Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:714

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-02-2015
Datum publicatie
20-02-2015
Zaaknummer
13/728014-13 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schuldwitwassen door woonruimtes ter beschikking te stellen aan criminelen en daarmee huurpenningen, borg en bemiddelingskosten te innen. In diverse woningen zijn verdovende middelen, contant geld, hennepplantages en/of wapens aangetroffen. Verdachte had redelijkerwijs kunnen vermoeden dat er met crimineel geld betaald werd. Verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan mensensmokkel door het huisvesten van illegale vreemdelingen tegen betaling van huurpenningen. Verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf, een taakstraf en een aanzienlijke geldboete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/728014-13 (Promis)

Datum uitspraak: 11 februari 2015

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en verblijvende op het adres [adres 1, te plaats A].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 januari 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Tammes en van wat verdachte en haar raadsvrouw mr. L.M. Oldenburg naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte zijn – kort samengevat – de volgende feiten ten laste gelegd:

- Feit 1: het medeplegen van een gewoonte maken van witwassen door achttien maal woonruimte ter beschikking te stellen aan ‘criminelen’ en daarmee huurpenningen, borg en bemiddelingskosten te innen, waarvan zij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dit door misdrijf verkregen gelden betroffen.

- Feit 2: het medeplegen van een gewoonte maken van behulpzaam zijn bij illegaal verblijf in Nederland door vier personen woonruimte te verschaffen uit winstbejag.

De tekst van de gehele tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Het bewijs

Bewijsuitsluiting

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de onderzoeksresultaten die verkregen zijn door het inzetten van opsporingsmiddelen, zoals telefoontaps, observaties en het opvragen van gegevens, dienen te worden uitgesloten van het bewijs, omdat ten tijde van de start van het onderzoek [onderzoek A] een voldoende verdenking jegens verdachte ontbrak. Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

De rechtbank stelt het volgende vast. Blijkens het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] van 20 december 2012 is verdachte reeds in 2010 erop gewezen dat zij, als zij haar bedrijfsvoering niet zou aanpassen, zich mogelijk schuldig zou maken aan strafbare feiten. Vervolgens is omstreeks januari 2013 uit opsporingsonderzoeken en registraties gebleken dat verdachte en haar bedrijf bij het verhuren van vier woningen aan personen met criminele antecedenten betrokken zouden zijn. Hierop is op 7 januari 2013 het onderzoek [onderzoek A] naar verdachte en haar bedrijf gestart. De rechtbank beschouwt dit, in onderlinge samenhang bezien met het politiecontact in 2010, voldoende voor een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit. Het Openbaar Ministerie heeft dan ook op genoegzame gronden het opsporingsonderzoek kunnen starten. De in dit onderzoek vervolgens ingezette opsporingsmiddelen zijn getoetst door de rechter-commissaris en/of de officier van justitie en geautoriseerd. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding de onderzoeksresultaten die zijn verkregen door het inzetten van opsporingsmiddelen uit te sluiten van het bewijs en verwerpt het verweer van de raadsvrouw.

Waardering van het bewijs

4.1

Inleiding

De rechtbank stelt het volgende vast. Verdachte is op zestienjarige leeftijd gaan werken bij het huurbemiddelingsbedrijf [bedrijf 1]. Binnen dit bedrijf heeft zij zich het vak van huurbemiddelaar eigen gemaakt. In 1985, toen verdachte achtentwintig was, is zij voor zichzelf begonnen als huurbemiddelaar, namelijk door het bedrijf [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2]) op te richten. Door de jaren heen heeft verdachte een praktijk opgebouwd met een bepaalde werkwijze. Als huurbemiddelaar was verdachte verantwoordelijk voor het opmaken van het huurcontract, het innen van de borgsom, de provisie en de huurpenningen. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat zij met name en bij voorkeur woningen aan buitenlanders verhuurde, ongeveer 70 à 80 procent, omdat buitenlanders over het algemeen niet op de hoogte zijn van hun huurrechten. De betalingen door de buitenlandse huurders aan verdachte vonden veelal contant plaats. Op de werkzaamheden van verdachte was de Verordening Woningbemiddelaars 2006 van toepassing. De opvatting van verdachte was dat zij op grond van de voornoemde verordening slechts een identiteitsbewijs van aanstaande huurders moest controleren. Verdachte was in de veronderstelling dat zij contant geld mocht aannemen, geen inkomstencontrole hoefde te verrichten, en dat zij in het geval van buitenlandse huurders niet naar documenten omtrent hun verblijfsstatus hoefde te vragen.

