze verzoeken af te wijzen, althans met ingang van de te wijzen beschikking een zodanige beslissing te nemen als uw rechtbank juist acht.

Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Stukken in Spaanse taal

De vrouw merkt op dat vele producties enkel in het Spaans zijn overgelegd. Op grond van art. 1.8 van het Procesreglement Alimentatie dienen bescheiden in een vreemde taal te worden voorzien van een beëdigde vertaling in de Nederlandse taal, tenzij het eenvoudig leesbare stukken betreft. Op grond hiervan verzoekt de vrouw de bescheiden, welke niet zijn voorzien van een beëdigde Nederlandse vertaling, buiten beschouwing te laten.

De advocaat van de man stelt dat de door hem overgelegde stukken niet zijn vertaald door een beëdigd vertaler omdat zijn maximum aan vergoeding voor toevoegingszaken in bereikt en hij de inhoud van deze stukken niet zo relevant vindt.

De man heeft de uitspraak van de Colombiaanse rechter van [datum] enkel in de Spaanse taal aan de rechtbank overgelegd.

De man stelt dat in deze uitspraak de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken, is bepaald dat de zorg voor de kinderen door partijen gezamenlijk moet worden uitgeoefend, het verzoek om partneralimentatie voor de vrouw is afgewezen en de kinderalimentatie dient te worden vastgesteld op vijftig procent van het wettelijk maandelijks minimumloon.

Volgens de vrouw klopt het niet dat de Colombiaanse rechter zou hebben bepaald dat partijen gezamenlijk de zorg voor de kinderen dienen uit te oefenen. Uit de voornoemde beschikking blijkt volgens haar dat deze rechter de kinderen heeft toevertrouwd aan de vrouw en dat de man voor een bezoekregeling zich tot de Nederlandse rechter moet wenden

De rechtbank zal deze stukken buiten beschouwing laten, nu de vrouw zich terecht op artikel 1.8 van het betrokken Procesreglement beroept.

4.2.

Ontvankelijkheid

De man stelt primair dat de beschikking van [datum] ten aanzien van de kinderbijdrage en de partneralimentatie is gestoeld op onvolledige feiten en omstandigheden.

De man stelt niet op de hoogte te zijn geweest van het feit dat de vrouw een verzoek tot echtscheiding had ingediend en ook stelt hij lange tijd niet op de hoogte te zijn geweest van de beschikking van [datum] . Indien de rechtbank van oordeel is dat de beschikking van [datum] wel gestoeld was op volledige feiten en omstandigheden, beroept de man zich op het feit dat er sindsdien sprake is van een wijziging van omstandigheden waardoor de alimentatie ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

De vrouw betwist dat de man niet op de hoogte zou zijn geweest van de echtscheidingsprocedure, nu het verzoek en de beschikking op de juiste wijze aan de man zijn betekend. Daarnaast stelt de vrouw dat de beschikking van [datum] voldoet aan de wettelijke maatstaven en is er sindsdien geen sprake geweest van een wijziging van omstandigheden. Gelet op het voorgaande stelt de vrouw dat de man niet ontvankelijk is in zijn verzoek tot wijziging van de kinderbijdrage en de partneralimentatie.

Ingevolge artikel 1:401 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een rechterlijke uitspraak of overeenkomst betreffende levensonderhoud worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan of wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

De rechtbank is van oordeel dat de man, mede in het licht van de betwisting van de vrouw onvoldoende heeft gesteld om aan te nemen dat in de beschikking van [datum] van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechtbank is echter wel van oordeel dat de voornoemde beschikking door een wijziging van omstandigheden niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet. De wijziging van omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank met name gelegen in het feit dat vaststaat dat de vrouw in de afgelopen jaren met de kinderen geruime tijd in Colombia heeft gewoond en het feit dat de kinderen vanaf 22 januari 2014 onder toezicht zijn gesteld en uit huis zijn geplaatst.

4.3.

Ingangsdatum

De man verzoekt de rechtbank om de door hem te betalen partneralimentatie vanaf [datum] op nihil te stellen en tevens verzoekt hij de rechtbank om de kinderbijdrage vanaf [datum] op nihil te stellen, dan wel de kinderbijdrage vanaf die datum de wijzigen.

De vrouw voert verweer tegen de door de man verzochte ingangsdatum.

Gelet op het feit dat de man op 5 november 2014 zijn verzoek tot nihilstelling, dan wel wijziging, van de partneralimentatie en kinderbijdrage bij de rechtbank heeft ingediend en de vrouw vanaf deze datum kennis heeft kunnen nemen van het verzoek van de man, is de rechtbank van oordeel dat de ingangsdatum van de eventuele nihilstelling, dan wel wijziging, van de partneralimentatie en/of de kinderbijdrage pas in kan gaan per 5 november 2014.

