Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:7460

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-10-2015
Datum publicatie
30-10-2015
Zaaknummer
13.751.509-15, 15/4232
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Executieoverlevering. Vervolg op ECLI:NL:RBAMS:2015:5712. Naar aanleiding van het antwoord van het Hof van Justitie van de Europese Unie op de prejudiciële vraag, legt de rechtbank artikel 7, eerste lid, OLW kaderbesluitconform uit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.751.509-15

RK nummer: 15/4232

Datum uitspraak: 30 oktober 2015

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 22 juni 2015 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 6 november 2014 door de Procureur des Konings bij de Rechtbank van eerste aanleg van Brussel (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedatum] 1971,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

uit anderen hoofde gedetineerd in het [detentie adres] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 24 juli 2015. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R.A. Bosman. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. A.C. Bosch, advocaat te Rotterdam, en door een tolk in de Arabische taal. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank over de toelaatbaarheid van de overlevering.

Bij tussenuitspraak van 7 augustus 2015 heeft de rechtbank het onderzoek heropend, teneinde de officier van justitie op de zitting van 18 augustus 2015 in de gelegenheid te stellen haar standpunt ten aanzien van de reikwijdte van artikel 7 OLW in het licht van Kaderbesluit 2002/584/JBZ nader toe te lichten.

Op de zitting van 18 augustus 2015 zijn gehoord de officieren van justitie, mr. R.A. Bosman en mr. K. van der Schaft, alsmede de opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw mr. L. Huigsloot, advocaat te Rotterdam, die heeft waargenomen voor de raadsman van de opgeëiste persoon. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Arabische taal. Op deze zitting zijn partijen in de gelegenheid gesteld hun standpunt naar voren te brengen.

Op die zitting hebben partijen ermee ingestemd dat, indien de rechtbank overgaat tot het stellen van een prejudiciële vraag:

- de rechtbank het concept van de prejudiciële vraag per e-mail aan hen voorlegt;

- zij de gelegenheid krijgen om daarop per e-mail te reageren;

- de rechtbank vervolgens, zonder nadere zitting het onderzoek sluit en tussenuitspraak doet.

Bij e-mail van 19 augustus 2015 heeft de rechtbank de raadsman en de officier van justitie laten weten dat zij inderdaad overgaat tot het stellen van een prejudiciële vraag. Bij e-mail van 20 augustus 2015 heeft de rechtbank het concept van de prejudiciële vraag aan partijen voorgelegd. De rechtbank heeft kennisgenomen van de reacties van partijen.

De rechtbank heeft op 2 september 2015 het onderzoek gesloten en heeft bij tussenuitspraak van diezelfde datum (ECLI:NL:RBAMS:2015:5712) het onderzoek heropend en geschorst, teneinde een prejudiciële vraag voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Op diezelfde dag is de prejudiciële vraag ingediend.

Bij beschikking van 25 september 2015 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie die prejudiciële vraag beantwoord.

Bij e-mail van 12 oktober 2015 heeft de rechtbank onder de aandacht van partijen gebracht dat:

- zij op de zitting van 16 oktober 2015 zal onderzoeken of zij artikel 7 OLW kaderbesluitconform kan uitleggen zonder dat zo een uitleg een uitleg contra legem oplevert;

- daarbij aandachtspunt zal zijn de mogelijkheid van een kaderbesluitconforme uitleg van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2°, OLW in samenhang met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW en

- bij die uitleg mogelijk ook de artikelen 2 en 28 OLW van belang zijn.

De vordering is vervolgens behandeld op de openbare zitting van 16 oktober 2015 in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door mr. L. Huigsloot, advocaat te Rotterdam – die heeft waargenomen voor de raadsman van de opgeëiste persoon – en door een tolk in de Arabische taal. De rechtbank heeft het onderzoek hervat in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de heropening en schorsing van het onderzoek op 2 september 2015.

De termijn waarbinnen de rechtbank op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen is op 20 september 2015 verstreken. De rechtbank heeft deze termijn op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met onbepaalde tijd verlengd.

Partijen hebben ermee ingestemd dat de rechtbank het onderzoek zonder nadere zitting zal sluiten en, met voorafgaande kennisgeving, meteen uitspraak zal doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij uitsluitend de Marokkaanse nationaliteit heeft.

