Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:7170

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-08-2015
Datum publicatie
26-10-2015
Zaaknummer
AMS 14/7233
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontzegging toegang werkplek, schorsing met vermindering bezoldiging en strafontslag. Eiseres heeft zich schuldig gemaakt aan plichtsverzuim; geen evenredigheid met het strafontslag. Subsidiaire ontslaggrond (ontslag op andere gronden) houdt evenmin stand, nu niet is gebleken dat de verhouding tussen partijen zodanig verstoord is dat geen vruchtbare samenwerking meer mogelijk is. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 14/7233

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 augustus 2015 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: A. Lange),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. F.O.A. Korff).

Procesverloop

Bij besluit van 10 februari 2014 (het primaire besluit I) heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Nieuw-West (thans: het college van burgemeester en wethouders) eiseres verboden om aanwezig te zijn in gebouwen en terreinen van het organisatieonderdeel waar zij is te werk gesteld.

Bij besluit van 31 maart 2014 (het primaire besluit II) heeft verweerder aan eiseres zijn voornemen kenbaar gemaakt om aan haar de disciplinaire maatregel van ontslag te verlenen en heeft eiseres, vanwege dit voornemen, met ingang van 31 maart 2014 geschorst met een vermindering van haar bezoldiging met 1/3.

Bij besluit van 12 mei 2014 (het primaire besluit III) heeft verweerder met onmiddellijke ingang aan eiseres de disciplinaire maatregel van ontslag opgelegd.

Bij besluit van 26 september 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren tegen de primaire besluiten I en II, in overeenstemming met het advies van de bezwarencommissie, ongegrond verklaard en het bezwaar tegen het primaire besluit III, in afwijking van het advies van de bezwarencommissie, eveneens ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2015.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens verweerder is tevens verschenen [naam 1] , werkzaam bij verweerder als teamleider Reiniging (hierna: [naam 1] ), [naam 2] , werkzaam bij verweerder als afdelingsmanager Beheer (hierna: [naam 2] ), en L. [naam 3] , werkzaam bij verweerder als HRM-adviseur (hierna: [naam 3] ).

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1.1. Sinds 1 mei 1986 is eiseres bij verweerder werkzaam. Bij besluit van 14 januari 2011 heeft verweerder eiseres een vaste aanstelling verleend met ingang van 15 december 2010 in de functie van Coördinator D (assistent groepsleider) bij het team Reiniging voor 36 uur per week.

1.2. Op 25 juli 2014 heeft de bezwarencommissie verweerder geadviseerd om de bezwaren tegen de primaire besluiten I en II ongegrond te verklaren. Volgens de commissie is de opgelegde maatregel (ontzegging toegang werkplek) evenredig. Verweerder heeft aan eiseres uitgelegd om welke constateringen het ging en om welke redenen, na een eerder gevoerd verantwoordingsgesprek, nader onderzoek nodig was. Daarmee heeft verweerder voldoende onderbouwd waarom hij eiseres de toegang tot haar werkplek heeft ontzegd. Daarnaast meent de commissie dat, op grond van het samenstel van de verweten gedragingen en tekortkomingen, voldoende grond aanwezig was voor het treffen van de ordemaatregel van schorsing. Tot slot heeft de commissie verweerder geadviseerd om het bezwaar tegen het primaire besluit III, voor zover gericht tegen de primaire ontslaggrond, gegrond te verklaren. Volgens de commissie is weliswaar sprake van plichtsverzuim, maar bestaat er onevenredigheid tussen de opgelegde disciplinaire maatregel van strafontslag en de ernst van het vastgestelde plichtsverzuim. De commissie acht het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit III, voor zover gericht tegen de subsidiaire ontslaggrond, ongegrond.

1.3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten I en II, in overeenstemming met het advies van de bezwarencommissie, ongegrond verklaard. Het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit III heeft verweerder, in afwijking van het advies van de bezwarencommissie, eveneens ongegrond verklaard.

Wettelijk kader

2.1. Op grond van artikel 12.12, onder b, van de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam (NRGA) kan de ambtenaar geheel of gedeeltelijk worden ontslagen als om een andere reden dan onder a (te weten: het ongeschikt zijn of onbekwaam zijn voor de verdere vervulling van zijn functie, anders dan door ziekte of gebreken) het belang van de gemeente dringend eist dat hij zijn functie op een andere wijze vervult (hierna: ontslag op andere gronden).

2.2. Op grond van artikel 13.6, eerste lid, onder f, van de NRGA kan aan de ambtenaar de straf van strafontslag worden opgelegd.

Inhoudelijke beoordeling

3. De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting de beroepsgronden gericht tegen de ontzegging van de toegang tot de werkplek en de schorsing (opgelegd bij de primaire besluiten I en II) ingetrokken. De gemachtigde van eiseres heeft toegelicht dat de beroepsgronden zich enkel richten tegen de primaire ontslaggrond van strafontslag en tegen de subsidiaire ontslaggrond van ontslag op andere gronden.