Indien de man de partneralimentatie en/of kinderbijdrage eerder op nihil had willen laten stellen, dan wel wijzigen, had het op zijn weg gelegen eerder een verzoek daartoe bij de rechtbank in te dienen. Nu de man dit niet heeft gedaan ziet de rechtbank geen aanleiding de ingangsdatum eerder te bepalen dan 5 november 2014.

4.4.

Behoefte van de kinderen en de behoefte c.q. behoeftigheid van de vrouw

Nu de rechtbank in beschikking van [datum] de behoefte van de vrouw en kinderen niet heeft vastgesteld en de verzochte nihilstelling, dan wel wijziging van de kinderbijdrage en de partneralimentatie, in zal gaan per 5 november 2015, zal de rechtbank de behoefte van zowel de vrouw als de kinderen vanaf deze datum bepalen.

De vrouw stelt haar behoefte op € 1.500,-- per maand en de behoefte van de kinderen op

€ 250,-- per kind per maand, nu de rechtbank bij beschikking van [datum] deze bedragen heeft bepaald. Zij ontvangt vanaf de echtscheiding een bijstandsuitkering, Haar behoefte en de behoefte van de kinderen staat volgens de vrouw dan ook vast. De vrouw stelt daarbij dat zij vanaf 2009 niet in staat is geweest om inkomsten te genereren door de zorg voor de vier kinderen van partijen en de situatie rondom de kinderen.

De man erkent dat de vrouw de afgelopen jaren een bijstandsuitkering ontvangt.

De man stelt echter dat de vrouw in de periode van 2009 tot 2011, de periode dat de kinderen in Colombia verbleven bij de ouders van de vrouw, voldoende gelegenheid heeft gehad om werk te zoeken en zodoende (gedeeltelijk) in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien.

Daarnaast is de man van mening dat de partneralimentatie op nihil moet worden gesteld, dan wel gematigd moet worden, omdat de aan de alimentatie ten grondslag liggende lotsverbondenheid is komen te vervallen wegens wangedrag van de vrouw. De vrouw heeft hem toen hij in Colombia verbleef meerdere malen bedreigd in zodanige bewoordingen, dat de man vreesde voor zijn leven. De man heeft daarvan aangifte gedaan in Colombia.

Ten aanzien van de behoefte van de kinderen stelt de man dat nu de grootouders vanaf

13 september 2013 de volledige zorg voor de minderjarige kinderen op zich hebben genomen, hij niet langer gehouden is een kinderbijdrage aan de vrouw te voldoen, tenzij zij aannemelijk maakt dat zij daadwerkelijk kosten maakt met betrekking tot de zorg voor de kinderen.

De vrouw betwist dat er geen sprake zou zijn van lotsverbondenheid. De vrouw betwist dat er sprake is geweest van wangedrag van haar jegens de man en zij betwist dat zij de man zou hebben bedreigd. Het is juist de man die zich lange tijd als een onverantwoord ouder heeft opgesteld, zich niet heeft bekommerd om het welzijn van de kinderen en haar heeft mishandeld.

De rechtbank stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of van een gewezen echtgenoot een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de andere echtgenoot kan worden gevergd en, zo ja, tot welk bedrag, rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Hieronder zijn ook te verstaan niet financiële omstandigheden, zoals gedragingen van de onderhoud verzoekende echtgenoot. Niet het wangedrag op zichzelf, maar het bij dusdanig gedrag vorderen van geldelijke steun levert in dat geval een zo kwetsende bejegening van de aangesprokene op, dat van deze laatste een bijdrage in de kosten van onderhoud moreel niet of niet ten volle kan worden gevergd. De lotsverbondenheid die door het huwelijk is ontstaan en die ook na de beëindiging van het huwelijk doorwerkt, kan in zo’n situatie niet langer gelden als grondslag voor de onderhoudsverplichting.

De enkele constatering van grievend gedrag jegens de onderhoudsplichtige van degene die alimentatie verzoekt, leidt er niet zonder meer toe dat de lotsverbondenheid niet langer aanwezig is. Voorts dient in het algemeen terughoudendheid te worden betracht bij de beoordeling of zich in een concreet geval een zodanige situatie voordoet, mede gelet op het onherroepelijk karakter van een beëindiging of matiging van de onderhoudsverplichting. Ook dient te worden bedacht dat het op zichzelf niet ongebruikelijk is dat een relatiebreuk dan wel een echtscheiding gepaard gaat met de nodige emoties. Niet iedere vorm van wangedrag dan wel grievend gedrag is daarom aanleiding om de onderhoudsverplichting te matigen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de door de man gestelde feiten en omstandigheden niet van een zodanige aard zijn dat van hem in redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd aan het levensonderhoud van de vrouw bij te dragen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de man in beginsel een bijdrage dient te leven aan het levensonderhoud van de vrouw.

Nu de vrouw een bijstandsuitkering ontvangt zal de rechtbank de behoefte van de vrouw bepalen op de bijstandsnorm, zijnde voor de periode vanaf 5 november 2014 tot 1 januari 2015 € 951,64 per maand inclusief vakantietoeslag, vanaf 1 januari 2015 tot 1 juli 2015 € 960,83 per maand inclusief vakantietoeslag en vanaf

1 juli 2015 op € 962,63 per maand inclusief vakantietoeslag.

