Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:6670

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-10-2015
Datum publicatie
09-10-2015
Zaaknummer
13/674081-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Bewijsminimum. Geen steunbewijs voor de verklaring van aangeefsters dat verdachte hen in de trein heeft betast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/674081-15

Datum uitspraak: 1 oktober 2015

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Iran) op [geboortedatum] 1966,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres, te plaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

1.1.

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 september 2015.

1.2.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. K.F.E. den Hartog, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. Th. M. van Angeren, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

ten aanzien van feit 1

hij op of omstreeks 8 maart 2014 te Den Haag en/of Amsterdam en/of Leiden, in elk geval in Nederland door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [persoon 1] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers is hij steeds dichter bij haar gaan zitten en/of heeft zijn been steeds tegen haar been aangeduwd en/of zijn schouder tegen haar schouder aangeduwd en/of zijn hand tussen haar benen bijna tegen haar vagina aan gelegd;

ten aanzien van feit 2

hij op of omstreeks 16 maart 2014 te Zwolle en/of Amsterdam en/of Duivendrecht, in elk geval in Nederland, door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [persoon 2] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers is hij naast haar gaan zitten en/of

naar haar geschoven en/of heeft hij zijn jas over zijn been en haar knie gelegd en/of haar (boven)been gestreeld en/of dicht tegen haar aan gezeten en/of zijn grip verstevigd en/of in haar (boven)been geknepen;

ten aanzien van feit 3

hij op of omstreeks 29 juni 2011 te Amsterdam door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [persoon 3] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers is hij naast haar gaan zitten en heeft met zijn hand over haar (boven)been gestreeld en ging nadat zij hem had weggeduwd, verder met zijn hand over haar been en/of kwam met zijn hand over haar borst.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde feit. De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie, evenmin bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft gepleegd. Daartoe wordt als volgt overwogen.

Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal (Hoge Raad, 26 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2094). Ten aanzien van de aan verdachte verweten gedragingen bevinden zich in het strafdossier verklaringen van de aangevers [persoon 1] en [persoon 2] . Deze verklaringen vinden naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende steun in de andere stukken in het dossier. De aanwezigheid van verdachte in de trein (feit 1) of op het perron (feit 2) kan niet als ondersteunend voor enige strafbare gedraging worden aangemerkt, aangezien verdachte zijn aanwezigheid nimmer heeft ontkend. De getuigenverklaring van [getuige] ten aanzien van feit 1, die inhoudt dat aangeefster [persoon 1] in de trein hevig geëmotioneerd was, kan evenmin worden aangemerkt als steunbewijs. Deze verklaring kan wellicht worden beoordeeld als ondersteunend voor de betrouwbaarheid van de aangifte, maar de waarneming van de getuige is uiteindelijk slechts terug te voeren op dezelfde bron: aangeefster. Anders gezegd: een bevestiging van de verklaring van aangeefster kan niet louter gevonden worden in de door haar geuite emotie.

Verdachte zal bij gebrek aan bewijs van de feiten 1, 2 en 3 worden vrijgesproken.

5 Ten aanzien van de benadeelde partij

Nu aan verdachte – zonder toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht – geen straf of maatregel wordt opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij [persoon 1] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk is.

6 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart [persoon 1] niet-ontvankelijk in haar vordering tot schadevergoeding.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Piena, voorzitter,

mrs. H.E. Spruit en R.A.J. Hübel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.S. Janse van Mantgem, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 oktober 2015.