Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:7340

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-10-2015
Datum publicatie
26-10-2015
Zaaknummer
13/751306-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Artikel 11 OLW. Het verweer dat de opgeëiste persoon in Engeland geen eerlijk proces (meer zal) krijgen wegens de aanhoudende en negatieve media-aandacht, wordt door de rechtbank verworpen. Het EHRM onderkent dat een virulente mediacampagne onder bepaalde omstandigheden de eerlijkheid van een proces kan ondermijnen door beïnvloeding van de publieke opinie en daarmee de jury (bijvoorbeeld EHRM 31411/07, 18 januari 2011 (Mustafa)). Daargelaten in hoeverre er sprake is van een virulente campagne en hoe aanhoudend, omvangrijk en opzienbarend de media-aandacht in Groot-Brittannië voor de opgeëiste persoon en zijn familie is geweest en nog steeds is, ziet de rechtbank in de onderhavige situatie geen concrete aanleiding om er van uit te gaan dat de media-aandacht tot een oneerlijk proces zal leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 12.751.306-15

RK-nummer: 15/5263

Datum uitspraak: 16 oktober 2015

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 10 augustus 2015 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 27 maart 2015 door the District Judge sitting at Westminster Magistrates’ Court in London (Groot-Brittannië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] (Groot-Brittannië) op [geboortedag] 1956,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting “ [locatie] ” te [plaats] ;

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 2 oktober 2015. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. A. Oswald.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw, mr. T.E. Korff, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Engelse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Britse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een warrant of arrest at first instance issued at Westminster Magistrates’ Court, gedateerd op 24 februari 2015.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan twee naar het recht van Groot-Brittannië strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage I aan deze uitspraak gehecht.

Het EAB houdt verder een verzoek in om inbeslagname en afgifte van de voorwerpen die zijn aangetroffen in het bezit van de opgeëiste persoon.

4 Strafbaarheid

4.1

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit dat ziet op de poging tot moord en waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 14, te weten:

Moord en doodslag, zware mishandeling

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Groot-Brittannië een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

4.2

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit dat ziet op het gebruik van een vuurwapen niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, 2e OLW gestelde eisen.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, WWM en het feit begaan met betrekking tot

een wapen van categorie II

5 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 11 OLW

Het standpunt van de verdediging

Door de raadsvrouw is aangevoerd dat de overlevering van de opgeëiste persoon moet worden geweigerd op grond van artikel 11 OLW omdat in de onderhavige zaak sprake is van een zogenaamde ‘trial by media’. Dit wordt als volgt onderbouwd.

De impact van de media in deze zaak is zodanig dat er geen sprake meer is én kan zijn van een eerlijk proces in Engeland, indien de opgeëiste persoon wordt overgeleverd. Kort samengevat komt de beeldvorming in de media er op neer dat de opgeëiste persoon onderdeel zou uitmaken van één van de beruchtste en meest gevreesde criminele organisaties van Engeland, bestaande uit de broers [persoon 1] , [persoon 2] en [opgeëiste persoon] , waarbij de opgeëiste persoon al sinds jaar en dag wordt neergezet als de meedogenloze moordenaar van een grootschalige criminele organisatie.

Niet alleen heeft deze berichtgeving een grote invloed op de publieke opinie, ook is dit strijdig met de onschuldpresumptie. De opgeëiste persoon dient nu onder deze omstandigheden terecht te staan op verdenking van een poging tot moord. Daarbij speelt een rol dat er in Engeland van juryrechtspraak sprake zal zijn.

Gelet op uitspraken van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), rust op de betrokken Engelse autoriteiten de verantwoordelijkheid om er voor zorg te dragen dat de voorlichting van het publiek zorgvuldig gebeurt en met inachtneming van de

onschuldpresumptie. Naar het oordeel van de verdediging zijn de Engelse autoriteiten ten aanzien van deze verantwoordelijkheid te kort geschoten. Met name de Engelse politie is naar het oordeel van de opgeëiste persoon verantwoordelijk voor de negatieve berichtgeving in de Engelse pers.

Bij de opgeëiste persoon bestaat, gelet op de hoeveelheid sensationele en ongenuanceerde berichtgeving in de Engelse media over hem en zijn familie, de objectieve vrees voor een behandeling in strijd met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) indien hij in Engeland wordt berecht.

De weigeringsgrond van artikel 11 OLW is slechts aan de orde indien het verweer wordt gestaafd met concrete feiten en omstandigheden, op grond waarvan een gegrond vermoeden bestaat dat inwilliging van het EAB inderdaad zal leiden tot de schending van deze rechten.

