Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:7134

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-10-2015
Datum publicatie
29-10-2015
Zaaknummer
13/701490-14 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een gevangenisstraf en OBM voor onder meer 3 keer poging zware mishandeling en een poging doodslag en artikel 5 WVW. Verdachte is met zijn auto met hoge snelheid weggereden om zich te onttrekken aan aanhouding voor zijn betrokkenheid bij creditcardfraude. Verdachte heeft daarbij ook tweemaal de plaats van het ongeval verlaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/701490-14 (Promis)

Datum uitspraak: 8 oktober 2015

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres, te plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 22 en 24 september 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F.E.A. Duyvendak en van wat verdachte en zijn raadsman mr. E.G.S. Roethof en de benadeelde partij [verbalisant 1] naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

2.1

Aan verdachte is – kort gezegd –, zoals ter terechtzitting van 22 september 2015 is gewijzigd, ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

1. poging doodslag/zware mishandeling van [verbalisant 1] , subsidiair mishandeling van [verbalisant 1] op 8 maart 2014 te Amsterdam;

2. poging doodslag/zware mishandeling van [verbalisant 2] op 8 maart 2014 te Amsterdam;

3. poging doodslag/zware mishandeling van [persoon 1] op 8 maart 2014 te Amsterdam;

4. het verlaten van de plaats van het ongeval waarbij [persoon 1] betrokken was;op 8 maart 2014 te Amsterdam,

5. poging doodslag/zware mishandeling van [persoon 2] , subsidiair de bedreiging van [persoon 2] op 8 maart 2014 te Amsterdam;

6. poging doodslag/zware mishandeling van [persoon 3] en/of [persoon 4] , subsidiair de vernieling/beschadiging auto van [persoon 3] op 8 maart 2014 te Amsterdam;

7. verlaten van de plaats van het ongeval waarbij [persoon 3] en [persoon 4] betrokken waren op 8 maart 2014 te Amsterdam,

8. gevaar op de weg veroorzaken als bedoeld in artikel 5 WVW 1994 op 8 maart 2014 te Amsterdam;

9. In de periode 25 januari 2014 t/m 8 maart 2014 te Amsterdam/Nederland, samen met ander(en) opzettelijk gebruik maken van valse/vervalste creditcards en/of betaalpassen (geskimd), bij onder meer Schaap en Citroen, Gassan Dam Square, Apple, De Bijenkorf, Four en Texaco dan wel de heling samen met anderen van tassen (Celine) en een riem van Salvatore Ferragamo in de periode van 6 maart 2014 t/m 8 maart 2014.

2.2.

De tekst van de integrale gewijzigde tenlastelegging is opgenomen in een bijlage 1. die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft aan de hand van zijn schriftelijke aantekeningen, gerequireerd en acht de navolgende feiten bewezen:

Feit 1: Poging tot toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [verbalisant 1] ;

Feit 3: Poging tot toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [persoon 1] ;

Feit 4: Verlaten van de plaats van het ongeval;

Feit 5: Poging doodslag op [persoon 2] ;

Feit 6: Poging tot toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [persoon 3] en [persoon 4] ;

Feit 7: Verlaten van de plaats van het ongeval;

Feit 8: Gevaarlijk verkeersgedrag;

Feit 9: Creditcardfraude in vereniging ten aanzien van de (poging tot) aankopen bij Gassan op 8 maart, bij de Bijenkorf op 8 maart 2014 en bij de Texaco op 6 maart 2014.

Ten aanzien van [verbalisant 1] , [persoon 1] en [persoon 3] en [persoon 4] dient verdachte te worden vrijgesproken van de poging doodslag, maar kan in de visie van de officier van justitie veroordeling volgen ten aanzien van de alternatief ten laste gelegde poging zware mishandeling.

Van het ten laste gelegde feit 2, de poging doodslag/zware mishandeling van [verbalisant 2] dient verdachte te worden vrijgesproken, nu uit het dossier niet kan worden afgeleid dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad [verbalisant 2] van het leven te beroven dan wel zwaar te mishandelen. De officier van justitie stelt dat het moment dat [verbalisant 2] de handboei vast had en verdachte vervolgens wegreed te kort is geweest om dat te kunnen vaststellen. Daarnaast heeft [verbalisant 2] de handboei die om verdachtes pols zat vrijwel gelijk losgelaten en heeft hij bij zijn val geen letsel opgelopen.

