Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:7445

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-10-2015
Datum publicatie
05-11-2015
Zaaknummer
ams 15/176
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet tijdig beslissen. Op grond van artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder c, van de Awb verbeurt het bestuursorgaan geen dwangsom indien niet tijdig wordt beslist op een bezwaar dat kennelijk niet-ontvankelijk is. De rechtbank voorziet zelf in de zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 15/176

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 oktober 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te Almere, eiser

(gemachtigde: mr. S. Çakici-Reinders),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 8 januari 2015 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van besluiten door verweerder op zijn aanvraag van 2 mei 2014 om maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), alsook op zijn bezwaar van 4 juni 2014 tegen de e-mail van 30 mei 2014 waarin is medegedeeld dat eiser niet verblijft in de Vluchthaven en momenteel is opgevangen in het Medisch Opvangproject Ongedocumenteerden (MOO) van ASKV en dat ook nog zo blijft.

De rechtbank heeft het onderzoek met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gesloten.

Overwegingen

1.1.

Eiser werd opgevangen in de Havenstraat (de Vluchthaven).

1.2.

Op 2 mei 2014 heeft eiser bij verweerder een aanvraag om (continuering van) maatschappelijke opvang op grond van de Wmo ingediend. Ten tijde van de aanvraag verbleef eiser in het ziekenhuis VUmc.

1.3.

Op 9 mei 2014 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld en daarbij verzocht om voor 14 mei 2014 te beslissen op de aanvraag.

1.4.

Op 29 mei 2014 heeft eiser bij verweerder een verzoek ingediend om hem op de lijst van personen te plaatsen die nader onderzocht zullen worden door de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) en in dat verband langer in de Vluchthaven mogen verblijven.

1.5.

Op 30 mei 2014 heeft eiser een ingebrekestelling naar verweerder verzonden wegens het niet tijdig reageren op het verzoek van 29 mei 2014 om hem op de lijst van door de GGD te screenen personen te plaatsen.

1.6.

Bij e-mail van 30 mei 2014 heeft een medewerker van verweerder, de heer [naam] , aan de gemachtigde van eiser medegedeeld dat eiser niet verblijft in de Vluchthaven en momenteel is opgevangen in het MOO van ASKV en dat ook nog zo blijft.

1.7.

Bij brief van 4 juni 2014 heeft eiser bezwaar tegen de e-mail van 30 mei 2014 gemaakt.

1.8.

Op 7 november 2014 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld en daarbij verzocht om binnen de daarvoor bestemde wettelijke termijn te beslissen op zijn bezwaar.

1.9.

Bij beroepschrift van 8 januari 2015 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van besluiten door verweerder op zijn aanvraag van 2 mei 2014, alsook zijn bezwaar van 4 juni 2014. Eiser heeft de rechtbank verzocht verweerder op te dragen om alsnog op zijn aanvraag en bezwaar te beslissen op straffe van dwangsommen. Voorts heeft eiser de rechtbank verzocht vast te stellen dat verweerder dwangsommen heeft verbeurd wegens het niet tijdig nemen van besluiten.

2.1.

In artikel 4:13, eerste lid, van de Awb is bepaald dat een beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.

In het tweede lid is bepaald dat de in het eerste lid bedoelde redelijke termijn in ieder geval is verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een mededeling als bedoeld in artikel 4:14, derde lid, heeft gedaan.

2.2.

Op grond van artikel 4:17, eerste lid, van de Awb verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de dwangsom de eerste veertien dagen € 20,- per dag bedraagt, de daaropvolgende veertien dagen € 30,- per dag en de overige dagen € 40,- per dag.

Het derde lid van dit artikel bepaalt dat de eerste dag waarover de dwangsom is verschuldigd, de dag is waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

2.3.

Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit.

2.4.

Op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kan het beroepschrift worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

2.5.

Artikel 7:10 van de Awb bepaalt, voor zover hier van belang, dat het bestuursorgaan binnen zes weken of – indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld – binnen twaalf weken, beslist op een bezwaarschrift. Deze termijn gaat lopen vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. Het bestuursorgaan kan de beslissing voor ten hoogste zes weken verdagen.

2.6.

Op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb kan de bestuursrechter, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen, het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat de bestuursrechter kennelijk onbevoegd is dan wel het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.

2.7.

Op grond van artikel 8:55c, eerste volzin, van de Awb stelt de bestuursrechter, indien het beroep gegrond is, desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 verbeurde dwangsom vast.

3.1.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de door eiser in zijn aanvraag genoemde korte beslistermijn van zeven dagen in zijn geval redelijk is, gezien de situatie waarin hij zich bevindt.

3.2.

