Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:7324

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-10-2015
Datum publicatie
23-10-2015
Zaaknummer
13/701602-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Een 23-jarige man is veroordeeld voor belaging van een vrouw, door veelvuldig haar woning binnen te dringen en telefonisch contact met haar op te nemen. Veroordeelde is enigszins verminderd toerekeningsvatbaar geacht. Aan hem is een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, opgelegd. Aan de proeftijd van 2 jaren is als bijzondere voorwaarde onder meer een contactverbod met de vrouw opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/701602-15 (Promis)

Datum uitspraak: 22 oktober 2015

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag 1] 1991,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[GBA-adres] ,

gedetineerd in het Huis van Bewaring [locatie te plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 oktober 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.H. van der Meij en van wat verdachte en zijn raadsman mr. C.C.J. Tuijp naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging ter terechtzitting, ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2014 tot en met 15 augustus 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [persoon 1] , in elk geval van een ander, met het oogmerk die [persoon 1] , in elk geval die ander, te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, doordat hij, verdachte

 veelvuldig telefonisch contact heeft gezocht met die [persoon 1] en/of

 zich veelvuldig, althans meermalen, in de buurt van het huis van die [persoon 1] heeft opgehouden en/of

 veelvuldig, althans meermalen, de woning van die [persoon 1] is binnengedrongen en/of in de woning van die [persoon 1] is geweest en/of

 (op 13 september 2014 en/of op 18 januari 2015 en/of op 14 februari 2015 en/of op 6 maart 2015) een of meermalen aan de deur van die [persoon 1] is geweest en/of heeft aangebeld bij die [persoon 1] en/of die [persoon 1] bij haar woning heeft opgewacht en/of

 (op 18 januari 2015) die [persoon 1] voor haar woning heeft vastgepakt en/of

 (op 14 februari 2015) die [persoon 1] een kopstoot heeft gegeven en/of (vervolgens) de woning van die [persoon 1] heeft betreden en/of de elektriciteit heeft afgesloten en/of

 (op 6 maart 2015 en/of 7 maart 2015 en/of 7 april 2015) op het balkon van de woning van die [persoon 1] is geklommen en/of op de deur heeft gebonkt en/of

 (op 29 maart 2015) die [persoon 1] voor haar woning heeft vastgepakt en/of die [persoon 1] heeft bedreigd met de dood en/of

 (op 31 maart 2015) in de woning van die [persoon 1] heeft ingebroken;

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2014 tot en met 7 april 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [persoon 1] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk dreigend voornoemde [persoon 1] de woorden toegevoegd: "Ik ga je doodmaken als je de politie belt of aangifte doet" en/of "Je moet de aangifte intrekken, anders

vermoord ik je kinderen", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

3.

hij op of omstreeks 31 maart 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning ( [adres 1] ) heeft weggenomen een of meer kledingstuk(ken) en/of schoen(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [persoon 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak op en/of verbreking van een slot behorende bij de balkondeur van voornoemde woning en/of door middel van inklimming;

4.

hij op of omstreeks 25 maart 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk mishandelend [persoon 2] , eenmaal of meermalen (met kracht) tegen/op de schouder en/of de elleboog, in elk geval tegen het lichaam, heeft geslagen en/of gestompt, waardoor voornoemde [persoon 2] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Verdachte en aangeefster, [persoon 1] , hebben elkaar leren kennen via de fietsenwinkel van een gezamenlijke kennis. Zij hebben enige tijd contact gehad met elkaar buiten deze kennis en fietsenwinkel om. Dit contact is uiteindelijk intensiever geworden. Verdachte heeft [persoon 1] bezocht, is daarbij veelvuldig in en om haar woning geweest en heeft bovendien fysiek en telefonisch contact met haar gehad, zo verklaren zowel verdachte als [persoon 1] .

[persoon 1] heeft meerdere verklaringen afgelegd bij de politie en een enkele keer aangifte gedaan tegen verdachte. De zoon en ex-man van [persoon 1] hebben meermalen aangifte tegen verdachte gedaan ter zake insluiping, huisvredebreuk en belaging. De ex-man van [persoon 1] , [persoon 2] , heeft bovendien aangifte gedaan van mishandeling door verdachte, welke mishandeling gepleegd zou zijn in de woning van [persoon 1] , toen [persoon 2] verdachte, naar zijn, [persoon 2] zeggen, op heterdaad van insluiping heeft betrapt.

