Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:6674

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-09-2015
Datum publicatie
05-10-2015
Zaaknummer
C/13/593826 / KG ZA 15/1141 en C/13/593831 / KG ZA 15/1142
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eisers willen uitzending van een aflevering van het televisieprogramma Brandpunt Reporter voorkomen. In de voorgenomen uitzending wordt gebruik gemaakt van beeld- en geluidsopnamen die eiser 2 heimelijk van eiser 1 heeft gemaakt. Ook worden in de voorgenomen uitzending conclusies getrokken ten aanzien van de vraag of eiser 1 een of meer van de voorwaarden heeft overtreden die aan zijn invrijheidstelling zijn gesteld. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de belangen van de programmamakers bij uitzending van het programma zwaarder wegen dan de belangen van eisers bij eerbiediging van hun privacy.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2015/504
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

Vonnis in kort geding van 20 september 2015

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/13/593826 / KG ZA 15/1141 MW/EB van

[eiser 1] ,

woonplaats gekozen hebbende te Den Haag,

eiser bij conceptdagvaarding,

advocaten mr. M.R. Krul, mr. H.J. Dekker en mr. W. Jebbink te Den Haag,

tegen

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

KRO-NCRV,

gevestigd te Hilversum,

gedaagde, vrijwillig verschenen,

advocaten mr. J. van den Brink en mr. C. Wildeman te Amsterdam,

en

in de gelijktijdig behandelde zaak met zaaknummer / rolnummer: C/13/593831 / KG ZA 15/1142 MW/EB van

[eiser 2] ,

wonende te Amsterdam,

eiser bij conceptdagvaarding,

advocaat mr. O.M.B.J. Volgenant te Amsterdam,

tegen

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

KRO-NCRV,

gevestigd te Hilversum,

gedaagde, vrijwillig verschenen,

advocaten mr. J. van den Brink en mr. C. Wildeman te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser 1], [eiser 2] en KRO-NCRV worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Beide zaken zijn gevoegd behandeld ter terechtzitting van 20 september 2015. [eiser 1] en [eiser 2] hebben gevorderd overeenkomstig de aan dit vonnis gehechte conceptdagvaardingen. [eiser 1] heeft ter zitting zijn eis verminderd als na te melden. KRO-NCRV heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. Alle partijen hebben producties en pleitnota’s in het geding gebracht. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen. In verband met het spoedeisend karakter van de zaak is op 20 september 2015 mondeling de beslissing gegeven, op hoofdlijnen gemotiveerd. Het onderstaande vormt de schriftelijke uitwerking van die mondeling uitgesproken beslissing en is, zoals ter zitting aangekondigd, opgemaakt op 5 oktober 2015.


1.2. Ter zitting waren aan de kant van [eiser 1] aanwezig mrs. Krul, Dekker en Jebbink. [eiser 2] was aanwezig met mr. Volgenant. Aan de zijde van KRO-NCRV waren aanwezig, voor zover hier van belang, J. Versluis (van het programma Brandpunt Reporter), [verslaggever 1] (betrokken bij Crimesite, hierna: [verslaggever 1] ), [verslaggever 2] (verslaggever, werkzaam bij KRO-NCRV en betrokken bij Crossmedia Publishing B.V. welke vennootschap hierna Crossmedia zal worden genoemd), mr. A.A.J. van Dijk (bedrijfsjurist bij KRO-NCRV) alsmede mr. Van den Brink en mr. Wildeman.

2 De feiten in beide zaken

2.1.

[eiser 1] is op 18 juli 2003 door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 jaren voor de moord op Pim Fortuyn.

2.2.

Op 2 mei 2014 is [eiser 1] voorwaardelijk in vrijheid gesteld. Aan zijn vrijlating zijn algemene en bijzondere voorwaarden verbonden. Een van de bijzondere voorwaarden was een algeheel mediaverbod. Voorafgaand aan zijn vrijlating is [eiser 1] een bodemprocedure gestart om het besluit waarbij de bijzondere voorwaarden zijn opgelegd, op rechtmatigheid te laten toetsen. In kort geding heeft [eiser 1] gevorderd het besluit te schorsen totdat in de bodemprocedure is beslist. Bij vonnis van 30 juli 2014 heeft de voorzieningenrechter te Den Haag geoordeeld dat het voorkomen van onnodige maatschappelijke onrust, enerzijds ter beperking van het recidiverisico en anderzijds ter bevordering van resocialisatie, voldoende grond biedt voor oplegging van onder meer het mediaverbod. Op dit punt heeft de voorzieningenrechter het besluit niet geschorst. Deze beslissing is in hoger beroep bekrachtigd.

