Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:6832

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-09-2015
Datum publicatie
08-10-2015
Zaaknummer
HA RK 210.2015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek niet-ontvankelijk. Aan het wrakingsverzoek ligt ten grondslag het handelen en de houding van de rechter tijdens de comparitie die op 18 februari 2015 heeft plaatsgevonden en het verslag van die zitting in het proces-verbaal dat op 2 maart 2015 aan verzoekster is toegezonden. Verzoekster had het wrakingsverzoek dus op grond van de wet moeten doen tijdens of direct na de comparitie van 18 februari 2015, dan wel direct na ontvangst van het proces-verbaal van die zitting (in maart 2015). Zij heeft het verzoek echter pas op 5 juli 2015 ingediend, en dat is te laat. Dit brengt mee dat verzoekster in haar verzoek niet kan worden ontvangen. Overwegingen ten overvloede.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer

Beslissing op het op 7 juli 2015 ingekomen en onder rekestnummer

HA RK 210.2015 ingeschreven verzoek van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. P. van der Kolk-Nunes, kantonrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

1 Verloop van de procedure

1.1

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

  • -

    Het schriftelijke wrakingsverzoek met bijlagen van verzoekster d.d. 5 juli 2015, ingekomen op 7 juli 2015.

  • -

    De schriftelijke reactie van de rechter d.d. 17 augustus 2015.

1.2

De rechter heeft meegedeeld niet in de wraking te berusten.

Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 2 september 2015. Verschenen zijn verzoekster (vergezeld door een vriendin, [ ]) en de rechter, vergezeld door mw mr. [ ], gerechtssecretaris. Verzoekster heeft een pleitnota overgelegd. De uitspraak is bepaald op 11 september 2015.

2 Beoordeling van het verzoek

2.1

Op grond van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) kan elk van de rechters die een zaak behandelen, door een partij worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Artikel 37 lid 1 Rv. bepaalt dat het verzoek wordt gedaan zodra de feiten en omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.

2.2

Verzoekster heeft – zonder bijstand van een gemachtigde - haar verhuurder, De Key, in een bodemprocedure gedagvaard wegens vervuiling van haar woning met perlietstof. Deze zaak is bij de rechter in behandeling. Verzoekster heeft onder meer vervangende woonruimte gevorderd en vergoeding van schoonmaakkosten. Er hebben twee comparities plaatsgevonden. Met verzoekster en De Key zijn afspraken gemaakt over de te volgen werkwijze. Er zou een onderzoek worden uitgevoerd naar de aanwezigheid van perlietstof in de woning en de uitkomst van dat onderzoek zou mede bepalend zijn voor het antwoord op de vraag voor wiens rekening de kosten zouden komen en voor de omvang van de op kosten van de verhuurder uit te voeren werkzaamheden. Tussentijds zijn onduidelijkheden gerezen over de inhoud van de gemaakte afspraken. Op verzoek van verzoekster zijn na de comparitie van partijen van 13 augustus 2014 de afspraken door de griffier bij brief van 5 september 2014 aan verzoekster meegedeeld. Vervolgens is wederom een comparitie gehouden op 18 februari 2015. Daarvan is een proces-verbaal opgemaakt dat op 2 maart 2015 aan verzoekster is toegestuurd en waarin ter zitting gemaakte afspraken zijn opgenomen. Op 22 april 2015 zijn door Holland Herstel Groep (HHG) in opdracht van verzoekster schoonmaakwerkzaamheden en een onderzoek uitgevoerd in de woning van verzoekster. Naar aanleiding hiervan is een advies uitgebracht. Na de ontvangst van het hiervan opgemaakte rapport heeft verzoekster het wrakingsverzoek ingediend.

2.3

Aan het wrakingsverzoek ligt ten grondslag het handelen en de houding van de rechter tijdens de comparitie die op 18 februari 2015 heeft plaatsgevonden en het verslag van die zitting in het proces-verbaal dat op 2 maart 2015 aan verzoekster is toegezonden. Verzoekster heeft echter met de indiening van het verzoek gewacht tot na de ontvangst van het rapport van HHG. Zij heeft ter zitting van de wrakingskamer toegelicht dat zij dat rapport wilde afwachten opdat de bevindingen uit dat rapport haar eigen standpunt zouden kunnen ondersteunen. Dat rapport is voor de beoordeling van het handelen van de rechter echter niet van belang, omdat de rechter daarvan nog geen kennis had genomen. Verzoekster had het wrakingsverzoek dus op grond van de wet moeten doen tijdens of direct na de comparitie van 18 februari 2015, dan wel direct na ontvangst van het proces-verbaal van die zitting (in maart 2015). Zij heeft het verzoek echter pas op 5 juli 2015 ingediend, en dat is te laat. Dit brengt mee dat verzoekster in haar verzoek niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

2.4

Ten overvloede wordt overwogen dat indien verzoekster het verzoek wel tijdig had ingediend, zou zijn geoordeeld dat het verzoek ongegrond is. Op basis van de feiten en omstandigheden die verzoekster aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd kan niet geconcludeerd worden dat de rechter zich partijdig heeft getoond dan wel de schijn daarvan heeft gewekt.