De officier van justitie heeft ten aanzien van het onder 9, ten laste gelegde gesteld dat niet van alle creditcardtransacties bewezen kan worden verklaard dat verdachte daarbij betrokken is geweest, zodat hij van die transacties dient te worden vrijgesproken.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aan de hand van de overgelegde pleitnotities zich - kort gezegd - op het standpunt gesteld dat ten aanzien van het onder 9. ten laste gelegde het bewijs onrechtmatig is verkregen. De huidige wetgeving kan een doorzoeking van een smartphone niet meer legitimeren. In afwachting van nieuwe wetgeving, meent de verdediging dat voorafgaand aan het doorzoeken van de smartphone een lid van de rechterlijke macht toestemming had dienen te geven voor dit onderzoek. De raadsman heeft gesteld dat, nu er niet een dergelijke toestemming is verleend, de privacy van verdachte ten onrechte in ernstige mate is geschonden, hetgeen dient te leiden het uitsluiten van het bewijs van de in de telefoon aangetroffen gegevens. Een gebrek aan (overig) voldoende wettig en rechtmatig verkregen bewijs, dient dit te leiden tot vrijspraak van het onder 9 ten laste gelegde

Indien de rechtbank dit verweer verwerpt dient te worden vastgesteld door wie de telefoon werd gebruikt in die dagen van de ten laste gelegde feiten, nu een mobiele telefoon door meerderen kan worden gebruikt.

De raadsman heeft voorts vrijspraak bepleit ten aanzien van de onder 1,2,3, 5 en 6 tenlastegelegde feiten. Kort gezegd heeft de verdediging aangevoerd dat de autorit van verdachte qua tijd en afstand als zeer beperkt moet worden beschouwd. Niet is komen vast te staan over welke afstand de verbalisant [verbalisant 1] zou zijn meegenomen door de auto. Evenmin valt vast te stellen met welke snelheid verdachte heeft gereden. Uit het geringe letsel van [persoon 1] en de geringe beschadiging van zijn fiets, kan worden afgeleid dat de botssnelheid meeviel, zodat een poging doodslag/zware mishandeling niet bewezen kan worden. Bij verdachte heeft het (voorwaardelijk) opzet op de dood of het zwaar lichamelijk letsel ontbroken, nu het willens en wetens aanvaarden van de aanmerkelijke kans bij de verdachte niet valt vast te stellen. Er zijn geen objectieve gegevens, waaruit dat (voorwaardelijk) opzet kan worden afgeleid. Verdachte heeft de aanmerkelijke kans ook niet willens en wetens aanvaard.

Ten aanzien van het onder 5. ten laste gelegde ( [persoon 2] ) dient vrijspraak te volgen, nu verdachte ontkent op [persoon 2] te zijn afgereden, zoals verwoord in de tenlastelegging. De verklaring van [persoon 2] staat op zichzelf en is, zoals verdachte stelt, zwaar overdreven. Er is geen steunbewijs van andere getuigen voorhanden die verklaren dat zij [persoon 2] op het wegdek hebben zien staan met zijn armen wijd en daarna hebben zien wegspringen, terwijl er veel mensen getuige waren van de autorit van verdachte.

Met betrekking tot de aanrijding met de Aston Martin merkt de raadsman op dat bij gelijkwaardige verkeersdeelnemers voorwaardelijk opzet op de dood of op zwaar lichamelijk letsel niet zo licht wordt aangenomen, nu niemand in zijn algemeenheid zelf om het leven wil komen. De raadsman heeft daarbij verwezen naar het ‘Porsche-arrest’. Hoewel verdachte harder heeft gereden dan hij ter plaatse mocht rijden, heeft hij wel gereden op een voorrangsweg en heeft hij getracht een aanrijding te voorkomen door te remmen. Hoewel het NFI waarschijnlijk op een lagere bots snelheid zou zijn uitgekomen dan de politie in haar onderzoek, is zelfs een snelheid van 50 km/u g geen reden om (voorwaardelijk) opzet aan te nemen op poging doodslag/zware mishandeling. Uit de verklaring van [persoon 5] dat de auto omhoog is gekomen, kan naar het oordeel van de verdediging niet worden afgeleid dat hij daadwerkelijk is losgekomen van het wegdek.

Ten aanzien van het onder 4 en 7 ten laste gelegde heeft de raadsman betoogd dat er eerder sprake is geweest van een poging de plaats van het ongeval te verlaten nu verdachte de plaats van het ongeval feitelijk niet heeft verlaten. Nu deze poging niet ten laste is gelegd dient ook voor deze feiten vrijspraak te volgen.

Gelet op de afgelegde verklaringen kan wel bewezen worden verklaard dat verdachte door zijn rijgedrag gevaar op de weg heeft veroorzaakt, zoals onder feit 8 ten laste gelegd.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Vrijspraak van de onder 2 en 5 ten laste gelegde.

