Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:6997

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-10-2015
Datum publicatie
16-11-2015
Zaaknummer
AMS 14/2603
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet Bibob. Weigering exploitatievergunning en drank- en horecavergunning ten behoeve van het prostitutiebedrijf Yab Yum. Ernstig gevaar dat de vergunningen mede zullen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, dan wel om strafbare feiten te plegen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2016/2680
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 14/2603

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 oktober 2015 in de zaak tussen

[naam] , eiser, te Bussum, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf] , eiseres, statutair gevestigd te Amsterdam, gezamenlijk: eisers

(gemachtigde: mr. I.P. Sigmond),

en

de burgemeester van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigden: M. Boermans, A. Buijs en S. Haavekost).

Procesverloop

Bij besluit van 15 oktober 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de door eiseres aangevraagde exploitatievergunning en drank- en horecavergunning ten behoeve van het prostitutiebedrijf Yab Yum geweigerd.

Bij besluit van 24 maart 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1.

Eiser is [functie] en [functie] van eiseres. Op 18 juni 2012 heeft eiser namens eiseres een exploitatievergunning en een drank- en horecavergunning aangevraagd. De aanvraag heeft betrekking op prostitutiebedrijf Yab Yum voor het adres Singel 295 te Amsterdam.

1.2.

[bedrijf 1] is de eigenaar van het pand op het adres [adres] te Amsterdam. Voorts is [bedrijf 1] eigenaar van de intellectuele eigendomsrechten van [naam] – waaronder de handelsnaam, de merkenrechten, de domeinnamen en de auteursrechten op de websites – en van de inventaris en overige roerende zaken van Yab Yum. Sinds de oprichting van [bedrijf 1] is [betrokkene] via Stichting Administratiekantoor [bedrijf 1] middellijk [functie] van [bedrijf 1] Door middel van een certificeringsstructuur van de aandelen van [bedrijf 1] heeft hij de leiding en zeggenschap over de onderneming.

1.3.

Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een exploitatievergunning en een drank- en horecavergunning afgewezen.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat ernstig gevaar bestaat dat de vergunningen mede zullen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten en om strafbare feiten te plegen. Verweerder verwijst in dit verband naar de adviezen van het Landelijk Bureau Bibob (LBB) van 28 februari 2013, 10 april 2013, 24 juli 2013 en 22 januari 2014.

3. Eisers hebben in beroep het bestreden besluit gemotiveerd bestreden.

4. De rechtbank neemt bij de beoordeling van het beroep het volgende juridisch kader tot uitgangspunt.

4.1.1.

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) kunnen bestuursorganen, voor zover zij bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of

b. strafbare feiten te plegen.

4.1.2.

Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt, voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, betreft, de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.

4.1.3.

Op grond van het derde lid van dit artikel wordt, voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.

4.1.4.

Op grond van het vierde lid, aanhef en onder c, van dit artikel – voor zover van belang – staat de betrokkene in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat of heeft gestaan.

4.2.1.

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Drank- en Horecawet (DHW) is het verboden zonder daartoe strekkende vergunning van de burgemeester het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen.

4.2.2.

Op grond van artikel 27, derde lid, van de DHW kan een vergunning worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob.

4.3.1.

Artikel 3.27, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) 2008 van de gemeente Amsterdam bepaalt dat het verboden is een prostitutiebedrijf zonder vergunning van de burgemeester te exploiteren.

5.1.

Ten aanzien van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Bibob overweegt de rechtbank dat op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) het met recht inroepen van deze bepaling vergt dat aannemelijk is dat bepaalde strafbare feiten zijn gepleegd (zie de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ1892).

5.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onder verwijzing naar de adviezen van het LBB aannemelijk mogen achten dat [betrokkene] strafbare feiten pleegt en heeft gepleegd die verband houden met witwassen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

5.3.

