Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:7356

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-10-2015
Datum publicatie
18-01-2018
Zaaknummer
AWB - 13 _ 4337
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

wwb/ datum toekenning / terugvordering / ten onrechte gebruteerd/ uitspraak CRvB / beroep niet ontvankelijk en gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/31
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 13/4337 en AMS 13/4338

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 oktober 2015 in de zaak tussen

[de vrouw] , te Amsterdam, eiseres,

[de man] , te Amsterdam, eiser,

hierna gezamenlijk te noemen: eisers,

(gemachtigde: mr. H. Beekelaar),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. J.E. Carter).

Procesverloop

Bij besluit van 29 november 2012 (het primaire besluit I) heeft verweerder met ingang van 12 november 2012 een bijstandsuitkering op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) naar de norm voor gehuwden aan eisers verleend.

Bij besluit van 5 december 2012 (het primaire besluit II) heeft verweerder de ten onrechte ontvangen bijstand op grond van de Wwb over de periode van 13 januari 2012 tot en met 31 oktober 2012 van eisers teruggevorderd tot een bedrag van netto € 9.031,33.

Bij besluit van 1 januari 2013 (het primaire besluit III) heeft verweerder het per 1 januari 2013 nog openstaande bedrag van de vordering op eiseres met € 4.569,32 verhoogd (gebruteerd).

Bij besluit van 1 januari 2013 (het primaire besluit IV) heeft verweerder het per 1 januari 2013 nog openstaande bedrag van de vordering op eiser met € 2.909,52 verhoogd (gebruteerd).

Bij besluit van 21 juni 2013 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eisers gericht tegen het primaire besluit I ongegrond verklaard.

Bij besluit van 24 juni 2013 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eisers gericht tegen het primaire besluit II ongegrond verklaard, het bezwaar gericht tegen het primaire besluit III niet-ontvankelijk verklaard en het primaire besluit IV ingetrokken.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit I en II separaat beroep ingesteld.

De rechtbank heeft de zaken ter openbare terechtzitting van 4 december 2013 gevoegd behandeld. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en het vooronderzoek heropend. Partijen hebben de rechtbank nadere schriftelijke reacties gezonden.

Bij besluit van 17 april 2014 (het bestreden besluit III) heeft verweerder het bestreden besluit I ingetrokken en het bezwaar van eisers gegrond verklaard.

Bij besluit van 17 april 2014 (het bestreden besluit IV) heeft verweerder het bestreden besluit II ingetrokken, het primaire besluit IV ingetrokken, het bezwaar gericht tegen het primaire besluit III niet-ontvankelijk verklaard, het bezwaar gericht tegen het besluit van 17 januari 2013 alsmede het bezwaar gericht tegen het primaire besluit II gedeeltelijk gegrond verklaard en het terugvorderingsbedrag verlaagd naar bruto € 9.752,12.

De rechtbank heeft op 21 september 2015 de zaken nader ter openbare terechtzitting gevoegd behandeld. Partijen zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

In de zaak met procedurenummer AMS 13/4337

1.1

Eisers hebben op 12 november 2012 een uitkering aangevraagd voor levensonderhoud op grond van de Wwb.

1.2

Bij het primaire besluit I heeft verweerder deze aanvraag toegewezen en vanaf 12 november 2012 bijstand toegekend naar de norm voor gehuwden. Eisers hebben tegen het primaire besluit I op 13 januari 2012 bezwaar ingediend.

1.3

Bij het bestreden besluit I heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en overwogen dat geen bijstand met terugwerkende kracht wordt verleend.

1.4

In beroep hebben eisers aangevoerd dat het recht op een bijstandsuitkering naar de norm voor een gezin kan worden vastgesteld per 13 januari 2012, als zijnde de datum van intrekking van de bijstand van eiser en eiseres afzonderlijk vanwege de omstandigheid dat eisers niet meer duurzaam gescheiden leven.