Blijkens het dossier heeft verdachte gedurende de jaren 2010 tot en met 2013 achttien woningen verhuurd die direct of indirect met strafbare feiten van doen hadden (gehad) ten tijde van de verhuur.

De vragen die ten aanzien van feit 1 voorliggen zijn de volgende. Zijn de geldbedragen waarmee de huurpenningen, de borg en de bemiddelingsprovisies aan verdachte zijn betaald afkomstig van enig misdrijf, en wist verdachte, of moest zij redelijkerwijs vermoeden, dat deze gelden van misdrijf afkomstig waren.

De vraag die ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde voorligt, is of verdachte wist, dan wel redelijkerwijs moest vermoeden, dat de in de tenlastelegging gespecificeerde huurders wederrechtelijk in Nederland verbleven.

4.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de feiten 1 en 2.

Op grond van de bewijsmiddelen in de elf zaaksdossiers, aangevuld met de bedragen per woning zoals die zijn uitgewerkt in zaaksdossier 13, acht de officier van justitie feit 1 bewezen. Zij heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 juli 2012 met parketnummer 13/520031-08.

In alle elf zaaksdossiers is aangetoond dat het niet anders kan dan dat de huurpenningen, de borg en de bemiddelingsprovisies van misdrijf afkomstig waren. Ten aanzien van de wetenschap van verdachte, dat de bedragen middellijk of onmiddellijk van misdrijf afkomstig waren, heeft zij het volgende gesteld. Verdachte was een gewaarschuwd mens. Haar is in 2010 te verstaan gegeven dat zij, als zij doorging met haar manier van bedrijfsvoering, die inhield dat zij op geen enkele wijze de inkomenspositie van haar aanstaande huurders controleerde en dat zij vervolgens over het algemeen forse contante betalingen accepteerde, zich mogelijk schuldig zou maken aan witwassen. Verdachte ontkent dat de politie haar deze mededeling heeft gedaan, maar de processen-verbaal laten niets aan duidelijkheid te wensen over. Wat verder opvalt, is dat verdachte geen verantwoording heeft genomen voor haar handelwijze. In tegendeel: ze heeft alle verantwoordelijkheid afgeschoven op de woningeigenaren. Tot slot volgt uit de verklaring van getuige [persoon 1] dat het algemeen bekend was dat verdachte geen onderzoek deed naar potentiële huurders. Door haar bedrijfsvoering niet aan te passen en te handelen zoals verdachte heeft gedaan, wist zij of heeft zij minimaal willens en wetens het risico aanvaard dat de huurpenningen, de borg en de bemiddelingsprovisies, zoals gespecificeerd in de tenlastelegging, een criminele herkomst hadden.

