Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:6759

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-10-2015
Datum publicatie
22-10-2015
Zaaknummer
13/995006-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Het invoeren van een partij cocaïne met een brutogewicht van 436 kilo. Veroordeling voor de invoer en de voorbereiding daarvan. Vrijspraak van de deelname aan een criminele drugsorganisatie. Uitgangspunt straftoemeting: gevangenisstraf van 6 jaren. Opgelegde straf: 6 jaren.

Het verweer dat verdachte onder dwang zou hebben meegewerkt aan het transport, is verworpen (niet aannemelijk geworden).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/995006-14 (Promis)

Datum uitspraak: 6 oktober 2015

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1962,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres, te plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 16, 17, 21 en 22 september 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.M.F. van Veghel en van wat verdachte en zijn raadsman mr. N. van Schaik naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

2.1

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

1. primair: medeplegen van het invoeren in Nederland van 436 kilo cocaïne;

subsidiair: medeplichtigheid bij die invoer van 436 kilo cocaïne;

2. medeplegen van het voorbereiden/bevorderen van het invoeren in Nederland van 436 kilo cocaïne;

3. deelname aan een criminele drugsorganisatie.

2.2.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman acht niet bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan en dat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Het containertraject

Inleiding

De tenlastegelegde (voorbereiding van de) invoer van ruim 436 kilo cocaïne heeft – kort gezegd – betrekking op het volgende. Naar aanleiding van een controle op 24 maart 2014 in de haven van Antwerpen (België) werd in een container met bananen ( [nummer 1] ) een partij cocaïne aangetroffen met een brutogewicht inclusief verpakkingsmateriaal van 436,1 kilo cocaïne. Deze container was afkomstig uit Santa Marta (Colombia) en is per schip onder andere via de haven van Rotterdam (waar op 18 maart is aangemeerd) en vervolgens via de Westerschelde in Antwerpen aangekomen. De container was bestemd voor het fruitimportbedrijf van verdachte. Op 27 maart 2014 is een vervangende container, met daarin de bananen en een monster van 18 gram cocaïne, vrijgegeven en in opdracht van verdachte vervoerd naar een loods in Rucphen. In die loods zijn vervolgens de verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aangehouden. Medeverdachte [medeverdachte 3] is toen ook aangehouden, terwijl hij zich in een auto in de directe omgeving van de loods bevond. Tijdens het vervolgonderzoek is ook medeverdachte [medeverdachte 4] in beeld gekomen. Hij is op 17 september 2014 aangehouden als verdachte van onder meer zijn betrokkenheid bij de invoer van deze container.

Dit feitencomplex is ten laste gelegd als het invoeren in Nederland van 436 kilo cocaïne en als het voorbereiden/bevorderen van die invoer. De centrale vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte bij dit cocaïnetransport betrokken is geweest en zo ja, in welke mate.

Bedreiging

De raadsman heeft aangevoerd dat [verdachte] slechts onder dwang heeft meegewerkt aan het transport, dat hij de bewuste container met bananen heeft besteld, zonder te weten dat daarin ook cocaïne zou worden vervoerd, dat medeverdachte [medeverdachte 4] hem vervolgens tijdens een ontmoeting heeft gedreigd dat zijn familie iets zou worden aangedaan en dat hij zich daarna gedwongen zag mee te werken aan de invoer van de container terwijl hij wel begreep dat daarin drugs waren verstopt. Ter ondersteuning van de gestelde dwang wijst de verdediging ten eerste naar de inhoud van een telefoongesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 4] op 26 maart 2014, waarin [medeverdachte 4] vraagt hoe het met het gezin van [verdachte] gaat, ten tweede naar de OVC-opname van 19 mei 2014, waarin [verdachte] tegen de chauffeur van de arrestantenbus zegt dat de medeverdachten hem bedreigen, en ten derde naar de twee keren dat [vrouw van verdachte] , de vrouw van verdachte, door onbekenden zou zijn aangesproken na de aanhouding van [verdachte] , en te verstaan zou zijn gegeven dat [verdachte] zijn mond moest houden.