De rechtbank acht, samen met de officier van justitie en de verdediging niet bewezen wat onder 2. is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbank acht – anders dan de officier van justitie – het onder 5. ten laste gelegde niet bewezen. Redengevend daarvoor is dat de verklaring van aangever [persoon 2] niet wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. Hoewel meerdere getuigen spreken van gillende en wegspringende mensen, heeft niemand verklaard dat zij een persoon op de weg hebben zien staan met zijn armen wijd om de auto tot stoppen te dwingen die vervolgens heeft moeten wegspringen om niet aangereden te worden. Nu de verdachte geen verklaring heeft afgelegd, waaruit blijkt dat [persoon 2] op enig moment zich voor zijn auto bevond en geen overig bewijs voorhanden is, staat de verklaring van [persoon 2] op zichzelf en dient verdachte daarvan te worden vrijgesproken.

4.3.2

Vrijspraak van de onder 1 en 6 ten laste gelegde poging doodslag.

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat uit het dossier niet kan worden afgeleid dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van [verbalisant 1] en [persoon 3] en [persoon 4] , zodat voor dat gedeelte vrijspraak dient te volgen.

4.3.3

Voorwaardelijk opzet ten aanzien van de feiten 1, 3 en 6.

Uit de inhoud van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, vloeit voort dat verdachte op 8 maart 2014, op het moment dat verbalisanten in burger doende waren hem terzake van oplichting aan te houden en hem daartoe aan het boeien waren, geen gehoor heeft gegeven aan de aanwijzingen van de verbalisanten, flink gas heeft gegeven en met hoge snelheid is weggereden. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij pas na de aanrijding heeft begrepen dat hij door de politie was aangehouden niet geloofwaardig.

Gelet op de wijze waarop verdachte is aangehouden, het tonen van politielegitimatie, de mededeling van beide verbalisanten dat zij van de politie waren, dat door de politie aan verdachte desgevraagd was meegedeeld waarom hij werd aangehouden, dat werd getracht hem te boeien en dat hij bij herhaling aanwijzingen kreeg om zijn motor uit te zetten en de auto op de handrem moest zetten, kan het verdachte niet zijn ontgaan dat hij met politie van doen had. Doordat verdachte snel accelereerde werden de twee agenten meegesleurd. De handboei werd, door de snelheid waarmee de auto optrok, met kracht uit de handen van één van de verbalisanten gerukt. De andere verbalisant werd over een afstand van ongeveer 20 meter meegesleurd aan de buitenzijde van de auto waarbij zijn benen loshingen en hij rakelings werd meegesleurd langs stilstaande mensen, langs een brugleuning, langs een stilstaande auto en een ‘Amsterdammertje’. De verbalisant heeft deze obstakels niet geraakt, omdat hij zijn benen heel snel kon wegdraaien of optillen. Uiteindelijk heeft de verbalisant losgelaten, waarbij hij, omdat de auto hard reed, op de grond is gevallen en verwondingen heeft opgelopen. Er was veel paniek onder de mensen op straat. De verbalisanten zagen voorbijfietsende en lopende mensen wegspringen. Er was veel paniek en er werd gegild. Verbalisanten zagen dat er mensen met hun fiets op straat belandden. Uiteindelijk is de auto waarin verdachte reed tot stilstand gekomen tegen een andere auto. 1

Meerdere getuigen hebben verklaard dat verdachte heel hard reed, variërend van 50 kilometer per uur tot over de 100 kilometer per uur. Uit onderzoek door de verkeersongevallendienst is naar voren gekomen dat de zeer waarschijnlijke botssnelheid tussen de Golf en de Aston Martin 51 kilometer per uur heeft bedragen voor de Golf en 11 kilometer per uur voor de Aston Martin.2 Hoewel deze snelheid indicatief is, is eveneens geverbaliseerd dat - indien verdachte vanaf het hoogste punt van de brug waarover hij reed, 50 kilometer per uur zou hebben gereden – hij de Volkswagen nog net op tijd tot stilstand zou hebben kunnen brengen. De ter plaatse aangetroffen (rem)sporen geven niet meer duidelijkheid met betrekking tot de gereden snelheid. Uit de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien is in ieder geval vast komen te staan dat verdachte veel harder heeft gereden dat de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 30 kilometer per uur. Verdachte heeft zelf ook verklaard dat hij wist dat de maximum snelheid ter plaatse 30 kilometer per uur was en dat hij te hard heeft gereden.