Ook het onder 2 ten laste gelegde feit kan worden bewezen. Verdachte is een professionele woningbemiddelaar en diende zich in die hoedanigheid ervan op de hoogte te stellen aan wie zij woningen mag verhuren. Verdachte wist dat zij woningen verhuurde aan personen met een Albanese en een Colombiaanse nationaliteit. Voor personen met een Colombiaanse nationaliteit geldt dat zij ten tijde van het inreizen in Nederland in het bezit moeten zijn van een visum. Voor personen met een Albanese nationaliteit geldt geen visumplicht, maar zij dienen zich wel binnen drie dagen, na inreizen in Nederland, te melden bij de Vreemdelingendienst. Van verdachte had mogen worden verwacht dat zij informatie zou hebben ingewonnen over de vraag of deze personen in Nederland een verblijfsvergunning nodig hadden en zo ja, of zij daarover beschikten. Door dit niet te doen heeft verdachte de aanmerkelijke kans op de koop toe genomen dat zij illegaal in Nederland verbleven.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde. Allereerst kan niet worden vastgesteld dat de huurpenningen, de borg en de bemiddelingsprovisies die aan verdachte zijn betaald van misdrijf afkomstig waren. Voorts zijn er geen concrete feiten en omstandigheden van dien aard aannemelijk geworden, dat bewezen kan worden dat verdachte wetenschap heeft gehad dat de bedragen middellijk of onmiddellijk van misdrijf afkomstig waren, ook niet in de vorm van voorwaardelijk opzet.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw eveneens vrijspraak bepleit. Verdachte wist niet en had geen reden te vermoeden dat de in de tenlastelegging gespecificeerde personen illegaal in Nederland verbleven.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

4.4.1

Partiële vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde

Verdachte zal worden vrijgesproken van het witwassen van de huurpenningen en de bemiddelingsprovisies van de volgende woningen: [adres 2, te plaats A], [adres 3, te plaats A], [adres 4, te plaats A], [adres 5, te plaats C] en [adres 6, te plaats A]. Ten aanzien van de huurpenningen en de bemiddelingsprovisies van die woningen geldt namelijk dat op basis van de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet vastgesteld kan worden dat deze gelden van misdrijf afkomstig waren.

Verdachte zal eveneens worden vrijgesproken van het witwassen van de huurpenningen van de woning aan de [adres 7, te plaats A] met betrekking tot de verhuur aan de Engelsen, omdat de rechtbank de ten laste gelegde periode niet kan vaststellen op grond van het dossier.

4.4.2

Het oordeel over het overige onder 1 ten laste gelegde

Afkomstig van enig misdrijf

In de woningen, zoals gespecificeerd in de tenlastelegging, met uitzondering van de woningen die onder 4.4.1 zijn genoemd, zijn (grote) hoeveelheden verdovende middelen, aan verdovende middelen gerelateerde voorwerpen, grote bedragen contant geld, hennepplantages en/of wapens aangetroffen. Op grond daarvan kan worden vastgesteld dat de huurders/gebruikers van die woningen zich bezighielden met onder meer de handel in verdovende middelen. Het is een feit van algemene bekendheid dat met de handel in verdovende middelen inkomsten worden gegenereerd. In de gevallen waar blijkens het dossier sprake was van dergelijke handel, is de rechtbank dan ook van oordeel, bij gebreke van een legale bron van inkomsten van de zijde van de huurders/gebruikers, dat de borg, de provisies en huurpenningen met betrekking tot de desbetreffende woningen van misdrijf afkomstig moeten zijn geweest. Ook ten aanzien van de woningen waar geen strafbare voorwerpen zijn aangetroffen, maar die wel werden gehuurd/gebruikt door personen die daarnaast woningen huurden/gebruikten, waar wel dergelijke voorwerpen zijn aangetroffen, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat de betreffende gelden met betrekking tot die woningen van misdrijf afkomstig moeten zijn geweest.

De wetenschap van verdachte

Blijkens het reeds aangehaalde proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] van 20 december 2012 is verdachte er in juli 2010 op gewezen dat zij, als zij haar bedrijfsvoering niet zou aanpassen, zich mogelijk schuldig zou maken aan strafbare feiten. Daardoor moet zij vanaf dat moment te meer doordrongen zijn geweest van de noodzaak onderzoek te doen naar identiteit, herkomst, verblijfstitel en inkomens- of vermogenspositie van potentiele huurders. Dat in de Verordening Woningbemiddelaars 2006 de verplichting tot dergelijk onderzoek niet is opgenomen, ontslaat haar niet van de noodzaak daartoe. Hetzelfde geldt mutatis mutandis met betrekking tot het in ontvangst nemen van grote hoeveelheden contant geld van met name buitenlandse huurders.