Het draait in deze zaak om de vraag of verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat voornoemd handelen van verdachte door [persoon 1] ervaren werd als ongerechtvaardigde inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer, waardoor zij tegen haar wil iets moest doen, niet doen, dulden of waardoor haar vrees aangejaagd werd en dat verdachte desondanks zijn gedragingen voortzette.

Ook dient de rechtbank zich een oordeel te vormen over de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van [persoon 1] (ten laste gelegd als feit 2), het inbreken in de woning van [persoon 1] (feit 3) en het mishandelen van [persoon 2] (feit 4).

4.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt dat verdachte wist dat hij contact met [persoon 1] zocht terwijl dit tegen haar wil was. Op de zitting van 18 augustus 2015 heeft hij immers verklaard dat [persoon 1] wel eens tegen hem had gezegd dat hij niet in haar woning mocht komen. Toch heeft verdachte geen gehoor gegeven aan de wens van [persoon 1] om het contact te verbreken. Verdachte wist dat er aangiftes tegen hem liepen, maar is doorgegaan met het zoeken van contact. Dit zelfs nadat hij was aangehouden en van een rechter het verbod had gekregen om contact op te nemen met [persoon 1] . De officier van justitie acht ten aanzien van feit 1 bewezen dat verdachte veelvuldig heeft gebeld, zich bij de woning van [persoon 1] heeft opgehouden, in deze woning is ingeslopen en binnengedrongen, alsmede dat verdachte [persoon 1] heeft vastgepakt. Ook de onder 3 ten laste gelegde diefstal met braak acht de officier van justitie bewezen.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 2 en 4 ten laste gelegde, nu voor deze feiten maar één verklaring voorhanden is.

4.3.

Het standpunt van de verdediging

Volgens de verdediging dient verdachte te worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten. Voor de bedreiging (feit 2) zijn eerder al geen ernstige bezwaren aangenomen. Dat is terecht volgens de verdediging, nu voor dat feit slechts één verklaring van [persoon 1] voorhanden is. Ten aanzien van feit 3 is slechts een verklaring afgelegd door [persoon 2] . [persoon 1] heeft nooit aangifte gedaan. Er kan aldus niet worden vastgesteld dat er goederen uit de woning zijn weggenomen. [persoon 2] is ook de enige die verklaart over de onder 4 ten laste gelegde mishandeling. Daarom dient verdachte ook voor dat feit te worden vrijgesproken. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde kan niet worden vastgesteld dat verdachte zich tegen de wil van [persoon 1] in de woning bevond. Het dossier bevat aanwijzingen dat sprake was van een wederkerige relatie. Ook verdachte heeft verklaard dat zij een relatie hadden. Dit zou daarnaast blijken uit de politiemutaties en het gegeven dat [persoon 1] lange tijd geen aangifte heeft gedaan. Uit het dossier blijkt bovendien niet of, en zo ja op welk moment, [persoon 1] aan verdachte kenbaar heeft gemaakt dat ze geen contact wilde.

Indien feit 1 wel kan worden bewezen, dan zou de pleegperiode ingekort moeten worden, nu het voor verdachte pas eind maart 2015 duidelijk kan zijn geweest dat het contact ongewenst was. Het spreekt daarnaast voor zich dat verdachte zich niet schuldig kan hebben gemaakt aan de belaging gedurende de tijd dat hij gedetineerd zat.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank

4.4.1.

Vrijspraak van het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde

De rechtbank acht – met de raadsman en deels anders dan de officier van justitie – het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde niet bewezen, nu voor deze feiten per feit slechts een (1) aangifte dan wel verklaring aanwezig is in het dossier. De rechtbank ziet onvoldoende steunbewijs. Ten aanzien van de onder 3 ten laste gelegde inbraak geldt dat [persoon 2] aangifte heeft gedaan en dat er beelden zijn, maar nu er geen verklaring is van het in de tenlastelegging genoemde slachtoffer met betrekking tot dit feit, staat onvoldoende vast dat er iets is weggenomen. Verdachte zal derhalve van deze feiten worden vrijgesproken.

