Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:7338

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-10-2015
Datum publicatie
26-10-2015
Zaaknummer
13.751.507-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Finland, vervolgingsoverlevering, artikel 13 OLW en evenredigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.751.507-15

RK nummer: 15/4098

Datum uitspraak: 16 oktober 2015

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 17 juni 2015 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op

11 juni 2015 door de Sisä-Suomi District Prosecutor’s Office in Tampere (Finland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1957,

ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres

[Adres] ;

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 21 augustus 2015. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R.A. Bosman, en de raadsman van de opgeëiste persoon, mr. J. Kabalt, advocaat te Breukelen. Omdat de opgeëiste persoon niet aanwezig was, is de behandeling van de vordering aangehouden tot de zitting van
2 oktober 2015.

De rechtbank heeft ter zitting van 21 augustus 2015 de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak zou moeten doen voor onbepaalde tijd verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen omdat de zaak is aangehouden.

De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 2 oktober 2015. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. J. Kabalt, advocaat te Breukelen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een pre-trial detention order van 4 juni 2015, uitgevaardigd door the Pirkanmaa District Court (No. 15/1298, ref. PK15/2980).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van Finland strafbaar feit.

Het feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Strafbaarheid

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:

Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Finland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

De Central Administration of the Criminal Sanctions Agency in Finland heeft bij brief van
17 augustus 2015 de volgende garantie gegeven:

Please be advised that the Central Administration of the Criminal Sanctions Agency in Finland, as the competent authority in matters of the Council Framework Decision 2008/909/JHA (on the application of the principle of mutual recognition to judgements in criminal matters imposing custodial sentences or measures involving deprivation of liberty for the purpose of their enforcement in the European Union), hereby consents that [opgeëiste persoon] , in the event of his surrender to Finland and if the custodial sentence is imposed on him in Finland, is to be returned to the Netherlands for the execution of the sentence in a procedure according to the Council Framework Decision 2008/909/JHA.

Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien het feit ook naar Nederlands recht een strafbaar feit oplevert.

Het onder 4 bedoelde feit is naar Nederlands recht strafbaar en levert op:

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, 10a, eerste lid, of 11, derde, vierde en vijfde lid.

Aan deze voorwaarde is voldaan.

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB betrekking heeft op een strafbaar feit dat geacht moet worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW verbiedt in een dergelijk geval de overlevering voor dit feit.

De officier van justitie heeft echter overeenkomstig artikel 13, tweede lid, van de OLW gevorderd dat wordt afgezien van de weigeringsgrond en daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

  • -

    Het onderzoek is in Finland aangevangen;

  • -

    De verdovende middelen waren bestemd voor Finland en dus is met name de rechtsorde van Finland geschaad;

  • -

    De verdovende middelen zijn in Finland ingevoerd en in beslag genomen;

  • -

    De ontvanger van de verdovende middelen is in Finland gearresteerd en vervolgd;

  • -

    De overlevering wordt door Finland beoogd voor meerdere personen;

  • -

    Finland heeft een terugkeergarantie verstrekt.

Het voorgaande brengt volgens de officier van justitie mee dat uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling overlevering aan de Finse autoriteiten dient plaats te vinden en overname van de strafzaak door Nederland niet de voorkeur verdient.

De raadsman heeft de rechtbank verzocht de overlevering op grond van dit artikel te weigeren. Niet zou zijn gebleken dat de verzochte overlevering aan de Finse autoriteiten en de verdere vervolging in Finland de voorkeur verdient, boven de mogelijke afhandeling van de strafzaak door de Nederlandse autoriteiten. Daartoe is het volgende aangevoerd.

Uit het EAB blijkt duidelijk dat de opgeëiste persoon er van wordt verdacht dat hij het gehele drugstransport vanuit Nederland heeft georganiseerd. In de onderhavige zaak is het voor Nederland mogelijk om (ook) tot vervolging van de opgeëiste persoon over te gaan. De handelingen waar hij van wordt verdacht leveren binnen Nederland immers ook een strafbare gedraging op. De officier van justitie had derhalve tot strafvervolging van de opgeëiste persoon in Nederland over kunnen gaan. Daarnaast is de gezondheidssituatie van de opgeëiste persoon een reden om de strafzaak in Nederland te behandelen. Hij is ongeneeslijk ziek en heeft niet bijster lang meer te leven. Indien de officier van justitie in alle redelijkheid naar deze zaak had gekeken had hij dan ook dienen in te zien dat overlevering van cliënt absoluut niet gewenst is.

Ten slotte moet worden meegewogen dat, indien de overlevering van de opgeëiste persoon aan Finland wordt toegestaan, er een tweetal omstandigheden aan zijn feitelijke overlevering in de weg staan. Zijn slechte gezondheidssituatie, waardoor op grond van artikel 35, derde lid, OLW niet tot feitelijke overlevering kan worden overgegaan, en het feit dat er in Nederland nog een tweetal strafzaken tegen hem lopen, waardoor ingevolge artikel 36, eerste lid, OLW de feitelijke overlevering moet worden aangehouden.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt. Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie in redelijkheid tot zijn vordering kunnen komen. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

Dat de opgeëiste persoon de feiten geheel op Nederlands grondgebied zou hebben gepleegd en in Nederland kan worden vervolgd, maakt niet dat de vordering van de officier van justitie niet in redelijkheid is gedaan. De vordering ziet juist (mede) op een dergelijke situatie en de gezondheidssituatie van de opgeëiste persoon leidt de rechtbank niet tot de conclusie dat de officier van justitie deze vordering niet in redelijkheid heeft kunnen doen (ECLI:NL:HR:AY6631).

