Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:6551

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-09-2015
Datum publicatie
01-10-2015
Zaaknummer
13/661169-11 (ontneming)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeelde dient een wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat te betalen van € 26.047,34. Bij vonnis van 27 december 2012 is veroordeelde veroordeeld tot diefstal van bankpassen gepleegd met anderen waarmee meermalen is gepind bij winkels die luxegoederen verkopen. Geen van de veroordeelden heeft een verklaring afgelegd over de verdeling van de opbrengsten uit bovenbedoelde misdrijven. Nu uit het vonnis volgt dat bij twee van de drie veroordeelden luxegoederen zijn aangetroffen, waarvan het aannemelijk is dat deze kunnen worden aangemerkt als voordeel van deze misdrijven en niet als gemeenschappelijk voordeel, bestaat er echter toch een aanknopingspunt om te komen tot een verdeling die afwijkt van een volledig pondspondsgewijze verdeling. De rechtbank overweegt voorts dat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn nu voldoende voortvarend is berecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/661169-11 (ontneming)

Datum uitspraak: 24 september 2015

Tegenspraak

VONNIS

Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/661169-11, tegen:

[veroordeelde] , hierna te noemen [veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres, te plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 13 augustus 2015.

Ter terechtzitting van 13 augustus 2015 heeft de officier van justitie haar vordering gewijzigd in dier voege dat zij het totale ontnemingsbedrag nog steeds stelt op € 40.080,30,1 zoals ook in de oorspronkelijke vordering is gesteld, maar dat dit bedrag niet hoofdelijk dient te worden opgelegd maar dat een pondspondsgewijze verdeling dient plaats te vinden.

2 De vordering

De vordering van de officier van justitie van 24 december 2014 en gewijzigd op de zitting van 13 augustus 2015 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht op € 26.047,34. Daarop dient een korting plaats te vinden van tien procent in verband met schending van de redelijke termijn, waardoor een totaal op te leggen bedrag overblijft van € 23.442,60.

Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, verstaat de rechtbank de vordering aldus dat deze betreft de feiten waarvoor [veroordeelde] in de onderliggende strafzaak is veroordeeld.

3 Grondslag van de vordering

[veroordeelde] is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 27 december 2012 veroordeeld ter zake van de volgende strafbare feiten.
ten aanzien van feit 1:

diefstal door twee of meer verenigde personen;

ten aanzien van feit 2:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd.

Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld waarna dit arrest op 18 december 2013 onherroepelijk is geworden.

4 Het wederrechtelijk verkregen voordeel

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

Uit het vonnis blijkt dat veel van de aangeschafte goederen bij de veroordeelde thuis zijn aangetroffen. Dat wijst erop dat een verdeling van de aangeschafte goederen heeft plaatsgevonden. De mededaders hebben daardoor niet gezamenlijk gedurende zekere tijd over de gehele buit kunnen beschikken. De aankoopwaarde van de goederen die onder de veroordeelde zijn aangetroffen, ter waarde van € 19.330,85, kan derhalve niet aan de medeveroordeelden [medeveroordeelde 1] en [medeveroordeelde 2] worden toegerekend.

Uit het vonnis volgt tevens dat een Blackberry Bold die op 24 september 2011 is aangeschaft voor € 599,99 aan de medeveroordeelde [medeveroordeelde 1] kan worden toegerekend. Deze telefoon is immers na aankoop in gebruik genomen door het mobiele nummer dat eindigt op [nummer] en dat in het vonnis wordt gekoppeld aan de medeveroordeelde [medeveroordeelde 1] . Dit nummer peilt op de dag van de aankoop uit nabij zijn woning.

Het overige behaalde voordeel van € 20.149,46 dient pondspondsgewijs te worden verdeeld nu vast staat dat alle drie de veroordeelden van de feiten waarvoor zij zijn veroordeeld, hebben geprofiteerd, maar er geen indicatie is voor de verdeling van dit deel van de opbrengst.

4.2.

Het standpunt van de raadsman

Het vonnis bevat geen aanwijzingen dat een deel van de aangeschafte goederen kan worden toegeschreven aan veroordeelde. Er wordt immers enkel gesproken over goederen die een sterke gelijkenis vertonen met de aangekochte goederen. In ieder geval dient de ontnemingsvordering niet hoofdelijk te worden toegewezen, maar dient deze pondspondsgewijs te worden verdeeld, met dien verstande dat het deel dat de officier van justitie pondspondsgewijs wil verdelen niet ook nog aan veroordeelde dient te worden toegerekend.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. Kan dit voordeel niet aanstonds worden vastgesteld dan dient de rechter op basis van alle hem bekende omstandigheden van het geval, zoals de rol die de onderscheiden daders hebben gespeeld en het aantreffen van het voordeel bij één of meer van hen, te bepalen welk deel van het totale voordeel aan elk van hen moet worden toegerekend. Indien de omstandigheden van het geval onvoldoende aanknopingspunten bieden voor een andere toerekening, kan dit ertoe leiden dat het voordeel pondspondsgewijs wordt toegerekend.