Verdachte moet zich ervan bewust zijn geweest dat zijn rijgedrag, rijdende met de snelheid waarmee hij heeft gereden, op een drukke zaterdag in de binnenstad van Amsterdam, waarbij zich veel voetgangers, fietsers en automobilistenop een smalle straat bevonden, ernstige risico’s op botsingen/aanrijdingen met andere verkeersdeelnemers opleverde en dit tot zeer ernstige gevolgen had kunnen leiden. De rechtbank acht de kans op het veroorzaken van de dood c.q. op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel, gelet op de kwetsbaarheid van het menselijk lichaam, aanmerkelijk. Verdachte heeft door op deze manier te handelen bewust een onaanvaardbaar risico genomen, in die zin dat de zich voor of naast de auto bevindende personen wellicht niet op tijd konden wegspringen of wegkomen. Door de snelheid waarmee verdachte reed, heeft hij ook onvoldoende kunnen anticiperen op de reacties van omstanders.

Ten aanzien van de verschillende betrokkenen overweegt de rechtbank daarnaast nog het volgende:

Voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel bij [verbalisant 1]

Op het moment dat verdachte vol gas gaf met de Volkswagen, moet hij hebben geweten dat een agent hem nog steeds aan een handboei vasthad. Verdachte was immers kort daarvoor aangehouden wegens oplichting waarbij die handboei om zijn linkerpols was gedaan. De rechtbank acht aannemelijk dat verdachte zich aan zijn aanhouding heeft willen onttrekken, nu hij met piepende banden is weggereden met hoge snelheid en met hoge snelheid is blijven rijden, daarbij op de koop toenemend dat verbalisant [verbalisant 1] , die nog steeds de handboei vasthad, zwaar lichamelijk letsel had kunnen oplopen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op zwaar lichamelijk letsel van [verbalisant 1] , Verdachte moet zich immers bewust zijn geweest, gelet op zijn snelheid en de overige verkeersomstandigheden zoals hierboven omschreven, van de ernstige gevolgen die zijn rijgedrag voor [verbalisant 1] had kunnen hebben.

Voorwaardelijk opzet op de dood van [persoon 1] .

De rechtbank acht de kans aanmerkelijk dat de frontale aanrijding tussen de auto waarin verdachte reed en de fietser [persoon 1] de dood van [persoon 1] ten gevolge zou kunnen hebben gehad. Eveneens houdt de rechtbank het ervoor dat verdachte deze aanmerkelijke kans welbewust heeft aanvaard. Verdachte reed veel te hard maar had zijn auto goed onder controle. Hij heeft niet afgeremd of uitgeweken voor of nadat hij de fietser raakte. Verdachte heeft weliswaar verklaard dat hij in paniek was en dat hij geen fietser heeft gezien, maar de rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig in het licht van de vele getuigenverklaringen en ambtsedige processen-verbaal die omtrent het rijgedrag van verdachte zijn opgemaakt. Met name de verklaringen van aangever zelf dat hij frontaal in botsing is gekomen met verdachte en door de lucht is gevlogen en van de getuige Hartong dat hij de fietser na de botsing van verdachte door de lucht heeft zien vliegen en hard op de rijbaan terecht heeft zien komen hebben de rechtbank gesterkt in haar overtuiging dat verdachte bij zijn vlucht voor de politie welbewust op [persoon 1] is ingereden zonder de intentie te hebben gehad te stoppen of te remmen. Anders dan de raadsman heeft gesteld, heeft verdachte met een hoge snelheid gereden die bij een aanrijding met een zwakkere verkeersdeelnemer zoals deze fietser gemakkelijk had kunnen leiden tot de dood. . De omschreven verkeerssituatie op de smalle brug was zodanig dat de fietser geen enkele ruimte dan wel tijd had om uit te wijken. Dit rijgedrag van verdachte kan naar uiterlijke verschijningsvorm niet anders worden uitgelegd dan dat verdachte op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden.

Voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel van [persoon 3] en [persoon 4]

De rechtbank acht bewezen dat door de flankaanrijding zoals deze heeft plaatsgevonden en de snelheid waarmee de verdachte reed, een aanmerkelijke kans bestond op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel bij de inzittenden van de sportauto. Verdachte heeft onverantwoord hard gereden en heeft de Aston Martin in de flank geraakt, waarbij een minimale botssnelheid is vastgesteld van 51 kilometer per uur. Zelfs als verdachte vanaf de brug niet meer dan 20 kilometer per uur te hard zou hebben gereden, had hij de Volkswagen nog net op tijd tot stilstand zou hebben kunnen brengen. Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij, rijdende met deze hoge snelheid in botsing zou kunnen komen met een auto, zelfs al had hij op bedoelde kruising voorrang.