De door de verdediging genoemde omstandigheden die mogelijk voor korte of langere tijd aan de feitelijke overlevering in de weg staan, leiden evenmin tot het oordeel dat de officier van justitie daarom niet in redelijkheid zijn vordering heeft kunnen doen. De in de OLW gecreëerde voorzieningen om de feitelijke overlevering tijdelijk op te schorten, kunnen er niet toe leiden dat de officier van justitie in dergelijke gevallen niet in redelijkheid een vordering ex artikel 13, tweede lid, OLW kan doen.

Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid, aanhef onder a, van de OLW bedoelde weigeringsgrond.

7 Evenredigheid van de overlevering

De raadsman wijst in het kader van de evenredigheid van de overlevering op een uitspraak van de rechtbank van 1 maart 2013 (ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ3203). In deze uitspraak weigerde de rechtbank de overlevering van de opgeëiste persoon wegens de onevenredigheid van de overlevering. De opgeëiste persoon was ongeneeslijk ziek en had niet bijzonder lang meer te leven. In de onderhavige zaak speelt hetzelfde. De opgeëiste persoon leidt aan meerdere vormen van kanker met uitzaaiingen door zijn lijf. Deze vormen van kanker zijn niet meer te genezen en behandelingen zouden enkel het leven van de opgeëiste persoon iets kunnen verlengen. Om die reden is hij ook niet detentiegeschikt. Daarnaast is het nog maar de vraag of de specialistische behandeling die in Nederland beschikbaar is voor de opgeëiste persoon, ook in Finland voorhanden is. Daarnaast zal de stress die de overlevering met zich meebrengt een negatief effect hebben op de al zeer slechte gezondheid van de opgeëiste persoon en logischerwijze op zijn levensverwachting. Gelet hierop dient de overlevering te worden geweigerd, omdat gezien de uitzonderlijke lichamelijke situatie van de opgeëiste persoon en de bijzondere omstandigheden van het geval de overlevering onevenredig bezwarend moet worden geacht.

De officier van justitie heeft tot verwerping van het verweer geconcludeerd. De omstandigheden van de opgeëiste persoon zijn niet gelijk aan de uitspraak waar zijn raadsman zich op beroept. In die zaak werd de opgeëiste persoon met traumahelikopters heen en weer gevlogen en stond het feit dat hij terminaal ziek was, vast. In de onderhavige zaak is sprake van een euthanasiewens bij de opgeëiste persoon, maar een levensprognose is niet voorhanden. Er is enkel een overzicht dat door de raadsman is toegezonden, waaruit blijkt dat door de opgeëiste persoon om euthanasie is verzocht. In die omstandigheden kan de overlevering worden toegestaan, waarbij overigens meteen wordt toegezegd dat op grond van artikel 35 OLW de feitelijke overlevering nog niet zal worden geeffectueerd en een arts naar de situatie van de opgeëiste persoon zal kijken. Daarnaast bestaat thans niet het voornemen om indien de overlevering wordt toegestaan, de opgeëiste persoon meteen te detineren.

De rechtbank overweegt als volgt.

In lijn met eerdere uitspraken van de rechtbank, dient voor de vraag of sprake is van (on)evenredigheid in de zin van de OLW een onderscheid gemaakt te worden tussen de zogenoemde stelselevenredigheid van de OLW en de evenredigheid bij de uitvaardiging van een EAB in een concreet geval. Het stelsel van de OLW is, op de voet van het daaraan ten grondslag liggende Kaderbesluit, gebaseerd op het uitgangspunt dat de bevoegdheden tot overlevering, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, niet verder gaan dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit te verwezenlijken. Dat neemt niet weg dat de concrete toepassing van de OLW, te weten de uitvaardiging van een EAB, onder omstandigheden onevenredig bezwarend kan zijn voor de opgeëiste persoon. Een beroep op de onevenredigheid van een EAB kan echter slechts onder bijzondere omstandigheden slagen.

In het onderhavige geval is de rechtbank niet gebleken van bijzondere omstandigheden die gelijk zijn aan de situatie die in de uitspraak van 1 maart 2013 aan de orde was. Vast staat dat de opgeëiste persoon ernstig ziek is, maar in tegenstelling tot de situatie van de opgeëiste persoon waarop de uitspraak van 1 maart 2013 ziet, is er in de onderhavige zaak geen prognose voorhanden. Nu de officier van justitie tevens heeft toegezegd dat hij de opgeëiste persoon niet in overleveringsdetentie zal plaatsen indien de overlevering wordt toegestaan, alsmede is aangegeven dat de feitelijke overlevering wordt opgeschort en een arts de gezondheidssituatie van de opgeëiste persoon zal bekijken, ziet de rechtbank geen aanleiding om de overlevering te weigeren omdat deze onevenredig zou zijn.

8 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

9 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 11b Opiumwet en 2, 5, 6, 7 en 13 OLW.

10 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Sisä-Suomi District Prosecutor’s Office in Tampere (Finland) ten behoeve van het in Finland tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. A.C. Enkelaar, voorzitter,

mrs. H.P. Kijlstra en B. Poelert, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 16 oktober 2015.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.