Primaire ontslaggrond: strafontslag

4.1 Ten aanzien van de primaire ontslaggrond van strafontslag overweegt de rechtbank dat verweerder 14 gedragingen van eiseres als plichtsverzuim heeft aangemerkt en aan het strafontslag ten grondslag heeft gelegd. Deze 14 gedragingen zijn onder te verdelen in vier onderwerpen, te weten: (A) het handelen van eiseres in de zaak van [naam 4] ; (B) het parkeren door eiseres van haar dienstauto in de Cissy van Marxveldstraat; (C) verwijten aan eiseres omtrent het foutief schrijven van overwerk; en (D) het buttongebruik van eiseres.

(A) het handelen van eiseres in de zaak van [naam 4]

I. In het bestreden besluit aangeduid als de gedragingen 1 tot en met 4

4.2.

Verweerder heeft als plichtsverzuim aangemerkt dat eiseres zich ongevraagd en zonder toestemming of overleg heeft gemengd in een juridisch geschil tussen de werkgever en een uitzendkracht ( [naam 4] ). Het gaat met name om het vragen van ondertekende verklaringen aan twee medewerkers ( [naam 5] en [naam 6] ) en om het verzamelen van handtekeningen onder medewerkers. Verweerder neemt het eiseres kwalijk dat zij een hiërarchisch ondergeschikte medewerker om een handtekening heeft gevraagd, waardoor zij haar positie heeft misbruikt en haar voorbeeldfunctie heeft geschaad. Ook verwijt verweerder eiseres in dit verband dat zij tweemaal (namelijk in gesprekken die plaatsvonden op 8 november 2013 en op 3 februari 2014) een leugenachtige verklaring heeft afgelegd door te verklaren dat zij alleen de medewerker [naam 5] om een handtekening heeft gevraagd, terwijl ook de medewerker [naam 6] heeft verklaard dat eiseres hem om een handtekening heeft gevraagd.

4.3.

Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder niet heeft aangetoond dat er ten tijde van belang (begin november 2013) daadwerkelijk al sprake was van een juridisch geschil tussen de uitzendkracht en de werkgever. Eiseres meent de grenzen van het fatsoen jegens haar werkgever niet te hebben overschreden; zij heeft feitelijk alleen gefungeerd als tussenpersoon tussen een uitzendkracht ( [naam 4] ) en degenen aan wie hij een verklaring wilde vragen in verband met het vermeende dienstongeval. Eiseres benadrukt in deze kwestie alleen de boodschapper te zijn geweest. Zij heeft geen (ontoelaatbare) druk uitgeoefend op de medewerkers bij wie zij om een verklaring heeft gevraagd; dit blijkt ook uit het feit dat [naam 5] heeft geweigerd om te tekenen. Evenmin blijkt uit de verklaring van [naam 6] dat eiseres hem onder druk heeft gezet. Eiseres vraagt zich ook af of er formeel gezien wel sprake is van hiërarchisch ondergeschikten. Verder meent eiseres dat zij duidelijker had moeten verklaren dat zij inderdaad zowel aan [naam 5] als aan [naam 6] op verzoek van [naam 4] om een handtekening heeft verzocht. Deze gebrekkige communicatie aan de kant van eiseres komt met name doordat zij er vooral op gericht was om uit te leggen dat zij niemand heeft gedwongen om iets te tekenen.

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres daadwerkelijk misbruik heeft gemaakt van haar positie door de medewerkers [naam 5] en [naam 6] onder druk te zetten om een verklaring te ondertekenen. Verweerder heeft geen verklaringen of gegevens overgelegd, waaruit dat blijkt. [naam 6] heeft op 11 november 2013 (met een aanvulling op 28 april 2014) verklaard dat eiseres hem om een handtekening heeft gevraagd, dat hij heeft getekend omdat eiseres dit wilde en hij geen nee durfde te zeggen omdat zij zijn leidinggevende was. Dit vormt echter geen bewijs voor verweerders stelling dat eiseres [naam 6] onder druk heeft gezet om te tekenen. Het enkele feit dat [naam 6] een ondergeschikte van eiseres was, brengt niet automatisch met zich dat eiseres druk op hem heeft uitgeoefend. Bovendien heeft [naam 5] geweigerd om een handtekening te zetten. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zijn stelling dat eiseres met een lijst is rondgegaan om handtekeningen te verzamelen, evenmin heeft onderbouwd. Van inmenging in een juridisch geschil is de rechtbank niet gebleken. Eiseres heeft verklaard dat zij slechts als doorgeefluik voor [naam 4] fungeerde en heeft geprobeerd om het (vermeende) bedrijfsongeval correct te melden en af te handelen en de rechtbank acht die verklaring geloofwaardig. Dat eiseres bewust heeft meegewerkt aan een schadeclaim tegen de werkgever heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt. Nu verweerder deze verweten gedragingen niet, althans onvoldoende, met stukken heeft onderbouwd, is de rechtbank van oordeel dat deze gedragingen niet aan het strafontslag ten grondslag kunnen worden gelegd.