2.3.

Na zijn vrijlating hebben in juni 2014 in De Telegraaf foto’s gestaan van [eiser 1] op een Amsterdamse gracht.

2.4.

[eiser 1] en [eiser 2] – die toen nog door het leven ging onder de naam [voormalige naam van eiser 2] – hebben tegelijkertijd in detentie gezeten. [eiser 2] is negen jaar gedetineerd geweest, naar eigen zeggen ten onrechte. Zijn strafzaak is momenteel onderwerp van herziening bij de Hoge Raad.

2.5.

Na hun beider vrijlating heeft [eiser 2] heimelijk beeld- en geluidsopnamen gemaakt van een gesprek dat hij met [eiser 1] had gevoerd, met de bedoeling daarmee geld te verdienen.

2.6.

In verband met de lopende herzieningsprocedure is [eiser 2] op enig moment benaderd door Crimesite, een journalistiek platform met nieuws en achtergronden over misdaad, politie en justitie. [eiser 2] heeft Crimesite bij die gelegenheid gevraagd of zij belangstelling hadden voor de door hem gemaakte beeld- en geluidsopnamen van [eiser 1].

2.7.

Crimesite heeft [eiser 2] toen gevraagd of hij bereid was om tegen betaling een tweede gesprek met [eiser 1] te voeren en daarin een aantal door Crimesite gewenste onderwerpen ter sprake te brengen, welke gesprek ook weer heimelijk zou worden opgenomen. Op dat voorstel is [eiser 2] ingegaan. Dat heeft ertoe geleid dat op 25 april 2015 tussen [eiser 2] en Crossmedia een overeenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan [eiser 2] zich onder meer heeft verplicht – kort gezegd – de reeds gemaakte opnamen aan Crossmedia ter beschikking te stellen en een vervolggesprek met [eiser 1] te organiseren. Crossmedia heeft in deze overeenkomst het exclusieve recht verworven om de reeds gemaakte en nog te maken opnamen geheel of gedeeltelijk te openbaren via internet, radio, televisie en andere media en heeft zich verplicht zich er maximaal voor in te spannen dat de opnamen als eerste zouden worden geopenbaard via een journalistiek programma van de publieke omroep. Ook heeft Crossmedia zich verplicht om de identiteit van [eiser 2] in beginsel geheim te houden en hem niet herkenbaar in beeld te brengen. In totaal zou [eiser 2] een onkostenvergoeding van € 1.500,00 ontvangen.

2.8.

[eiser 2] is er in geslaagd in augustus 2015 een tweede gesprek met [eiser 1] te organiseren, van welk gesprek Crossmedia/Crimesite heimelijk opnamen heeft gemaakt.

2.9.

[eiser 2] en Crossmedia/Crimesite hebben daarna nog onderhandeld over een derde gesprek met [eiser 1]. [eiser 2] heeft zich bereid getoond om dat gesprek met [eiser 1] te organiseren, onder de voorwaarde dat Crossmedia geen gebruik zal maken van het eerdere opnamemateriaal totdat alle afspraken over het derde gesprek schriftelijk zijn vastgelegd en de financiële afhandeling heeft plaatsgevonden. Crossmedia/Crimesite heeft in dit verband op vrijdag 21 augustus 2015 aan [eiser 2] laten weten dat ze meer tijd nodig had om een definitieve beslissing te nemen over het al dan niet ontbinden van de eerste overeenkomst en het sluiten van een nieuw contract.

2.10.

In reactie daarop heeft [eiser 2] nog diezelfde dag aan [verslaggever 1] van Crimesite geschreven:

“Als je nu de garantie geeft dat je in de tussentijd geen gebruik maakt van het materiaal, of dat ik moet vrezen voor welke publicatie dan ook dan hou ik geduld. Het gaat erom dat ik nog andere dingen heb lopen die van groot belang zijn. Een publicatie op welke manier dan ook kan mij ernstige schade berokkenen.