In deze zaak is, gelet op de overgelegde krantenartikelen, voldoende duidelijk en concreet gemaakt op welke wijze in de Engelse media op een flagrante wijze inbreuk is gemaakt op de onschuldpresumptie. Er is een daadwerkelijke en reële vrees dat de opgeëiste persoon hierdoor geen eerlijk proces meer kan krijgen in Engeland, ondanks het vertrouwensbeginsel en ondanks het feit dat Engeland partij is bij het EVRM. De inbreuk op de onschuldpresumptie is door deze berichtgeving al gemaakt, zodat er zelfs al sprake is van een voltooide flagrante schending.

Reden waarom de rechtbank de overlevering zou moeten weigeren op grond van artikel 11 OLW.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft tot verwerping van het verweer geconcludeerd.

Het standpunt dat de opgeëiste persoon op basis van media-aandacht op een bepaalde wijze wordt, dan wel zal worden behandeld, is niet onderbouwd. Daarnaast is ook in Nederland voor sommige zaken veel media-aandacht. Of de opgeëiste persoon al eerder is veroordeeld in Engeland, of aldaar als verdachte is aangemerkt in strafzaken, dan wel zijn familie aan strafbare feiten is gelinkt, is niet bekend. Het openbaar ministerie kan dat niet plaatsen en dat geldt eveneens voor de rechtbank. Het gaat te ver om de media-aandacht in de onderhavige procedure te beoordelen, want in Nederland kan niet worden ingeschat wat de gevolgen van de media-aandacht zijn. Dat geldt ook voor de gestelde schending van de onschuldpresumptie en artikel 6 EVRM. Het verweer doet bovendien de Engelse rechtspraak te kort. Er worden in Groot-Brittannië wel vaker zaken behandeld waarvoor veel media-aandacht is.

Indien er sprake van een schending van artikel 6 EVRM is, dan bestaat voor de opgeëiste persoon de mogelijkheid om hierover een klacht in te dienen bij het EHRM want Groot-Brittannië is bij het EVRM aangesloten.

Het oordeel van de rechtbank

Ingevolge artikel 11 OLW wordt overlevering niet toegestaan in gevallen, waarin naar het oordeel van de rechtbank een op feiten en omstandigheden gebaseerd gegrond vermoeden bestaat, dat inwilliging van het verzoek zou leiden tot flagrante schending van de fundamentele rechten van de betrokken persoon, zoals die worden gewaarborgd door het EVRM.

Het verweer luidt kort gezegd dat er van een ‘trial by media’-situatie sprake is waardoor er sprake is van een (dreigende) flagrante schending van artikel 6 van het EVRM.

Het EHRM onderkent dat een virulente mediacampagne onder bepaalde omstandigheden de eerlijkheid van een proces kan ondermijnen door beïnvloeding van de publieke opinie en daarmee de jury (bijvoorbeeld EHRM 31411/07, 18 januari 2011 (Mustafa)).

Daargelaten in hoeverre er sprake is van een virulente campagne en hoe aanhoudend, omvangrijk en opzienbarend de media-aandacht in Groot-Brittannië voor de opgeëiste persoon en zijn familie is geweest en nog steeds is, ziet de rechtbank in de onderhavige situatie geen concrete aanleiding om er van uit te gaan dat de media-aandacht tot een oneerlijk proces zal leiden. De raadsvrouw heeft een groot aantal krantenartikelen overgelegd. Daarmee is weliswaar onderbouwd dat er sprake is van media-aandacht, maar daarmee is nog niet voldoende onderbouwd dat er sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden aangenomen dat deze media-aandacht zal leiden tot een oneerlijk proces.

De rechtbank verwerpt daarom het verweer.

6 Beslag

Het standpunt van de verdediging

Door de raadsvrouw is aangevoerd dat de uitvaardigende justitiële autoriteit in het EAB onder (g) heeft verzocht om inbeslagname van een wapen en een BlackBerry, indien deze onder de opgeëiste persoon zouden worden aangetroffen. De e-mail van 10 augustus 2015 waar de officier van justitie op doelt, wordt niet als een aanvulling gezien op het verzoek dat in het EAB onder (g) is gedaan. De verzochte rechtshulp is leidend voor de vraag of de inbeslagname en daaropvolgende overdracht rechtmatig is en er kan daarom niet meer in beslag worden genomen dan door de Engelse justitiële autoriteiten in het EAB is gevraagd.

De onder de opgeëiste persoon in beslag genomen goederen vallen bovendien buiten het bestek van het EAB nu deze goederen geen rechtstreeks verband houden met de Engelse strafzaak, zodat geen strafvorderlijk belang bestaat voor inbeslagname van de goederen. Zij kunnen dus niet aangemerkt worden als stukken van overtuiging.