De rechtbank overweegt het volgende. Niet kan worden uitgesloten dat een of meer medeverdachten hebben geprobeerd op enig moment het zwijgen van [verdachte] af te dwingen door hem te intimideren. Vanaf het moment van aanhouding is dat, gelet op de grote belangen, risico’s en repercussies die inherent zijn aan misdrijven als het onderhavige, zeker mogelijk en misschien zelfs niet onwaarschijnlijk. In die sleutel kunnen de OVC-opname van 19 mei 2014 en de waarschuwingen die [vrouw van verdachte] verklaart ontvangen te hebben, worden geplaatst. Dit betekent dat deze voorvallen mogelijk meer zeggen over de houding en gemoedstoestand van [verdachte] na de aanhouding dan over zijn wilsvrijheid ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten. In hoeverre het telefoongesprek met [medeverdachte 4] op 26 maart 2014 een bedreiging inhoudt is niet rechtstreeks uit te conversatie af te leiden, zodat zonder verdere aanknopingspunten uit het dossier, dit gesprek onvoldoende steunbewijs voor de stelling van verdachte levert.

Bij de beoordeling of het verweer kan slagen acht de rechtbank voorts het volgende van belang.

Uit de berichtenwisseling van een PGP-telefoon die is aangetroffen in de Volkswagen Golf die bij medeverdachte [medeverdachte 2] in gebruik was, blijkt dat er regelmatig wordt gesproken over ‘ [persoon] ’.

Zo wordt in een bericht van 20 maart 2014 gezegd dat er een bericht moet worden verstuurd naar [persoon] van de betaling van de vrachtgelden, en wordt er in een bericht van 21 maart 2014 gezegd ‘dat het nog niet hier in “antwerp” (…) is aangekomen (…) en dat die lading nog niet voor “ [persoon] ” geautoriseerd is.’ en ‘dat “ [persoon] ” zegt dat (…) het betalingsbewijs naar “ [naam] ” gebracht moet worden om er voor te zorgen dat antwerp de dozen vrij geven’.

Verder vertelt [verdachte] in een getapt gesprek op 27 maart 2014 te 10.26 uur aan [vrouw van verdachte] dat hij [zoon van verdachte] heeft gepingd dat hij ze moet zien. [verdachte] zegt dan: “Ja ja ik ga mijn zoon bellen, zegt tie, ik heb gezegd 12 uur bij de Kliniek, maar zegt tie ja weet ik niet.” In de PGP-telefoon is een bericht aangetroffen die om 11.02 uur op diezelfde dag is verstuurd met de inhoud “Wordt wakker, “ [persoon] ” wil je dringend in de kliniek om 12 uur zien”.

Uit de berichtenwisseling van 18 maart 2014 tussen 12.48 uur en 16.57 uur blijkt verder dat [persoon] boos is, dat hij tienduizend euro wil hebben en dat hij er anders mee stopt. Wanneer de berichten omtrent twee afspraken met [persoon] worden vergeleken met de paallocaties van het telefoonnummer [telefoonnummer] , die bij [verdachte] in gebruik is, blijkt dat de telefoon ten tijde van de twee ontmoetingen uitpeilt in de omgeving van de plaats waar de ontmoetingen plaatsvinden. Het gaat dan om afspraken op 17 maart 2014 en op 18 maart 2014. Dat het vermelde telefoonnummer bij [verdachte] in gebruik is kan worden vastgesteld, nu de paalbewegingen van dit nummer en het privénummer van [verdachte] steeds dezelfde zijn, de telefoon kapot getrapt is aangetroffen in de loods, het gevoerde telefoonverkeer uitsluitend bestond uit 1-op-1 contacten, en [verdachte] zelf heeft verklaard dat [medeverdachte 2] hem een telefoon heeft gegeven die zij als 1-op-1 lijn hebben gebruikt en dat [verdachte] de telefoon volgens instructie heeft kapot getrapt.

Uit bovenstaande feiten en omstandigheden concludeert de rechtbank dat [verdachte] de persoon is die in de berichtenwisseling van de PGP-telefoon [persoon] wordt genoemd, en degene is die op 18 maart 2014 tienduizend euro van de overige betrokkenen heeft geëist, onder de dreiging om er anders mee op te houden. Deze houding getuigt naar het oordeel van de rechtbank bepaald niet van een gemoedstoestand van iemand die bang is omdat hijzelf en zijn familie met de dood zijn bedreigd, en verhoudt zich derhalve moeilijk tot de stelling van de verdediging dat [verdachte] onder dwang meewerkte aan de invoer van de lading cocaïne. De rechtbank acht daarom niet aannemelijk geworden dat bij verdachte geen wilsvrijheid ten aanzien van de door hem verleende medewerking heeft bestaan. Het verweer wordt gelet op bovenstaande verworpen.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat het vereiste opzet ontbreekt omdat de wil en de handelingen van verdachte gericht waren op de invoer van de container met bananen en niet op de in de container verstopte cocaïne. De rechtbank verwerpt dit verweer. Verdachte was zich er immers van bewust dat zijn handelingen gericht op de invoer van de bananen, tegelijk met zich brachten dat in dezelfde container de cocaïne in Nederland kon worden ingevoerd. Reeds daarom moet hij geacht worden ook opzet op de invoer van de cocaïne te hebben gehad. Bovendien heeft verdachte gelet op hetgeen hierboven over het bedrag van tienduizend euro is overwogen ook financieel gewin in verband met de cocaïne voor ogen gehad.