4.5.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich evenwel op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiseres zich door tweemaal een leugenachtige verklaring af te leggen, wel schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Uit de verslagen van de gesprekken op 8 november 2013 en 3 februari 2014 blijkt dat eiseres heeft verklaard dat zij alleen [naam 5] heeft gevraagd om een verklaring af te leggen in de zaak met [naam 4] . [naam 6] heeft op 11 november 2013 verklaard dat eiseres ook hem heeft benaderd met de vraag of hij een handtekening wilde zetten en eiseres heeft dat ter zitting ook bevestigd. De rechtbank overweegt dat eiseres op 8 november 2013 en 3 februari 2014 dan ook onjuist heeft verklaard tegenover haar werkgever en dat zij zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim.

II. In het bestreden besluit aangeduid als de gedragingen 5 en 6

4.6.

Verweerder heeft als plichtsverzuim aangemerkt dat eiseres tijdens het verantwoordingsgesprek van 3 februari 2014 heeft gelogen door te zeggen dat zij geen enkele verklaring heeft afgelegd of ondertekend over de kwestie [naam 4] . Verweerder heeft echter van de letselschadespecialist van [naam 4] een document ontvangen (met daarop een datumstempel van 14 november 2013) waarin eiseres verklaart dat [naam 4] op 12 februari 2013 een bedrijfsongeval heeft gehad, dat zij hem naar Kees [naam 7] heeft verwezen om een letselbrief op te laten stellen, dat deze onverwacht een hersenbloeding heeft gekregen en dat de melding niet is opgepakt door een andere leidinggevende en de werkgever dus nalatig zou zijn geweest. Verweerder heeft ook als plichtsverzuim aangemerkt dat eiseres heeft geprobeerd om achteraf het beeld te reconstrueren dat zij zich buiten de discussie heeft gehouden door op dezelfde dag als haar verklaring aan de letselschadespecialist (te weten: 14 november 2013) een brief aan [naam 4] op te stellen met de mededeling dat zij niets met het ongeval te maken heeft. Volgens verweerder stroken de twee verklaringen van eiseres van 14 november 2013 niet met elkaar, is het onwaarschijnlijk dat zij op dezelfde dag deze twee verklaringen heeft opgesteld en zijn de verklaringen dus niet geloofwaardig.

4.7.

Eiseres heeft aangevoerd dat zij in de brieven van 14 november 2013 enkel heeft verklaard dat er een bedrijfsongeval is gemeld en dat daarvoor een letselbrief opgesteld had moeten worden. Zij heeft verder niet inhoudelijk verklaard over het zich al dan niet daadwerkelijk hebben voorgedaan van het ongeval. Het tekenen van deze verklaring levert volgens eiseres dan ook geen plichtsverzuim op. Mogelijk had zij hierover duidelijker moeten communiceren met de werkgever, maar dit is geen voldoende zelfstandige reden voor een strafontslag, aldus eiseres.

4.8.

De rechtbank stelt vast dat uit het verslag van het gesprek van 3 februari 2014 blijkt dat verweerder eiseres nadrukkelijk heeft gevraagd of zij verklaringen omtrent de kwestie [naam 4] heeft afgelegd of ondertekend. Eiseres heeft daarop geantwoord dat zij alleen [naam 5] heeft benaderd, maar niemand anders en ook zelf geen verklaringen heeft afgelegd; niet bij het verzekeringsbedrijf, niet bij een advocaat en ook nergens anders. Uit de door de letselschadespecialist aan verweerder toegestuurde verklaring van eiseres (met de datumstempel van 14 november 2013) blijkt echter dat zij wel een verklaring heeft afgelegd. Door het afleggen van deze onjuiste verklaring op 3 februari 2014 heeft eiseres zich naar het oordeel van de rechtbank schuldig gemaakt aan plichtsverzuim.

4.9.

De rechtbank overweegt verder dat de verklaring van eiseres van 14 november 2013 aan de letselschadespecialist en haar brief aan [naam 4] inhoudelijk niet tegenstrijdig zijn. Voor het standpunt van verweerder dat eiseres achteraf heeft geprobeerd om de ontstane situatie recht te breien, ziet de rechtbank geen onderbouwing in het dossier. Ten eerste staat niet vast dat de twee verklaringen beide op 14 november 2013 zijn opgesteld. Onduidelijk is wie de datumstempel heeft gezet op de verklaring aan de letselschadespecialist en wat de betekenis van die stempel is (betekent de stempel dat de verklaring op die dag is opgesteld of op deze dag is ontvangen?). Ten tweede kan aan het feit dat eiseres eerder geen melding heeft gemaakt van haar brief aan [naam 4] niet de conclusie worden verbonden dat deze brief nadien is opgesteld en is geantedateerd. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat eiseres achteraf een onjuist beeld heeft geprobeerd te reconstrueren en dit kan niet aan het strafontslag ten grondslag worden gelegd.

III. In het bestreden besluit aangeduid als gedraging 7

4.10.

Verweerder heeft voorts als plichtsverzuim aangemerkt dat eiseres een onware verklaring van [naam 7] heeft overgelegd. Verweerder acht het ongeloofwaardig dat eiseres en [naam 7] op 12 februari 2013 contact hebben gehad en dat [naam 7] op diezelfde dag een verklaring heeft opgesteld, omdat [naam 7] toen volledig arbeidsongeschikt was en eiseres in die periode verlof had. Verweerder heeft de indruk dat [naam 7] eiseres een vriendendienst probeert te bewijzen en dat [naam 7] handelt uit rancune en teleurstelling vanwege zijn niet verlengde dienstverband bij verweerder.