De opgeëiste persoon is niet een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, OLW.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een uitvoerbaar vonnis, te weten het vonnis uitgesproken op 7 oktober 2014 door de 43e correctionele kamer van de Rechtbank van eerste aanleg van Brussel, referentienummer: BR.30.LL.25935/13.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vijf jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.

Het vonnis betreft de drie feiten zoals die zijn beschreven in de tussenuitspraak van 2 september 2015 (ECLI:NL:RBAMS:2015:5712).

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis, terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot dat vonnis heeft geleid en terwijl zich niet één van de in artikel 12, aanhef en onder a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.

Op grond van artikel 12, aanhef en onder d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering alleen toestaan, indien de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat:

- ( (i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en

- ( (ii) hij wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.

Onderdeel d) van het EAB houdt onder meer het volgende in:

Als de betrokken persoon overgeleverd wordt aan de Belgische autoriteiten, zal hij in verzet kunnen komen tegen het verstekvonnis. Het gaat om een gewoon rechtsmiddel van herroeping. Het verzet heeft tot doel de zaak opnieuw voor de rechter te brengen die bij verstek geoordeeld heeft om een onderzoek op tegenspraak te bekomen.

De e-mail van de substituut-procureur des Konings van 23 juli 2015 houdt onder meer het volgende in:

Ik kan u natuurlijk bevestigen dat [opgeëiste persoon] een verzet kan aantekenen tegen het vonnis van 7 oktober 2014 van de correctionele rechtbank van Brussel zodra hij in België aankomt. Eens dit verzet aangetekend krijgt de [opgeëiste persoon] een nieuwe proces voor dezelfde correctionele rechtbank van Brussel.

Naar het oordeel van de rechtbank voldoet een en ander aan de eisen van artikel 12, aanhef en onder d, OLW en is de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond dus niet van toepassing.

5 Strafbaarheid

5.1

Relevante bepalingen

5.1.1

Kaderbesluit 2002/584/JBZ

Artikel 2 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

Artikel 2

Toepassingsgebied van het Europees aanhoudingsbevel

1. Een Europees aanhoudingsbevel kan worden uitgevaardigd wegens feiten

die door de wet van de uitvaardigende lidstaat strafbaar zijn gesteld met een

vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, met een

maximum van ten minste twaalf maanden of, wanneer een straf of een maatregel

is opgelegd, wegens opgelegde sancties met een duur van ten minste vier

maanden.

2. Tot overlevering op grond van een Europees aanhoudingsbevel kunnen

leiden, onder de voorwaarden van dit kaderbesluit en zonder toetsing van de

dubbele strafbaarheid van het feit, de navolgende strafbare feiten, indien daarop in

de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming

strekkende maatregel staat met een maximum van ten minste drie jaar en zoals

omschreven in het recht van de uitvaardigende lidstaat:

(…)

4. Ten aanzien van andere dan de in lid 2 van dit artikel bedoelde strafbare

feiten kan overlevering afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat het

Europees aanhoudingsbevel berust op een naar het recht van de uitvoerende

lidstaat strafbaar feit, ongeacht de bestanddelen of de kwalificatie ervan.

Artikel 4, punt 1, luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

Artikel 4

Gronden tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging

De uitvoerende rechterlijke autoriteit kan de tenuitvoerlegging van het Europees

aanhoudingsbevel weigeren in de volgende gevallen:

1) in een van de in artikel 2, lid 4, bedoelde gevallen is het feit dat aan het

Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt naar het recht van de

uitvoerende lidstaat niet strafbaar (…)

Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder f, luidt als volgt:

Artikel 8

Inhoud en vorm van het Europees aanhoudingsbevel

1. In het Europees aanhoudingsbevel worden overeenkomstig het als bijlage bij dit kaderbesluit gevoegde model de navolgende gegevens vermeld:

(…)

f) de opgelegde straf, indien een onherroepelijk vonnis bestaat, of de in de uitvaardigende lidstaat voor het betrokken feit geldende strafmaat;

5.1.2

De Overleveringswet

Artikel 2 OLW luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

Artikel 2

1. Een Europees aanhoudingsbevel kan slechts worden afgegeven wegens feiten die door de wet van de uitvaardigende lidstaat strafbaar zijn gesteld en waarop een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld of indien een straf of maatregel is opgelegd, wanneer deze een duur heeft van ten minste vier maanden.

