Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:7127

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-10-2015
Datum publicatie
28-10-2015
Zaaknummer
AMS - 15 _ 1300
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat een uitkering op grond van het FGV een alternatief is voor maatschappelijke opvang. Omdat maatschappelijke opvang niet met terugwerkende kracht kan worden verleend, kan een uitkering op grond van het FGV ook niet met terugwerkende kracht worden verleend volgens verweerder.

De rechtbank volgt dit standpunt van verweerder niet. Het gaat immers om een financiële verstrekking. Een financiële verstrekking kan wel met terugwerkende kracht verleend worden.

De rechtbank overweegt voorts dat ook overigens in het FGV-beleid, zoals dat bij de rechtbank bekend is, geen aanknopingspunten zijn voor toekenning van een uitkering uit dit fonds vanaf het moment dat bij verweerder bekend is geworden met de voor de uitkering relevante informatie. Ook de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt hiervoor geen aanknopingspunten. Het gaat in deze zaak om een ambtshalve genomen besluit, zodat verweerder op grond van artikel 3:2 van de Awb bij de voorbereiding hiervan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen dient te vergaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 15/1300

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 oktober 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.C.E. Hoftijzer),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. E.T. ‘t Jong).

Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder ambtshalve besloten dat eiser niet in aanmerking komt voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2007 (Wmo).

Bij besluit van 21 januari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2015. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1.1.

Eiser is geboren op [geboortedatum] , stelt afkomstig te zijn uit Burundi en heeft geen rechtmatig verblijf in Nederland. Eiser stelt op 29 november 2013 een aanvraag formulier ingevuld te hebben voor opvang aan de Havenstraat (de zogenoemde Vluchthaven). Eiser is toegelaten tot de opvang in de Vluchthaven.

1.2.

Bij het primaire besluit heeft verweerder ambtshalve besloten dat eiser niet in aanmerking komt voor maatschappelijke opvang. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Op 28 oktober 2014 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Tijdens de hoorzitting is gebleken dat eiser een procedure heeft lopen bij de rechtbank naar aanleiding van een verzoek om uitstel van de vertrekplicht op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000.

2.

2.1.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser vanwege zijn verblijfsstatus en gelet op het koppelingsbeginsel geen aanspraak heeft op opvang op grond van de Wmo. Daarnaast verkeert eiser niet in bijzondere omstandigheden in verband met kwetsbaarheid als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en uitzichtloosheid ten aanzien van terugkeer naar het land van herkomst. Aan de eerder genoten opvang in de Vluchthaven kunnen geen rechten worden ontleend.
Gelet op de omstandigheid dat eiser vanwege een procedure met betrekking tot een aanvraag op basis van artikel 64 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 niet wordt uitgezet in combinatie met de medische problematiek heeft verweerder voorts besloten eiser met ingang van 28 oktober 2014, de datum waarop verweerder bekend is geraakt met de voor de verstrekking benodigde gegevens, een uitkering te verstrekken vanuit het Fonds Gevolgen Vreemdelingenwetgeving (FGV) van € 450,- per maand.

2.2.

Eiser stelt in beroep dat verweerder hem ten onrechte geen opvang toegekend heeft. Het criterium voor kwetsbaarheid uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 juni 2014 (CRVB:2014:1995) is onjuist geïnterpreteerd. Op grond van zijn gezondheidssituatie is eiser wel degelijk kwetsbaar is, hetgeen ook blijkt uit het BMA-advies van 4 maart 2014. Voorts is het eiser ondanks verschillende pogingen niet gelukt te vertrekken uit Nederland. Ten slotte wijst eiser op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 december 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:4259), op grond waarvan hij onder alle omstandigheden recht heeft op opvang. Gelet hierop maakt eiser aanspraak op een uitkering vanuit het FGV met terugwerkende kracht.

3. Voor de Wmo geldt als periode in geding de periode van aanvraag tot en met de beslissing op bezwaar. Deze periode loopt daarom van 16 juni 2014, de datum van het ambtshalve besluit, tot en met 21 januari 2015, de datum van het bestreden besluit.