Daarom dient de rechtbank de afgifte van de in beslag genomen voorwerpen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te weigeren.

Het standpunt van de officier van justitie

In onderdeel (g) van het EAB zijn twee items genoemd. Op 10 augustus 2015 is onderdeel (g) per e-mail aangevuld. Dit kan de uitvaardigende justitiële autoriteit nog doen nadat er een aanhouding op grond van het EAB heeft plaatsgevonden. Op 7 augustus 2015 was reeds een e-mail ontvangen bevattende het verzoek om alle goederen die bij de opgeëiste persoon waren aangetroffen aan de Britse justitiële autoriteit over te dragen. Waarna dus op 10 augustus 2015 nog een e-mail is ontvangen. Het openbaar ministerie heeft de goederen onder (g) geschaard omdat zij onder de opgeëiste persoon zijn aangetroffen. Dit is in het kader van de Overleverings-wet mogelijk en zorgt voor een snelle overdracht van de goederen.

Het is aan de Britse justitiële autoriteiten om te beoordelen of de goederen stukken van overtuiging zijn. Het horloge staat wellicht op camerabeelden van de gebeurtenissen. Feit is dat de Britse justitiële autoriteiten de goederen willen hebben in het kader van het strafrechtelijke onderzoek dat tegen de opgeëiste persoon loopt.

Het oordeel van de rechtbank

In het EAB is in onderdeel (g) het volgende gesteld:

This warrant pertains also to the seizure and handing over of property which may be required as evidence:

This warrant pertains also to the seizure and handing over of property acquired by the requested person as a result of the offence:

Description of the property (and location) (if known):

1. A 45 Automatic calibre self-loading pistol.

2. BlackBerry [nummer] mobile phone [imei nummer] – used to communicate with the victim.

Onderdeel (g) van het voorgeschreven formulier van het EAB bevat de tekst “the property (if known)”. De uitvaardigende autoriteit heeft onder (g) opgenomen een wapen en een BlackBerry. Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van de formulering van onderdeel (g) niet worden aangenomen dat goederen die onder de opgeëiste persoon zijn aangetroffen maar niet zijn vermeld in het EAB, niet kunnen worden overgedragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Van de Engelse justitiële autoriteiten kan immers niet worden verwacht dat zij op voorhand bekend zijn met hetgeen zal worden aangetroffen tijdens de aanhouding van de opgeëiste persoon. Evenmin kan van de justitiële autoriteiten worden verwacht dat er een (omvangrijke) opsomming onder (g) wordt verstrekt van de mogelijk bij de aanhouding van de opgeëiste persoon onder hem in beslag te nemen goederen.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de onder de opgeëiste persoon in beslag genomen goederen moeten worden geacht in beslag te zijn genomen op grond van onderdeel (g) van het EAB.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de op 7 augustus 2015 onder de opgeëiste persoon in beslag genomen goederen als stukken van overtuiging kunnen worden aangemerkt. Met uitzondering van het geldbedrag ter waarde van € 295,00 beantwoordt de rechtbank deze vraag bevestigend.

De goederen kunnen mogelijk voor het Engelse strafrechtelijke onderzoek van belang zijn. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het horloge bijvoorbeeld zou kunnen bijdragen aan de identificatie van de opgeëiste persoon via camerabeelden en daarmee een rol kunnen spelen in het strafrechtelijk onderzoek.

Met uitzondering van het geldbedrag zal de rechtbank dan ook op grond van artikel 50, eerste lid, OLW de afgifte van de goederen aan de Engelse justitiële autoriteiten gelasten.

7 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

Daaruit volgt dat de afgifte van de in beslag genomen voorwerpen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit kan worden bevolen, met uitzondering van het geldbedrag ten bedrage van
€ 295,00.

8 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie en 2, 5, 7, 49 en 50 OLW.

9 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Judge sitting at Westminster Magistrates’ Court in London ten behoeve van het in Groot-Brittannië tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht;

BEVEELT de teruggave aan de opgeëiste persoon van het onder hem in beslag genomen geldbedrag ten bedrage van € 295,00;

BEVEELT de afgifte van de overige onder de opgeëiste persoon in beslag genomen voorwerpen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, zoals weergegeven op de door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de lijst die als bijlage II aan deze uitspraak wordt gehecht.

Aldus gedaan door

mr. A.C. Enkelaar, voorzitter,

mrs. H.P. Kijlstra en B. Poelert, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 16 oktober 2015.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

[A/B/C]