4.11.

Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat zij wel degelijk op 12 februari 2013 telefonisch contact heeft gehad met [naam 7] . Wanneer de schriftelijke verklaring van [naam 7] precies is opgesteld, vindt eiseres minder relevant; het gaat haar om de inhoud. Van een ondoorzichtige of onheuse handelswijze is volgens eiseres dan ook geen sprake.

4.12.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet met stukken onderbouwd noch anderszins aannemelijk gemaakt dat eiseres en/of [naam 7] over de geschetste gang van zaken bij deze verweten gedraging hebben gelogen. Dat blijkt nergens uit en is enkel gebaseerd op aannames van verweerder. Verweerder heeft niet bij [naam 7] geverifieerd of de inhoud en datering van de verklaring van 12 februari 2013 juist zijn. Dat eiseres op 12 februari 2013 verlof had en [naam 7] arbeidsongeschikt was, sluit niet uit dat er telefonisch contact is geweest en dat er een verklaring is opgesteld. Groeneveld heeft -gezien de verdere inhoud van de verklaring- zijn verklaring ongetwijfeld op een later moment dan op 12 februari 2013 opgesteld, maar dat maakt het voorgaande nog niet anders. De onder 4.10 weergegeven verwijten aan eiseres kunnen dan ook niet als plichtsverzuim worden aangemerkt.

(B) het parkeren door eiseres van haar dienstauto in de Cissy van Marxveldtstraat

In het bestreden besluit aangeduid als de gedragingen 8 tot en met 11

4.13.

Verweerder heeft tevens als plichtsverzuim aangemerkt dat eiseres veelvuldig en/of langdurig met haar dienstauto in de Cissy van Marxveldtstraat geparkeerd staat en/of daar (in een woning) verblijft zonder dat concrete werkzaamheden of (klacht)meldingen van burgers haar aanwezigheid rechtvaardigen. Hiertoe wijst verweerder op een controleoverzicht over de periode van 30 mei 2013 tot en met 9 januari 2014 waarop te zien valt wanneer en hoe lang de dienstauto geparkeerd heeft gestaan in de Cissy van Marxveldtstraat. Daarnaast heeft verweerder een verklaring van 17 februari 2014 overgelegd, waarin een anonieme medewerker verklaart dat hij eiseres geregeld in de tuin heeft zien zitten op het betreffende adres (met name op zomerdagen). Verweerder vindt de verklaring van eiseres dat zij de dienstauto daar parkeert omdat het een niet betaald parkeren gebied betreft, ongeloofwaardig, omdat eiseres een parkeerontheffing heeft. Gelet op de duur dat de dienstauto in de Cissy van Marxveldtstraat stond geparkeerd, acht verweerder eiseres’ verklaring dat zij haar auto daar parkeerde om vervolgens te voet haar werkgebied in te gaan evenmin geloofwaardig. Dat eiseres een plasadres zou hebben bij de bewoners op [huisnummer] in de Cissy van Marxveldtstraat acht verweerder evenmin toereikend, nu eiseres gebruik kan maken van de wc in verweerders gebouw aan de Fogostraat. Bovendien is de verblijfsduur van eiseres’ verblijf in de Cissy van Marxveldtstraat (veel) langer dan een regulier toiletbezoek en te kort om vervolgens de rest van de dag lopend de werkzaamheden elders te kunnen verrichten, zoals eiseres heeft verklaard. Verweerder meent dat de verklaring van eiseres’ huisarts dat zij zwakke darmen heeft met daarbij als ondersteuning een kopie van een recept voor medicijnen uit 2011, niet afdoet aan de voorgaande conclusie. Indien een medisch probleem eiseres zou belemmeren in haar werkzaamheden, had zij hiervan melding moeten maken bij de bedrijfsarts en/of leidinggevende om op die manier een oplossing hiervoor te vinden.

4.14.

Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder onvoldoende feitelijk heeft aangetoond wanneer zij met haar dienstauto op de Cissy van Marxveldtstraat stond. De herkomst van het door verweerder overgelegde controleoverzicht is niet zichtbaar. Voor zover zij de dienstauto wel met enige regelmaat op dit adres parkeert, meent eiseres dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat daarmee sprake is van plichtsverzuim. Eiseres zet haar auto daar en maakt daar gebruik van de wc of gaat vanuit die parkeerplaats te voet verder. Verweerder heeft deze verklaring onvoldoende weersproken. Verweerder heeft evenmin stukken overgelegd waaruit blijkt dat eiseres hiermee in strijd met enig werkvoorschrift handelt, aldus eiseres.

4.15.

De rechtbank gaat uit van het in het bestreden besluit neergelegde plichtsverzuim en laat de ter zitting ingenomen stelling van verweerder dat het imago van de gemeente hierdoor wordt geschaad, dan ook verder buiten beschouwing.

4.16.

