Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:6343

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-09-2015
Datum publicatie
25-09-2015
Zaaknummer
13/741126-14, 13/670647-12 (TUL) en 13/684611-13 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Poging doodslag, diefstal met geweld, poging zware mishandeling en openlijke geweldpleging. Meerdere verweren gevoerd.

Verdachte heeft geweigerd mee te werken aan PBC-onderzoek. Officier van justitie heeft niettemin TBS gevorderd.

De rechtbank gaat daar niet in mee. De rechtbank houdt rekening met de weigerende houding van verdachte bij de strafoplegging.

Voorts overweging ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/741126-14, 13/670647-12 (TUL) en 13/684611-13 (TUL)

Datum uitspraak: 9 september 2015

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres, te plaats] ,

thans gedetineerd in het [detentie adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 augustus 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J. Ang en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. M.H. Aalmoes naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 19 april 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [persoon 1] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, zich naar voornoemde [persoon 1] heeft begeven en/of (vervolgens) éénmaal of meermalen (hard en/of met kracht) met een mes/priem, althans een

scherp en/of puntig voorwerp, heeft geslagen en/of gestoken en/of gesneden en/of geprikt in/op/tegen de borst en/of de lende/onderzijde romp en/of de rug en/of de (boven)arm(en) en/of de hand(en)/vinger(s), in elk geval in/op/tegen het lichaam, van voornoemde [persoon 1] ;

2.

hij op of omstreeks 27 april 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, op/aan de Arena Boulevard, in elk geval op/aan de openbare weg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft/hebben weggenomen

- een horloge (merk/: Audemars Piquet) en/of

- een mapje/tasje (merk: Louis Vuitton) en/of

- een portemonnee en/of een bankpas (ING) en/of een IND verblijfsdocument en/of

- een zorgverzekeringspas (Agis) en/of een OV chipkaart),

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [persoon 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [persoon 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- éénmaal of meermalen (hard en/of met kracht) tegen/op/in het hoofd/gezicht, in elk geval tegen/op/in het lichaam van voornoemde [persoon 2] heeft/hebben geslagen en/of gestompt (waardoor voornoemde [persoon 2] op de grond terecht is gekomen) en/of

- ( vervolgens) (terwijl voornoemde [persoon 2] op de grond lag) éénmaal of meermalen (hard en/of met kracht) (met geschoeide voet(en)) op/tegen/in het gezicht/hoofd, in elk geval op/tegen het lichaam, van voornoemde [persoon 2] heeft/hebben geschopt en/of getrapt en/of (hard en/of met kracht) zijn/hun knie(ën) in het lichaam van voornoemde [persoon 2] heeft/hebben geduwd en/of gedrukt en/of

- ( vervolgens/daarbij) (terwijl voornoemde [persoon 2] op de grond lag) éénmaal of meermalen (hard en/of met kracht) met de (stiletto)hak(ken) van één of meer (vrouwen)schoen(en) op/tegen de neus, in elk geval op/tegen/in het gezicht/hoofd, van voornoemde [persoon 2] heeft/hebben geschopt en/of getrapt en/of geduwd en/of gedrukt en/of

- ( daarbij/vervolgens) éénmaal of meermalen (dreigend) heeft/hebben gezegd:

"Pak zijn horloge!" althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking en/of

- ( daarbij/vervolgens) (hard en/of met kracht) voornoemd horloge van de pols/arm van voornoemde [persoon 2] heeft/hebben getrokken en/of gerukt en/of (hard en/of met kracht) voornoemd mapje/tasje van de broek van voornoemde [persoon 2] heeft/hebben (los) getrokken en/of (los) gerukt en/of voornoemde portemonnee uit de (broek)zak van voornoemde [persoon 2] heeft/hebben gepakt;

3.

hij op of omstreeks 27 april 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [persoon 2] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen

- éénmaal of meermalen (hard en/of met kracht) tegen/op/in het hoofd/gezicht, in elk geval tegen/op/in het lichaam, van voornoemde [persoon 2] heeft/hebben geslagen en/of gestompt (waardoor voornoemde [persoon 2] op de grond terecht is gekomen)

en/of

- ( vervolgens) (terwijl voornoemde [persoon 2] op de grond lag) éénmaal of meermalen (hard en/of met kracht) (met geschoeide voet(en)) op/tegen/in het gezicht/hoofd, in elk geval op/tegen het lichaam, van voornoemde [persoon 2] heeft/hebben geschopt en/of getrapt en/of (hard en/of met kracht) zijn/hun knie(ën) in het lichaam van voornoemde [persoon 2] heeft/hebben geduwd en/of gedrukt

en/of

- ( vervolgens/daarbij) (terwijl voornoemde [persoon 2] op de grond lag) éénmaal of meermalen (hard en/of met kracht) (met) de (stiletto)hak(ken) van één of meer (vrouwen)schoen(en) op/tegen de neus, in elk geval op/tegen/in het gezicht/hoofd, van voornoemde [persoon 2] heeft/hebben geschopt en/of getrapt en/of geduwd en/of gedrukt;

4.

hij op of omstreeks 27 april 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Arena Boulevard, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [persoon 2] , welk geweld bestond uit

- éénmaal of meermalen (hard en/of met kracht) slaan en/of stompen tegen/op/in het hoofd/gezicht, in elk geval tegen/op/in het lichaam van voornoemde [persoon 2]

(waardoor voornoemde [persoon 2] op de grond terecht is gekomen)

en/of

- ( vervolgens) (terwijl voornoemde [persoon 2] op de grond lag) éénmaal of meermalen (hard en/of met kracht) (met geschoeide voet(en)) schoppen en/of trappen op/tegen/in het gezicht/hoofd, in elk geval op/tegen het lichaam, van voornoemde [persoon 2] en/of (hard en/of met kracht) (met) zijn/hun knie(ën) duwen en/of drukken in/op/tegen het lichaam van voornoemde [persoon 2]

en/of

- ( vervolgens/daarbij) (terwijl voornoemde [persoon 2] op de grond lag) éénmaal of meermalen (hard en/of met kracht) met de (stiletto)hak(ken) van één of meer (vrouwen)schoen(en) schoppen en/of trappen en/of duwen en/of drukken op/tegen de neus, in elk geval op/tegen/in het gezicht/hoofd, van voornoemde [persoon 2] .

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak van poging tot moord op [persoon 1] (impliciet primair onder 1 ten laste gelegd)

De rechtbank acht – anders dan de officier van justitie – het onder 1 primair ten laste gelegde, voor zover dit betreft de poging tot moord, niet bewezen zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte voorafgaand aan zijn handelen zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Het gaat bij de beoordeling bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het geval. De rechtbank is van oordeel dat in casu niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van voorbedachte raad. Verdachte heeft verklaard dat het klopt dat hij na een eerdere confrontatie met de aangever na 10 minuten weer langs hem liep op de [straat] te Amsterdam, maar dat dit de route was naar zijn huis. Uit de verklaring van de aangever als getuige bij de rechter-commissaris op 9 juli 2015 komt naar voren dat hij, op het moment dat verdachte weer langsliep, hem heeft geroepen, om met hem te praten. Vervolgens is verdachte op de aangever afgelopen en is er door verdachte na een worsteling meermalen gestoken. Verdachte heeft bovendien verklaard dat hij voor zijn eigen veiligheid altijd een mes op zak heeft. Voor de rechtbank staat niet vast dat verdachte, gelet op het bovenstaande en in de zeer korte tijdspanne zoals hierboven is omschreven, gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en dat hij zich daar op dat moment rekenschap van heeft gegeven. Niet kan worden uitgesloten dat sprake is geweest van een plotselinge drift dan wel een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.

Zoals nader onder 4.3 is overwogen acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan poging tot doodslag.

4.2.