2. Een Europees aanhoudingsbevel wordt volgens het in bijlage 2 bij deze wet opgenomen model opgemaakt en dient in elk geval de volgende gegevens te bevatten:

(…)

f. de opgelegde straf of maatregel, indien een onherroepelijk vonnis bestaat, of de in de uitvaardigende lidstaat voor het betrokken feit geldende strafbedreiging;

(…)

Artikel 7, eerste lid, OLW luidt als volgt:

Artikel 7

1. Overlevering kan alleen worden toegestaan ten behoeve van:

a. een door autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich naar het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit schuldig heeft gemaakt aan:

1º. een naar het recht van de uitvaardigende lidstaat benoemd strafbaar feit dat tevens op de in bijlage 1 bij deze wet behorende lijst staat vermeld, waarop naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld; of

2º. een ander feit dat zowel naar het recht van de uitvaardigende lidstaat als naar dat van Nederland strafbaar is en waarop een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld;

b. de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van vier maanden, of van langere duur, door de opgeëiste persoon op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat te ondergaan wegens een feit als onder 1° of 2° bedoeld.

Artikel 28, tweede lid, luidt als volgt:

Artikel 28

(…)

2. Bevindt de rechtbank, hetzij dat het Europees aanhoudingsbevel niet voldoet aan de vereisten van artikel 2, hetzij dat de overlevering niet kan worden toegestaan, hetzij dat ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan de feiten waarvoor zijn overlevering is gevraagd, dan weigert zij bij haar uitspraak de overlevering.

5.2

Inleiding

In haar tussenuitspraak van 2 september 2015 heeft de rechtbank in het midden gelaten of het EAB dient te worden opgevat als strekkende tot vervolgings- dan wel executieoverlevering. De rechtbank overweegt daaromtrent thans dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf die is opgelegd bij een uitvoerbaar vonnis. Het EAB strekt met andere woorden tot executieoverlevering. De omstandigheid dat de opgeëiste persoon in België nog het recht heeft om verzet aan te tekenen tegen het uitvoerbare verstekvonnis doet daaraan niet af. Van toepassing is derhalve het in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW ter zake van executieoverlevering gestelde vereiste.

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft geen van de drie aan het EAB ten grondslag liggende feiten aangeduid als strafbare feiten als bedoeld in artikel 2, tweede lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ – de zogenoemde lijstfeiten – die zonder toetsing van de dubbele strafbaarheid tot overlevering kunnen leiden.

Alle feiten zijn naar Nederlands recht strafbaar, maar op één van de drie feiten is naar Nederlands recht alleen een geldboete gesteld. Volgens de uitleg die de rechtbank tot nog toe aan artikel 7, eerste lid, OLW heeft gegeven, zou de rechtbank de overlevering voor dit feit moeten weigeren, omdat daarop in Nederland niet een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld. Om vast te stellen of artikel 7, eerste lid, OLW op dit punt in overeenstemming is met Kaderbesluit 2002/584/JBZ heeft de rechtbank een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gesteld.

Bij beschikking van 25 september 2015 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie deze vraag als volgt beantwoord:

23 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de

artikelen 2, lid 4, en 4, punt 1, van kaderbesluit 2002/584 in die zin moeten

worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat voor de overlevering op basis

van een Europees aanhoudingsbevel in de uitvoerende lidstaat niet alleen de

voorwaarde wordt gesteld dat het feit waarvoor het aanhoudingsbevel is

uitgevaardigd strafbaar is naar het recht van die lidstaat, maar ook dat dit feit

volgens het recht van deze uitvoerende lidstaat kan worden bestraft met een

vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden.

24 In dat verband moet worden opgemerkt dat krachtens artikel 4, punt 1, van

kaderbesluit 2002/584 de uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging

van het Europees aanhoudingsbevel kan weigeren indien in een van de in artikel 2,

lid 4, van dat kaderbesluit bedoelde gevallen het feit dat aan het Europees

aanhoudingsbevel ten grondslag ligt, naar het recht van de uitvoerende lidstaat

niet strafbaar is. Dat artikel 2, lid 4, preciseert dat deze mogelijkheid ziet op

andere dan de in lid 2 van dit artikel bedoelde strafbare feiten, ongeacht de

bestanddelen of de kwalificatie ervan.