Dus kun je een tijdspanne aangeven hoelang jullie denken nodig te hebben en belangrijker garandeer je dat er in de tussentijd geen enkele publicatie op welke manier dan ook plaatsvindt?”

2.11.

Bij e-mail van 24 augustus 2015 heeft [verslaggever 1] geantwoord:

“(…) We denken nog enkele weken nodig te hebben om tot een afgewogen beslissing te komen. Tot die tijd zullen wij het materiaal niet publiceren. (…)”

2.12.

Een e-mail van [eiser 2] aan Crimesite/Crossmedia van

15 september 2015 luidt als volgt:

“Ik ben terug. Ik wil nu graag weten waar ik aan toe ben. (…)

Gaat er een nieuwe deal gesloten worden?

Wat biedt men maximaal als ik in oktober afspreek en de 3 vragen gesteld krijg op audio dan wel video?

Jullie vragen wat ik wil ik zeg in totaal 10.000 voor alle materiaal dus dan hoor ik wel wat men biedt en wat er allemaal onder dit bedrag zou vallen.

Gaan jullie afzien van deel 1 en 2?

Gaarne nu specifiek en duidelijk reageren, ik ben er weer dus ik ga dit anders uit handen geven aan mijn advocaten omdat ik ook andere projecten heb lopen.”

2.13.

Op of kort voor 18 september 2015 heeft Crossmedia de opnamen ter beschikking gesteld van KRO-NCRV. Zij heeft laten weten dat zij delen van het materiaal wil gebruiken voor een uitzending van haar journalistieke programma Brandpunt Reporter.

2.14.

Op 18 september 2015 heeft [eiser 2] Crimesite gesommeerd te bevestigen dat zij de opnamen op geen enkele wijze zal gebruiken of aan derden ter beschikking zal stellen en dat zij, indien dat reeds is gebeurd, aan deze derden zal berichten dat de opnamen niet mogen worden gebruikt. In reactie op deze sommatie heeft Crimesite [eiser 2] doorverwezen naar de bedrijfsjurist van KRO-NCRV.

2.15.

De bedrijfsjurist van KRO-NCRV heeft de advocaat van [eiser 2] op 18 september 2015 bericht – kort gezegd – dat KRO-NCRV vooralsnog geen reden ziet om af te zien van openbaarmaking.

2.16.

Van een derde gesprek tussen [eiser 2] en [eiser 1] is het niet gekomen.

2.17.

Bij brief van 19 september 2015 aan Crimesite/Crossmedia heeft [eiser 2] de overeenkomst van 25 april 2015 buitengerechtelijk ontbonden op de gronden dat Crimesite misbruik van omstandigheden heeft gemaakt, [eiser 2] heeft gedwaald, [eiser 2] handelingsonbekwaam was en het doel van de samenwerking in strijd is met de goede zeden. In deze brief stelt [eiser 2] zich tevens op het standpunt, onder verwijzing naar de onder 2.10 en 2.11 weergegeven e-mails, dat het Crimesite/Crossmedia ook op grond van tussen hen bestaande afspraken niet is toegestaan het materiaal te publiceren.

2.18.

KRO-NCRV is voornemens in de avond van zondag 20 september 2015 een aflevering van Brandpunt Reporter uit te zenden waarin delen van de heimelijk gemaakte opnamen zullen worden gebruikt.

3 De vorderingen in beide zaken

3.1.

[eiser 1] en [eiser 2] vorderen, kort gezegd, KRO-NCRV op straffe van verbeurte van dwangsommen te verbieden het programma, althans de door [eiser 2] gemaakte beelden uit te zenden. [eiser 1] heeft zijn vordering om KRO-NCRV te veroordelen de opnamen te vernietigen, ter zitting ingetrokken.

3.2.

Aan hun vorderingen leggen [eiser 1] en [eiser 2] ten grondslag, samengevat weergegeven, dat uitzending van de beelden onrechtmatig jegens hen is en hun belang bij eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer zwaarder weegt dan het belang van KRO-NCRV bij vrijheid van nieuwsgaring. Ook stellen zij dat uitzending van de beelden een inbreuk op hun portretrecht zou opleveren.