4.4.2.

Het oordeel over het onder 1 ten laste gelegde

Ten aanzien van de periode

Op grond van hetgeen onder 4.1. is overwogen staat het voor de rechtbank vast dat verdachte en aangeefster aanvankelijk ten minste een vriendschappelijke band hebben gehad, maar dat het contact tussen de twee vanaf enig moment door [persoon 1] als ongewenst is ervaren. Ten aanzien van de vraag vanaf wanneer verdachte wist dat zijn aanwezigheid in en om de woning ongewenst was en hij zich had moeten onthouden van het zoeken van contact slaat de rechtbank acht op de verklaringen die daarover zijn afgelegd.

Ter zitting van 18 augustus 2015 heeft verdachte verklaard dat aangeefster weleens heeft gezegd dat hij niet in haar woning mocht komen. Verdachte heeft echter niet verklaard wanneer [persoon 1] dit gezegd heeft. [persoon 1] heeft in haar aangifte op 26 maart 2015 bij de politie voor de eerste maal verklaard dat zij verdachte duidelijk heeft gemaakt dat zijn aanwezigheid ongewenst was en dat zij niet langer contact met verdachte wilde. Zij heeft hierbij echter niet vermeld op welke datum en op wat voor manier zij dit aan verdachte heeft kenbaar gemaakt.

Het antwoord op de vraag vanaf wanneer verdachte wist dat zijn aanwezigheid in en om de woning ongewenst was en waarop hij geen contact meer met [persoon 1] diende op te nemen vindt de rechtbank in de aangifte van [persoon 3] , de zoon van aangeefster [persoon 1] . Uit zijn verklaring volgt dat hij verdachte op 9 maart 2015 heeft medegedeeld dat verdachte niet welkom was in hun woning door tegen verdachte te zeggen dat hij niet in de woning mocht komen. [persoon 3] heeft deze mededeling aan verdachte gedaan op het moment dat hij verdachte heeft aangetroffen in de woning die hij met zijn moeder en zusje deelt. [persoon 3] heeft verklaard dat verdachte niet weg ging toen hij, [persoon 3] , dat vroeg, ook niet na meerdere malen vragen. Het staat voor de rechtbank vast dat het vanaf dit moment bij verdachte duidelijk moet zijn geweest dat het contact de grenzen van het vriendschappelijke was gepasseerd en dat het als ongewenst werd ervaren. [persoon 3] heeft immers verklaard dat hij het erg vervelend vond dat verdachte niet weg ging, toen hij hem dat vroeg. [persoon 3] heeft ook verklaard dat zijn moeder op dat moment al meermalen aan verdachte had verteld dat zij hem niet wilde zien. Tevens heeft hij verklaard dat zijn moeder doodsbang was voor verdachte. [persoon 2] heeft ongeveer hetzelfde verklaard. Vanaf 9 maart 2015 had verdachte zich er dan ook van moeten onthouden contact op te nemen met [persoon 1] en haar op te zoeken bij haar woning.

Verdachte heeft [persoon 1] echter niet losgelaten en is doorgegaan met zijn, door [persoon 1] als ongewenst ervaren, gedragingen. Zij voelde zich ook onveilig, zo verklaart zij in haar klacht tegen verdachte bij de politie op 26 maart 2015. Na deze klacht en aangifte is verdachte eveneens niet gestopt. Integendeel, verdachte heeft ter zitting aan de rechtbank verklaard dat hij op 31 maart 2015 op het balkon van de woning van aangeefster is geklommen, zoals op de foto’s in het dossier te zien is en die verdachte op de zitting zijn voorgehouden, waarbij hij heeft aangegeven dat hij degene is die op het balkon klimt en vervolgens binnen via de trap naar beneden gaat. Verdachte heeft ter zitting eveneens aangegeven dat hij heel vaak aangeefster heeft gebeld. De stelling van verdachte dat hij - steeds - in de woning van aangeefster was omdat zij dat wilde, wordt, zoals hierboven omschreven, niet door aangeefster onderschreven. Ook uit de verklaringen van [persoon 3] en [persoon 2] is af te leiden dat de handelingen van verdachte tegen haar wil plaatsvonden. Vrijwel direct na de schorsing van de voorlopige hechtenis door de rechter-commissaris op 4 april 2015 is deze opgeheven op 10 april 2015. Dit omdat verdachte op 7 april 2015 de schorsingsvoorwaarden heeft overtreden door op het balkon van de woning van aangeefster te klimmen. Nadat de schorsing ten tweeden male was bevolen op 28 mei 2015 is deze weer opgeheven op 17 augustus 2015, toen verdachte op 15 augustus 2015 de woning van aangeefster was binnengedrongen via de slaapkamer van haar minderjarige dochter. Verdachte heeft dit ter zitting niet ontkend.