2.5

Verzoekster heeft betoogd dat een door haar voorgedragen deskundige niet is gehoord op de geplande comparitie van 25 november 2014. Uit de toelichting in het wrakingsverzoek blijkt echter dat die comparitie niet is doorgegaan. Dat betekent nog niet dat de rechter van diens bevindingen geen kennis heeft willen nemen. De enkele stelling dat de schriftelijke bevindingen van die deskundige - die kennelijk in de procedure zijn ingebracht – op de latere comparitie niet ter zitting zijn behandeld, leidt evenmin tot die conclusie.

2.6

Verzoekster heeft ook aangevoerd dat de rechter het financiële aspect van haar wederpartij doorslaggevend acht. Volgens verzoekster blijkt dat uit de uitspraak van de rechter. De wrakingskamer stelt voorop dat nog geen tussen- of eindvonnis is gewezen. Kennelijk verwijst verzoekster op dit punt naar het proces-verbaal van maart 2015 of naar een uitlating van de rechter tijdens de comparitie in februari 2015. Voor zover de rechter tijdens die comparitie enige beslissing heeft genomen, heeft te gelden dat in een wrakingsprocedure niet kan worden opgekomen tegen een onwelgevallige (procedurele of inhoudelijke) beslissing. Het is immers niet de taak van de wrakingskamer om te beoordelen of deze beslissing en de daaraan ten grondslag liggende motivering inhoudelijk juist is, maar te onderzoeken of deze beslissing en de motivering daarvan feiten en omstandigheden opleveren waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Dat laatste kan naar het oordeel van een wrakingskamer slechts dan het geval zijn als in het licht van de feiten en omstandigheden van het geval de door de rechter genomen beslissing zo onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat de beslissing door vooringenomenheid van de rechter is ingegeven. Die situatie doet zich hier niet voor. Het is immers de taak van de rechter om knopen door te hakken, waarbij het kan voorkomen dat aan het argument van de ene partij meer gewicht wordt gehecht dan aan dat van de wederpartij.

2.7

Verzoekster heeft nog gesteld dat de rechter haar tijdens de tweede comparitie partijdig heeft bejegend door haar paternalistisch toe te spreken, dan wel dat verzoekster dat als partijdig heeft ervaren, omdat haar wederpartij van een dergelijke bejegening verschoond is gebleven. Een rechter dient echter de orde op een zitting te bewaken en heeft de regie ter zitting. Daarbij heeft deze de vrijheid om sturend op te treden indien de situatie dat vereist. De rechter heeft in haar reactie ook beaamd dat van dit laatste sprake is geweest. Dit is volgens haar uitsluitend ingegeven door haar wens om tot een voor verzoekster werkbare en haalbare oplossing te komen. Ook heeft zij wel eens verzucht dat het wenselijk was geweest als verzoekster zich van juridische bijstand had voorzien, enerzijds om de procedure te stroomlijnen en anderzijds omdat verzoekster dan door haar eigen jurist zou zijn geadviseerd over de haalbaarheid van haar vorderingen. De rechter heeft verzoekster ook meegedeeld dat zij geen grond zag voor toewijzing van haar vordering om vervangende woonruimte aan te bieden. Dit is volgens de rechter echter geen partijdige opmerking, maar slechts een (voorlopig) oordeel over de haalbaarheid van één van de vorderingen van verzoekster. Naar het oordeel van de wrakingskamer is de rechter daarmee binnen haar rol als rechter gebleven en levert haar gedrag niet de schijn van partijdigheid op. Indien er op de comparitie over en weer enige irritatie is ontstaan, betekent dat evenmin dat de rechter mogelijk vooringenomen is tegenover verzoekster. Ook dat is dus geen grond tot wraking.

3. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

B E S L I S S I N G

De rechtbank:

- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek.

Aldus gegeven door mrs. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, O.J. van Leeuwen en K.A. Brunner, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 september 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, vijfde lid, Rv, geen voorziening open.