Het verwijt in het bestreden besluit houdt in dat eiseres zonder geldige reden in de bewuste straat parkeert en/of daar (in een woning) verblijft. De door eiseres opgegeven reden waarom zij een plasadres nodig had, komt de rechtbank op zichzelf niet ongeloofwaardig voor en dat is door verweerder ook niet betwist; eiseres heeft hiervoor een medische verklaring van haar huisarts overgelegd. Het argument van verweerder dat zij voor een kwestie als deze naar de bedrijfsarts of de leidinggevende had moeten gaan, volgt de rechtbank niet: eiseres had inmiddels zelf immers een oplossing voor haar medisch probleem gevonden.

4.17.

De stelling van eiseres dat zij vanaf de Cissy van Marxveldtstraat te voet de wijk inging, acht de rechtbank evenmin ongeloofwaardig. Verweerders standpunt dat de parkeerduur te kort zou zijn om haar gebied te kunnen schouwen, volgt de rechtbank niet, omdat verweerder op geen enkel moment in de procedure duidelijk heeft kunnen maken waarom het op enig moment te schouwen gebied zo groot is zodat een controle te voet (op een met het overzicht van parkeermomenten corresponderend tijdstip) niet mogelijk zou zijn. De (kort voor de zitting overgelegde en identieke) verklaringen van vier collega’s van 12 juni 2015 kunnen verweerder niet baten. Het enige wat deze vier collega’s verklaren is dat het zeer zelden tot nooit voorkomt dat een Coördinator D te voet de wijk in gaat. Er blijkt niet uit dat eiseres dat dus ook niet deed.

4.18.

De rechtbank stelt verder vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres vaak (met haar dienstauto) verbleef op de Cissy van Marxveldtstraat. Verweerder heeft evenwel niet aannemelijk gemaakt, bijvoorbeeld door overlegging van werkinstructies of functieomschrijvingen, dat het eiseres niet was toegestaan om zich onder diensttijd (met haar dienstauto) met regelmaat te bevinden of te parkeren op de Cissy van Marxveldtstraat. Daarbij merkt de rechtbank op dat het adres Cissy van Marxveldtstraat is gelegen in het werkgebied van eiseres.

4.19.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze gedragingen dan ook niet als plichtsverzuim worden aangemerkt.

(C) verwijten aan eiseres omtrent het foutief schrijven van overwerk

In het bestreden besluit aangeduid als de gedragingen 12 en 13

4.20.

Verweerder heeft ook als plichtsverzuim aangemerkt dat eiseres op 5, 9, 12, 14 en 23 november en 5 december 2013 overuren heeft gedeclareerd, terwijl de vermeende eindtijden niet overeenkomen met de binnenkomst van de veegmachines. Bovendien was er op 5 december 2013 geen markt. Meer specifiek heeft eiseres op 5 november 2013 tot 20:00 uur aan overuren gedeclareerd terwijl zij om 18:40 uur al naar huis was vertrokken. Dat zij al zo vroeg was vertrokken bleek toen voor een collega (aan wie zij beloofd had de deur open te doen) niet werd opengedaan en die collega bij andere collega’s om hulp moest vragen. Verweerder heeft een overzicht overgelegd waarop eiseres over de periode van 8 oktober 2013 tot en met 4 januari 2014 haar begin- en eindtijden (en het aantal gewerkte uren) heeft ingevuld. Ook heeft verweerder een overzicht overgelegd waarop de begin- en eindtijden van de veegmachine zijn ingevuld (over de periode november-december 2013).

4.21.

Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder niet heeft aangetoond dat eiseres een eindtijd in strijd met de waarheid heeft ingevuld. Verweerder verwijst wel naar de binnenkomst van de veegmachines, maar volgens eiseres is daarmee de feitelijke eindtijd van eiseres niet voldoende gegeven. Eiseres hoeft immers niet tegelijk met de veegmachines te eindigen en kan bijvoorbeeld daarna nog een controleronde lopen; zij heeft daartoe een aantal verklaringen overgelegd van mensen die ’s avonds tot later op de markt hun werk deden. Bovendien gold een afspraak met de toenmalig leidinggevende [naam 7] , dat op werkdagen voor de marktdiensten standaard tot 20.00 uur (op zaterdagen tot 21.00 uur) werd gedeclareerd en dat eventueel meer- en minderwerk daarbij tegen elkaar werd weggestreept. Verweerder heeft dit onvoldoende onderzocht. De direct leidinggevende van eiseres heeft deze declaratiewijze voor akkoord getekend en ook haar voormalig leidinggevende, [naam 7] , heeft aangegeven dat er een afspraak over declareren bij hem bekend is.

4.22.

De rechtbank stelt -op basis van de stukken en op hetgeen in beroep is aangevoerd- vast dat eiseres heeft erkend dat zij op 9 en 23 november 2013 een fout in haar declaratie heeft gemaakt. Hoewel het de rechtbank niet duidelijk is welke fout dit zou moeten zijn (eiseres heeft immers ten aanzien van alle data aangevoerd dat zij conform afspraak tot 20.00 uur mocht declareren), gaat de rechtbank in het navolgende voor deze data dus van een foutieve declaratie uit. Daarnaast heeft eiseres (ter zitting) erkend dat ook op 5 november en 5 december 2013 sprake was van een omissie in haar declaraties. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiseres zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim door op 5, 9 en 23 november en 5 december 2013 foutieve declaraties te schrijven.

4.23.