Zelfs toen verdachte door middel van rechterlijke beslissingen - de schorsingen - moet hebben begrepen dat zijn gedrag niet acceptabel was, is hij doorgegaan met contact opnemen met het slachtoffer door zelfs haar woning te betreden. Verdachte wist dat hij zijn pogingen om contact op te nemen ongewenst waren en is hier toch mee doorgegaan. De inbreuk op de persoonlijke levenssfeer is hiermee gegeven.

Ten aanzien van de stelselmatigheid

De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of de gedragingen van verdachte gekwalificeerd kunnen worden als belaging. De rechtbank oordeelt dat dit hier het geval is. Belaging betreft de stelselmatige inbreuk op iemands persoonlijke levenssfeer, welke stelselmatigheid wordt gezien in een herhaling van gedragingen, strekkende tot het lastig vallen van een of meerdere personen. Het zich in de buurt van een woning ophouden en het binnengaan van een woning tegen de wil van de hoofdbewoonster en het telefonisch benaderen van deze persoon kunnen, in onderlinge samenhang beschouwd, naar hun aard gekwalificeerd worden als belagingshandelingen. De omstandigheden waaronder deze gedragingen hebben plaatsgevonden spelen bij deze beoordeling een rol. De rechtbank overweegt hiertoe dat de ten laste gelegde gedragingen zich hebben afgespeeld gedurende een langere periode in en om de woning van [persoon 1] en haar kinderen, een plek waar zij zich bij uitstek veilig en vertrouwd moet kunnen voelen en geen enkel ongewenst contact hoeft te dulden. De gedragingen kunnen dan ook gezien hun duur, intensiteit en plaats niet anders worden gekwalificeerd dan als gedragingen die wederrechtelijk, stelselmatig en opzettelijk een inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van [persoon 1] . Door zijn handelen heeft verdachte aangeefster gedwongen te dulden dat hij feitelijk stelselmatig contact met haar maakte tegen haar wil.

Conclusie

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, niet bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde in de periode tot en met 8 maart 2015 en spreekt hem daarvan vrij. Wel acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belaging vanaf 9 maart 2015, zoals hierna in rubriek 5. is vermeld.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 9 maart 2015 tot en met 15 augustus 2015 te Amsterdam, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [persoon 1] , met het oogmerk die [persoon 1] , te dwingen iets te dulden, doordat hij, verdachte

  1. veelvuldig telefonisch contact heeft gezocht met die [persoon 1] ;

  2. zich meermalen in de buurt van het huis van die [persoon 1] heeft opgehouden;

  3. meermalen de woning van die [persoon 1] is binnengedrongen en in de woning van die [persoon 1] is geweest;

  4. meermalen aan de deur van die [persoon 1] is geweest en heeft aangebeld bij die [persoon 1] en

  5. op het balkon van de woning van die [persoon 1] is geklommen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

De rechtbank slaat ten aanzien van de persoon van verdachte wel acht op het Pro Justitia psychologisch onderzoeksrapport opgemaakt door drs. W. Groen, geregistreerd in het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen, van 6 juli 2015. Zij concludeert in haar rapport dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van zwakbegaafdheid, hetgeen ook het geval was ten tijde van het ten laste gelegde. Verdachte is hierdoor beïnvloed in zijn gedragskeuzes ten tijde van het ten laste gelegde. Vanuit zijn zwakbegaafdheid is verdachte beperkt in staat om situaties te over zien en problemen op te lossen, heeft hij meer moeite met het beheersen van zijn impulsen en is hij minder goed in staat om de consequenties van zijn gedrag te overzien. Er wordt geadviseerd verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank is van oordeel dat het rapport goed is gemotiveerd en de conclusie degelijk is onderbouwd, op basis van de bevindingen uit het door de gedragsdeskundige uitgevoerde onderzoek. Gelet hierop neemt de rechtbank die conclusie over en maakt die tot de hare. De rechtbank zal rekening houden met deze conclusie bij de oplegging van straf.