Alleen indien wederrechtelijk verkregen voordeel als ‘gemeenschappelijk voordeel’ kan worden aangemerkt waarover ieder van de mededaders kan beschikken of heeft kunnen beschikken, tast oplegging van een hoofdelijke betalingsverplichting het karakter van de ontnemingsmaatregel niet aan. (ECLI:NL:HR:2015:881).

De rechtbank zal bij de beoordeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgaan van het vonnis van 27 december 20122. Hieruit volgt dat met de gestolen bankpassen meermalen is gepind bij winkels die luxegoederen verkopen, in het bijzonder kledingwinkels. De rechtbank heeft in haar vonnis op basis van camerabeelden en peillocaties verbanden gelegd tussen een deel van deze pintransacties en de veroordeelden. Uit het vonnis volgt ook dat een groot aantal luxegoederen, in het bijzonder kledingartikelen, of aankoopbonnen daarvan is aangetroffen bij veroordeelde. Bovendien zijn in zijn telefoon foto’s aangetroffen waarop hij met dergelijke goederen staat afgebeeld. De rechtbank heeft in haar vonnis eveneens verbanden gelegd tussen een deel van de pintransacties enerzijds en de aangetroffen goederen en aankoopbonnen bij veroordeelde anderzijds. De rechtbank heeft de drie veroordeelden overigens niet alleen verantwoordelijk gehouden voor bovenbedoelde pintransacties, maar ook voor de overige pintransacties, omdat die zijn verricht vlak voor of na de transacties waarvoor wel bewijzen van betrokkenheid van de veroordeelden zijn.

Geen van de veroordeelden heeft een verklaring afgelegd over de verdeling van de opbrengsten uit bovenbedoelde misdrijven. Over de rol van de deelnemers merkt het gerechtshof op dat de rol van veroordeelde groter was dan die van de medeveroordeelde [medeveroordeelde 1] . Deze omstandigheid is echter onvoldoende concreet om daar een verdeling op te baseren. Gelet op het feit dat bij twee van de veroordeelden luxegoederen zijn aangetroffen, waarvan het aannemelijk is dat deze kunnen worden aangemerkt als voordeel van deze misdrijven en niet als gemeenschappelijk voordeel, bestaat er echter toch een aanknopingspunt om te komen tot een verdeling die afwijkt van een volledig pondspondsgewijze verdeling. De rechtbank zal de aangetroffen luxegoederen rekenen tot het voordeel van de veroordeelde bij wie deze goederen zijn aangetroffen.

Uit het vonnis blijkt dat bij veroordeelde de volgende goederen met een totale waarde van € 19.330,85 zijn aangetroffen.

A) Horloge merk Audemars Piquet, verkregen bij de firma [naam 1] te Antwerpen.

Aankoopbedrag € 13.750,-.

C) Petten met Obey en t-shirt merk Matrix, verkregen bij de firma [naam 2] te Amsterdam. Aankoopbedrag: € 91,85.

F) Winterjas en t-shirt merk Dsquared en PRPS, verkregen bij de firma [naam 3]

te Amsterdam. Aankoopbedrag: € 1.907,-.

G) Drie riemen, een sjaal en een paar sneakers merk Gucci , verkregen bij de firma

[naam 4] te Amsterdam. Aankoopbedrag € 1.190,-.

H) Riem en Buckie merk [naam 5] , verkregen bij dc firma [naam 5] te Amsterdam.

Aankoopbedrag: € 743,-.

C) Jas met bontkraag merk Dsquared, verkregen bij de firma [naam 3] te Amsterdam. Aankoopbedrag € 1.649,-.

Uit het vonnis blijkt dat bij de medeveroordeelde [medeveroordeelde 1] een aangeschafte mobiele telefoon van het merk Blackberry Bold ter waarde van € 599,99 is aangetroffen. Dat deze telefoon aan hem kan worden toegerekend, blijkt uit het feit dat deze telefoon op de dag van de aankoop uitpeilt nabij de woning van [medeveroordeelde 1] en in gebruik wordt genomen door een nummer dat aan hem wordt gekoppeld.

Van het overige bedrag, te weten € 20.149,45, is de rechtbank van oordeel dat aan de hand van het dossier en/of het verhandelde ter terechtzitting geen indicatie is vast te stellen voor de verdeling van de opbrengst. Ten aanzien van dit bedrag dient derhalve een pondspondsgewijze verdeling plaats te vinden over de drie veroordeelden.