De rechtbank stelt vast dat de Wmo geen voorschriften bevat waarbinnen een besluit op een aanvraag dient te worden genomen. Aansluiting zal moeten worden gezocht bij de redelijke termijn als bedoeld in artikel 4:13, eerste lid, van de Awb. Uit artikel 4:13, tweede lid, van de Awb volgt dat de redelijke termijn in ieder geval is verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na de ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven en geen mededeling als bedoeld in artikel 4:14, derde lid, van de Awb heeft gedaan. In artikel 12, eerste lid, van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning van de gemeente Amsterdam, zoals die bepaling luidde ten tijde van belang, is evenwel bepaald dat verweerder op een aanvraag voor een voorziening binnen acht weken na ontvangst daarvan beslist. In de jurisprudentie wordt de redelijke termijn gewoonlijk gesteld op het maximum als bedoeld in artikel 4:13, tweede lid, van de Awb. Het spoedeisend karakter van een aanvraag kan echter met zich brengen dat een beslistermijn van enkele weken of – in uitzonderlijke gevallen – zelfs enkele dagen als de redelijke termijn in de zin van artikel 4:13, eerste lid, van de Awb moet worden aangemerkt. Te denken valt aan gevallen waarin de rechtsbescherming vereist dat snel wordt beslist en snel een voorziening kan worden gevraagd met het oog op een (dreigende) onomkeerbare of schrijnende situatie.

3.3.

Naar het oordeel van de rechtbank deed zich in het geval van eiser op 2 mei 2014 (nog) niet een dergelijke bijzondere situatie voor. De rechtbank stelt in dit verband vast dat eiser op 2 mei 2014 de aanvraag om continuering van opvang heeft gedaan in verband met de mededeling van verweerder dat hij voornemens was de opvang in de Vluchthaven per 31 mei 2014 te beëindigen. Nu op 2 mei 2014 nog geen sprake was van dreigende dakloosheid (de opvang in de Vluchthaven zou immers eerst per 31 mei 2014, dus ruim 4 weken later, worden beëindigd) en dakloosheid ook op 9 mei 2014 niet acuut aan de orde was of zou zijn, bestond geen aanleiding om verweerder op 9 mei 2014 in gebreke te stellen wegens het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank neemt in dit verband in aanmerking dat verweerder ook de tijd moet worden gegund om tot een zorgvuldige besluitvorming te komen en dat deze tijd er nog in voldoende mate was.

3.4.

Het voorgaande brengt met zich dat op 9 mei 2014 geen sprake was van het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van eiser. Gezien het bepaalde in artikel 6:12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb, kan een beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit pas worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen. Een te vroeg verstuurde ingebrekestelling is geen ingebrekestelling in de zin van het artikel. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag kennelijk niet-ontvankelijk is.

4.1.

Het beroep van eiser richt zich ook tegen het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaar van 4 juni 2014.

4.2.

Op 4 juni 2014 heeft eiser een bezwaarschrift tegen de e-mail van 30 mei 2014 ingediend. Op 15 juli 2014 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden. Uit de gedingstukken blijkt dat verweerder de beslissing op het bezwaarschrift heeft verdaagd tot en met 2 oktober 2014. Gelet hierop had verweerder, in principe, uiterlijk op 2 oktober 2014 op het bezwaar van eiser moeten beslissen. De rechtbank constateert dat verweerder niet binnen deze wettelijke termijn heeft beslist op het bezwaarschrift van eiser.

4.3.

Na het verstrijken van voornoemde termijn heeft eiser verweerder op 7 november 2014 in gebreke gesteld. Dit betekent dat verweerder uiterlijk tot en met 21 november 2014 een besluit op het bezwaar kon nemen. De rechtbank stelt vast dat eiser het onderhavige beroep heeft ingesteld bij brief van 8 januari 2015 en is van oordeel dat aan de vereisten van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is voldaan. Voorts stelt de rechtbank vast dat verweerder vooralsnog geen besluit op eisers bezwaarschrift van 4 juni 2014 heeft genomen.

4.4.

Nu niet tijdig op het bezwaarschrift is beslist, is het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van 4 juni 2014 naar het oordeel van de rechtbank kennelijk gegrond en dient het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig beslissen op het bezwaar van eiser van 4 juni 2014 te worden vernietigd.

4.5.

Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb bepaalt de rechtbank indien het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt. Op grond van het derde lid van dit artikel kan in bijzondere gevallen of indien de naleving van andere wettelijke voorschriften daartoe noopt, de rechtbank een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen.

4.6.

De rechtbank ziet aanleiding een andere voorziening te treffen en zal zelf in de zaak voorzien. Naar het oordeel van de rechtbank kan het verzoek van eiser van 29 mei 2014 om plaatsing op de lijst van de GGD niet als een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb worden aangemerkt. De e-mail van 30 mei 2014 is dan ook geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De rechtbank zal daarom het bezwaar van eiser van 4 juni 2014 kennelijk niet-ontvankelijk verklaren.

4.7.

Op grond van artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder c, van de Awb verbeurt het bestuursorgaan geen dwangsom indien niet tijdig wordt beslist op een bezwaar dat kennelijk niet-ontvankelijk is. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat geen dwangsom is verschuldigd.

4.8.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

4.9.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 122,50 (1 punt maal factor 0,25 (zeer licht) maal € 490,-) als kosten van verleende rechtsbijstand. Deze zaak is van zeer gering gewicht, nu dit geding slechts betrekking heeft op de vraag of de beslistermijn van artikel 7:10 van de Awb is overschreden en er dwangsommen als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb zijn verbeurd. Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag van 2 mei 2014 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van 4 juni 2014 gegrond;

- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig beslissen op het bezwaar van 4 juni 2014;

- verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk;

- bepaalt dat deze uitspraak in plaats treedt van het vernietigde besluit;

- stelt vast dat verweerder geen dwangsom aan eiser is verschuldigd;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 45,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 122,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van mr. S.P.M. van Boheemen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2015.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.