3.3.

KRO-NCRV voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen zal, voor zover van belang, bij de beoordeling worden ingegaan.

4 De beoordeling in beide zaken

4.1.

Nu KRO-NCRV voornemens is het programma op 20 september 2015 uit te zenden, is het spoedeisend belang van [eiser 1] en [eiser 2] gegeven.

4.2.

De standpunten van [eiser 1] en [eiser 2] lopen grotendeels gelijk. Die standpunten zullen hierna, vanaf 4.6 worden besproken. Voor [eiser 2] zijn bijkomende argumenten om uitzending te voorkomen (i) dat hij de overeenkomst op grond waarvan Crossmedia gerechtigd was de opnamen te gebruiken, heeft ontbonden en (ii) dat Crossmedia/Crimesite heeft beloofd de opnamen voorlopig niet te publiceren. Daarover het volgende.

4.3.

[eiser 2] stelt dat de overeenkomst met Crossmedia tot stand is gekomen in een periode waarin hij dakloos was en ernstig verslaafd aan drugs en gokken. Hij stelt dat hij destijds handelingsonbekwaam was, omdat hij niet in staat was de gevolgen van zijn daden te overzien. Crossmedia/Crimesite heeft misbruik gemaakt van de kwetsbare financiële en geestelijke situatie waarin hij zich bevond, aldus [eiser 2] . Hij stelt dat hij, nadat hij medio 2015 weer een dak boven zijn hoofd had en van zijn verslavingen was afgekickt, besefte welke fout hij heeft gemaakt en spijt kreeg van het samenwerken met Crossmedia/Crimesite. Dat is voor hem reden geweest om de overeenkomst te ontbinden.

4.4.

Overwogen wordt als volgt. [eiser 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij handelingsonbekwaam was ten tijde van het sluiten van de overeenkomst met Crossmedia. Uit de overgelegde stukken blijkt dat [eiser 2] nog maar zeer kort geleden, medio september 2015, met Crossmedia/Crimesite in onderhandeling was over een derde gesprek met [eiser 1], waarvoor hij een aanzienlijke vergoeding wilde hebben. Dat hij medio 2015 tot inkeer is gekomen, is niet te rijmen met deze recente onderhandelingen. [eiser 2] heeft hiervoor als verklaring gegeven dat hij op advies van zijn strafadvocaat een onredelijk hoge eis heeft gesteld om te bewerkstelligen dat Crossmedia/Crimesite niet met hem verder wilde, zodat hij een kort geding zou kunnen starten om de eerste twee sets opnamen van tafel te krijgen. Deze verklaring is – in ieder geval voor de voorzieningenrechter – niet goed te begrijpen. Met een blijk van inkeer is de verklaring ook niet goed te verenigen. Voorshands is al met al niet aannemelijk dat het beroep van [eiser 2] op zijn handelingsonbekwaamheid kans van slagen heeft. Hetzelfde geldt voor het beroep van [eiser 2] op het bestaan van enig wilsgebrek of het beroep op de nietigheid van de overeenkomst. Vooralsnog wordt het er dan ook voor gehouden dat de overeenkomst met Crossmedia nog steeds van kracht is en dat Crossmedia gerechtigd was het opnamemateriaal aan KRO-NCRV ter beschikking te stellen. Maar zelfs als Crossmedia daartoe niet gerechtigd was, dan nog geldt – zoals KRO-NCRV terecht heeft aangevoerd – dat het al dan niet rechtmatig verkrijgen van opnamemateriaal moet worden losgekoppeld van de vraag of uitzending van dat materiaal al dan niet rechtmatig is.

4.5.

