Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:6382

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-09-2015
Datum publicatie
11-03-2021
Zaaknummer
AWB - 15 _ 3029
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

“Te laat bezwaar door omwonenden verschoonbaar door onduidelijke rechtsmiddelenclausule in publicatieblad.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 15/3029

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 september 2015 in de zaak tussen

[eisers]

[eisers] ,

allen te Amsterdam, hierna gezamenlijk: eisers

(gemachtigde: mr. E. Schermerhorn),

en

het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Oost van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. C. Waal).

Als derde-partij is bij dit geding betrokken: [aanvragers] , te Amsterdam, aanvragers.

Procesverloop

Bij besluit van 7 november 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van de aanvragers om het woonschip [naam 1] te vervangen door woonschip [naam 2] toegewezen door een ligplaatsontheffing te verlenen en te gedogen dat het woonschip wordt vervangen zonder omgevingsvergunning.

Bij besluit van 13 april 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder met overname van het advies van de bezwaaradviescommissie het bezwaar van eisers kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2015. Aan de kant van eisers zijn verschenen [eisers] , bijgestaan door mr. F.J. Jacobs als waarnemer van eisers’ gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De derde-partij is met bericht van verhindering niet verschenen.

Overwegingen

1.1.

Op 10 november 2014 heeft verweerder het primaire besluit verzonden aan de aanvragers.

1.2.

Op 3 december 2014 is op de website van Stadsdeel Oost van de gemeente Amsterdam en op de website van het huis-aan-huisblad ‘de Echo’ gepubliceerd dat verweerder het primaire besluit heeft genomen (de publicatie). De tekst van deze publicatie, onder de titel ‘Bekendmakingen 3 december 2014 - Stadsdeel Oost’, luidt, voor zover van belang, als volgt:
“[Verweerder] maakt bekend, dat zij besloten heeft voor de volgende aanvragen voor het vervangen van een woonboot; een Wabo-gedoogbeschikking en een ontheffing (…) af te geven: - Levantkade 216, 1019 BG, TL, kenmerk (…), ingediend: 20 oktober 2014, verzonden: 10 november 2014, vervanging woonboot ‘ [naam 1] ’ door woonboot ‘ [naam 2] ’.
Een belanghebbende bij deze besluiten kan (…) binnen zes weken na de dag van bekendmaking van het besluit, daartegen een gemotiveerd bezwaarschrift indienen (…). Amsterdam, 3 december 2014 (…)”.

1.3.

Verweerder heeft het bezwaarschrift van eisers ontvangen op 13 januari 2015.

2. In het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende advies van de bezwaaradviescommissie is – kort gezegd – overwogen dat verweerder het bezwaarschrift van eisers na afloop van de bezwaartermijn heeft ontvangen en dat deze termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.

3.1.

Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Artikel 6:8, eerste lid, van de Awb bepaalt dat de termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Op grond van artikel 6:9 van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Artikel 6:11 van de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.

4.1.

Met verweerder stelt de rechtbank vast dat het primaire besluit bekend is gemaakt door toezending aan aanvragers op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb. Dat betekent dat de bezwaartermijn is aangevangen op 11 november 2014 en geëindigd op 22 december 2014. Hieruit volgt dat het bezwaarschrift van eisers te laat is ontvangen.

4.2.

De rechtbank is met eisers van oordeel dat deze termijnoverschrijding echter verschoonbaar is. In het belang van de rechtzoekende is een bestuursorgaan namelijk verplicht om belanghebbenden op een correcte en volledige wijze op de bestaande bezwaar- en beroepsmogelijkheden te wijzen, zodat er geen twijfel behoeft te bestaan over de juiste aanvangsdatum daarvan. Dit geldt ook in geval van een publicatie van een besluit.

4.3.

Niet kan worden geoordeeld dat uit de bewoording van de publicatie geen twijfel bestaat over de ingangsdatum van de bewaartermijn. Immers, in de publicatie staat enerzijds vermeld dat verweerder bekend maakt te hebben besloten een gedoogbeschikking en een ontheffing af te geven en anderzijds dat een belanghebbende bij deze besluiten binnen zes weken na bekendmaking bezwaar kan indienen. Deze bewoording kan worden gelezen als dat verweerder op dat moment bekend maakt een besluit te hebben genomen, zodat de bezwaartermijn daarmee aanvangt. Hoewel in de publicatie tevens de losse tekst “verzonden: 10 november 2014” staat vermeld, wordt in de bezwaarclausule – in tegenstelling tot de andere bezwaarclausules in het zelfde publicatieblad – op geen enkele wijze de verbinding gelegd dat met die verzenddatum het (eigenlijke) moment van bekendmaking is bedoeld. Het gevolg hiervan is dat eisers ten opzichte van de andere publicaties in hetzelfde publicatieblad, deze publicatie zo konden en mochten begrijpen dat de bezwaartermijn aanvangt vanaf de dag na publicatie. Dit geldt eens temeer nu gelet op de stukken in het dossier en het verhandelde op zitting, verweerder eisers – nadat zij verweerder hebben benaderd wanneer een besluit zou worden genomen omtrent het woonschip – enkel heeft verwezen naar het publicatieblad.

4.4.

Gelet hierop volgt de rechtbank dan ook niet het standpunt van verweerder dat eisers zich beter hadden moeten informeren wanneer de bezwaartermijn afliep. Dat eisers voorwetenschap hadden dat het betreffende schip vervangen ging worden mag voorts zo zijn, maar ter zitting is aannemelijk geworden dat eisers niet eerder dan met de publicatie wisten dat een besluit was genomen en wat dat inhield. Verweerder heeft immers eisers te kennen gegeven het publicatieblad hierover in de gaten te houden. Daarbij hebben eisers verklaard – wat niet wordt betwist – dat eisers en de aanvragers, hun toekomstige buren, elkaar niet eerder dan na de publicatie enkel gesproken hebben over het aangevraagde ontwerp van het betreffende woonschip.

4.5.

Evenmin volgt de rechtbank het standpunt van verweerder dat de publicatie in de bezwaartermijn viel, zodat eisers voldoende tijd hadden tijdig bezwaar te maken. Verweerder heeft hierbij verwezen naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:20015:2219). Anders dan in die uitspraak is de rechtbank echter hier van oordeel dat twijfel kon bestaan over de aanvang van de bezwaartermijn.

4.6.

Het voorgaande heeft tot gevolg dat verweerder eisers niet op correcte en volledige wijze op de bezwaarmogelijkheden heeft gewezen. Nu verweerder voorts het bezwaarschrift van eisers binnen zes weken na de dag na de publicatie van 3 december 2014 heeft ontvangen, heeft verweerder niet in redelijkheid zich op het standpunt kunnen stellen dat eisers in verzuim zijn geweest bij de termijnoverschrijding.

5. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank draagt verweerder op een nieuw besluit op het bezwaar van eisers te nemen, waarbij verweerder inhoudelijk op de bezwaargronden van eisers in dient te gaan. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken.

6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 490,- aan eisers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 980,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Otten, rechter, in aanwezigheid van J.J.M. Tol, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 september 2015.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.