Ten aanzien van de declaraties op 12 en 14 november 2013 acht de rechtbank van belang dat [naam 7] (in zijn op 9 april 2014 aan verweerder toegezonden reactie) heeft geschreven: “het declareren van de uren van de markt is afgesproken met mij en de teamleider gebied”. Hoewel deze tekst niet uitblinkt in duidelijkheid, moet [naam 7] hiermee gedoeld hebben op de door eiseres in haar zienswijze van 4 april 2014 opgenomen stelling (in de alinea’s 12 en 13) dat er afspraken met [naam 7] zijn gemaakt om tot 20.00 uur te mogen declareren. Eiseres heeft hiermee dus een begin van bewijs voor haar stelling aangebracht. Vervolgens is het aan verweerder om aannemelijk te maken dat de stelling van eiseres op onvoldoende gronden berust.

4.24.

Verweerder heeft ter zitting gesteld dat de afspraak met [naam 7] niet relevant is, omdat hij sinds 14 maart 2013 niet meer in dienst is. Dit argument kan de rechtbank niet onderschrijven, omdat niet te volgen is waarom een uit dienst geraakte leidinggevende niets meer zou kunnen verklaren over in het verleden gemaakte afspraken. Verweerder heeft ook overigens geen enkele actie meer ondernomen om de juistheid [naam 7] verklaring aan te vechten. [naam 7] is niet opgeroepen voor een gesprek, is niet telefonisch benaderd en evenmin gevraagd om als getuige naar de zitting te komen. Kortom, verweerder is er niet in geslaagd om het verweer van eiseres te ontkrachten.

4.25.

Gelet hierop heeft eiseres zich met de declaratie voor 12 en 14 november 2013 niet schuldig gemaakt aan plichtsverzuim.

(D) het buttongebruik van eiseres

In het bestreden besluit aangeduid als gedraging 14

4.26.

Verweerder heeft aan het strafontslag ook ten grondslag gelegd dat eiseres meestal zonder button rijdt en dat zij haar eigen button zelden gebruikt. Met het niet (altijd) gebruiken van de button houdt zij zich niet aan de werkinstructie. Bovendien heeft zij op 3 februari 2014 in strijd met de waarheid verklaard dat zij altijd haar button gebruikt. Verweerder heeft een overzicht overgelegd waaruit de inloggegevens van eiseres’ buttonnummer (4411111120) blijken over de periode van 8 oktober 2013 tot en met 31 december 2013. Tevens blijkt volgens verweerder uit dit overzicht dat andere medewerkers -in tegenstelling tot eiseres- wel altijd de button gebruiken.

4.27.

Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder geen voorschriften heeft overgelegd betreffende het buttongebruik. Eiseres meent dan ook dat verweerder niet heeft aangetoond dat zij in strijd met de voorschriften zou hebben gehandeld door niet consequent de button te gebruiken. Bovendien was het niet (altijd) gebruiken van haar button gemeengoed binnen het stadsdeel.

4.28.

De rechtbank overweegt dat verweerder niet met stukken heeft onderbouwd, bijvoorbeeld door overlegging van een werkinstructie, dat het buttongebruik binnen zijn organisatie verplicht was. Uit het door verweerder overgelegde overzicht kan de rechtbank niet afleiden dat andere medewerkers wel altijd hun button gebruiken. Het niet (altijd) gebruiken van de button door eiseres kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet als plichtsverzuim worden aangemerkt. De rechtbank is verder van oordeel dat eiseres zich wel schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim door op 3 februari 2014 te verklaren dat zij altijd haar button gebruikt, terwijl zij ter zitting heeft erkend dat ze wel vaker zonder button rijdt.

Tussenconclusie (toerekenbaar) plichtsverzuim

4.29.

De rechtbank concludeert samenvattend dat eiseres zich door op 8 november 2013 en op 3 februari 2014 in strijd met de waarheid te verklaren dat zij enkel [naam 5] heeft benaderd voor een handtekening, door op 3 februari 2014 in strijd met de waarheid te verklaren dat zij geen verklaringen omtrent de kwestie [naam 4] heeft afgelegd, met foutieve declaraties voor 5, 9 en 23 november en 5 december 2013 en door op 3 februari 2014 in strijd met de waarheid te verklaren dat zij altijd haar button gebruikt schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. De rechtbank kan uit de gedingstukken niet afleiden dat dit geconstateerde plichtsverzuim niet aan eiseres zou zijn toe te rekenen. Verweerder was dan ook bevoegd om eiseres voor deze gebeurtenissen disciplinair te bestraffen.

Evenredigheid van het strafontslag

4.30.

Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of sprake is van evenredigheid tussen de ernst van het plichtsverzuim en de zwaarte van de getroffen sanctie.

4.31.

Verweerder stelt bij het bepalen van de strafmaat te hebben betrokken dat eiseres vanuit haar functie op straat voor burgers zichtbaar is als ambtenaar van de gemeente en dat van eiseres in de uitoefening van haar werk wordt verwacht dat zij zich professioneel en integer opstelt. Eiseres vervult als assistent-groepsleider een voorbeeldfunctie. Ook weegt verweerder mee dat eiseres haar gedrag bagatelliseert en dat zij zich de verwijtbaarheid van haar gedrag niet lijkt te realiseren. Bovendien is eiseres al eerder meerdere malen op haar gedrag aangesproken en was zij dus een gewaarschuwd ambtenaar. Volgens verweerder gedraagt eiseres zich stelselmatig niet als een goed ambtenaar. Door het herhaalde ontoelaatbare gedrag en het doelbewust en verschillende malen afleggen van leugenachtige en ongeloofwaardige verklaringen, is verweerders vertrouwen in eiseres ernstig beschaamd.