8 Motivering van de straf

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. De officier van justitie vordert bovendien de oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering en de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Voor zover de rechtbank toch toe zou komen aan de oplegging van straf, verzoekt de raadsman om daarbij rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Detentie valt verdachte zwaar. Hij wil verder met zijn toekomst en is bereid mee te werken met bijzondere voorwaarden. Op grond van de jurisprudentie is de strafeis erg hoog. Uit het psychologisch rapport volgt bovendien dat verdachte zwakbegaafd is en daardoor beperkt is in zijn gedragskeuzes. Al met al verzoekt de raadsman het onvoorwaardelijke strafdeel niet de reeds ondergane voorlopige hechtenis te boven te laten gaan.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft op kwalijke wijze gedurende een geruime periode een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [persoon 1] . Deze inbreuk heeft met name plaatsgevonden in en om haar woning, waar verdachte veelvuldig contact heeft gezocht met het slachtoffer. Zelfs nadat verdachte als schorsingsvoorwaarden bij zijn voorlopige hechtenis tot twee keer toe was medegedeeld en hem is opgelegd dat hij geen contact mocht hebben met het slachtoffer, heeft hij toch meermalen contact gezocht en heeft hij haar toch meermalen bij haar woning opgezocht. Verdachte heeft zich hierbij laten leiden door zijn opvatting dat hij een relatie had met het slachtoffer en heeft daarmee de wens van het slachtoffer en de rechterlijke verboden om contact met het slachtoffer te hebben genegeerd.

Het geheel van gedragingen van verdachte is intimiderend geweest voor het slachtoffer en heeft bovendien een onvoorspelbaar karakter gehad. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke gedragingen nadelige psychische gevolgen kunnen hebben voor de slachtoffers. Het slachtoffer heeft het handelen van verdachte dan ook begrijpelijkerwijs als beangstigend ervaren en heeft haar, zo blijkt uit de verklaring die haar gemachtigde ter terechtzitting heeft afgelegd, doen besluiten te gaan verhuizen.

De rechtbank betrekt bij haar beslissing de conclusie uit het psychologisch onderzoeksrapport, zoals in rubriek 7. vermeld. De rechtbank heeft bovendien acht geslagen op het reclasseringsrapport van 7 oktober 2015 waarin wordt geadviseerd een – deels – voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met bijzondere voorwaarden. Er wordt geadviseerd aan verdachte een meldplicht, behandelverplichting, contactverbod en locatiegebod op te leggen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard zich te kunnen vinden in deze voorwaarden en daaraan mee te zullen werken indien de rechtbank zou besluiten deze op te leggen. De rechtbank acht het opleggen van een deels voorwaardelijke straf met deze bijzondere voorwaarden aangewezen, gelet op de recidive van verdachte tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis.

Alles overwegende acht de rechtbank na te noemen deels voorwaardelijke straf, met bijzondere voorwaarden, passend en geboden.

Tot slot merkt de rechtbank op dat belaging niet zonder meer kan worden gekarakteriseerd als een misdrijf 'dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen' als bedoeld in artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht (Vgl. HR 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3379). Nu verdachte wordt vrijgesproken van de onder 1 en 4 ten laste gelegde geweldshandelingen is er naar het oordeel van de rechtbank geen grond om de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden in dit vonnis te bevelen, zoals door de officier van justitie is gevorderd.

9 Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij, [persoon 1] , vordert € 2.500,00 aan immateriële schadevergoeding. De benadeelde partij stelt deze schade te hebben geleden door het onder 1 en 2 aan verdachte ten laste gelegde feit.