25 Die mogelijkheid om de tenuitvoerlegging te weigeren is bijgevolg beperkt tot het

geval waarin een Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft op een feit dat niet

op de lijst in artikel 2, lid 2, van kaderbesluit 2002/584 staat en dat naar het recht

van de uitvoerende lidstaat geen strafbaar feit oplevert.

26 Daar het dragen van een verboden wapen, dat een van de feiten is waarop het

hoofdgeding betrekking heeft, volgens de verwijzende rechter naar Nederlands

recht een strafbaar feit vormt, moet worden vastgesteld dat de weigering om een

daarop betrekking hebbend Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen niet

onder het uitdrukkelijk in de artikelen 2, lid 4, en 4, punt 1, van kaderbesluit

2002/584 voorziene geval valt.

27 Overigens bieden noch de artikelen 2, lid 4, en 4, punt 1, van kaderbesluit

2002/584 noch enige andere bepaling daarvan de mogelijkheid zich te verzetten

tegen de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel dat betrekking

heeft op een feit dat in de uitvoerende lidstaat weliswaar strafbaar is maar daar

niet met een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden

wordt bestraft.

28 Voor deze vaststelling is steun te vinden in de algemene opzet van kaderbesluit

2002/584 en in de doelen ervan.

29 Blijkens de eerste twee leden van artikel 2, berust dat kaderbesluit, wat de

strafbare feiten betreft waarvoor een Europees aanhoudingsbevel kan worden

uitgevaardigd, immers op de strafmaat die van toepassing is in de lidstaat die het

bevel heeft uitgevaardigd (zie in die zin arrest Advocaten voor de Wereld,

C-303/05, EU:C:2007:261, punt 52). Dat komt omdat de strafvervolging of de

uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel met het

oog waarop een dergelijk bevel is uitgevaardigd, plaatsvindt overeenkomstig de

regels van die lidstaat.

30 Anders dan het uitleveringsstelsel, dat bij kaderbesluit 2002/584 is afgeschaft en

vervangen door een regeling van overlevering tussen rechterlijke autoriteiten,

houdt het kaderbesluit geen rekening meer met de maat van de in de uitvoerende

lidstaten toepasselijke sancties. Dat strookt met het belangrijkste doel van dit

kaderbesluit, bedoeld in overweging 5 ervan, een vrij verkeer van beslissingen in

strafzaken te verzekeren in de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid.

31 Uit een en ander volgt dat de artikelen 2, lid 4, en 4, punt 1, van kaderbesluit

2002/584 in die zin moeten worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat

voor de overlevering op basis van een Europees aanhoudingsbevel in de

uitvoerende lidstaat niet alleen de voorwaarde wordt gesteld dat het feit waarvoor

dat aanhoudingsbevel is uitgevaardigd strafbaar is naar het recht van die lidstaat,

maar ook dat dit feit volgens het recht van deze uitvoerende lidstaat kan worden

bestraft met een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden. 1

Uit het antwoord volgt dat de Overleveringswet ten aanzien van niet-lijstfeiten alleen de voorwaarde van strafbaarheid naar Nederlands recht mag stellen, niet ook de voorwaarde van een strafbedreiging naar Nederlands recht met een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden.

De rechtbank is verder van oordeel dat de Overleveringswet in geval van executieoverlevering ter zake van niet-lijstfeiten niet de voorwaarde mag stellen van een strafbedreiging naar het recht van de uitvaardigende lidstaat met een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden. Zij leidt dit af uit de bewoordingen van artikel 2, eerste lid, en van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder f, Kaderbesluit 2002/584/JBZ, die de strafbedreiging naar het recht van de uitvaardigende lidstaat en de opgelegde straf als alternatieve voorwaarden presenteren, al naar gelang sprake is van vervolgings- of executieoverlevering. Uit de genoemde bepalingen blijkt immers dat in geval van vervolgingsoverlevering de voorwaarde geldt dat het recht van de uitvaardigende lidstaat het feit strafbaar stelt met een vrijheidssanctie met een maximum van ten minste twaalf maanden en in geval van executieoverlevering alleen de voorwaarde dat een vrijheidssanctie met een duur van ten minste vier maanden is opgelegd. Deze uitleg, die een afwijking van het uitleveringsrecht oplevert – zie artikel 5, eerste lid, van de Uitleveringswet en artikel 2, eerste lid, van het Europees verdrag betreffende uitlevering – strookt met de belangrijkste doelstelling van Kaderbesluit 2002/584/JBZ, te weten het verzekeren van een vrij verkeer van beslissingen in een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid. Deze uitleg vindt tevens steun in de punten 29 en 30 van de beschikking van het Hof.