1.5

Bij het bestreden besluit III heeft verweerder het bezwaar van eisers gegrond verklaard, het bestreden besluit I ingetrokken en alsnog met ingang van 13 januari 2012 bijstand aan eisers toegekend naar de norm voor een gezin.

2.1

De rechtbank stelt vast dat verweerder met het bestreden besluit III een besluit heeft genomen in de zin van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep van eisers wordt dan ook geacht mede te zijn gericht tegen het bestreden besluit III.

2.2

Gesteld noch gebleken is dat eisers enig belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het ingetrokken bestreden besluit I. De rechtbank zal het beroep van eisers daartegen niet-ontvankelijk verklaren wegens het ontbreken van procesbelang.

2.3

De rechtbank ziet in het gegeven dat verweerder na het instellen van het beroep het bestreden besluit I heeft ingetrokken aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eisers ten aanzien van het ingestelde beroep tegen het bestreden besluit I hebben moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht op een bedrag van € 980,-- (één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,-- en een wegingsfactor 1). Indien aan eisers een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener. De rechtbank ziet verder aanleiding te bepalen dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

3. Ten aanzien van het bestreden besluit III stelt de rechtbank vast dat verweerder geheel aan het beroep is tegemoet gekomen. Nu eisers geen nadere gronden tegen het bestreden besluit III hebben aangevoerd, hoewel daarom wel is verzocht, en evenmin ter zitting zijn verschenen, is het de rechtbank niet duidelijk (geworden) wat zij nog wensen te bereiken met het beroep. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eisers geen belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroep tegen dit besluit. De rechtbank zal het beroep tegen het bestreden besluit III daarom eveneens niet-ontvankelijk verklaren.

In de zaak met procedurenummer AMS 13/4338

4.1

De rechtbank stelt vast dat verweerder hangende het beroep het bestreden besluit IV heeft genomen. Bij dit besluit is het bestreden besluit II gedeeltelijk herzien.

4.2

Verder stelt de rechtbank vast dat verweerder hiermee een besluit heeft genomen in de zin van artikel 6:19 van de Awb en dat dit besluit niet volledig tegemoetkomt aan het beroep van eisers. Gelet hierop merkt de rechtbank het beroep van eisers dan ook aan als mede te zijn gericht tegen het bestreden besluit IV.

4.3

Nu het bestreden besluit IV een wijziging ten gunste van eisers inhoudt en gesteld noch gebleken is dat eisers nog enig belang hebben bij een beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit II, zal de rechtbank het beroep van eisers daartegen vanwege het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaren.

4.4

De rechtbank ziet in het gegeven dat verweerder na het instellen van het beroep het bestreden besluit II gedeeltelijk heeft herzien aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eisers ten aanzien van het ingestelde beroep tegen het bestreden besluit I hebben moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht op een bedrag van € 490,-- (één punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 490,-- en een wegingsfactor 1). De rechtbank geen punt toe voor het verschijnen ter zitting, nu deze zaak gevoegd is behandeld met de zaak met het procedurenummer AMS 13/4337 en in die zaak reeds vergoeding is toegekend voor het verschijnen ter zitting. Indien aan eisers een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener. De rechtbank kent verder aanleiding te bepalen dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

5. Ten aanzien van het bestreden besluit IV hebben eisers primair aangevoerd dat de grondslag voor terugvordering ontbreekt gezien er voor verweerder geen bevoegdheid bestond om over te gaan tot intrekking van de bijstandsuitkering van eiser en eiseres. Voor zover verweerder evenwel wel tot terugvordering kon overgaan, voeren eisers aan dat verweerder, gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 14 april 2015, van brutering had moeten afzien waardoor de terugvordering moet worden vastgesteld op € 6.294,95.