Verdachte is ondanks voornoemde waarschuwing doorgegaan met haar manier van bedrijfsvoering, die inhield dat zij op geen enkele wijze de inkomenspositie van haar aanstaande huurders controleerde en zij vervolgens over het algemeen forse contante betalingen van buitenlandse huurders accepteerde. Het is een feit van algemene bekendheid is dat de verhuur van woningen aan buitenlanders voor korte perioden, waarbij wordt betaald met grote contante geldbedragen, met diverse vormen van criminaliteit gepaard kan gaan. Zulks wordt bevestigd door de aanscherping in 2013 van bovengenoemde praktijken in de Verordening Woningbemiddelaars 2006. Op grond van bovengenoemde omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, had verdachte redelijkerwijs moeten vermoeden dat voor de overige in de tenlastelegging opgenomen panden de door haar in ontvangst genomen geldbedragen van misdrijf afkomstig waren.

Medeplegen

Van enige nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen is niet gebleken zodat verdachte van dat bestanddeel dient te worden vrijgesproken.

4.4.3

Het oordeel over het onder 2 ten laste gelegde

In de hoedanigheid van woningbemiddelaar bestond voor verdachte niet alleen de noodzaak tot onderzoek ten aanzien van de inkomsten- of vermogenspositie van aanstaande huurders, maar ook ten aanzien van hun identiteit en herkomst. In 2010 is zij op deze noodzaak tot onderzoek gewezen door verbalisant [verbalisant 1]. Verdachte verhuurde woningen aan personen met een Albanese en een Colombiaanse nationaliteit. Van verdachte mocht worden verwacht dat zij informatie zou hebben ingewonnen over de vraag of deze personen in Nederland voor hun verblijf al dan niet een verblijfsvergunning nodig hadden en, zo ja, of zij daarover beschikten. Door dit niet te doen heeft verdachte de aanmerkelijke kans op de koop toe genomen dat die personen wederrechtelijk in Nederland verbleven. Verdachte heeft aan deze personen met een Albanese en Colombiaanse nationaliteit een woning verhuurd en daartoe (van hen) gelden ontvangen.

Medeplegen

Van enige nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen is niet gebleken zodat verdachte van dat bestanddeel dient te worden vrijgesproken.

4.4.4

Conclusie

De rechtbank heeft op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat verdachte het ten laste gelegde onder 1 en 2 heeft begaan. Deze bewijsmiddelen zijn in bijlage II opgenomen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
in de periode van 1 juli 2010 tot en met 19 september 2013 te Amsterdam en Amstelveen en Badhoevedorp een geldbedrag van in totaal ongeveer 137.320,- EURO (huur) en een geldbedrag van in totaal ongeveer 10.196,- EURO (bemiddelingsprovisie), te weten

- zaaksdossier 1: [adres 8, te plaats B]:

in de periode van 6 oktober 2010 tot en met 16 januari 2011 een geldbedrag van in totaal ongeveer 4.320,- EURO (huur) en een geldbedrag van in totaal ongeveer 966,40 EURO (bemiddelingsprovisie), met betrekking tot de [adres 8, te plaats B]

en

- zaaksdossier 2: [adres 9, te plaats A]:

in de periode van 1 juli 2010 tot en met 25 mei 2011 een geldbedrag van in totaal ongeveer 12.100,- EURO (huur) en een geldbedrag van in totaal ongeveer 1.218,48 EURO (bemiddelingsprovisie (462,18 EURO + 756,30 EURO)), met betrekking tot de [adres 9, te plaats A]

en

- zaaksdossier 5: [adres 10, te plaats B]:

in de periode van 1 juli 2010 tot en met 19 juli 2012 een geldbedrag van in totaal ongeveer 38.400,- EURO (huur), met betrekking tot de [adres 10, te plaats B]

en

- zaaksdossier 6: [adres 20, te plaats D]:

in de periode van 1 september 2012 tot en met 16 januari 2013 een geldbedrag van in totaal ongeveer 9.000,- EURO (huur), in elk geval enig geldbedrag, met betrekking tot de [adres 20, te plaats D]

en

zaaksdossier 7: [adres 11, te plaats A]:

in de periode van 22 maart 2013 tot en met 18 april 2013 een geldbedrag van in totaal ongeveer 2.050,- EURO (huur) en een geldbedrag van in totaal ongeveer 847,10 EURO (bemiddelingsprovisie), met betrekking tot de [adres 11, te plaats A]

en

- zaaksdossier 8: [adres 9, te plaats A]:

in de periode van 1 december 2012 tot en met 1 mei 2013 een geldbedrag van in totaal ongeveer 6.000 EURO (huur) en een geldbedrag van in totaal ongeveer 948,- EURO (bemiddelingsprovisie), met betrekking tot de [adres 9, te plaats A]

en

- zaaksdossier 9: [adres 12, te plaats A]:

in de periode van 1 december 2012 tot en met 17 juni 2013 een geldbedrag van in totaal ongeveer 14.000,- EURO (huur), met betrekking tot de [adres 12, te plaats A]

en

- zaaksdossier 11: [adres 13, te plaats A]:

in de periode van 1 mei 2013 tot en met 19 september 2013 een geldbedrag van in totaal ongeveer 22.100,- EURO (huur), met betrekking tot de [adres 13, te plaats A]

en

- zaaksdossier 11: [adres 7, te plaats A] (Italianen):

in de periode van 26 augustus 2013 tot en met 19 september 2013 een geldbedrag van in totaal ongeveer 4.500,- EURO (huur en borg) en een geldbedrag van in totaal ongeveer 1.859,50 EURO (bemiddelingsprovisie), met betrekking tot de [adres 7, te plaats A]

en

- zaaksdossier 11: [adres 14, te plaats A]:

in de periode van 18 juli 2013 tot en met 19 september 2013 een geldbedrag van in totaal ongeveer 6.150,- EURO (huur en borg) en een geldbedrag van in totaal ongeveer 1.619,50 EURO (bemiddelingsprovisie), met betrekking tot de [adres 14, te plaats A]

en

- zaaksdossier 11: [adres 15, te plaats A]:

in de periode van 3 oktober 2012 tot en met 3 april 2013 een geldbedrag van in totaal ongeveer 15.700,- EURO (huur) en een geldbedrag van in totaal ongeveer 1.580,- EURO (bemiddelingsprovisie), met betrekking tot de [adres 15, te plaats A]

en

- zaaksdossier 11: [adres 16, te plaats B]:

in de periode van 1 augustus 2013 tot en met 19 september 2013 een geldbedrag van in totaal ongeveer 3.000,- EURO (huur en borg) en een geldbedrag van in totaal ongeveer 1.157,02 (bemiddelingsprovisie), met betrekking tot de [adres 16, te plaats B]

verworven en voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl zij redelijkerwijs moest vermoeden, dat bovenomschreven geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

in de periode van 9 mei 2012 tot en met 1 mei 2013 te Amsterdam en Amstelveen in de uitoefening van haar beroep anderen, te weten

- [persoon 2] en

- [persoon 3] en

- [persoon 4] en

- [persoon 5]

uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl zij, verdachte, ernstige redenen had te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was, immers heeft zij, verdachte,

