Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:7132

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-10-2015
Datum publicatie
21-10-2015
Zaaknummer
C/13/580202 / HA ZA 15-100
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwikkeling nalatenschap (na tussenvonnis). Voor tussenvonnis zie: ECLI:NL:RBAMS:2015:3904

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2015/104
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/580202 / HA ZA 15-100

Vonnis van 14 oktober 2015

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. M.A. Weenink te Amsterdam,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

tevens in zijn hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van [erflaatster] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde sub 2] ,

tevens in zijn hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van [erflaatster] ,

wonende te [woonplaats] ,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats] ,

4. [gedaagde sub 4],

wonende te [woonplaats] ,

5. [gedaagde sub 5],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. P.P.M. Voskuil-van Dijk te Naarden.

Partijen zullen hierna [eiser] en gedaagden genoemd worden. Gedaagden (in conventie) afzonderlijk worden hierna mede met hun eerste voornaam aangeduid en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tezamen in hun hoedanigheid van executeurs van de nalatenschap van [erflaatster] als de executeurs.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 24 juni 2014 (hierna: het tussenvonnis);

  • -

    de akte naar aanleiding van het tussenvonnis van 24 juni 2015 van [eiser] ;

  • -

    de akte nadere inlichtingen tevens akte overlegging producties van gedaagden, met producties;

  • -

    de rolbeslissing van 19 augustus 2015 waarbij aan partijen akte niet-dienen is verleend.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

in conventie en in reconventie

2.1.

In het tussenvonnis zijn gedaagden in de gelegenheid gesteld stukken over te leggen ten aanzien van de hypothecaire schuld rustende op de woning aan de [adres 1] op 14 april 2011 (r.o. 4.14 en 4.19) en is [eiser] in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de vraag of hij een taxatie wenst van de sieraden (r.o. 4.11 en 4.19).

Sieraden

2.2.

De rechtbank zal voor de sieraden een waarde van € 9.500,00 in aanmerking nemen. [eiser] heeft bij akte na tussenvonnis kenbaar gemaakt zich neer te leggen bij die waarde.

Hypotheek [adres 1]

2.3.

De hypothecaire schuld rustende op de woning aan de [adres 1] wordt voor een bedrag van € 57.836,61 in aanmerking genomen. Gedaagden hebben bij akte na tussenvonnis stukken ingediend waaruit van de waarde blijkt. Bovendien stemt de waarde nagenoeg overeen met de door [eiser] gestelde waarde en heeft [eiser] geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om bij akte nog te reageren op die waarde, zodat moet worden aangenomen dat [eiser] daartegen geen bezwaren heeft.

Waarde woningen

2.4.

Bij akte na tussenvonnis hebben gedaagden verzocht bij de waardering van de tot de nalatenschap van erflater behorende woningen aan de [adres 1] en de [adres 2] dezelfde maatstaf te hanteren. Tussen partijen bestond overeenstemming over de waarde van de woningen. Beide partijen zijn uitgegaan van een waarde van

€ 440.000,00 ( [adres 1] ) en € 395.000,00 ( [adres 2] ). De woning aan de [adres 1] is verkocht voor een bedrag van € 440.000,00. De waarde van de [adres 2] , zoals opgenomen in de boedelbeschrijving van gedaagden, is gebaseerd op de taxatiewaarde per april 2011. Deze woning is uiteindelijk in mei 2015 voor een bedrag van € 328.000,00 verkocht. De rechtbank ziet geen gronden om ten aanzien van één of beide woningen uit te gaan van andere waarden dan partijen tot nu toe hebben gedaan. Partijen hadden hierover tot op heden geen geschil en de waarde van de woning(en) is in deze procedure geen onderdeel van het partijdebat geweest. Reeds ter comparitie was bij gedaagden bekend dat een bod van € 328.000,00 op de woning aan de [adres 2] was geaccepteerd. Zij hebben toen geen aanleiding gezien de boedelbeschrijving te corrigeren of hun vordering te wijzigen dan wel hun verweer in conventie anders in te richten. Gelet op de eisen van een goede procesorde kunnen zij dan ook niet bij akte na tussenvonnis verzoeken van andere waarden uit te gaan.

Slot

2.5.