De rechtbank begrijpt het verweer van de raadsman, waarbij de raadsman zich beroept op het Porsche-arrest3 aldus dat het (voorwaardelijk) opzet op zwaar lichamelijk letsel van de beide inzittenden van de auto niet bewezen kan worden verklaard, omdat er geen aanwijzingen zijn dat verdachte met zijn handelwijze zijn eigen leven/gezondheid in de waagschaal wilde stellen. De rechtbank verwerpt dit verweer. In die zaak had de veroorzaker van het, in casu, dodelijke ongeval voorafgaand aan zijn fatale manoeuvre weggedrag vertoond dat uitdrukkelijk duidde op lijfsbehoud van de verdachte zelf en op het voorkomen van een ongeval. De Hoge Raad concludeerde dat de veroorzaker geen opzet had op het ongeval had. Anders dan in die zaak heeft verdachte voorafgaand aan de aanrijding geen enkel behoudend of ongeval vermijdend gedrag laten zien. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte een verkeersongeval wilde voorkomen. Het korte remspoor dat is aangetroffen vlak voor de aanrijding is daartoe onvoldoende, mede in aanmerking genomen dat verdachte kan zich niet meer herinneren of hij heeft geremd.

4.3.4

Verweer van de verdediging ten aanzien van het verlaten van de plaats van het ongeval, zoals ten laste gelegd als feit 4 en feit 7.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat verdachte de plaats van het ongeval niet heeft verlaten en overweegt daartoe als volgt.

Na de aanrijding met de fietser [persoon 1] is verdachte met hoge snelheid doorgereden en heeft hij, na de aanrijding met de auto van [persoon 3] geprobeerd zich rennend uit de voeten te maken. Verdachte is weliswaar dichtbij de plaats van het ongeval aangetroffen, echter niet uit vrije wil, maar doordat hij door agenten, die de achtervolging hadden ingezet, werd ingehaald, naar de grond werd gewerkt en is aangehouden. De verklaring van verdachte dat hij zelf is blijven staan acht de rechtbank, gelet op de overige verklaringen in het dossier, niet geloofwaardig.

4.3.5.

Verweer met betrekking tot de bewijsuitsluiting van de gegevens uit de aangetroffen smartphone ten aanzien van het onder 9. ten laste gelegde.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat de in de telefoon aangetroffen gegevens moeten worden uitgesloten van het bewijs.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Bij aanhouding van de verdachte is in de auto waarin hij zich bevond een witte I-phone aangetroffen en in beslag genomen.

Ingevolge het bepaalde in artikel 94 zijn vatbaar voor inbeslagname ‘voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen’, zodat de inbeslagname rechtmatig heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft zich ten aanzien van de vraag aan wie deze telefoon toebehoorde zich tot op de terechtzitting beroepen op zijn zwijgrecht. In het kader van het opsporingsonderzoek is onderzoek verricht aan de telefoon en is gebleken dat deze in gebruik is bij een persoon die de naam [verdachte] heeft. Uit de bewijsmiddelen is vast komen te staan dat dat verdachte betreft en dat hij ook gebruik heeft gemaakt van deze telefoon. Door desgevraagd niet aan te geven dat hij de rechtmatige eigenaar was van de onderzochte telefoon heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank het recht verspeeld om zich in een later stadium te beroepen op enige privacyschending ten aanzien van het vervolgens verrichte onderzoek en de politie heeft dit onderzoek aan de telefoon dan ook mogen instellen zonder nadere toestemming. Er is geen rechtsregel die zich daartegen verzet.

4.3.6.

Nadere bewijsoverweging met betrekking tot het onder 9 ten laste gelegde

Verdachte heeft verklaard geen weet te hebben gehad van de door [persoon 6] gepleegde creditcardfraude. Hij heeft zich voorts ten aanzien van deze feiten, de aangetroffen IPhone en de constatering dat de huurauto waarvan hij gebruikt maakte op 6 maart 2014 bij de Texaco is gezien, beroepen op zijn zwijgrecht. Uit de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat verdachte tenminste betrokken is geweest bij een aantal (pogingen tot) aankoop met een valse creditcard, te weten de aankoop van de telefoonkaarten bij de Texaco, en de (pogingen tot) aankopen bij de Bijenkorf en Gassan op 8 maart 2014. Naast de verklaring van [persoon 6] dat hij op 6 maart 2014 met ‘diezelfde vriend die het ongeluk heeft veroorzaakt’ bij de Texaco is geweest, zijn er voorts beelden beschikbaar van de Texaco, waarop de auto te zien is, waarin verdachte ook op 8 maart 214 reed en die door zijn toenmalige vriendin was gehuurd. Voorts zijn er meerdere WhatsApp gesprekken waaruit de betrokkenheid en de wetenschap van verdachte blijkt bij de aankopen op 8 maart 2014. Deze aankopen zijn ook bij verdachte in zijn auto aangetroffen. Verdachte heeft, op daartoe strekkende vragen, geen uitleg willen geven met betrekking tot de inhoud van de gevoerde WhatsApp-gesprekken. De rechtbank sluit niet uit dat verdachte mogelijk ook betrokken is geweest bij andere (pogingen tot) aankoop van dure goederen door middel van creditcardfraude. De rechtbank is echter met de officier van justitie van oordeel dat de overige transacties op grond van het dossier en de afgelegde verklaringen niet bewezen kunnen worden verklaard, zodat zij verdachte hiervan zal vrijspreken.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank heeft op grond van de wettige bewijsmiddelen die onder 4.1 en in bijlage 2. zijn opgenomen en waarin de feiten en omstandigheden zijn vervat waarop de bewezenverklaring steunt, de overtuiging verkregen, en acht dan ook bewezen, dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat hij:

1.

op 8 maart 2014 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [verbalisant 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, als bestuurder van een personenauto, plotseling vol gas heeft gegeven en met hoge snelheid is weggereden toen die [verbalisant 1] hem, verdachte, een handboei had omgedaan, waardoor die [verbalisant 1] over een afstand van ongeveer 20 meter rakelings langs paaltjes en geparkeerde auto's is meegesleurd en vervolgens hard ten val is gekomen;

3.

op 8 maart 2014 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [persoon 1] als bestuurder van een fiets van het leven te beroven, met dat opzet als bestuurder van een personenauto, met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse, frontaal tegen die [persoon 1] , is aangereden, waardoor die [persoon 1] door de lucht is gevlogen en hard ten val is gekomen.

4.

op 8 maart 2014 te Amsterdam, als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval op de Spiegelgracht, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij redelijkerwijs moest vermoeden aan [persoon 1] , letsel was toegebracht en/of aan een fiets toebehorende aan [persoon 1] , schade was toegebracht.

6.

op 8 maart 2014 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [persoon 3] en [persoon 4] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet als bestuurder van een personenauto, met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse, vol tegen de linker zijkant van de personenauto is aangereden waarin die [persoon 3] en [persoon 4] zich op dat moment bevonden;

7.

op 8 maart 2014 te Amsterdam, als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval op de Nieuwe Spiegelstraat en de Keizergracht, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij redelijkerwijs moest vermoeden aan een auto toebehorende aan [persoon 3] , schade was toegebracht;

8.

op 8 maart 2014 te Amsterdam, als bestuurder van een personenauto, rijdende en zich bevindende op de weg, de Zieseniskade en de Spiegelgracht en de Nieuwe Spiegelstraat en de Keizersgracht:

- op de Zieseniskade vanuit stilstand plotseling vol gas heeft gegeven en met hoge snelheid is weggereden toen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hem, verdachte, door het bestuurdersraam van de auto trachtten een handboei om te doen, waardoor die [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hard ten val zijn gekomen en

- op de Spiegelgracht ter hoogte van de Lijnbaansgracht heeft gereden met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid van 30 kilometer per uur, waarbij hij frontaal tegen [persoon 1] , bestuurder van een fiets, is aangereden, en

- op de Nieuwe Spiegelstraat heeft gereden met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid van 30 kilometer per uur, waarbij overige weggebruikers moesten uitwijken en moesten wegspringen om een aanrijding te voorkomen en

- op de Nieuwe Spiegelstraat ter hoogte van de Keizergracht heeft gereden met een hoger snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid van 30 kilometer per uur en waarbij een botsing heeft plaatsgevonden tussen de door hem, verdachte, bestuurde personenauto en de door voornoemde [persoon 3] bestuurde personenauto,

door welke gedragingen van verdachte gevaar op die wegen werd veroorzaakt;

9.

op tijdstippen in de periode van 6 maart 2014 tot en met 8 maart 2014 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een of meer valse creditcards, bedoeld voor het verrichten van betalingen langs geautomatiseerde weg, als waren die creditcards echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat zijn mededader die valse creditcards telkens ter betaling heeft aangeboden bij winkelbedrijven, te weten:

op 8 maart 2014 bij Gassan Dam Square ( [adres 1] ) en

op 8 maart 2014 bij De Bijenkorf ( [adres 2] ) en

op 6 maart 2014 bij Texaco ( [adres 3] ),

en bestaande die valsheid mede hierin dat de magneetstrippen van de originele creditcards, uitgegeven door American Express zijn geskimd terwijl hij en zijn mededader redelijkerwijs moeten vermoeden dat de creditcards bestemd zijn voor zodanig gebruik;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en de maatregel

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1,3,4,5,6,7 en 9 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaren, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarde een reclasseringscontact.

Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte voor het door hem onder 8 bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee jaar. De officier van justitie heeft voorts volledige toewijzing van de vordering benadeelde partij [verbalisant 1] gevorderd, zijnde

€ 1500 en gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij American Express.

De inbeslaggenomen IPhone dient verbeurd te worden verklaard en de in de auto aangetroffen goederen kunnen retour aan de rechthebbende.

De officier van justitie heeft tot slot de gevangenneming bij uitspraak gevorderd.

8.2.

Het standpunt/strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte bij veroordeling voor de aan hem ten laste gelegde fraude geen hogere straf opgelegd zou moeten krijgen dan een gevangenisstraf van drie maanden. Ten aanzien van de verkeersdelicten heeft de raadsman opgemerkt dat het eigenlijk één door verdachte gepleegde handeling betreft die in tijdsduur zeer beperkt was. Gelet op de afgelegde afstand heeft het hele gebeuren zich in een tijdsbestek van enkele seconden afgespeeld. Een eventueel op te leggen gevangenisstraf straf zou voor het onvoorwaardelijk deel de reeds in voorarrest doorgebrachte tijd niet te boven mogen gaan. De verdediging vraagt aandacht voor de wens van verdachte om zijn droom te verwezenlijken met voetbalactiviteiten. In plaats van gevangenisstraf zijn er alternatieven die dat mogelijk maken.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan creditcardfraude. Zijn mededader heeft diverse keren opzettelijk gebruik gemaakt van valse creditcards en op het moment van aanhouding had verdachte aankopen in zijn auto staan die met behulp van valse creditcards zijn aangeschaft. Dergelijke, kennelijk uit winstbejag, ingegeven gedragingen leiden tot ontwrichting van het voor het maatschappelijke verkeer zo belangrijke betalingsverkeer en hebben bij de benadeelden en creditcardmaatschappijen tot aanzienlijke schade geleid. Nu het betalingsverkeer in Nederland steeds vaker verloopt via geautomatiseerde weg, moeten gebruikers ervan uit kunnen gaan dat hun transacties veilig verlopen.

Voorts is verdachte bij een poging hem aan te houden terzake bovengenoemde fraude met zijn auto met hoge snelheid weggereden en hij is met een hogere snelheid dan ter plaatse geoorloofd en veilig was door blijven rijden, heeft een agent meegesleurd, is vervolgens tegen een fietser aangereden en is uiteindelijk tot stilstand gekomen tegen een auto. Hij heeft de aanmerkelijke kans voor lief genomen die agent en inzittenden van de auto zwaar lichamelijk letsel toe te brengen en de fietser van het leven te beroven. Dat de agent en de fietser geen zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen en de overige weggebruikers met de schrik zijn vrijgekomen is dus geenszins aan verdachte te danken nu verdachte onaanvaardbaar grote risico’s heeft genomen door zich met een auto met hoge snelheid een weg te banen door het zich in de binnenstad bevindende drukke verkeer. Verdachte heeft zich daarbij niet bekommerd om het (levens)gevaar dat zijn gedrag oplevert voor anderen die er geen rekening mee hoeven te houden dat verdachte zich als een bezetene door het verkeer begeeft, omdat hij zich wilde onttrekken aan zijn aanhouding. Het hele rijgedrag van verdachte was zo gevaarzettend dat hij daarmee de veiligheid van meerdere weggebruikers ernstig in gevaar heeft gebracht. Voorts heeft hij tot twee keer toe de plaats van het ongeval verlaten en heeft hij zich niet bekommerd om de lichamelijke gezondheid of het eigendom van andere verkeersdeelnemers die bij dat ongeval betrokken waren.

Hoewel de verschillende verwijtbare acties van verdachte slechts in een zeer kort tijdsbestek hebben plaatsgevonden, acht de rechtbank, gelet op de ernst van de feiten, een gevangenisstraf van na te noemen duur op zijn plaats. De rechtbank zal een deel van die straf voorwaardelijk opleggen om verdachte een extra reden te geven zich in de toekomst van dergelijk gedrag te onthouden..

De rechtbank heeft kennis genomen van het advies van 21 mei 2014 van de Reclassering Nederland en van het afloopbericht van het toezicht van het Leger des Heils, Jeugdbescherming en reclassering van 16 september 2015. De officier van justitie heeft het advies van 21 mei 2014 met betrekking tot het opleggen van bijzondere voorwaarden overgenomen.