6.1

Artikel 54, derde lid, van de Wwb, zoals deze bepaling destijds luidde, bepaalt dat, onverminderd het elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en terzake van weigering van bijstand, het college een dergelijk besluit kan herzien of intrekken:

a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand;

b. indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

6.2

Op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb– zoals deze luidde ten tijde van belang – kan verweerder de kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Op grond van het vierde lid van dit artikel kan de vordering, bij gebreke van tijdige betaling, worden verhoogd met de op de terugvordering betrekking hebbende kosten. Loonbelasting waarvoor de gemeente die de bijstand verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting inhoudingsplichtige is kan worden teruggevorderd, voor zover deze belasting niet verrekend kan worden met de door verweerder af te dragen loonbelasting, premies volksverzekering en vergoeding.

6.3

Op grond van artikel 6.1, eerste lid, van de Beleidsregels inkomensvoorzieningen Wwb, IOAW, IOAZ en WWIK (de Beleidsregels), wordt de ten onrechte of te veel verstrekte bijstand teruggevorderd vermeerderd met de door de gemeente afgedragen loonbelasting, premies volksverzekeringen, alsmede de vergoeding als bedoeld in artikel 46 van de ZVW, voor zover deze niet kunnen worden verrekend met de belastingdienst.

6.4

Op grond van het tweede lid van artikel 6.1 van de Beleidsregels, wordt van bruto terugvordering als bedoeld in het eerste lid, voor zover het niet een fraudevordering betreft, afgezien indien de terugvordering is gebaseerd op artikel 58, eerste lid, onder a, van de Wwb die voortkomt uit herziening of intrekking op grond van artikel 54, derde lid, onder b, van de Wwb en terugvordering die is gebaseerd op artikel 58, eerste lid, onder e, van de Wwb.

7.1

De rechtbank overweegt dat gelet op de uitspraak van de Raad van 14 april 2015 in rechte vaststaat dat aan eisers ten onrechte bijstand is verleend naar de norm voor een alleenstaande waardoor verweerder bevoegd was de bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de Wwb, zoals deze bepaling destijds luidde, met ingang van 13 januari 2012 in te trekken. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de beroepsgronden gericht tegen de rechtmatigheid van de intrekking niet slagen. Dit brengt met zich mee dat verweerder bevoegd was de kosten van bijstand op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb, zoals deze bepaling destijds luidde, terug te vorderen van eisers.

7.2

Voorts ligt ter beoordeling voor of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten de vordering op eisers te bruteren. De rechtbank stelt vast dat de Raad in voormelde uitspraak in rechtsoverweging 4.4 heeft geoordeeld dat eisers niet de op hen rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wwb, hebben geschonden, waardoor het college niet bevoegd was om de bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wwb, zoals deze bepaling destijds luidde, in te trekken. Hieruit volgt dat verweerder ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Beleidsregels af had dienen te zien van brutering. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot brutering van de vordering. De beroepsgrond slaagt.

7.3

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep van eisers gericht tegen het bestreden besluit IV gegrond verklaren en dit besluit vernietigen. In het kader van de finale geschilbeslechting en nu voorts het netto bedrag van de terugvordering niet in geschil is, zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72 van de Awb zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat het terugvorderingsbedrag wordt verlaagd naar netto € 6.294,95. Voor een aanvullende proceskostenveroordeling in verband met het beroep tegen het bestreden besluit IV ziet de rechtbank geen aanleiding nu voor het beroepschrift en de zitting van 4 december 2013 reeds een punt is toegekend en de gemachtigde van eisers niet ter zitting van 21 september 2015 is verschenen.

Beslissing

De rechtbank:

In de zaak met procedurenummer AMS 13/4337:

- verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit III niet-ontvankelijk;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 44,-- aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 980,--.

In de zaak met procedurenummer AMS 13/4338:

- verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit II niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit IV gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit IV voor zover daarbij het terugvorderingsbedrag wordt gebruteerd;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit IV;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 44,-- aan eisers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 490,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Singeling, rechter, in aanwezigheid van H. Akbuz, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2015.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.