Vrijspraak poging tot doodslag [persoon 2] (impliciet primair onder feit 3 ten laste gelegd)

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het handelen van verdachte en zijn mededaders geen poging tot doodslag van [persoon 2] kan opleveren. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Verdachte heeft zich op zijn zwijgrecht beroepen en zijn aanwezigheid niet ontkend. Op grond van het dossier, meer in het bijzonder de camerabeelden, de herkenning door verbalisanten en der verklaringen van [persoon 3] en
[persoon 4] , staat voor de rechtbank vast dat verdachte, samen met anderen, in de nacht van 27 april 2014 omstreeks 5:00 uur aanwezig was op het Arenaplein en dat hij betrokken is geweest bij het gewelddadige beroving van de aangever [persoon 2] . Ter zitting zijn de meest relevante camerabeelden van het incident door de officier van justitie getoond. De rechtbank stelt op grond daarvan vast dat de inhoud van het dossier, met name het proces-verbaal opgemaakt door verbalisant [verbalisant] (pag 141-159), een juiste weergave is van hetgeen zich heeft voorgedaan en daarom kan worden gevolgd.

Een uitzondering wordt gemaakt ten aanzien van de waarneming van de verbalisant dat tegen het hoofd van de aangever wordt geschopt. De rechtbank stelt vast dat het hoofd van de aangever uit het zicht lijkt te zijn en dus niet direct waarneembaar is dat tegen het hoofd wordt geschopt. Gelet op de positionering van het lichaam, dat op de grond ligt en wel zichtbaar is, kan het echter niet anders dan dat het hoofd van de aangever zich op de plek bevindt waar wordt geschopt. Nu het geweldsincident slechts enkele seconden heeft geduurd, plaatsvond in het donker en sprake was van een meerdere betrokkenen, wordt op detailniveau vertrouwd op de expertise van de politie bij het uitkijken van camerabeelden. Op grond van het dossier en de camerabeelden stelt de rechtbank met zekerheid vast dat verdachte en zijn mededaders allen in de directe omgeving van het slachtoffer geweldshandelingen hebben verricht.

In tegenstelling tot de officier van justitie kan de rechtbank niet vaststellen dat met meer dan normale kracht is geschopt tegen het hoofd. Dit is bij het vaststellen van de kans op dodelijk letsel een belangrijk gegeven evenals het soort schoenen dat de daders hebben gedragen. Ook dit kan de rechtbank niet vaststellen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van poging tot doodslag.

4.3.

Bespreking bewijsverweren

Ten aanzien van feit 1 (poging doodslag op [persoon 1] )

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van poging tot doodslag. Immers heeft verdachte snel gestoken, waren de steekwonden niet meer dan 1,5 cm diep en hoefde slechts 1 steekwond gehecht te worden. Niet kan worden aangenomen dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard om dat de aangever dodelijk letsel zou oplopen.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte met opzet meermalen in het lichaam van het slachtoffer [persoon 1] heeft gestoken. Meer in het bijzonder blijkt uit de letselverklaringen (pag. 19, 20, 462) dat negen maal in het lichaam van aangever [persoon 1] is gestoken waaronder twee keer in de borststreek en twee keer in de lende. Algemene ervaringsregels leren dat dit kwetsbare delen van het lichaam zijn, omdat zich daar vitale organen bevinden. De aangever spreekt over een keukenmes met een lengte van 15 centimeter. Door te steken met dergelijk mes in die delen van het lichaam kan op vrij eenvoudige wijze dodelijk letsel worden toegebracht. Naar de uiterlijke verschijningsvormen is op een doelbewuste wijze op het slachtoffer ingestoken. Zodanig, dat de dood daar op had kunnen volgen. Dat dit niet is gebeurd, is te danken aan omstandigheden die onafhankelijk waren van de wil van verdachte. Getuige [persoon 5] heeft verklaard dat zij het geluid van het steken heeft gehoord, waar uit de rechtbank afleidt dat dit niet met geringe kracht is geweest. Dat de steekwonden niet dieper waren dan 1.5 centimeter heeft de aangever waarschijnlijk te danken aan het leren motorjack dat hij ten tijde van het incident droeg en laat de intentie van verdachte het slachtoffer te doden onverlet. Daarnaast is de steekpartij gestopt toen tenminste één persoon tussenbeide kwam.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 (medeplegen)

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw dat geen sprake zou zijn geweest van medeplegen en overweegt daartoe als volgt.