De rechtbank ziet op dit moment geen aanleiding om reclasseringscontact in de vorm van een meldplicht en een gedragsinterventie als bijzondere voorwaarde op te leggen. Uit voornoemd afloopbericht van 16 september 2015 blijkt dat verdachte weinig openheid van zaken geeft over wat hem bezighoudt en waaraan hij zijn tijd besteed. Verdachte maakt een zeer afwachtende en passieve indruk als het gaat om het nemen van verantwoordelijkheid om richting te geven aan zijn eigen leven. Gelet op de houding van de verdachte lijkt begeleiding van de reclassering naar het oordeel van de rechtbank weinig zinvol.

De rechtbank acht het gevaarzettend gedrag zoals bewezen verklaard onder feit 8 zo ernstig dat hiervoor een ontzegging van de bevoegdheid motorvoertuigen te besturen voor langere duur op zijn plaats is.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op het feit dat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie en gelet op overige hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

Verbeurdverklaring

Onder verdachte is het volgende voorwerp in beslag genomen: een witte IPhone 5 (4716835)

Het voorwerp behoort aan verdachte toe. Nu met behulp van dit voorwerp het onder 9. bewezen geachte is begaan, wordt dit voorwerp verbeurdverklaard.

Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat behandeling van slechts een deel van de vordering van American Express Services Europe Ltd (hierna American Express), niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 9 bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert dit deel op € 400,- (vierhonderd euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van American Express voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

De vordering ten aanzien van de aankopen bij de Bijenkorf op 8 maart 2014 van € 5.600,- en € 280,- wordt niet ontvankelijk verklaard, nu deze aankopen zijn aangetroffen in de auto van verdachte. De rechtbank zal bepalen dat deze goederen retour gaan naar de Bijenkorf.

Nu niet is gebleken dat het bewezen geachte feit aan American Express voor het overige rechtstreeks schade heeft toegebracht, is de benadeelde partij ook in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van [verbalisant 1] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1. bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 1500,- (vijftienhonderd euro) immateriële schade. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [verbalisant 1] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

Ten aanzien van de vordering tot gevangenneming

De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie tot gevangenneming van verdachte af. Daartoe overweegt de rechtbank dat hoewel aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur wordt opgelegd, de rechtbank geen gronden ziet die zo acuut en dringend zijn dat deze gevangenneming rechtvaardigen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 45, 47, 57, 62, 232, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 5, 7, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart het onder 2 en 5 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 3, 4, 6, 7, 8 en 9 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien feit 1:

Poging tot zware mishandeling

Ten aanzien feit 3:

Poging tot doodslag

Ten aanzien feit 4 en 7:

Overtreding van artikel 7, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd.

Ten aanzien feit 6:

Poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd

Ten aanzien feit 8:

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994

Ten aanzien feit 9:

Medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een valse of vervalste pas als bedoeld in artikel 232, eerste lid, van het Wetboek van strafrecht, als ware deze echt en onvervalst.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 36 (zesendertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Ten aanzien van het onder 8 bewezen verklaarde feit:

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 2 jaren.

Verklaart verbeurd:

Een witte IPhone 5 (4716835)

Gelast de teruggave aan De Bijenkorf Amsterdam van:

Een zwarte riem, Salvatore Ferra (4716817)

Twee paarse tassen, lila (4716821)

Vordering benadeelde partij American Express

Wijst de vordering van de benadeelde partij American Express, gevestigd te Amsterdam toe tot een bedrag van € 400,- (vierhonderd euro).

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan American Express voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander of anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van American Express aan de Staat € 400,- (vierhonderd euro) te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 8 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Bepaalt dat de benadeelde partij American Express voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Vordering benadeelde partij [verbalisant 1]

Wijst de vordering van [verbalisant 1] , domicilie kiezende bij de regiopolitie Amsterdam-Amstelland, [adres, te plaats] , toe tot € 1500,- (vijftienhonderd euro).

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [verbalisant 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [verbalisant 1] , € 1500,- (vijftienhonderd euro) aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 30 dagen.

De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Heft op het geschorste bevel gevangenneming. In verband met deze beslissing behoeft het verzoek van de raadsman tot wijziging van de voorwaarden van de schorsing geen beoordeling.

Wijst af de vordering tot gevangenneming.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F. Salomon, voorzitter,

mrs. R.A. Overbosch en W.M.C. van den Berg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.B. Boukema, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 oktober 2015.

1 Proces-verbaal van bevindingen met nummer 2014058762-10 van 8 maart 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] , [verbalisant 3] , [verbalisant 4] , [verbalisant 2] , doorgenummerde pag. 40 e.v.

2 Proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse met nummer 2014058762-15 van 29 april 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 5] en [verbalisant 6] .

3 HR 15 oktober 1996, LJN: ZD0139