Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:6778

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-02-2015
Datum publicatie
07-10-2015
Zaaknummer
HA RK 24.2015
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. Niet is gebleken dat de rechter door de aard van de vragen die zij heeft gesteld op enigerlei wijze de schijn van partijdigheid of vooringenomenheid heeft gewekt. Er bestond voor de rechter voldoende belang om de gemachtigde van verzoeker te bevragen op de punten waarop zij dat heeft gedaan. Op grond van een recente uitspraak van de Raad van State is een bestuursrechter immers gehouden een beroep niet ontvankelijk te verklaren indien sprake is van misbruik van recht. De rechter heeft haar vragen gebaseerd op informatie die zij uit het dossier van verzoeker had verkregen. Het feit dat de rechter in haar schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek heeft opgemerkt dat verzoeker voorafgaand aan het verzoek op grond van de Wbp een verzoek op grond van de WOB heeft ingediend, is evenmin een aanwijzing dat bij haar sprake is van partijdigheid of vooringenomenheid. De rechter heeft ter zitting toegelicht dat ze het eerder ingediende verzoek niet als een WOB-verzoek heeft willen kwalificeren, doch slechts de feitelijke gang van zaken heeft willen weergeven. Dat in het proces-verbaal van de zitting minder is vermeld dan verzoeker wenselijk acht, is geen grond tot wraking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer

Beschikking op het op 26 januari 2015 ingekomen en onder rekestnummer

HA RK 24.2015 ingeschreven verzoek van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

gemachtigde: mr. drs. J.M.C. Niederer,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. A.W.C.M. van Emmerik, rechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

1 Verloop van de procedure

1.1

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

  • -

    het wrakingsverzoek d.d. 26 januari 2015;

  • -

    het proces-verbaal van de zitting van de enkelvoudige kamer op 26 januari 2015;

  • -

    de schriftelijke reactie van de rechter;

  • -

    de schriftelijke reactie van verzoeker d.d. 30 januari 2015 op de twee voorafgaande stukken.

1.2

De rechter heeft meegedeeld niet in de wraking te berusten.

Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 6 februari 2015, waar de rechtbank de rechter heeft gehoord. De uitspraak is bepaald op 13 februari 2015.

2 De beoordeling

Van de volgende feiten wordt uitgegaan:

  1. Bij de rechter is een zaak van verzoeker in behandeling met zaaknummer [ ].

  2. Het betreft een door de gemachtigde namens verzoeker ingediend verzoek op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Dat verzoek is namens de minister van Veiligheid en Justitie door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (verweerder) afgewezen. De gemachtigde heeft vervolgens namens verzoeker bezwaar gemaakt tegen die afwijzing en heeft bij uitblijven van een beslissing op het bezwaar, beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Voorafgaand aan het verzoek op grond van de Wbp heeft verzoeker en daarna zijn gemachtigde namens hem, een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur ingediend.

  3. De beroepszaak op basis van de Wbp is door de rechter op de zitting van 26 januari 2015 behandeld. Daarbij was de gemachtigde namens verzoeker aanwezig.

3 De gronden van het verzoek

Verzoeker heeft aan zijn verzoek het volgende ten grondslag gelegd.

3.1

De rechter heeft door haar vraagstelling op de zitting de vrees gewekt dat zij vooringenomen is jegens verzoeker. De vertraging in de afhandeling van het bezwaar is veroorzaakt door de grote aantallen bezwaar- en beroepschriften die bij verzoeker in behandeling zijn. De rechter heeft echter de indruk gewekt door de vragen die zij aan de gemachtigde stelde, dat zij van mening was deze vertraging aan verzoeker te wijten was. De stukken in het dossier geven tot die vooronderstelling echter geen enkele aanleiding. Gelet hierop valt ook niet in te zien met welk doel de rechter de vragen heeft gesteld zoals zij dat heeft gedaan, anders dan om verzoeker van kwade trouw te kunnen betichten. Verzoeker doelt op vragen die de rechter heeft gesteld over onderwerpen die door verweerder niet eens naar voren waren gebracht, zoals het gebruik van een bepaald postbusnummer door verzoeker voor de verzending van zijn bezwaar en de aanhef van zijn bezwaarschrift.

3.2

De schriftelijke reactie van de rechter heeft verzoeker gesterkt in zijn overtuiging dat de rechter meer dan alleen de schijn van vooringenomenheid heeft getoond. Dit blijkt volgens verzoeker uit de conclusie van de rechter dat voorafgaand aan het verzoek op grond van de Wbp eerst verzoeker en daarna zijn gemachtigde namens verzoeker, een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur heeft ingediend. Op de zitting is wel ter sprake geweest dat zich in het dossier enkele informatieverzoeken bevinden, maar namens verzoeker is aangevoerd dat van een verzoek op grond van de Wob geen sprake is. Op deze wijze heeft de rechter reeds een oordeel gegeven over belangrijke elementen in de zaak.