In de voornoemde uitspraak van 8 juli 2009 heeft de Afdeling geoordeeld over de eerdere sluiting van Yab Yum op grond van de Wet Bibob. Naar het oordeel van de Afdeling is het voldoende aannemelijk dat sprake is geweest van bedreiging en mogelijke afpersing met als doel het verkrijgen van Yab Yum uit handen van [benadeelde] . Gelet op de geschetste gang van zaken bij de overname van Yab Yum acht de Afdeling aannemelijk dat in dat kader strafbare feiten zijn gepleegd. Voorts is de Afdeling van oordeel dat de burgemeester en het toenmalige dagelijks bestuur van het betreffende Stadsdeel zich op het standpunt hebben mogen stellen dat er een redelijk vermoeden bestaat dat de Amsterdamse [groep] en [betrokkene 1] , als vooraanstaand lid en vanaf 1999 een aantal jaren [functie] van de Amsterdamse [groep] , in relatie staan tot de onregelmatige overname van Yab Yum door bedreiging en mogelijke afpersing. Aan het complex van aannemelijke feiten mochten de burgemeester en het dagelijks bestuur het redelijke vermoeden ontlenen dat de [groep] betrokken zijn geweest bij de overname van Yab Yum, dat Yab Yum door de overname binnen de invloedssfeer is gebracht van een crimineel circuit waarvan de [groep] en [betrokkene 1] als exponent van die organisatie deel uitmaakten en dat dit is gemaskeerd door de betrokkenheid van [betrokkene 2] en de oprichting van [bedrijf 2] .

5.4.

De rechtbank stelt voorts vast dat tussen partijen niet in geschil is dat bij de daaropvolgende verkoop van het vestigingspand van Yab Yum op het adres Singel 295 te Amsterdam door [bedrijf 2] . aan [bedrijf 1] , [betrokkene 3] en [betrokkene 1] betrokken zijn geweest. Uit een proces-verbaal van verhoor van 1 februari 2011 van de politie Amsterdam-Amstelland komt naar voren dat [betrokkene 2] heeft verklaard dat [betrokkene 3] en [betrokkene 1] lid zijn van de [groep] . Voorts heeft de Officier van Justitie van het Openbaar Ministerie te Amsterdam op 22 oktober 2010 op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering beslag gelegd op roerende en onroerende zaken met betrekking tot Yab Yum. Uit een proces-verbaal van 25 januari 2011 van de politie Amsterdam-Amstelland komt verder naar voren dat [betrokkene] nadrukkelijk is gewezen op de omstandigheid dat tegen [betrokkene 2] en [bedrijf 2] . een verdenking ter zake witwassen bestaat en dat de roerende en onroerende zaken met betrekking tot Yab Yum vermoedelijk door een of meer misdrijven zijn verkregen. Bij brief van 4 juli 2011 heeft de Officier van Justitie het vermoeden dat de roerende en onroerende zaken met betrekking tot Yab Yum door misdrijven zijn verkregen, kenbaar gemaakt aan de notaris die betrokken is geweest bij de levering van de panden aan [bedrijf 1] Op 15 december 2011 heeft [bedrijf 1] de eigendom van de panden en de roerende zaken met betrekking tot Yab Yum verworven.

5.5.

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat de roerende en onroerende zaken met betrekking tot Yab Yum afkomstig zijn uit enig misdrijf en dat [betrokkene] hiervan wetenschap heeft. Hieruit volgt dat het ernstige vermoeden bestaat dat [betrokkene] met de aankoop via [bedrijf 1] zich schuldig maakt en heeft gemaakt aan witwassen. Eisers’ stelling dat verweerder een club in eigendom van [betrokkene 2] wel toestaat zodat daarom al geen sprake kan zijn van enig aannemelijk strafbaar feit in de zin van de Wet Bibob, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft immers verklaard dat een voornemen kenbaar is gemaakt om de exploitatievergunning van [betrokkene 2] ten behoeve van die club in Amsterdam op grond van de Wet Bibob in te trekken. Nu reeds hierom een ernstig vermoeden bestaat dat [betrokkene] zich schuldig maakt en heeft gemaakt aan strafbare feiten, kan het standpunt van verweerder dat het ernstige vermoeden bestaat dat [betrokkene] zich voorts schuldig heeft gemaakt aan belastingfraude en valsheid in geschrifte onbesproken blijven.

5.6.

Het beroep van eisers op de uitspraak van de Afdeling van 11 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:331), kan hen naar het oordeel van de rechtbank niet baten. In die uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat sprake is van schending van de onschuldpresumptie indien de persoon op wie een Bibob-procedure ziet strafrechtelijk is aangeklaagd ter zake van het plegen van een strafbaar feit en de schuld van die persoon in de strafrechtelijke procedure nog niet is komen vast te staan, terwijl in de bestuursrechtelijke Bibob-procedure een rechterlijke beslissing of een uiting van een ambtenaar desondanks een oordeel weergeeft omtrent de schuld van die persoon voor dat feit. Het enkele uitspreken van een vermoeden dat iemand schuldig is aan het strafbare feit waarvoor hij is aangeklaagd, levert – aldus de Afdeling – geen schending van de onschuldpresumptie op. Eisers – op wie de Bibob-procedure ziet – zijn niet aangeklaagd voor enig strafbaar feit, zodat geen sprake is van schending van de onschuldpresumptie.