Dat een door Crossmedia/Crimesite gedane belofte in de weg staat aan de voorgenomen uitzending, acht de voorzieningenrechter evenmin aannemelijk. Op

24 augustus 2015 heeft Crossmedia/Crimesite aan [eiser 2] laten weten dat zij niet tot publicatie zou overgaan voordat zij een afgewogen beslissing zou hebben genomen, hetgeen naar verwachting nog enkele weken zou duren. Vooralsnog zijn er geen aanwijzingen dat Crossmedia zich niet aan deze belofte heeft gehouden. Gesteld noch gebleken is immers dat zij het materiaal heeft gepubliceerd (of heeft bijgedragen aan publicatie daarvan) voordat zij dat rond 18 september 2015 – en dus enige weken later – aan KRO-NCRV overdroeg. Een verderstrekkende belofte kan in de e-mail van 24 augustus 2015 niet worden gelezen.

4.6.

Tot zover de alleen door [eiser 2] aangevoerde grondslagen. Bij de beoordeling (voor het overige) van de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] is uitgangspunt dat toewijzing van een of meer van deze vorderingen in beginsel een beperking inhoudt van het in artikel 10 lid 1 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) neergelegde grondrecht van KRO-NCRV op vrijheid van meningsuiting, waaronder mede de persvrijheid wordt begrepen. Een dergelijk recht kan slechts worden beperkt indien dit bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM). Van een beperking die bij de wet is voorzien is sprake, wanneer de berichtgeving door KRO-NCRV onrechtmatig is in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voor het antwoord op de vraag welk recht – het recht op vrije meningsuiting of het recht op de eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer – in dit geval zwaarder weegt, moeten de wederzijdse belangen van partijen worden afgewogen.

4.7.

Het belang van KRO-NCRV is dat zij zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend moet kunnen uitlaten over misstanden die de samenleving raken. Het belang van [eiser 1] en [eiser 2] is erin gelegen dat zij niet lichtvaardig worden blootgesteld aan voor hen ongewenste publiciteit omtrent hun privé-gegevens en privé-situatie. Welk van deze belangen, die in beginsel gelijkwaardig zijn, de doorslag behoort te geven, hangt af van de omstandigheden van het geval.

4.8.

In beginsel heeft KRO-NCRV de vrijheid om een misstand onder de aandacht van het publiek te brengen op de wijze die haar goeddunkt, zodat bij de toetsing van de wijze waarop het programma is samengesteld, terughoudendheid moet worden betracht.

4.9.

Blijkens de verklaringen van KRO-NCRV ter zitting wordt in de reportage van Brandpunt Reporter de vraag aan de orde gesteld of [eiser 1] zich houdt aan de voorwaarden die zijn gesteld aan zijn voorwaardelijke invrijheidstelling. Met name gaat het om de vraag of hij het mediaverbod heeft overtreden door medio 2014 foto’s van zichzelf toe te spelen aan De Telegraaf. Ook komt in de reportage aan de orde dat [eiser 1] in de visie van de programmamakers zijn resocialisatie tegenwerkt, terwijl resocialisatie een van de doelen is van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidsstelling. Resocialisatie kan immers bijdragen aan het voorkomen van recidive; het hoofddoel van voornoemde regeling. Deze in de reportage aan te kaarten onderwerpen vormen naar het oordeel van de voorzieningenrechter kwesties van maatschappelijk belang.

4.10.

Vanwege de ernst van het door [eiser 1] gepleegde misdrijf en de grote maatschappelijke gevolgen daarvan, zal de Nederlandse samenleving naar verwachting blijvend belangstelling hebben voor de handelingen in woord en daad van [eiser 1]. Aannemelijk is dat [eiser 1] in de heimelijk opgenomen gesprekken uitlatingen doet die in verband kunnen worden gebracht met de bijzondere voorwaarden die aan zijn vrijlating zijn gesteld. [eiser 1] en [eiser 2] hebben dat in ieder geval niet betwist, zij zijn het alleen oneens met de conclusies die de programmamakers daaraan verbinden, waarover hierna meer. Ook is aannemelijk dat de uitzending grotendeels op deze beelden is gebaseerd. Aan de hand van de toelichting die ter zitting is gegeven van de zijde van KRO-NCRV en van [eiser 2] (waarover onder punt 4.2 tot en met 4.4 van de beoordeling reeds het nodige is overwogen) zijn er geen aanwijzingen dat de programmamakers niet te goeder trouw konden komen tot hun keuze voor gebruikmaking van het beeldmateriaal. Zonder deze beelden zou de boodschap van de programmamakers vermoedelijk minder of onvoldoende zeggingskracht hebben en de aard van de onthullingen in de voorgenomen uitzending rechtvaardigt het gebruik van de beelden. Om deze reden faalt ook het beroep van [eiser 1] op zijn portretrecht. Overigens is [eiser 1] al regelmatig herkenbaar in de publiciteit geweest en staan opnamen van zijn stem op internet, zodat ook zonder de uitzending – waarin het gezicht van [eiser 1] volgens de programmamakers overigens zal worden geblurd – voor het Nederlandse publiek eenvoudig te achterhalen is hoe hij eruit ziet. Dat het resocialisatieproces van [eiser 1] mogelijk zal worden bemoeilijkt door de uitzending omdat hij dan weer in een negatief daglicht wordt gesteld bij het Nederlandse publiek, levert tegen de hiervoor geschetste achtergrond bezien onvoldoende grond op om uitzending te verbieden.