Op grond van de door de benadeelde partij en verdachte gestelde omstandigheden, zoals die zijn gebleken uit de inhoud van het dossier en naar voren zijn gekomen tijdens het onderzoek ter terechtzitting, kan de rechtbank niet uitsluiten dat het contact tussen verdachte en de benadeelde partij in eerste in instantie met wederzijds goedvinden heeft plaatsgehad. De rechtbank is van oordeel dat het beoordelen van de vordering van de benadeelde partij in feite een weging meebrengt van de onderlinge verhouding tussen verdachte en de benadeelde partij, de eerste periode van contact met wederzijds goedvinden daarbij in aanmerking nemend. Dit levert naar haar aard en omvang deels een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal op grond van het voorgaande de vordering tot een bedrag van € 750,00 toewijzen en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dat deel van haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

In het belang van [persoon 1] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel zoals bedoeld in artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

belaging.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 (tien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

  3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan eveneens worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende bijzondere voorwaarden houdt.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

  1. Veroordeelde dient zich te melden bij de Reclassering Nederland op de [adres 2] te Amsterdam wanneer hij opgeroepen wordt voor een gesprek. Hierna moet hij zich gedurende door de reclassering bepaalde perioden blijven melden zo frequent als de reclassering gedurende deze perioden nodig acht. Gedurende deze periode moet de veroordeelde zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Dit betekent dat de toezichthouder de veroordeelde opdrachten geeft die betrekking hebben op zijn handel en wandel, met als doel om hem zowel te begeleiden bij de naleving van de bijzondere voorwaarden, als ook te kunnen controleren of hij zich aan de naleving van de bijzondere voorwaarden houdt. Veroordeelde wordt daarbij verplicht actief mee te werken aan het verkrijgen van een dagbesteding.

  2. Veroordeelde wordt verplicht om zich te laten behandelen bij De Waag of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven. De behandeling dient zich in elk geval te richten op het probleembesef van veroordeelde, diens probleem- en conflicthantering, diens zelfbeheersing en diens emotieregulatie. Deze verplichting zal bestaan zolang de reclassering dat nodig acht.

  3. Veroordeelde wordt verboden contact te (laten) leggen met mevrouw [persoon 1] , geboren [geboortedag 2] 1969, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

  4. Veroordeelde wordt verboden om zich gedurende door de reclassering bepaalde periode te bevinden op het woonadres en in het bijbehorende pand van mevrouw [persoon 1] , geboren [geboortedag 2] 1969, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. Dit adres betreft thans de [adres 1] te Amsterdam.

Wijst de vordering van [persoon 1] , gedeeltelijk toe tot € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 1] voornoemd.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 1] aan de Staat € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 15 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E. Dinjens, voorzitter,

mrs. W.H. van Benthem en J.M.L.I. van Hommerich, rechters,

in tegenwoordigheid van mr H.L.A. Haulo, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 oktober 2015.

De voorzitter is buiten staat dit

vonnis mede te ondertekenen.

De jongste rechter is buiten staat

dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage - De bewijsmiddelen

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde

1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer 2015054750-1 van 9 maart 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1] . Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [persoon 3] , zakelijk weergegeven:

Bij deze wens ik bij u graag aangifte te doen ter zake huisvredebreuk. Ik verblijf sinds kort op de [adres 1] bij mijn moeder, [persoon 1] . Ze wordt gestalkd door [verdachte] . [verdachte] is al een aantal keer via het balkon binnengekomen. Mijn moeder heeft hem meerdere malen duidelijk verteld dat ze hem niet meer wil zien maar toch blijft hij het doen. Afgelopen zaterdag, 7 maart, is [verdachte] door mijn moeder betrapt op het balkon aan de voorzijde. Mijn moeder heeft toen de politie gebeld en zij hebben hem toen ook van het balkon verwijderd.

Vandaag omstreeks 08.00 uur bevond ik mijn in de woning van mijn moeder, op de 1e etage. Ik hoorde plotseling wat gestommel op de 2e etage van onze woning waarop ik naar boven ben gelopen. Op dat moment kwam [verdachte] met zijn hoofd om de deur heen. Hij vroeg mij meteen aan wat ik kwam doen waarop ik hem gezegd heb dat hij niet in de woning mocht komen. [verdachte] reageerde vrij laconiek op mijn vragen en gaf aan dat hij best vond dat hij in onze woning mocht zijn. Hij blijft ons lastigvallen. Mijn moeder is doodsbang.