Medeplegen

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet slechts faciliterende handelingen heeft verricht, maar dat sprake is geweest van een wezenlijke bijdrage aan de ten laste gelegde feiten. Daarvoor is van belang dat verdachte tijdens de voorbereidingen contact heeft gehad met medeverdachten, dat hij de inklaring en het wegtransport van de container heeft georganiseerd en dat zijn loods werd gebruikt om de container naartoe te brengen. Daarmee had verdachte een sleutelpositie voor het laten slagen van het drugstransport. De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake is geweest van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachten dat gesproken kan worden van medeplegen.

Voorbereidingsperiode

Hoewel uit het dossier naar voren komt dat verschillende verdachten vanaf september 2013 contacten hadden, bevat het dossier onvoldoende bewijs dat die contacten betrekking hadden op het voorbereiden van dit transport. Dit is anders vanaf 6 december 2013, omdat op die dag de PGP-telefoon in gebruik is genomen. Uit de inhoud van de berichten op deze telefoon volgt dat deze telefoon is gebruikt bij het voorbereiden van het transport.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde vanaf 6 december 2013 als medepleger heeft begaan.

4.3.2.

Deelname aan een criminele drugsorganisatie

Bij het beantwoorden van de vraag of sprake is van een criminele drugsorganisatie wordt vooropgesteld dat de enkele omstandigheid dat bewezen zal worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van (de voorbereiding van) de invoer van een grote partij cocaïne – feiten die een min of meer intensieve samenwerking impliceren – niet zonder meer betekent dat ook sprake is geweest van een criminele drugsorganisatie. Voor een criminele organisatie is vereist dat sprake is van een gestructureerd samenwerkingsverband, waarbij de duur van de samenwerking en de mate van structuur van belang zijn.

Ten aanzien van de duur van de samenwerking kan de rechtbank vaststellen dat van een samenwerking (kennelijk) in elk geval sprake was vanaf 6 december 2013, de datum waarop de PGP-telefoon in gebruik is genomen en dat deze samenwerking is geëindigd met de aanhouding van vier van de verdachten op 27 maart 2014. De verklaringen over de periode vanaf 1 september 2013 tot aan 6 december 2013 zijn wisselend en hebben bovendien ook betrekking op ontmoetingen tussen mensen die elkaar al langere tijd kennen, zodat de rechtbank ten aanzien van die eerste periode niet met voldoende zekerheid kan vaststellen dat reeds sprake was van een samenwerking tussen verdachten, die was gericht op het invoeren van cocaïne. Gerekend vanaf 6 december 2013 heeft de samenwerking nog geen vier maanden geduurd, terwijl niet is gebleken dat die samenwerking in het teken stond van het medeplegen van de invoer van meer dan één cocaïnetransport.

Op zichzelf betekent een korte samenwerking niet dat geen sprake kan zijn van een criminele organisatie, maar dan dient de korte tijdsperiode gecompenseerd te worden door een grotere mate van structuur binnen die organisatie. Uit het dossier en in het bijzonder uit de door de officier van justitie aangehaalde elementen blijkt wel dat sprake is geweest van enige mate van structuur, maar niet zodanig dat daarmee voldoende tegenwicht wordt geboden aan de relatief korte duur van de samenwerking. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gebleken van een criminele drugsorganisatie als bedoeld in – het huidige – artikel 11b van de Opiumwet. Gelet daarop zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het onder 3 ten laste gelegde.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II bij dit vonnis vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde

op tijdstippen in de periode van 18 maart 2014 tot en met 27 maart 2014, in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een handelshoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne;

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

in de periode van 6 december 2013 tot en met 27 maart 2014, in Nederland en in België, tezamen en in vereniging met anderen,

om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een aanzienlijke handelshoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, voor te bereiden, zich en anderen gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft trachten te verschaffen,

immers heeft hij, verdachte, en zijn mededaders tezamen en in vereniging met elkaar, toen en daar telkens opzettelijk,

  • -

    telefonische contacten gehad met betrekking tot het invoeren van een handelshoeveelheid cocaïne en

  • -

    afspraken gemaakt met personen met betrekking tot het invoeren van een handelshoeveelheid cocaïne en

  • -

    ontmoetingen gehad met personen met betrekking tot het invoeren van een handelshoeveelheid cocaïne.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1 primair, 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en zes maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat het beslag aan verdachte zal worden teruggegeven.

