Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:7216

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-06-2015
Datum publicatie
20-10-2015
Zaaknummer
HA KR 205.2015
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. De grondslag van het verzoek komt er in de kern op neer dat verzoeker het niet eens is met de beslissing van de rechter om een dossier van een andere strafzaak niet als processtuk te voegen in de strafzaak waarin verzoeker verdachte is. Dat verzoeker het niet eens is met deze rechterlijke beslissing is echter geen grond voor wraking, ook niet als de beslissing onjuist zou zijn. Alleen als die beslissing zodanig onjuist of onbegrijpelijk is dat deze uitsluitend kan zijn ingegeven door vooringenomenheid kan dit anders zijn. Daarvan is in dit geval niet gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

wrakingskamer

Beslissing op het op 29 juni 2015 gedane en onder rekestnummer

HA RK 205.2015 ingeschreven verzoek van:

[verzoeker] ,

wonende te [plaats] ,

verzoeker,
advocaat: mr. C.J.B. Rijser,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. K.A. Brunner, politierechter in de rechtbank Amsterdam, hierna: de rechter.

Verloop van de procedure

De wrakingskamer heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

  • -

    een proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter op 29 juni 2015 met daarin opgenomen het wrakingsverzoek;

  • -

    een schriftelijke reactie van de rechter d.d. 11 september 2015;

  • -

    een mailbericht d.d. 14 september 2015 met daarin de reactie van mr. Rijser op het proces-verbaal.

De rechter heeft medegedeeld niet in de wraking te berusten.

Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 18 september 2015, alwaar de advocaat van verzoeker en de rechter zijn verschenen. Namens het Openbaar Ministerie is mr. J. Ashoek verschenen. Van de behandeling is geen proces-verbaal opgemaakt.

Na de behandeling is een datum voor beschikking bepaald.

1 De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten:

  1. Verzoeker is verdachte in een strafzaak geregistreerd onder [parketnummer] . In de strafzaak is een persoon, genaamd [naam 1] , aangever van een strafbaar feit dat door verzoeker zou zijn gepleegd.

  2. Op 29 juni 2015 is de behandeling van de strafzaak tegen verzoeker voortgezet. De advocaat van verzoeker heeft tijdens de behandeling verzocht om een dossier in een andere strafzaak met [parketnummer] , waarin de advocaat van verzoeker aangifte heeft gedaan van bedreiging, als dossierstuk te voegen in het onderhavige strafdossier. [naam 1] is in die zaak verdachte.

  3. De rechter heeft op de zitting van 29 juni 2015 het verzoek van de advocaat van verzoeker afgewezen. In het proces-verbaal is daaromtrent het volgende opgenomen: “ De politierechter gaat er in dit stadium veronderstellenderwijs vanuit dat de bedreigingen jegens de raadsman door [naam 1] zijn gepleegd. Die bedreigingen zijn dan aan te merken als uitlatingen van woede richting de raadsman dan wel zijn kantoor, en mogelijk ook richting de verdachte (verzoeker, wrkskmr). De politierechter is het echter met de officier van justitie eens dat die bedreigingen op zichzelf niet rechtstreeks iets zeggen over de betrouwbaarheid van [naam 1] als aangever. Gelet daarop ziet de politierechter geen noodzaak de stukken omtrent die bedreigingen te doen voegen.”

  4. De advocaat van verzoeker heeft daarop de rechter gewraakt. In het proces-verbaal is daaromtrent onder meer het volgende vermeld: “ Naar mijn oordeel is er sprake van vooringenomenheid en vrees voor onobjectiviteit. (…) Ik wijs in het bijzonder op uw formulering dat de officier van justitie terecht stelt dat de woede die aangever [naam 1] mogelijk tegenover mijn cliënt en mogelijk ook tegenover mij en mijn kantoor heeft, nog niets zegt over de betrouwbaarheid van [naam 1] . Ik vind het vreemd dat in uw motivering de bedreigingen van de raadsman in zijn geheel worden buitengelaten, terwijl de koppeling met dit feit het sterkst is. U kunt daarover niet oordelen zonder kennis te hebben genomen van de stukken want dan geldt het noodzaakscriterium. (…).”

  5. De rechter heeft daarop de behandeling geschorst.

2 Het verzoek en de gronden daarvan

Verzoeker stelt, samengevat en zakelijk weergegeven, dat de rechter vooringenomen is omdat de rechter een oordeel heeft gegeven over de betrouwbaarheid van [naam 1] , terwijl de rechter niet de onderliggende stukken uit het dossier kent waarvan de advocaat van verzoeker om voeging heeft verzocht. [naam 1] is niet “compos mentis”, hetgeen blijkt uit het andere strafdossier. Dat speelt ook een rol in de strafzaak tegen verzoeker. [naam 1] is een leugenaar. Het kan goed zijn dat verzoeker is aangevallen door [naam 1] in plaats van andersom. Er is daarom sprake van een noodzakelijkheidsbelang.

3 De reactie van de rechter

De rechter heeft naar voren gebracht dat hij de beslissing heeft genomen op grond van hetgeen de advocaat van verzoeker naar voren heeft gebracht. Met een dergelijke beslissing kan verzoeker het niet eens zijn, maar dat is geen grond voor wraking. Er is geen sprake van (objectieve schijn van) vooringenomenheid.

4 De reactie van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft ter zitting naar voren gebracht dat de rechter een beslissing heeft genomen en dat er geen feiten zijn die erop duiden dat er sprake is van vooringenomenheid van de rechter. Aan de criteria voor wraking is niet voldaan.

5 De beoordeling van het verzoek

5.1.

Op grond van het bepaalde in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan op verzoek van de verdachte of het Openbaar Ministerie elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

5.2.

Bij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Hierbij is niet de visie van verzoeker beslissend. De rechtbank zal het wrakingsverzoek dan ook aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaf beoordelen.

5.3.

De grondslag van het verzoek komt er in de kern op neer dat verzoeker het niet eens is met de beslissing van de rechter om een dossier van een andere strafzaak niet als processtuk te voegen in de strafzaak waarin verzoeker verdachte is. Dat verzoeker het niet eens is met deze rechterlijke beslissing is echter geen grond voor wraking, ook niet als de beslissing onjuist zou zijn. Alleen als die beslissing zodanig onjuist of onbegrijpelijk is dat deze uitsluitend kan zijn ingegeven door vooringenomenheid kan dit anders zijn. Daarvan is in dit geval niet gebleken.

Daarbij merkt de wrakingskamer nog op dat voor zover verzoeker heeft willen betogen dat de rechter met zijn beslissing heeft geoordeeld dat [naam 1] een betrouwbare aangever is, dat niet volgt uit hetgeen in het proces-verbaal is opgenomen en ook anderszins niet is gebleken.

5.4.

Het voorgaande betekent dat het verzoek tot wraking als ongegrond wordt afgewezen.

B E S L I S S I N G :

De wrakingskamer:

- wijst het verzoek tot wraking af.

Aldus gegeven door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, mrs. S.P. Pompe en W.M.C. van den Berg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Nieuwenhuijs, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 september 2015.

Tegen deze beslissing staat ingevolge artikel 515 lid 5 Sv geen voorziening open.