De Hoge Raad heeft bij zijn arresten van 2 en 16 december 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3474 en ECLI:NL:HR:2014:3637) overwogen dat voor medeplegen vereist is een nauwe en bewuste samenwerking, waarbij rekening gehouden dient te worden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakververdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. De Hoge Raad heeft daarbij benadrukt dat een bewezenverklaring van medeplegen slechts dan is gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van verdachte van voldoende gewicht is geweest.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte zich als medepleger schuldig gemaakt aan diefstal en geweldpleging. De rechtbank komt daartoe op basis van het navolgende, in onderlinge samenhang bezien.

De rechtbank stelt voorop dat, zoals overwogen onder 4.2., vaststaat dat verdachte op

27 april 2014 betrokken was bij het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde. Verdachte was met een groep hem bekenden, waaronder medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] uit geweest in [club A] aan de Arenaboulevard. Dat sprake is geweest van medeplegen blijkt in de eerste plaats uit de diverse camerabeelden die van het incident zijn gemaakt en welke bevindingen zijn neergelegd in diverse processen-verbaal. Kort samengevat, is het volgende waarneembaar. De aangever is in de richting van de groep van ongeveer acht personen - waaronder verdachte - gelopen die zich ophoudt voor de ingang van de club. Hij heeft vervolgens [persoon 3] aangesproken. Vanuit het niets wordt de aangever vervolgens door [medeverdachte 2] meermalen in het gezicht geslagen. Op dit moment stond - onder meer - verdachte achter de aangever. Er is vervolgens door een onbekend gebleven persoon een trap uitgedeeld waardoor de aangever op de grond is gevallen. Hierop is de hele groep om de aangever heen gaan staan. Door verschillende personen wordt vervolgens geschopt en geslagen en de rechtbank merkt op dat niemand zich distantieert. Verdachte zet zijn knie op de aangever en buigt over hem heen, even later schopt hij tegen het lichaam van de aangever. Verdachte en anderen staan vervolgens over de aangever heen gebogen en lijken dingen te pakken. De groep verspreidt zich vervolgens, met uitzondering van verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] die nog even bij de aangever blijven staan. Enkele minuten later wordt op beelden van Pro Rail gezien dat verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gedrieën weglopen richting het busstation, dit op korte afstand van de andere betrokkenen. Uit het dossier blijkt voorts dat de verdachten kort na het incident staande zijn gehouden en dat de namen en signalementen worden genoteerd. Verdachte wordt later herkend op de beelden. Zoals eerder is overwogen heeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de professionele waarneming en de herkenning van de verbalisanten, die zijn getraind in het uitkijken van camerabeelden.

Kort gezegd zijn de verdachten samen gekomen en gegaan, hebben zij allen in een heel kort tijdsbestek geweldshandelingen gepleegd en lijken zij allen dingen van de aangever te pakken. Uit de aangifte van [persoon 2] blijkt dat meerdere (waardevolle) goederen zijn weggenomen. Het horloge is later teruggevonden bij medeverdachte [medeverdachte 2] . Getuige [persoon 4] heeft bovendien verklaard dat het voor haar duidelijk was dat de personen (waaronder verdachte) de aangever hadden beroofd. Alleen al naar de uiterlijke verschijningsvorm is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van medeplegen, niet alleen gericht op het gepleegde geweld maar ook gericht op de diefstal. De materiële bijdrage van verdachte is daarbij van voldoende gewicht geweest, zodat van een nauwe en bewuste samenwerking kan worden gesproken en alle betrokkenen verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor elkaars handelen als medepleger.

Ten aanzien van feit 3 (poging zware mishandeling)

Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat het handelen van verdachte en zijn mededaders moet worden aangemerkt als poging tot zware mishandeling en dat verdachte ook daarvan moet worden vrijgesproken.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Op basis van de uiterlijke verschijningsvorm is de rechtbank van oordeel dat verdachte en zijn mededaders opzet hebben gehad op zware mishandeling van [persoon 2] . Daarbij speelt het samenstel aan geweldshandelingen door meerdere personen een rol. Het is een algemene ervaringsregel dat indien meermalen tegen het lichaam en met name het hoofd - vanwege de kwetsbare schedel en hersenen - wordt gestompt en met geschoeide voet wordt geschopt, dit zwaar lichamelijk letsel tot gevolg kan hebben. De rechtbank merkt op dat waar in de bewezenverklaring wordt gesproken over schoppen tegen het lichaam, daaronder ook het hoofd wordt verstaan.