Onder punt 27 van de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie is de door gedaagden opgestelde boedelbeschrijving weergegeven. Productie 18 van [eiser] geeft zowel het door [eiser] gemaakte overzicht van deze boedelbeschrijving weer, als ook de door hem opgestelde boedelbeschrijving (met daarin verwerkt de geschilpunten van partijen). De rechtbank zal hierna de in deze productie 18 opgenomen boedelbeschrijving van gedaagden tot uitgangspunt nemen. Deze behoeft gezien het tussenvonnis en hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen aanpassing op de volgende punten:

Bezitting/schuld: Waarde wordt:

  • -

    Auto Renault Clio € 9.000,00 (r.o. 4.12 tussenvonnis)

  • -

    Hypotheekschuld [adres 1] € 57.836,61 (r.o. 2.3 van dit vonnis).

2.6.

De totale waarde van de bezittingen wordt berekend op een bedrag van € 926.500,63 (€ 921.500,63 (volgens gedaagden), vermeerderd met € 5.000 (correctie waarde Renault Clio)).

Het aan totaal aan schulden wordt vastgesteld op een bedrag van € 126.705,61 (€ 139.395 (volgens gedaagden), verminderd met € 12.689,39 (correctie hypotheek [adres 1] )).

De totale (netto) waarde van de gemeenschap van goederen waarin erflater was gehuwd bedraagt aldus € 799.795,02 en de waarde van de nalatenschap van erflater (zijnde de helft van de waarde van de gemeenschap van goederen) € 399.897,51.

De kosten van de nalatenschap moeten hierop nog in mindering worden gebracht. Die kosten bedragen € 28.080,00 (r.o. 4.15 en 4.16 van het tussenvonnis).

De te verdelen waarde kan vervolgens worden bepaald op € 371.817,51.

2.7.

Het aandeel van [eiser] in de nalatenschap is 1/8e deel (r.o. 4.5 van het tussenvonnis). Dat betekent dat [eiser] is gerechtigd tot een bedrag van € 46.477,19 (exclusief rente).

Aan [eiser] is op 17 juli 2013 een bedrag van € 40.532,30 uitgekeerd. De rechtbank begrijpt uit de stellingen van partijen dat in het aan [eiser] uitgekeerde bedrag een bedrag van € 3.065,00 aan rente is verdisconteerd (dit volgt ook uit de als productie 18 overgelegde boedelbeschrijving).

Zonder rekening te houden met de rente, komt het aan [eiser] al uitgekeerde bedrag op € 37.467,30. [eiser] heeft derhalve thans nog recht op (betaling van) een bedrag van € 9.009,89 (€ 46.477,19 – 37.467,30). De vordering van [eiser] is in zoverre toewijsbaar.

2.8.

De vordering van [eiser] wordt, voor zover niet reeds voldaan, vermeerderd met een rente van 6% tot de dag van voldoening (r.o. 4.17 van het tussenvonnis). De vordering is vanaf de dag van overlijden van erflater (14 april 2011) rentedragend geworden. Deze rente wordt vanaf 14 april 2011 tot 17 juli 2013 berekend over een bedrag van € 46.477,19 en met ingang van 17 juli 2013 over een bedrag van € 9.009,89, zijnde het deel dat niet op 17 juli 2013 aan [eiser] is uitgekeerd, maar waarop hij wel recht heeft. De totale rentevordering van [eiser] wordt verminderd met € 3.065,00. Dit bedrag aan rente is aan hem immers al uitgekeerd op 17 juli 2013.

2.9.

De proceskosten en de buitengerechtelijke incassokosten zullen tussen partijen worden gecompenseerd (r.o. 4.18 van het tussenvonnis).

2.10.

Nu er geen sprake van is dat de nalatenschap niet toereikend is, behoeft de voorwaardelijke vordering van [eiser] geen bespreking.

2.11.

De vordering in reconventie zal gezien het voorgaande worden afgewezen.

3 De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1.

veroordeelt de executeurs om aan [eiser] te betalen een bedrag van

€ 9.009,89 (negenduizend en negen euro en negenentachtig eurocent),

3.2.

veroordeelt de executeurs, na aftrek van een bedrag van € 3.065,00, om aan [eiser] met ingang van 14 april 2011 tot aan 17 juli 2013 over € 46.477,19 en met ingang van 17 juli 2013 tot aan de dag van algehele betaling over het onder 3.1. toegewezen bedrag een enkelvoudige rente te voldoen van 6% per jaar,

3.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.4.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

3.5.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

3.6.

wijst de vorderingen af,

3.7.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, rechter, bijgestaan door mr. C.E.P. Honing, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2015.1

1 *