In het licht van het voorgaande moet de rechtbank onderzoeken of zij artikel 7, eerste lid, OLW kaderbesluitconform kan uitleggen.

5.3

Kaderbesluitconforme uitleg

5.3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat:

- of hier nu sprake is van een vervolgings- of executieoverlevering Nederland niet de voorwaarde mag stellen van een strafbedreiging in Nederland met een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden;

- een kaderbesluitconforme uitleg van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2°, OLW mogelijk is en dat die uitleg niet contra legem is;

- die uitleg gevolgen heeft voor de uitleg van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW;

- Nederland in geval van executieoverlevering ter zake van een niet-lijstfeit niet de voorwaarde mag stellen van een strafbedreiging in de uitvaardigende lidstaat met een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden;

- ook op dit punt een kaderbesluitconforme uitleg van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW mogelijk is die niet contra legem is.

5.3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft op dit punt niets aangevoerd.

5.3.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beantwoording van de vraag of de rechtbank artikel 7, eerste lid, OLW kaderbesluitconform kan uitleggen, gelden de volgende algemene uitgangspunten:

- de rechtbank moet de Overleveringswet zo veel mogelijk uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van het kaderbesluit, teneinde het daarmee beoogde resultaat te bereiken;

- de verplichting tot kaderbesluitconforme uitleg wordt begrensd door de algemene rechtsbeginselen en deze verplichting kan niet dienen als grondslag voor een uitleg contra legem van het nationale recht;

- de rechtbank moet binnen haar bevoegdheden, met inachtneming van het gehele nationale recht en onder toepassing van de daarin erkende uitleggingsmethoden, al het mogelijke doen om de volle werking van Kaderbesluit 2002/584/JBZ te verzekeren en tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met de daarmee nagestreefde doelstelling;

- de nationale wetgever wordt geacht Kaderbesluit 2002/584/JBZ correct te hebben willen omzetten in het nationale recht.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever heeft bedoeld dat voor executieoverlevering ter zake van niet-lijstfeiten de voorwaarde geldt dat het feit zowel naar het recht van de uitvaardigende lidstaat als naar het recht van Nederland strafbaar is gesteld met een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden en ook in de veronderstelling verkeerde dat geen sprake is van strijd met het kaderbesluit (Kamerstukken II 2003/04, 29042, 12, p. 12; Kamerstukken I 2003/04, 29042, C, p. 11 en Kamerstukken II 2008/09, 23490, 545, p. 3). Uit de algemene uitgangspunten volgt dat deze bedoeling van de wetgever niet in de weg kan staan aan een kaderbesluitconforme uitleg. Bovendien berust zijn bedoeling op een veronderstelling die in het licht van de beschikking van het Hof niet houdbaar is.

Het Openbaar Ministerie heeft voorgesteld in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2º, OLW de woorden “in de uitvaardigende lidstaat” in te lezen, zodat de laatste zinsnede van die bepaling als volgt zou luiden: “waarop in de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld”. Naar het oordeel van de rechtbank voorkomt deze lezing inderdaad dat in geval van vervolgingsoverlevering ter zake van niet-lijstfeiten een voorwaarde inzake de hoogte van de strafbedreiging naar Nederlands recht geldt en is deze lezing niet contra legem. De rechtbank kan artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2°, OLW echter niet los van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW uitleggen. Bovendien ontkomt de rechtbank niet aan het geven van een uitleg aan artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW, nu het onderhavige EAB strekt tot executieoverlevering. De lezing van de officier van justitie roept in dit verband een probleem op. Aangezien artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW voor wat betreft de voorwaarden voor executieoverlevering verwijst naar artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2º, OLW, zou bij deze lezing artikel 7 OLW in geval van executieoverlevering ter zake van een niet-lijstfeit de voorwaarde stellen dat op dit feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld. Deze voorwaarde is echter, zoals hiervoor onder 5.2 overwogen, in strijd met Kaderbesluit 2002/584/JBZ.