- in de periode van 9 mei 2012 tot en met 9 november 2012 de woning op de [adres 17, te plaats A] verhuurd aan voornoemde [persoon 2], die illegaal in Nederland verbleef

en

- in de periode van 15 augustus 2012 tot en met 31 oktober 2012 de woning op het [adres 18, te plaats A] verhuurd aan voornoemde [persoon 3], die illegaal in Nederland verbleef

en

- in de periode van 21 september 2012 tot en met 21 februari 2013 de woning op de[adres 19, te plaats B] verhuurd aan voornoemde [persoon 4], die illegaal in Nederland verbleef

en

- zaaksdossier 8: [adres 9, te plaats A]:

in de periode van 1 december 2012 tot en met 1 mei 2013 de woning op de [adres 9, te plaats A] verhuurd aan voornoemde [persoon 5], die illegaal in Nederland verbleef

terwijl dit feit telkens werd begaan in de uitoefening van haar beroep.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijk gevangenisstraf van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf van 240 uren, met aftrek van voorarrest, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen. Voort heeft zij gevorderd een geldboete van € 76.000,-- op te leggen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 365 dagen. Tot slot heeft zij gevorderd aan verdachte een voorwaardelijk beroepsverbod op te leggen met een proeftijd van 2 jaren.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte, gelet op de financiële consequenties die de zaak reeds voor haar hebben gehad, niet de draagkracht heeft om een substantiële geldboete te betalen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht schuldwitwassen, meermalen gepleegd, en mensensmokkel bewezen. Verdachte heeft de huurpenningen, borgsommen en bemiddelingsprovisies van een groot aantal panden witgewassen. Door het witwassen van crimineel vermogen wordt de onderliggende criminaliteit gefaciliteerd. Daarnaast wordt de legale economie door witwassen aangetast en vormt witwassen, mede vanwege de corrumperende invloed ervan, een bedreiging voor het reguliere handelsverkeer. Als bijkomend schadelijk effect heeft verdachte door haar handelwijze het mogelijk gemaakt dat in de woningen, die met haar bemiddeling werden verhuurd, verdovende middelen werden opgeslagen, bereid en gekweekt als gevolg waarvan aanzienlijke schade aan deze woningen is toegebracht en deze woningen niet zijn gebruikt waarvoor ze zouden moeten dienen.

Verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan mensensmokkel door het huisvesten van diverse illegale vreemdelingen tegen betaling van huurpenningen. Door mensensmokkel wordt niet alleen het overheidsbeleid inzake bestrijding van illegaal verblijf in en illegale toegang tot Nederland doorkruist, maar wordt ook bijgedragen aan het in standhouden van een illegaal circuit, waardoor het sociaal overheidsbeleid wordt of kan worden gefrustreerd en gecorrumpeerd. Dit alles rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

De rechtbank heeft acht geslagen op het verdachte betreffende Uittreksel Justitieel Documentatieregister, waaruit blijkt dat verdachte nog niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

De rechtbank zal een vrijheidsstraf in voorwaardelijke vorm opleggen, teneinde verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan soortgelijke feiten schuldig te maken. Daarnaast acht de rechtbank termen aanwezig om een taakstraf op te leggen zoals door de officier van justitie is gevorderd. Naast voornoemde straffen wordt een geldboete van substantiële omvang voor de onderhavige delicten passend geacht. Immers heeft verdachte zich bij haar praktijken sterk laten leiden door het financiële voordeel dat zij telkens kon behalen. De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte. De rechtbank ziet, mede gelet op de voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf, geen meerwaarde in het opleggen van een voorwaardelijk beroepsverbod, zoals gevorderd door de officier van justitie.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14, 14c, 22c, 22d, 23, 24c, 57, 197a en 420quater van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Schuldwitwassen, meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Het een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl hij ernstige redenen heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl het feit wordt begaan door een persoon die daarvan een beroep maakt.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 1 (één) maand.

Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 (honderdtwintig) dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

Veroordeelt verdachte voorts tot een geldboete van € 25.000.- (vijfentwintigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 160 (honderdzestig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Knol, voorzitter,

mrs. J.L. Hillenius en R. Hirzalla, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.R.F. van Raab van Canstein, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 februari 2015.