Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:6782

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-05-2015
Datum publicatie
07-10-2015
Zaaknummer
HA RK 57.2015
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek niet-ontvankelijk. Op het door klager ingestelde beroep is op 27 februari 2015 uitspraak gedaan. Het verzoek tot wraking is ingekomen op 3 maart 2013. Met de uitspraak is de behandeling van de zaak door de rechter is geëindigd. Om die reden kan de rechter niet meer worden aangemerkt als rechter die de zaak behandelt. In hetgeen door verzoeker verder aan zijn verzoek ten grondslag is gelegd, is evenmin een grond gelegen voor het oordeel dat zich een zodanige schending van de eisen van een goede procesorde of van fundamentele rechtsbeginselen heeft voorgedaan dat er sprake is van schending van de artikelen 6 en 13 van het EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer

Beslissing op het op 3 maart 2014 schriftelijk gedane en onder rekestnummer

C/15/582441/ HA RK 57.2015 ingeschreven (voorwaardelijke) verzoek van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. A.W.C.M. van Emmerik, bestuursrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

1 Verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende stukken:

 Het schriftelijke wrakingsverzoek met bijlagen van 3 maart 2014;

 De uitspraak van 27 februari 2015 in de procedure met zaaknummer [ ];

 Het antwoord van het bestuur op de klacht van verzoeker d.d. 26 maart 2015.

2 De ontvankelijkheid van het verzoek

2.1

Verzoeker heeft bij deze rechtbank beroep ingesteld tegen een besluit van het College van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam. Het beroep is behandeld ter zitting van 24 februari 2014. Bij uitspraak van 27 februari 2015 is het beroep ongegrond verklaard.

2.2

In artikel 8:16 van de Algemene Wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt, op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

2.3

Uit voornoemd artikel 8:16 Awb blijkt dat een wrakingsverzoek slechts de rechter kan betreffen die een zaak van de betrokken partij in behandeling heeft. Dit brengt mee dat geen wrakingsverzoek meer kan worden gedaan nadat de rechter in de zaak definitief heeft beslist. De rechter heeft dan immers geen zaak van verzoeker meer in behandeling.

2.4

Op het door klager ingestelde beroep is op 27 februari 2015 uitspraak gedaan. Het verzoek tot wraking is ingekomen op 3 maart 2013. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3 is overwogen, kan verzoeker derhalve niet in het door hem ingediende verzoek worden ontvangen. De verwijzing door verzoeker naar de uitspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2012:BW7606) baat hem niet. Anders dan in die uitspraak is overwogen wist verzoeker welke rechter zijn zaak in behandeling had en is de uitspraak niet buiten de zitting gedaan.

2.5

In hetgeen door verzoeker verder aan zijn verzoek ten grondslag is gelegd, is evenmin een grond gelegen voor het oordeel dat zich een zodanige schending van de eisen van een goede procesorde of van fundamentele rechtsbeginselen heeft voorgedaan dat er sprake is van schending van de artikelen 6 en 13 van het EVRM.

In zijn verzoek deelt verzoeker immers mede dat de rechter op het einde van de zitting duidelijk aangaf dat verzoeker het verkeerde forum had gekozen, namelijk het niet politieke. “Alleen hieruit al blijkt temeer de geconstateerde vooringenomenheid …..”, aldus verzoeker. Dat er in de ogen van verzoeker sprake was van vooringenomenheid van de rechter was dus al op 24 februari 2015 aan de orde. Verzoeker had het wrakingsverzoek dus eerder kunnen doen.

2.6

Dat de rechter haar positie heeft misbruikt door uitspraak te doen terwijl het heropeningsverzoek reeds bij de rechter bekend was, is de wrakingskamer niet gebleken. In zijn verzoek stelt verzoeker zelf dat het verzoek tot heropening op 26 februari 2015 om 21:00 uur per fax bij de griffie is ingediend. Omdat deze fax eerst de volgende dag om 09.00 uur kon worden verwerkt en op dat tijdstip ook uitspraak is gedaan, heeft de rechter van het verzoek tot heropening van de zaak eerst kennis kunnen nemen nadat de uitspraak was gedaan. Gelet op deze gang van zaken is van misbruik van positie geen sprake. Van omstandigheden die verhinderden dat verzoeker zijn verzoek tot heropening al op 26 februari 2015 had kunnen indienen is niet gebleken.

2.7

Voor een mondelinge behandeling als bedoeld in artikel 8:18 Awb bestaat geen aanleiding. Het in deze bepaling als vanzelfsprekend opgenomen recht op hoor en wederhoor is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek. Aan dat onderzoek komt de rechtbank niet toe omdat het verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard aangezien het na de uitspraak is gedaan.

2.8

Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De rechtbank:

 verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking.

Aldus gegeven door mrs. N.C.H. Blankevoort voorzitter, M.J. Diemer en A.W.J. Ros, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 8:18, vijfde lid, Awb, geen voorziening open.