De rechtbank ziet evenwel ruimte voor een uitleg van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW die dit gevolg voorkomt, die kaderbesluitconform en niet contra legem is en die de weg opent voor een kaderbesluitconforme uitleg van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2º, OLW.

Bij de uitleg van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW moet de rechtbank namelijk niet alleen acht slaan op de formulering van deze individuele bepaling, maar, gelet op de hiervoor genoemde algemene uitgangspunten, ook op de systematiek van de Overleveringswet waarin deze bepaling is opgenomen.

In dit verband wijst de rechtbank op artikel 2, eerste lid, OLW dat – in overeenstemming met artikel 2, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ – bepaalt dat een EAB kan worden uitgevaardigd voor feiten die naar het recht van de uitvaardigende lidstaat strafbaar zijn gesteld met een vrijheidssanctie met een maximum van ten minste twaalf maanden of indien een straf of maatregel is opgelegd, wanneer deze een duur heeft van ten minste vier maanden. Deze bepaling omschrijft dus alternatieve voorwaarden.

Hetzelfde geldt voor artikel 2, tweede lid, aanhef en onder f, OLW, dat – in overeenstemming met artikel 8, eerste lid, aanhef en onder f, Kaderbesluit 2002/584/JBZ – bepaalt dat een EAB moet vermelden hetzij de opgelegde straf of maatregel hetzij de strafbedreiging in de uitvaardigende lidstaat.

Uit artikel 28, tweede lid, OLW volgt dat de rechtbank bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de overlevering rekening moet houden zowel met artikel 2 OLW als met artikel 7 OLW.

Tegen de achtergrond van artikel 2 OLW en artikel 28 OLW brengt een wetssystematische uitleg van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW mee, dat in geval van executieoverlevering ter zake van een niet-lijstfeit niet de voorwaarde van een strafbedreiging in de uitvaardigende lidstaat met een vrijheidsstraf met een strafmaximum van ten minste twaalf maanden geldt. Bij deze uitleg prevaleert de systematiek van de Overleveringswet boven de formulering van een individuele bepaling van die wet. Deze uitleg is dan ook niet contra legem.

Bij deze uitleg is ook een kaderbesluitconforme uitleg van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2°, OLW (vervolgingsoverlevering) mogelijk, in die zin dat de voorwaarde inzake de hoogte van de strafbedreiging alleen geldt voor de strafbedreiging in de uitvaardigende lidstaat.

Resumerend legt de rechtbank artikel 7, eerste lid, OLW ter zake van niet-lijstfeiten zo uit, dat:

- in geval van executieoverlevering niet een voorwaarde inzake de hoogte van de strafbedreiging in de uitvaardigende lidstaat geldt en

- in geval van executie- en vervolgingsoverlevering niet een voorwaarde inzake de hoogte van de strafbedreiging in Nederland geldt.

Positief geformuleerd brengt deze uitleg mee, dat ter zake van niet-lijstfeiten:

- in geval van vervolgingsoverlevering het feit in de uitvaardigende lidstaat strafbaar moet zijn gesteld met een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden en het feit in Nederland strafbaar moet zijn;

- in geval van executieoverlevering in de uitvaardigende lidstaat een vrijheidssanctie van ten minste vier maanden moet zijn opgelegd en het feit in Nederland strafbaar moet zijn.

5.4

Conclusie

De drie strafbare feiten voldoen aan de eisen van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2°, OLW in samenhang met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW.

De feiten leveren op:

mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn echtgenoot;

mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn echtgenoot, meermalen gepleegd;

handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

6 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 27 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 2, 5, 7 en 12 van de Overleveringswet.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Procureur des Konings bij de Rechtbank van eerste aanleg van Brussel (België) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,

mrs. A.J. Dondorp en C.A.E. Wijnker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.H. Glerum, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 30 oktober 2015.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

A

1 HvJ EU 25 september 2015, C-463/15 PPU, ECLI:EU:C:2015:634 (A.).