Ten aanzien van feit 4 (openlijke geweldpleging)

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken, nu verdachte geen wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het openlijk geweld.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Uit het proces-verbaal van [verbalisant] , inhoudende het uitkijken van de camerabeelden (pag.146-149) komt naar voren dat verdachte de aangever [persoon 2] vuistslagen en schoppen op het lichaam heeft gegeven en een knie op de aangever heeft gezet terwijl deze op de grond lag. Daarnaast blijkt uit dit proces-verbaal dat verdachte onderdeel uitmaakte van een groep en dat door zijn medeverdachten eveneens geweld is gepleegd tegen de aangever. Dit gebeurde op de openbare weg, de Arenaboulevard. Zoals eerder overwogen heeft de rechtbank de beelden ter zitting bekeken en volgt zij de waarnemingen van de verbalisant [verbalisant] . Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het openlijke geweld als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 11 november 2003 (LJN AL6209).

De rechtbank acht het tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

4.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

1.

op 19 april 2014 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [persoon 1] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen met kracht met een mes heeft gestoken in de borst en de lende en de bovenarm van voornoemde [persoon 1] .

2.

op 27 april 2014 te Amsterdam, aan de Arena Boulevard, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen:

- een horloge en

- een mapje/tasje (merk: Louis Vuitton) en

- een portemonnee en een bankpas (ING) en een IND verblijfsdocument en een zorgverzekeringspas (Agis) en een OV chipkaart),

toebehorende aan [persoon 2] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen voornoemde [persoon 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond, dat hij, verdachte en zijn mededaders

- meermalen met kracht tegen het hoofd van voornoemde [persoon 2] hebben gestompt waardoor voornoemde [persoon 2] op de grond terecht is gekomen en

- vervolgens terwijl voornoemde [persoon 2] op de grond lag meermalen met kracht met geschoeide voeten tegen het lichaam van voornoemde [persoon 2] hebben geschopt en/of getrapt en met kracht een knie in het lichaam van voornoemde [persoon 2] hebben gedrukt en

- daarbij/vervolgens (dreigend) hebben gezegd: "Pak zijn horloge!" en vervolgens met kracht voornoemd horloge van de pols van voornoemde [persoon 2] hebben getrokken en met kracht voornoemd mapje/tasje van de broek van voornoemde [persoon 2] hebben losgetrokken en voornoemde portemonnee uit de (broek)zak van voornoemde [persoon 2] hebben gepakt.

3.

op 27 april 2014 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [persoon 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met zijn mededaders

- meermalen met kracht tegen het hoofd van voornoemde [persoon 2] hebben gestompt waardoor voornoemde [persoon 2] op de grond terecht is gekomen en

- vervolgens terwijl voornoemde [persoon 2] op de grond lag meermalen met kracht met geschoeide voeten tegen het lichaam van voornoemde [persoon 2] hebben geschopt en/of getrapt en met kracht een knie in het lichaam van voornoemde [persoon 2] hebben gedrukt.

4.

op 27 april 2014 te Amsterdam, met anderen, aan de openbare weg, de Arena Boulevard, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [persoon 2] , welk geweld bestond uit

- meermalen met kracht tegen het hoofd van voornoemde [persoon 2] hebben gestompt waardoor voornoemde [persoon 2] op de grond terecht is gekomen en

- vervolgens terwijl voornoemde [persoon 2] op de grond lag meermalen met kracht met geschoeide voeten tegen het lichaam van voornoemde [persoon 2] hebben geschopt en/of getrapt en met kracht een knie in het lichaam van voornoemde [persoon 2] hebben gedrukt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

7.1

Beroep op noodweer/noodweerexces

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu sprake was van noodweer dan wel van noodweerexces. Verdachte werd door de aangever uitgedaagd doordat hij in zijn richting spuugde. Toen verdachte later weer langs de aangever liep, op weg naar huis, riep de aangever verdachte en is er vervolgens een worsteling ontstaan. De aangever heeft verdachte vervolgens een kopstoot gegeven en in een zogenaamde ‘headlock’ gehouden. Hierop zag verdachte geen andere uitweg dan de aangever met het mes te steken.