8.2.

Het strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om het onvoorwaardelijke strafdeel de duur van de reeds ondergane voorlopige hechtenis niet te laten overstijgen.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte en zijn medeverdachten hebben zich schuldig gemaakt aan het voorbereiden van de invoer en de daadwerkelijke invoer van cocaïne met een brutogewicht van 436,1 kilo. Hoewel de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen wat het nettogewicht van de cocaïne is geweest, is in elk geval sprake geweest van een partij cocaïne van enkele honderden kilo’s. Het is een feit van algemene bekendheid dat harddrugs ernstige schade kunnen berokkenen aan de gebruikers ervan en kunnen leiden tot ernstige verslavingsproblematiek. Bovendien gaat de handel in en het gebruik van harddrugs veelal gepaard met diverse vormen van overlastgevende (verwervings-)criminaliteit.

Daarnaast vertegenwoordigen enkele honderden kilo’s cocaïne een zeer grote straatwaarde. Het op de illegale markt komen van dergelijke partijen faciliteert de financiering van de georganiseerde misdaad en heeft een corrumperend effect op het financiële en economische verkeer. Deze omstandigheden maken dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een zeer ernstig vergrijp en het kan niet anders dan dat hierop wordt gereageerd met een forse gevangenisstraf.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf neemt de rechtbank voor het (mede)plegen van het invoeren van een dergelijke partij cocaïne een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren als uitgangspunt.

Vervolgens heeft de rechtbank ook gekeken naar de rol die verdachte bij de invoer heeft gehad. Verdachte heeft als importeur van de container met deklading een wezenlijke en onmisbare bijdrage geleverd aan de invoer van de cocaïne. Daarbij is niet aannemelijk geworden dat verdachte deze bijdrage heeft geleverd onder dwang. Uit het door verdachte gedane verzoek om tienduizend euro blijkt veeleer dat verdachte een actieve en volwaardige rol heeft gehad bij het invoeren van de cocaïne. De rechtbank ziet in de rol van verdachte dan ook geen aanleiding om ten gunste van verdachte van voornoemd uitgangspunt af te wijken.

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en in het bijzonder op een verdachte betreffend uittreksel van justitiële documentatie van 19 augustus 2015. Hieruit komt naar voren dat verdachte niet eerder is veroordeeld in het kader van de Opiumwet.

Alles overwegend is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie onvoldoende recht doet aan de wezenlijke bijdrage aan de strafbare feiten die verdachte naar het oordeel van de rechtbank heeft geleverd en daarom zal de rechtbank een hogere straf opleggen dan is gevorderd. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren gepast en zal die aan verdachte opleggen.

8.4.

Verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis

De verdediging heeft verzocht om de schorsing van de voorlopige hechtenis – die loopt tot aan de einduitspraak – ook na de einduitspraak te laten voortduren, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De officier van justitie heeft zich verzet tegen een hernieuwde schorsing van de voorlopige hechtenis.

De rechtbank wijst het verzoek tot een (hernieuwde) schorsing af. Uit de overige inhoud van dit vonnis volgt dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een zeer ernstig vergrijp. Verdachte zal tot een lange gevangenisstraf worden veroordeeld, waarvan hij nog een aanzienlijk deel moet uitzitten. Gelet daarop moet het maatschappelijk belang thans prevaleren boven de persoonlijke belangen van verdachte en zijn belang bij het in vrijheid afwachten van een eventueel hoger beroep.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47 en 56 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde

Voortgezette handeling van

- medeplegen van een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden door zich en een ander gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen,

en

- medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

1. Geld Euro 8.250,00

[nummer 2] inhoud uit de kluis

2 1.00 STK Dataschijf

DIGI MOB

[nummer 3]

3 1.00 STK Zaktelefoon

NOKIA 100

[nummer 4] Nokia telefoon

Wijst af het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.J. Dondorp, voorzitter,

mrs. K.A. Brunner en M.E.B. Nyman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C. Wolswinkel, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 oktober 2015.