2. Een proces-verbaal van aangifte met nummer 2015068550-8 van 25 maart 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 2] en [opsporingsambtenaar 3] . Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [persoon 1] , zakelijk weergegeven:

Ik wil aangifte doen van insluiping. Op 25 maart 2015 in de middag was ik in mijn woning aan de [adres 1] te Amsterdam. Later kwam mijn ex-vriend [persoon 2] naar mijn woning. Na vijf minuten ongeveer hoorde hij een geluid boven op zolder. Hierop is hij direct naar boven gegaan. Toen ik boven was zag ik, dat [persoon 2] en een andere man aan het worstelen waren ik zag dat de andere man [verdachte] betrof. [verdachte] is dus zonder mijn toestemming mijn woning ingegaan.

3. Een proces-verbaal van aangifte met nummer 2015068550-1 van 26 maart 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 4] . Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [persoon 2] , zakelijk weergegeven:

Gisteren 25 maart 2015 kwam ik aan hij de woning van [persoon 1] . Ik hoorde vervolgens in de woning een geluid op de eerste verdieping van de woning. Ik ben gaan kijken. Ik zag [verdachte] achter de deur staan, met zijn lichaam strak tegen de muur.

4. Een proces-verbaal van verhoor aangeefster met nummer 2015068550-14 van 26 maart 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 5] . Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [persoon 1] , zakelijk weergegeven:

Het is allemaal begonnen in september 2014. [verdachte] stond toen heel hard op de deur te bonken en heeft deze vernield. Vanaf dat moment heeft [verdachte] eigenlijk zo goed als iedere dag contact geprobeerd te zoeken. Hij probeert altijd op verschillende manier contact te krijgen. Hij doet dit door te bellen, aan te bellen, hij heeft heel vaak geprobeerd mijn woning binnen te komen en hij fietst in de omgeving van mijn huis. Als ik werd gebeld werd ik gelijk meerdere keren gebeld. Dit ging om minimaal 20 keer achter elkaar tot 100 keer achter elkaar. Soms werd ik maar één keer per dag heel vaak achter elkaar gebeld en soms was dit meerdere malen per dag het geval. Ik werd hier heel bang van en zette de telefoon dan vaak uit. Ik weet zeker dat het [verdachte] was omdat ik als ik hem weer tegen kwam of als hij voor de deur stond zei dat ik mijn telefoon moest opnemen. Hij heeft dit vaak gezegd.

[verdachte] heeft ook vaak bij mij thuis aangebeld. Dit gebeurde ook bijna dagelijks. Soms bleef hij constant op de bel drukken. Dit werd zo erg dat ik de bel heb losgekoppeld.

[verdachte] is ook meerdere keren bij mij in de woning geweest. Hij kwam binnen via het balkon aan de achterzijde van mijn woning of via de centrale toegangsdeur. [verdachte] heeft ook vaak voor de deur staan schreeuwen en op de deur lopen bonken. Hij schreeuwt dan altijd dat ik de deur open moet doen. Als ik naar buiten ga komt [verdachte] bijna altijd op mij af. Hij zegt dan tegen mij dat ik de deur voor hem open moet doen, sleutels moet geven en dat ik mijn telefoon op moet nemen.

Ik ben zo bang geworden van alles wat er is gebeurd dat ik sinds afgelopen weekend niet meer naar buiten durf te gaan. Hiervoor was ik ook al heel erg bang en bleef ik daardoor zoveel mogelijk thuis. Achter mijn deur heb ik een stuk tapijt opgerold omdat hij ook onder de deur ging kijken als hij voor de deur stond. Hij kon mij dan zien lopen en begon dan gelijk weer te schreeuwen en op de deur te bonken. Ik ben zo bang dat ik niet meer alleen thuis durf te blijven. Mijn zoon is daarom nu zoveel mogelijk bij mij thuis.