Ten aanzien van de behoefte van de kinderen van partijen overweegt de rechtbank als volgt.

Van belang is dat de kinderen van partijen op reeds op 22 januari 2014 uit huis zijn geplaatst. De behoefte van een minderjarige met gescheiden wonende ouders wordt tijdens de uithuisplaatsing begrensd door de kosten die door de verzorgende ouder in verband daarmee daadwerkelijk worden gemaakt. Vanaf het moment dat de minderjarige uit huis is geplaatst, heeft de verzorgende ouder - en dat is hier de vrouw - niet meer de feitelijke verzorging en opvoeding, zodat zij alleen een bijdrage van de man kan vragen voor zover zij zelf kosten voor de minderjarige maakt. Daarbij wordt ook rekening gehouden met de bijdrage die de vrouw zelf kan voldoen.

De rechtbank gaat er in beginsel vanuit dat deze kosten voor de vrouw in ieder geval de ouderbijdrage in de zin van artikel 8.2.1. e.v. van de Jeugdwet omvatten. Op die kosten komt de kinderbijslag in mindering en eventueel ook het kindgebonden budget.

De in het kader van een uithuisplaatsing verschuldigde ouderbijdrage wordt krachtens de wet vastgesteld. De hoogte van die bijdrage is niet afhankelijk van het inkomen van de ouders, maar van de leeftijd van het kind, de zorg die het kind krijgt en het aantal dagen per week dat het kind uit huis is geplaatst. Bij het vaststellen van de ouderbijdrage is rekening gehouden met andere kosten die de ouders nog voor het kind hebben, zoals bezoekkosten, schoolgeld, verzekeringen of verblijfkosten in het weekend en vakanties.

Voor vaststelling van de omvang van de behoefte van de minderjarige kan in dit geval van de verzorgende ouder worden gevergd dat zij alle kosten aannemelijk maakt die voor de minderjarige worden uitgegeven.

Gelet op het feit dat de vrouw niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij thans daadwerkelijk kosten maakt voor de kinderen, zoals hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de vrouw de behoefte van de kinderen niet voldoende heeft onderbouwd. Het verzoek van de man om de kinderbijdrage voor de periode vanaf 5 november 2014 op nihil te stellen zal dan ook worden toegewezen.

4.5.

Draagkracht man

De man stelt dat zijn inkomsten in de afgelopen jaren zijn veranderd. Hij stelt dat hij wisselende inkomsten heeft. In de periodes dat hij in Nederland verbleef verrichtte hij samen met zijn broer werkzaamheden als klusjesman en/of huisschilder. In de periodes dat hij in Colombia verbleef verrichtte hij werkzaamheden op de koffieplantage van zijn moeder. De man stelt zich nu duurzaam in Nederland te hebben gevestigd. Hij stelt geen inkomen of vermogen te hebben in Colombia. De man heeft een opgave uit het Handelsregister van de opheffing van zijn onderneming overgelegd, waaruit blijkt dat zijn onderneming per

5 januari 2015 is beëindigd. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling opgemerkt dat hij thans af en toe klust als schilder, waardoor hij wisselende (zwarte) inkomsten heeft.

Nu de man buiten het uittreksel uit het Handelsregister geen financiële stukken aan de rechtbank heeft overgelegd, kan de rechtbank thans niet bepalen hoe hoog de inkomsten van de man zijn. Het feit dat de man dit heeft nagelaten, komt dan ook voor zijn rekening en risico. De rechtbank zal de door de man te betalen partneralimentatie dan ook vaststellen op de hiervoor onder 4.4. vastgestelde bedragen aan behoefte.

4.6.

Proceskosten

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Mitsdien zal worden beslist als volgt.

5 De beslissing

De rechtbank:

wijzigt de beschikking van deze rechtbank van [datum] in zoverre:

- bepaalt dat de man met ingang van 5 november 2014 tot 1 januari 2015 € 951,64 (negenhonderd eenenvijftig euro en vierenzestig eurocent) zal betalen aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud, bij vooruitbetaling te voldoen;

- bepaalt dat de man met ingang van 1 januari 2015 tot 1 juli 2015 € 960,83 (negenhonderd zestig euro en drieëntachtig eurocent) per maand zal betalen aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud, bij vooruitbetaling te voldoen;

- bepaalt dat de man met ingang van 1 juli 2015 € 962,63 (negenhonderd tweeënzestig euro en drieënzestig eurocent) per maand zal betalen aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud, bij vooruitbetaling te voldoen;

- bepaalt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen met ingang van 5 november 2014 op nihil;

- bepaalt dat elk der partijen de eigen proceskosten draagt;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.C. Boeree, rechter tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. S.A. Marchal, griffier, op

14 oktober 2015.1

De griffier is niet in staat deze beschikking mede te ondertekenen

1 Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.