4.32.

Eiseres heeft in dit verband aangevoerd dat verweerder onvoldoende oog heeft gehad voor haar belangen. Zij had op het moment van het strafontslag een dienstverband van 28 jaar. Eiseres heeft in die periode ook blijken van erkenning en waardering voor haar inzet en functioneren gekregen. Eiseres is in één klap al haar inkomsten verloren. Het strafontslag valt eiseres ook vanwege haar leeftijd (ten tijde van het ontslag was zij 56 jaar) extra zwaar. In dit verband wijst eiseres ook op de heersende cultuur binnen de organisatie en het feit dat het hier gaat om een recent samengevoegde organisatie. Door een fusie van drie stadsdelen waren de werkprocessen en –voorschriften niet altijd duidelijk. Er werd niet altijd helder gecommuniceerd over werkafspraken en –processen. Verweerder had deze omstandigheden ook mee moeten nemen in zijn afweging, aldus eiseres.

4.33.

De rechtbank is van oordeel dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet evenredig is aan het gepleegde plichtsverzuim. De rechtbank neemt daarbij allereerst het lange dienstverband van 28 jaar, waarin zij goed heeft gefunctioneerd, in aanmerking. Ook acht de rechtbank de financiële gevolgen voor eiseres, haar leeftijd en haar positie op de arbeidsmarkt van belang. Verweerder heeft de door eiseres beschreven heersende cultuur binnen verweerders organisatie en het feit dat verweerders organisatie recentelijk is samengevoegd door een fusie van drie stadsdelen, niet kenbaar in zijn beoordeling betrokken. De rechtbank acht het niet onaannemelijk dat, zoals eiseres stelt, de werkprocessen en –voorschriften voor werknemers hierdoor niet altijd duidelijk waren. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn stelling dat eiseres een gewaarschuwd mens was. Eiseres is weliswaar schriftelijk berispt op 14 januari 2013 maar de gedragingen die daarvoor de aanleiding vormden, houden geen verband met de gedragingen die aan het strafontslag ten grondslag zijn gelegd. Bovendien vond de bezwaaradviescommissie deze berisping disproportioneel. Er zijn (los van deze berisping) diverse gesprekken geweest met eiseres (op 29 oktober 2012, 18 januari 2013 en 13 november 2013) maar ook hiervoor geldt dat deze gesprekken niet dezelfde gedragingen betroffen als de gedragingen die de rechtbank in deze uitspraak als plichtsverzuim heeft aangemerkt (zie ook hierna onder 5.6 tot en met 5.12). Daarom kan niet gezegd worden dat eiseres, ondanks waarschuwingen van verweerder, het plichtsverzuim heeft voortgezet. Het ontslag houdt daarom geen stand.

4.34.

Hoewel de straf van onvoorwaardelijk ontslag geen stand houdt, is de rechtbank wel van oordeel dat eiseres niet juist heeft gehandeld door de onder overweging 4.29 samengevatte gedragingen. Deze gedragingen zouden naar het oordeel van de rechtbank wel een voorwaardelijk strafontslag kunnen rechtvaardigen. Een onvoorwaardelijk strafontslag is echter een te zware maatregel.

Subsidiaire ontslaggrond: ontslag op andere gronden

5.1.

Nu de primaire ontslaggrond geen standhoudt, komt de rechtbank toe aan bespreking van de subsidiaire ontslaggrond van ontslag op andere gronden.

5.2.

Een ontslag op andere gronden kan worden verleend in geval van een onverenigbaarheid van karakters, onherstelbaar verstoorde verhoudingen en in andere uitzichtloze situaties.

5.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) moet in de eerste plaats de vraag worden beantwoord of het standpunt van verweerder op voldoende feitelijke grondslag berust, waarna kan worden geconcludeerd dat de bevoegdheid bestond om tot ontslagverlening op andere gronden over te gaan. Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of verweerder in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 23 juli 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ4376).

5.4.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat met eiseres niet langer een vruchtbare samenwerking mogelijk is. Als werkgever moet verweerder zijn werknemers kunnen vertrouwen. Vanwege het gepleegde plichtsverzuim, waaronder verweerder ook de leugenachtige verklaringen begrijpt, is het niet langer mogelijk met eiseres samen te werken en haar als medewerker te handhaven.

5.5.

Eiseres heeft in dit verband aangevoerd dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een dusdanige verstoring van de verhoudingen dat van hem niet meer verwacht mag worden dat hij het dienstverband met eiseres voortzet.

5.6.

Naar het oordeel van de rechtbank kan het plichtsverzuim het ontslag “op andere gronden” niet dragen. Het (hiervoor bij de beoordeling van het strafontslag) vastgestelde plichtsverzuim is onvoldoende ernstig om geheel eenzijdig het vertrouwen in eiseres op te zeggen en voorts deze vertrouwensbreuk, eveneens eenzijdig, als onherstelbaar aan te merken.