De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt hiertoe als volgt.

Uit het dossier, de aangifte en diverse getuigenverklaringen maakt de rechtbank op dat verdachte tweemaal zelf de confrontatie met het slachtoffer heeft opgezocht. De eerste maal niesde het slachtoffer en veronderstelde de verdachte dat er in zijn richting werd gespuugd. Verdachte reageerde hierop erg agressief. Zowel de aangever als de getuige [persoon 6] hebben verklaard dat verdachte riep: “de volgende keer ga je neer”, althans woorden van gelijke strekking. Na ongeveer tien minuten kwam verdachte terug. Verdachte heeft verklaard dat hij de aangever riep om met hem te praten. Verdachte trok echter vrijwel direct zijn mes (na een korte worsteling) en begon op het slachtoffer in te steken. Onder meer uit de verklaringen van de getuigen [persoon 7] , [persoon 6] en [persoon 8] volgt dat verdachte tijdens deze tweede confrontatie begon met slaan. Deze kopstoot en de ‘headlock’ zijn naar het oordeel van de rechtbank een reactie op het door verdachte op aangever uitgeoefende geweld.

Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat gedragingen van verdachte een beroep op noodweer(exces) in de weg kunnen staan. Nu verdachte bewust - tot tweemaal toe - zelf de confrontatie heeft opgezocht, is de rechtbank van oordeel dat voor zover het handelen van het slachtoffer al een ogenblikkelijke wederrechtelijk aanranding oplevert, verdachte geen beroep toekomt op noodweer of noodweerexces.

Het bewezen geachte feit is dan ook volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1 (poging moord), 2, 3 (poging doodslag), en 4 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaren, met aftrek van voorarrest en de maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging (TBS).

Voorts heeft zij de rechtbank verzocht de feiten 3 en 4 als eendaadse samenloop te beschouwen en heeft zij gevorderd de vordering van de benadeelde partij [persoon 2] hoofdelijk toe te wijzen, met uitzondering van de vergoeding voor het horloge, tot een bedrag van € 1.102,-. De vordering van de benadeelde partij [persoon 1] kan in zijn geheel worden toegewezen tot een bedrag van € 5.664,98. Ten aanzien van beide vorderingen verzoekt de officier van justitie oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het beslag kan aan verdachte worden teruggegeven.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag door het slachtoffer 9 maal te steken met een mes, onder meer in zijn borstkas en lende. Verdachte zag hier kennelijk aanleiding toe nu hij veronderstelde dat het slachtoffer hem beledigde door in zijn richting te niezen. Verdachte heeft door zo te handelen aan het slachtoffer letsel toegebracht en een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en de gezondheid van aangever. De rechtbank rekent dit en het feit dat op lichtvaardige wijze tot zwaar geweld is overgegaan, verdachte zwaar aan. Uit de door het slachtoffer ingediende vordering tot schadevergoeding blijkt dat het slachtoffer fysieke en psychische nadelige gevolgen van de steekpartij heeft ondervonden en dat met name de omstandigheid dat er geen enkele aanleiding voor het geweld bestond, hem erg heeft aangegrepen.

Verdachte heeft zich voorts, amper twee weken later, samen met anderen schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot zware mishandeling en de beroving van een niets vermoedend slachtoffer, na het uitgaan, op de openbare weg. Hierbij is het slachtoffer uit het niets, meermalen tegen het lichaam en hoofd geschopt en geslagen. Dit is een buitengewoon laffe daad, nu het slachtoffer na enige tijd op de grond terecht is gekomen en niets kon ondernemen tegen de overdaad aan het hem toegepaste geweld.