4. Over het toepasselijk recht overweegt de rechtbank als volgt. Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) in werking getreden en is de Wmo ingetrokken. Op grond van het overgangsrecht, geregeld in artikel 8.9, tweede lid, van de Wmo 2015, blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wmo 2015 van toepassing ten aanzien van besluiten genomen op grond van de Wmo. In dit geval is het bestreden besluit genomen op grond van de Wmo, zodat met toepassing van die wet zal worden beslist op het beroep.

5. De rechtbank verwijst in verband met het recht op opvang naar haar uitspraak van 8 mei 2015 (ECLI:NL:RBAMS:2015:2651), waarin zij tot het oordeel is gekomen dat ook meerderjarige vreemdelingen zonder geldige verblijfsstatus een onvoorwaardelijk recht hebben op toegang tot onderdak, voedsel en kleding om te voorkomen dat deze personen hun basale levensbehoeften worden onthouden en dat het recht op een opvangvoorziening heeft gegolden ook vóór de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 17 december 2014.

5. Aannemelijk is dat eiser onder de door het ESCR bedoelde hulpbehoevende groep te scharen is. De rechtbank verwijst naar rov. 11 van de hierboven aangehaalde uitspraak en komt tot het oordeel dat er een positieve verplichting op de Staat rust om eiser toegang tot onderdak, eten en kleding te verstrekken.

6. Eiser heeft zich in dit geval niet uitsluitend op medische omstandigheden beroepen. Om dezelfde reden als in rov. 12 en 13 van de hierboven aangehaalde uitspraak, is de voorliggende voorziening van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers in deze zaak niet aan de orde.

7. Reeds hierom bevat het bestreden besluit gebreken. De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De stelling van verweerder dat geen terugwerkende kracht aan het op 10 november 2014 openbaar gemaakte oordeel van het ECSR kan worden verbonden, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

9. Voorts is in geschil de ingangsdatum van de uitkering op grond van het FGV.

8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser moet aantonen dat hij aan de criteria voor een uitkering op grond van het FGV voldoet. De rechtbank wijst op haar uitspraak van 8 mei 2015 (ECLI:NL:RBAMS:2015:2651) waarin zij heeft overwogen dat op grond van beleid onder bepaalde omstandigheden voor een uitkering op grond van dit fonds in aanmerking kunnen komen vreemdelingen met medische problematiek en juridisch perspectief. Met juridisch perspectief wordt bedoeld dat vreemdelingen niet verwijderbaar zijn, bijvoorbeeld op basis van een voorlopige voorziening in afwachting van hun procedure of op grond van artikel 64 van de Vw 2000. Het standpunt van verweerder treft geen doel. Het gaat om de vraag vanaf welke datum eiser in aanmerking komt voor een uitkering op grond van het FGV en niet om de vraag of eiser er in is geslaagd aan te tonen dat hij aan de criteria voldoet. Uit het feit dat hem een uitkering is toegekend moet immers worden opgemaakt dat eiser daarin is geslaagd.

9. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat een uitkering op grond van het FGV een alternatief is voor maatschappelijke opvang. Omdat maatschappelijke opvang niet met terugwerkende kracht kan worden verleend, kan een uitkering op grond van het FGV ook niet met terugwerkende kracht worden verleend volgens verweerder.
De rechtbank volgt dit standpunt van verweerder niet. Het gaat immers om een financiële verstrekking. Een financiële verstrekking kan wel met terugwerkende kracht verleend worden.

10. De rechtbank overweegt voorts dat ook overigens in het FGV-beleid, zoals dat bij de rechtbank bekend is, geen aanknopingspunten zijn voor toekenning van een uitkering uit dit fonds vanaf het moment dat bij verweerder bekend is geworden met de voor de uitkering relevante informatie. Ook de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt hiervoor geen aanknopingspunten. Het gaat in deze zaak om een ambtshalve genomen besluit, zodat verweerder op grond van artikel 3:2 van de Awb bij de voorbereiding hiervan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen dient te vergaren.

11. Gelet op het voorgaande draagt rechtbank verweerder op een nieuw besluit op bezwaar te nemen en stelt daarvoor een termijn van zes weken.

12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 980,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Kalse‑Spoon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2015.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.