5. Een proces-verbaal van aangifte met nummer 2015068550-21 van 1 april 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 6] . Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [persoon 2] , zakelijk weergegeven:

Op 28 en 29 maart 2015 heeft [verdachte] in totaal bijna 100 keer gebeld met [persoon 1] . Dit doet hij de hele dag door. Dit begint in de ochtend en duurt tot in de avond. [persoon 1] heeft een keer opgenomen om [verdachte] te zeggen dat hij moet ophouden met bellen. Op 30 maart 2015 heb ik camera’s rond [persoon 1] haar woning opgehangen. Op 31 maart 2015 is [verdachte] in de woning van [persoon 1] geweest. Ik heb hem op de camerabeelden die ik heb opgeslagen herkend. Op de beelden is geregistreerd dat [verdachte] het balkon opklimt en later de woning weer verlaat.

6. Een proces-verbaal van aangifte met nummer 2015079581-1 van 7 april 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 7] . Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [persoon 3] , zakelijk weergegeven:

Ik doe namens mijzelf en namens mijn moeder, [persoon 1] , aangifte van stalking. Ik woon bij mijn moeder aan de [adres 1] . Ik was vandaag, op 7 april 2015, thuis. We hebben sinds eind maart de beschikking over beveiligingscamera’s. Ik zag op 1 van de camerabeelden dat er iets bewoog op het balkon aan de achterzijde van de woning.

7. Een proces-verbaal van aangifte met nummer 2015183865-6 van 15 augustus 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 8] . Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [persoon 4] , zakelijk weergegeven:

Ik lag te slapen op 15 augustus 2015. Rond 01.00 uur schrok ik wakker van een zaklamp die in mijn gezicht scheen. Ik zag dat er een man in de deuropening van de slaapkamer stond. Ik zag dat de man doorliep. Ik zag dat de man achter de deur van mijn moeders slaapkamer stond. Ik herkende de man toen als [verdachte] .

8. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2015074245-15 van 29 mei 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 9] . Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 29 maart 2015 worden er 30 oproepen afkomstig van telefoonnummer [telefoonnummer 1] doorgeschakeld. Het aantal ontvangen oproepen van de telefoonnummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] ligt veel hoger. Het aantal ontvangen oproepen van telefoonnummer [telefoonnummer 1] overstijgt 10 dagen de 50 binnenkomende gesprekken. Van deze 10 dagen overstijgt het aantal van 4 dagen de 100 ontvangen oproepen.

9. De verklaring die verdachte ter terechtzitting van 18 augustus 2015 heeft afgelegd, zoals neergelegd in het proces-verbaal van die terechtzitting, inhoudende:

De voorzitter vraagt mij of aangeefster weleens tegen mij heeft gezegd dat ik niet in haar woning mocht komen. Dat heeft zij weleens tegen mij gezegd, maar niet vaak.

10. De verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd zoals neergelegd in het proces-verbaal van die terechtzitting, inhoudende:

  • -

    Ik ben op 9 maart ook bij de woning van [persoon 1] geweest. Toen heeft [persoon 3] mij gezien met een handdoek om.

  • -

    Op 25 maart stond ik te roken in het washok, toen [persoon 2] mij zag.

  • -

    Op 31 maart 2015 was ik niet in het trappenhuis, maar in de woning. Dat heb ik al aangegeven. Ik ben de persoon die te zien is op alle foto’s in het dossier.

  • -

    Een contactverbod betekent dat ik geen contact met haar mag hebben, maar [persoon 1] en ik hebben gewoon contact. Love is blind.

  • -

    Ik ben op 7 april uit de bosjes gehaald door de politie. Die dag was ik bij de woning van [persoon 1] . [persoon 3] zag iemand op het balkon. Dat was ik. Toen belde hij de politie. Ik mocht daar niet komen, maar uit liefde doe je alles. Ik was elke dag met haar.

  • -

    Ik ben in augustus nog in het huis geweest, in de kamer van haar dochter.

  • -

    Ik klim vaak via het balkon. Dat is maar op de eerste verdieping. Via een hek klim ik naar boven. Ik vind het niet ongebruikelijk om via balkons binnen te komen. De balkondeur kun je gewoon open tikken met de hand. Ook al is hij van binnen op slot, van buiten kun je die open maken. Zo kwam ik binnen.

  • -

    Ik heb [persoon 1] gebeld. Dat staat op papier. Het zou kunnen dat ik haar 100 keer op een dag heb gebeld. Ik belde haar elke dag. Het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 1] is mijn telefoonnummer.