Verdachte en zijn mededaders hebben door hun handelen letsel bij het slachtoffer veroorzaakt en diens lichamelijke integriteit aangetast. Dergelijke gevallen van uitgaansgeweld maken in de regel grote indruk op getuigen en veroorzaken onrust en gevoelens van onveiligheid in de maatschappij, terwijl slachtoffers nog lang fysieke en psychische nadelige gevolgen hiervan kunnen ervaren. Dat het uiteindelijke letsel nog relatief beperkt is gebleven, is niet aan verdachte en zijn mededaders te danken.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op

het Uittreksel Justitiële Documentatie op zijn naam d.d. 4 augustus 2015. Hieruit blijkt dat de verdachte vele malen eerder is veroordeeld, onder meer voor wapenbezit, bedreiging, diefstal en openlijke geweldpleging. Kennelijk heeft verdachte dit er niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen. De rechtbank houdt hier ten nadele van verdachte rekening mee. Verdachte maakt deel uit van de Top-600.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de rapportage betreffende verdachte van het Pieter Baan Centrum (PBC) d.d. 12 februari 2015. Verdachte heeft zijn medewerking aan het persoonlijkheidsonderzoek geweigerd zodat een volledig gedragskundig onderzoek niet heeft kunnen plaatsvinden. Gerapporteerd wordt, op basis van observaties, dat concrete aanwijzingen voor psychiatrische stoornis bij verdachte ontbreken. De levensgeschiedenis van verdachte maakt het aannemelijk dat verdachte bij lang bestaande gedragsproblematiek een antisociale persoonlijkheidsstoornis ontwikkeld heeft. De beperkingen van het onderzoek zijn echter te groot om dit vast te kunnen stellen dan wel uit te kunnen sluiten. Het is derhalve ook niet mogelijk om een gedragskundige onderbouwing te leveren voor een doorwerking van een eventuele pathologie van verdachte binnen de ten laste gelegde feiten. De deskundigen onthouden zich derhalve van advies en van een inschatting van het recidive gevaar.

Gelet hierop acht de rechtbank onvoldoende gronden aanwezig om aan verdachte de maatregel TBS op te leggen. De rechtbank wijkt in die zin af van de vordering van de officier van justitie.

Niettemin leidt de rechtbank uit de ernst van de feiten - meer in het bijzonder de lichtvaardige wijze waarop deze zijn gepleegd - en de rapportages omtrent de persoon van verdachte af, dat verdachte een gevaar oplevert voor de maatschappij. Immers wordt aan de rapportage van het PBC onder meer ontleend dat op basis van het dossier, het patroon wat daaruit naar voren komt en de observaties geconcludeerd kan worden dat het aannemelijk is dat verdachte niet voornemens is om zijn pro-criminele levenswijze te wijzigen. Het feit dat de deskundige van het DWI ter zitting anders heeft verklaard maakt dit voor de rechtbank niet anders. Niet uitgesloten kan worden, gelet op het voorgaande, dat de medewerking van verdachte voortkomt uit sociaal-wenselijk gedrag. Verdachte heeft tot op heden nimmer mee willen werken aan hulpverlening.

De rechtbank heeft als uitgangspunt bij de strafoplegging acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).

Echter, de rechtbank zal hiervan op grond van zijn documentatie, zijn proceshouding - waaronder de weigering mee te werken aan het onderzoek in het PBC - en zijn persoonlijke problematiek, ten nadele van verdachte afwijken. Met name de generale preventie speelt een belangrijke rol bij het bepalen van de hoogte van de straf in deze zaak.

De rechtbank zal de poging zware mishandeling en de openlijke geweldpleging als eendaadse samenloop aanmerken.

Gelet op al het voorstaande en de proceshouding van verdachte is de rechtbank van oordeel dat geen andere straf dan een langdurige gevangenisstraf recht doet aan de aard en de ernst van de feiten.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.

Ten aanzien van de benadeelde partij [persoon 2]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij [persoon 2] , niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de hiervoor onder 1, 2 en 3 bewezen geachte feiten, rechtstreeks schade heeft geleden.