4.11.

Concreet hebben [eiser 1] en [eiser 2] bezwaar gemaakt tegen de conclusie in de uitzending dat [eiser 1] één of meer bijzondere voorwaarden heeft overtreden. Zij wijzen er daarbij op dat het Openbaar Ministerie toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en [eiser 1] stelt dat het Openbaar Ministerie de conclusie van niet-naleving niet heeft getrokken. Daarom is het volgens [eiser 1] en [eiser 2] niet toelaatbaar dat de programmamakers dat wel doen. Met deze stellingname miskennen [eiser 1] en [eiser 2] echter dat de media zich opiniërend mogen uitlaten wanneer, zoals hier het geval lijkt, het beschikbare feitenmateriaal daar voldoende basis voor biedt.

4.12.

[eiser 2] stelt nog dat hij, ook al is het onherkenbaar, niet in de uitzending mag worden getoond en dat niet mag worden gezegd dat hij € 1.500,00 heeft ontvangen voor de heimelijk gemaakte opnamen. Omdat de uitzending volgens KRO-NCRV geen diffamerende uitlatingen over hem bevat en er vooralsnog geen reden is om dat te betwijfelen, gaat deze stelling echter te ver. De eerbiediging van het privéleven van [eiser 2] is voldoende gewaarborgd doordat hij onherkenbaar in beeld wordt gebracht. Dat hij mogelijk in kleine kring zal worden herkend, maakt dat niet anders. Vooralsnog is er geen reden om in twijfel te trekken dat niet alleen het gezicht van [eiser 2] , maar ook zijn lichaam geheel zal worden geblurd en dat zijn stem zal worden vervormd. Onder die omstandigheden is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van een portret in de zin van artikel 21 Auteurswet. Gesteld noch gebleken is dat uit hetgeen verder nog op de opnamen te zien en te horen is, de identiteit van [eiser 2] zou kunnen worden afgeleid. Ook het beroep van [eiser 2] op zijn portretrecht zal om deze reden worden verworpen.

4.13.

Al het voorgaande afwegende, prevaleert het belang van KRO-NCRV bij uitzending van de heimelijk gemaakte opnamen boven dat van [eiser 1] en [eiser 2] bij eerbiediging van hun privacy. De vorderingen zijn dan ook niet toewijsbaar.

4.14.

Als de in het ongelijk gestelde partijen zullen [eiser 1] en [eiser 2] worden veroordeeld in de proceskosten. In beide zaken worden de proceskosten aan de zijde van KRO-NCRV (per zaak) begroot op:

- griffierecht € 613,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.429,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/13/593826 / KG ZA 15/1141

5.1.

weigert de gevraagde voorzieningen,

5.2.

veroordeelt [eiser 1] in de proceskosten, aan de zijde van KRO-NCRV tot op heden begroot op € 1.429,00,

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/13/593831 / KG ZA 15/1142

5.4.

weigert de gevraagde voorzieningen,

5.5.

veroordeelt [eiser 2] in de proceskosten, aan de zijde van KRO-NCRV tot op heden begroot op € 1.429,00,

5.6.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Walraven, voorzieningenrechter civiel, bijgestaan door mr. E. van Bennekom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 september 2015.1

1 type: eB coll: BB