3.3

Voort heeft verzoeker aangevoerd dat het proces-verbaal van de zitting, dat een weergave behoort te zijn van hetgeen ter zitting aan de orde is gesteld, ten onrechte niet de vragen vermeldt die de rechter heeft gesteld.

4 De reactie van de rechter

4.1

De rechter heeft aangevoerd dat er bij haar geen vooringenomenheid is en dat deze ook niet uit haar vraagstelling op de zitting kan worden afgeleid. De gemachtigde heeft terecht opgemerkt dat uit haar vraagstelling kon worden opgemerkt dat zij wilde onderzoeken of in deze zaak aanleiding zou zijn voor het oordeel dat sprake is van misbruik van recht. Verweerder heeft dat inderdaad niet aan de orde gesteld, maar de rechter is er bij de voorbereiding van de zaak van uitgegaan dat het gaat om een punt van openbare orde dat zij ambtshalve dient te toetsen. Ook als het geen punt van openbare orde zou zijn, is de gemachtigde voldoende in de gelegenheid gesteld om zijn visie te geven en heeft hij dat ook gedaan.

4.2

Ter zitting heeft de rechter hier nog aan toegevoegd dat zij niet heeft bedoeld om een kwalificatie te geven, maar een omschrijving van de feitelijke gang van zaken. Aan het dossier van het bestuursorgaan dat haar ten behoeve van de zaak van verzoeker ter beschikking stond, ontleende zij haar kennis over het beroep dat verzoeker had gedaan op de Wob.

5 De gronden van de beslissing

5.1.

Op grond van artikel 8:15 van de Awb dient in een wrakingsprocedure te worden onderzocht of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

5.2.

Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij partijdig is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.

5.3.

De vraag of sprake is van rechterlijke partijdigheid moet worden beantwoord aan de hand van twee criteria: het subjectieve criterium en het objectieve criterium. Bij het subjectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een gebleken persoonlijke overtuiging en/of zodanig gedrag van een specifieke rechter dat de conclusie moet worden getrokken dat deze rechter partijdig is. Bij het objectieve criterium gaat het om de vraag of onafhankelijk van het gedrag van een specifieke rechter, vastgesteld moet worden dat er sprake is van een bij verzoeker objectief gerechtvaardigde vrees dat de onpartijdigheid bij deze rechter ontbreekt.

5.4.

Het is de rechtbank niet gebleken dat de rechter door de aard van de vragen die zij heeft gesteld, gelet op de inhoud daarvan en de wijze waarop zij dat heeft gedaan, op enigerlei wijze de schijn van partijdigheid of vooringenomenheid heeft gewekt. Het standpunt van verzoeker vindt geen steun in het proces-verbaal of in het bij de mondelinge behandeling van dit verzoek verhandelde. Het is de rechtbank gebleken dat er voldoende belang voor de rechter bestond om de gemachtigde van verzoeker te bevragen op de punten waarop zij dat heeft gedaan. Op grond van een recente uitspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2014:4185), waar verzoeker in het dossier in deze zaak op heeft gewezen, is een bestuursrechter immers gehouden een beroep niet ontvankelijk te verklaren indien sprake is van misbruik van recht. De rechter heeft haar vragen gebaseerd op informatie die zij uit het dossier van verzoeker had verkregen. Het feit dat de rechter in haar schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek heeft opgemerkt dat verzoeker voorafgaand aan het verzoek op grond van de Wbp een verzoek op grond van de WOB heeft ingediend, is evenmin een aanwijzing dat bij haar sprake is van partijdigheid of vooringenomenheid. In dat verband acht de rechtbank van belang dat de rechter ter zitting heeft toegelicht dat ze het eerder ingediende verzoek niet als een WOB-verzoek heeft willen kwalificeren, doch slechts de feitelijke gang van zaken heeft willen weergeven.

Een proces-verbaal van zitting is een zakelijke weergave van hetgeen is voorgevallen en is besproken. Dat hierin minder is vermeld dan verzoeker wenselijk acht, is geen grond tot wraking. Hooguit kan dat in hoger beroep aan de orde komen.

6. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

B E S L I S S I N G

De rechtbank:

- wijst het verzoek tot wraking af.

Aldus gegeven door mrs. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, H.M. Patijn en C.W.M. Giesen, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 februari 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.

Deze beschikking is ondertekend door mr. C.W.M. Giesen, omdat de voorzitter daartoe niet in staat is.

Tegen deze beslissing staat ingevolge het bepaalde in artikel 8:18 lid 5 Awb geen voorziening open.