Het wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt voor veroordeelde op basis van het vorenstaande:

(€ 20.149,45 / 3) + € 19.330,85 = € 26.047,34

Veroordeelde heeft uit de baten van voornoemde strafbare feiten voordeel verkregen, dat de rechtbank gelet op het voorgaande vaststelt op € 26.047,34.

De raadsman heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan om een schriftelijke conclusiewisseling te gelasten als de rechtbank het verdelingsvoorstel van de officier van justitie ter zitting zou willen volgen. De rechtbank stelt vast dat de voorwaarde, waaronder dit verzoek is gedaan, is vervuld en dat het voorwaardelijke verzoek van de raadsman aan het noodzaakscriterium moet worden getoetst, aangezien dit eerst op de zitting is gedaan. De rechtbank is van oordeel dat de noodzaak tot een schriftelijke conclusiewisseling ontbreekt. De raadsman stelt zich op het standpunt dat hij voorafgaand aan de zitting geen kennis heeft kunnen nemen van de ingediende conclusie van antwoord van de raadsman van de medeveroordeelde [medeveroordeelde 1] , op grond waarvan de officier van justitie haar standpunt heeft gewijzigd. Het vonnis van de rechtbank van 27 december 2012 in de strafzaak van veroordeelde verschaft echter op dit punt dezelfde informatie als voornoemde conclusie van antwoord en daarvan heeft de raadsman wel kennis kunnen nemen. De rechtbank wijst het voorwaardelijke verzoek af.

5 De verplichting tot betaling

5.1

Het standpunt van de officier van justitie

Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008 (NJ 2008, 358) leidt overschrijding van de redelijke termijn tot een mindering op de betalingsverplichting. De ontnemingsvordering is in de onderhavige zaak op 24 juli 2012 aangekondigd. Tussen aankondiging van de ontnemingsvordering en heden zit een periode van drie jaar en twee weken. Dat betekent dat de redelijke termijn met iets meer dan een jaar is overschreden hetgeen betekent dat een korting van tien procent moet worden toegepast.

Het openbaar ministerie vordert daarom dat de rechtbank oplegt tot betaling aan de staat een bedrag van € 26.047,34 – 10 % = € 23.442,60.

5.2.

Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft bepleit dat de redelijke termijn is overschreden nu de ontnemingszaak niet binnen twee jaar is afgerond, gerekend vanaf het moment dat de ontnemingsvordering is aangekondigd op 24 juli 2012. Derhalve dient een korting van tien procent te worden toegepast.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Veroordeelde heeft recht op berechting van zijn ontnemingszaak binnen een redelijke termijn. Deze termijn is in deze zaak aangevangen op 24 juli 2012 toen de officier van justitie heeft aangekondigd een ontnemingsvordering aanhangig te zullen gaan maken. Als uitgangspunt geldt dat op een ontnemingsvordering binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn in eerste aanleg moet zijn beslist. De duur van de redelijke termijn in een zaak is echter altijd afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Specifiek voor ontnemingszaken geldende omstandigheden kunnen meebrengen dat meer dan twee jaar kunnen zijn verlopen zonder dat van een overschrijding van de redelijke termijn kan worden gesproken. Zo is de afdoening van een ontnemingszaak mede afhankelijk van de termijn die met de behandeling van de strafzaak is gemoeid en kan een ontnemingszaak op grond van artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering nog uiterlijk twee jaar na de uitspraak in eerste aanleg aanhangig worden gemaakt. De vraag is dan ook of deze ontnemingszaak, nadat de ontnemingsvordering op 24 december 2014 binnen deze termijn aanhangig was gemaakt, voldoende voortvarend is berecht. De rechtbank is van oordeel dat dit zo is. Op 11 februari 2015, anderhalve maand na de ontnemingsvordering, is de zaak immers al op een regiezitting behandeld, waar de termijnen voor een schriftelijke conclusiewisseling zijn bepaald. Vervolgens is de zaak binnen vijf maanden na de laatste conclusie op een inhoudelijke zitting behandeld. De rechtbank is op grond van het voorgaande dan ook van oordeel dat in deze ontnemingszaak geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn.

6 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

7 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 26.047,34.

Legt op aan [veroordeelde] de verplichting tot betaling van € 26.047,34 (zessentwintigduizendzevenenveertig euro en vierendertig cent) aan de Staat.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Knol, voorzitter,

mrs. P.J. van Eekeren en M.R.J. van Wel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.S. Janse van Mantgem, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 september 2015.

1 Financieel rapport van 23 december 2014, opgemaakt door rapporteur [persoon] .

2 Rb Amsterdam, d.d. 27 december 2012, parketnummer: 13/661169-11