5.7.

Eiseres is niet in de gelegenheid gesteld om het vertrouwen in haar te herstellen. De vastgestelde feiten ten aanzien van het veelvuldig parkeren van de dienstauto door eiseres op de Cissy van Marxveldtstraat, het niet (altijd) gebruiken van de button door eiseres en de manier waarop eiseres haar overuren schreef - alle geen incidenten, maar een manier van werken over een langere periode -, hadden voor verweerder aanleiding kunnen en moeten zijn om eiseres hierop (bijvoorbeeld in een functioneringsgesprek) aan te spreken. Bij het uitblijven van verbetering op deze punten, had verweerder daaraan rechtspositionele consequenties kunnen verbinden.

5.8.

Zoals overwogen onder 4.33 kan de rechtbank verweerder niet volgen in zijn -ter zitting aangevoerde- stelling dat eiseres vaak is gewaarschuwd en desondanks haar gedrag continueert.

5.9.

Uit het dossier blijkt dat eiseres bij besluit van 14 januari 2013 een schriftelijke berisping is opgelegd, maar aan dit besluit heeft verweerder andere gedragingen ten grondslag gelegd dan aan het onderhavige ontslagbesluit. Het betrof verkeerd parkeren in augustus 2012, het laten repareren van de eigen auto in de werfgarage in augustus 2012, het aannemen van gratis brood van de mevrouw van het bedrijfsrestaurant, het rondhangen/werkzaamheden verrichten in het bedrijfsrestaurant en ten slotte roken waar dat niet is toegestaan.

5.10.

Het gesprek op 13 november 2013 met eiseres zag evenmin op de aan het ontslagbesluit ten grondslag gelegde gedragingen en had het karakter van een onderzoek naar de vraag wie roddels over de teamleider [naam 1] zou hebben verspreid.

5.11.

Het gesprek op 8 november 2013 zag wel op de kwestie met [naam 4] , maar dit gesprek was nog tijdens de fase van onderzoek naar de gang van zaken. Eiseres is dus tijdens dit gesprek ook niet op haar handelen aangesproken.

5.12.

Tijdens de verantwoordingsgesprekken op 3 februari 2014 en 5 maart 2014 is eiseres wel geconfronteerd met haar handelen in de zaak van [naam 4] , het parkeren van haar dienstauto in de Cissy van Marxveldtstraat, het foutief schrijven van overwerk en haar buttongebruik en is haar gevraagd om een reactie, maar uit de gespreksverslagen blijkt niet dat verweerder eiseres duidelijk heeft aangegeven dat deze gedragingen niet zijn toegestaan, dat het niet nogmaals mag voorkomen en dat er anders maatregelen getroffen worden.

5.13.

De rechtbank acht verder in dit verband het lange dienstverband van 28 jaar tussen eiseres en verweerder van belang, waarin eiseres klaarblijkelijk altijd naar behoren heeft gefunctioneerd en er zich tot 2013 kennelijk geen noemenswaardige incidenten hebben voorgedaan. Ook had verweerder het feit dat verweerders organisatie recentelijk is samengevoegd na een fusie van drie stadsdelen in zijn beoordeling moeten betrekken. De rechtbank acht het niet onaannemelijk dat, zoals eiseres stelt, na de fusie de werkprocessen en –voorschriften voor werknemers hierdoor niet altijd even duidelijk waren. Daar komt bij dat het de rechtbank niet is gebleken dat verweerder heeft onderzocht of desnoods een overplaatsing van eiseres naar een andere afdeling of functie binnen de gemeente Amsterdam tot de mogelijkheden behoorde. Uit de houding van eiseres valt in ieder geval niet af te leiden dat zij daartoe niet bereid zou zijn.

5.14.

Gelet op het voorgaande, kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat de verhouding tussen eiseres en verweerder zodanig verstoord is geraakt dat een vruchtbare samenwerking tussen partijen niet meer mogelijk was. De kans op herstel van vertrouwen en op herstel van verhoudingen tussen partijen is nog niet uitgeput en zeker nog niet verkeken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder niet bevoegd was om eiseres ontslag te verlenen op grond van artikel 12.12, aanhef en onder b, van de NRGA.

Eindconclusie

6.1.

De rechtbank concludeert samenvattend dat zowel de primaire ontslaggrond van strafontslag als de subsidiaire ontslaggrond van ontslag op andere gronden geen stand houden. De rechtbank zal het beroep dan ook gegrond verklaren. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank zal verweerder opdragen binnen zes weken een nieuw besluit op het bezwaar van eiser te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank wijst verweerder daarbij met name op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.34. Verweerder zal daarbij ook nog op de in bezwaar gevorderde proceskosten moeten beslissen.

6.2.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 980,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Polak, voorzitter, en mr. J.M. Jongkind en mr. M.J.M. Langeveld, leden, in aanwezigheid van mr. M.J. Niersman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2015.

griffier

rechter
de voorzitter en de oudste rechter zijn verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.

De uitspraak is daarom ondertekend doo de jongste rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.