5.7.

Het beroep van eisers op de uitspraak van de Afdeling van 11 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:333), kan hen naar het oordeel van de rechtbank evenmin baten. In die uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat het bestuursorgaan niet de in het advies van het LBB genoemde strafbare feiten aannemelijk mag achten als de betrokkene op het moment van het nemen van het besluit inmiddels daarvan onherroepelijk is vrijgesproken, ontslagen is van rechtsvervolging of is meegedeeld dat wegens onvoldoende bewijs geen strafrechtelijke vervolging zal plaatsvinden. In de situatie van eisers is daarvan geen sprake nu niet is gebleken dat enige verdachte in het onderliggende strafrechtelijk onderzoek ‘13Basket’ inmiddels is vrijgesproken, ontslagen van rechtsvervolging of dat de verdenking of aanklacht is geseponeerd wegens gebrek aan bewijs. Ook hierom is geen sprake van schending van de onschuldpresumptie.

5.8.

Ten aanzien van de vraag of tussen eiseres en [bedrijf 1] een zakelijk samenwerkingsverband bestaat, als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet Bibob, overweegt de rechtbank als volgt. [bedrijf 1] heeft het pand op het adres Singel 295 voorhanden, net als de roerende zaken en de intellectuele eigendomsrechten van Yab Yum. Tussen eiseres en [bedrijf 1] zijn voor het gebruik van voornoemde eigendomsrechten huur-, gebruikers- en licentieovereenkomsten gesloten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voorts terecht erop gewezen dat het voornemen van [betrokkene] is om daarnaast zelf de merknaam Yab Yum nationaal en internationaal te exploiteren – onder meer in de vorm van andere vestigingen, een musical en een parfum – en hij zich niet zal beperken tot de verhuur van het bordeel Yab Yum te Amsterdam aan eiseres, hetgeen van invloed zal zijn op de exploitatie door eiseres van het bordeel Yab Yum te Amsterdam. Ook heeft verweerder terecht erop gewezen dat eiseres met € 400.000,- per jaar een relatief lage huurprijs betaalt. Zo heeft verweerder vergeleken met een seksinrichting in de [adres] waar, al in 2006, een huurprijs van € 650.000,- per jaar werd betaald. Op basis van deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft overwogen dat eiseres – en daarmee ook eiser – tot [bedrijf 1] in een zakelijk samenwerkingsverband, als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet Bibob, staat. Nu onder rechtsoverweging 5.5 is geoordeeld dat een ernstig vermoeden bestaat dat [betrokkene] zich schuldig maakt en heeft gemaakt aan strafbare feiten en [betrokkene] de leiding en zeggenschap heeft over [bedrijf 1] , staan eisers in relatie tot die strafbare feiten. Gelet hierop is verweerder niet gehouden om nader onderzoek te doen naar de wijze waarop eiseres zou worden gebruikt voor het plegen van strafbare feiten.

5.9.

De rechtbank komt, gelet op alle hiervoor genoemde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, tot de conclusie dat eisers in relatie staan tot strafbare feiten die verband houden met witwassen. Dergelijke delicten zijn naar hun aard erop gericht om op geld waardeerbare voordelen op te brengen. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een situatie dat de in de Bibob-adviezen vermelde gegevens de bevindingen duidelijk niet zouden kunnen dragen omdat ze te weinig (directe) aanwijzingen bevatten, in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met hetgeen overigens bekend is. Verweerder heeft dan ook mogen afgaan op de expertise van het LBB en de Bibob-adviezen aan het bestreden besluit ten grondslag kunnen leggen. Gelet daarop heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat ernstig gevaar bestaat dat de door eiseres aangevraagde vergunningen mede zullen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten of strafbare feiten te plegen. Nu verweerder reeds hierom in redelijkheid de gevraagde vergunningen kon weigeren, behoeven de overige gronden die eisers hebben aangevoerd geen bespreking meer.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling dan wel een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.M. Giesen, voorzitter, en mr. E.J. Otten en mr. S.E. Reichert, leden, in aanwezigheid van mr. S.P.M. van Boheemen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2015.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.