Met uitzondering van het verzoek tot vergoeding van de waarde van het horloge - dat onder verdachte in beslag is genomen en aan de benadeelde partij wordt teruggegeven - zal de gevorderde materiële en de immateriële schadevergoeding worden toegewezen.

De rechtbank waardeert de materiële schade op een bedrag van € 802,- (achthonderdtwee euro) en de immateriële schade op een bedrag van € 300,- (driehonderd euro).

De vordering kan dan ook tot een bedrag van € 1.102,- (duizend honderdtwee euro) worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (27 april 2014) tot aan de dag van de algehele voldoening. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [persoon 2] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Nu meer daders hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd, zal de rechtbank bepalen dat de toewijzing van de vordering voor de totale schade hoofdelijk wordt opgelegd.

Ten aanzien van de benadeelde partij [persoon 1]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij [persoon 1] , niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze schade op het gevorderde bedrag van € 5.664,98 (vijfduizend zeshonderdvierenzestig euro en achtennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (19 april 2014) tot aan de dag van de algehele voldoening en bestaande voor € 1.750,- uit immateriële schade. Dit is een redelijk bedrag gelet op vergelijkbare gevallen. De rechtbank zal de kosten van de beschadigde kleding ook vergoeden. De schade is voldoende onderbouwd en het is de rechtbank toegestaan om een schatting van de schade te maken.

De vordering kan dan ook in zijn geheel worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [persoon 1] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 24 augustus 2015 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/670647-12, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 10 juli 2013 van de meervoudige kamer van deze rechtbank, waarbij verdachte is veroordeeld tot 14 (veertien) maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 7 (zeven) maanden niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 (twee) jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis.

De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijk strafdeel te gelasten.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 19 mei 2014 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/684611-13, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d.

1 november 2013 van de politierechter te Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 (drie) maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 2 (twee) maanden niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 (twee) jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van 2 (twee) maanden gevangenisstraf te gelasten.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 45, 55, 57, 141, 287, 302 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

1.

Poging tot doodslag

2.

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en door twee of meer verenigde personen.

Ten aanzien van de feiten 3 en 4:

De eendaadse samenloop van:

Medeplegen van poging tot zware mishandeling.

en

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

1. 1.00 STK Shirt Kl:grijs (4748338)

2. Geld Euro (4798244)

3. 1.00 STK Shirt Kl: wit; wit polo shirt met opdruk upc (4748340)

4 . 2.00 STK Schoenen Kl:zwart, NIKE AIR (4747900)

5. 1.00 STK Bodywarmer Kl:rood (4747901)

6. 1.00 STK Broek Kl:grijs, CLOCKHOUSE, bloed thv linker en rechter broekzak (4747000)

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 1] wonende op het adres [adres, te plaats] toe tot een bedrag van € 5.664,98 (vijfduizend zeshonderdvierenzestig euro en achtennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (19 april 2014) tot aan de dag van de algehele voldoening en bestaande voor € 3.914,98 (drieduizend negenhonderdveertien euro en achtennegentig eurocent) uit materiële en € 1.750,- (duizend zevenhonderdvijftig euro) uit immateriële schade.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [persoon 1] , te betalen de som van € 5.664,98 (vijfduizend zeshonderdvierenzestig euro en achtennegentig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 63 (drieënzestig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [persoon 2], wonende op het adres [adres, te plaats] , toe tot € 1.102 (duizend honderdtwee euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (27 april 2014) tot aan de dag van de algehele voldoening en bestaande voor € 802,- (achthonderdtwee euro) uit materiële schade en voor € 300,- (driehonderd euro) uit immateriële schade.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 2] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander of anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Wijst de vordering voor het overige af.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 2] , aan de Staat € 1.102 (duizend honderdtwee euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (27 april 2014) tot aan de dag van de algehele voldoening, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander of anderen is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt de betalingsverplichting door hechtenis van 21 (eenentwintig) dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 10 juli 2013, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) maanden.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 1 november 2013, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.J. van Eekeren, voorzitter,

mrs. R.H. Mulderije en R. Hirzalla, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D.M.E. Leyten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 september 2015.