Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:6214

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-07-2015
Datum publicatie
05-10-2015
Zaaknummer
13.736003-15_
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Uitspraak op de vordering ex artikel 18 van de WOTS.

Onderhavige WOTS zaak is bijzonder ivm de veranderde regelgeving en de uitspraak van het Europese Hof van Justitie van 10 juli 2014.

De opgeëiste persoon werd door de rechtbank aan Duitsland overgeleverd onder de kwalificatie medeplegen overtreding Geneesmiddelenwet.

Daarna volgde de uitspraak van het Europees Hof van Justitie van 10 juli 2014 en een daaropvolgende uitspraak van de Rechtbank Haarlem van april 2015, op grond waarvan synthetische cannabinoiden waarvan hier sprake is niet (langer) onder de Geneesmiddelenwet kunnen worden geschaard. Met ingang van 1 juli 2015 is de Opiumwet gewijzigd waardoor de zaak van de opgeëiste persoon opeens kantelde en onder lijst 1 van de Opiumwet viel voor wat betreft het middel MDPV. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de bewezenverklaarde gedragingen in het kader van de overige stoffen, synthetische cannabinoiden, strafbaar zijn naar Nederlands recht, nu in het licht van het Europese Hof van Justitie op 10 juli 2014 deze stoffen niet onder de definitie van een geneesmiddel als bedoeld in artikel 1 sub b van de Geneesmiddelenwet vallen, aangezien deze wet conform genoemde richtlijn dient te worden uitgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

parketnummer: 13.736003-15

RK nummer: 15/4265

Datum uitspraak: 21 juli 2015

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 18 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (hierna: WOTS), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van

29 juni 2015 en strekt onder meer tot het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging in

Nederland van een rechterlijke beslissing van het Landgericht Kleve (Bondsrepubliek Duitsland) van 30 oktober 2014. Deze rechterlijke beslissing houdt in de veroordeling tot de vrijheidsbenemende straf voor de duur van 10 jaren en een verruimde voordeelsontnemingsmaatregel ter hoogte van € 300.000 van:

[veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats] (Nederland) op [geboortedag] 1988,

verblijvende aan het adres: [adres] ,

verder te noemen: veroordeelde.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 7 juli 2015. Daarbij zijn de veroordeelde, zijn raadsman, mr. R. Malewicz, advocaat te Amsterdam en de officier van justitie,
mr. R.A. Bosman, gehoord.

De officier van justitie heeft uitdrukkelijk kenbaar gemaakt dat de vordering ex artikel 18 van de WOTS niet ziet op de voordeelsontnemingsmaatregel ter hoogte van 300.000 euro en dat deze in een afzonderlijke procedure wordt aangebracht.

De rechtbank zal in deze procedure dan ook geen beslissing nemen over de omzetting van de in Duitsland opgelegde ontneming van 300.000 euro wegens wederrechtelijk verkregen voordeel.

2 Identiteit veroordeelde

Veroordeelde heeft ter zitting verklaard dat zijn personalia als bovengenoemd, juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Toelaatbaarheid

De autoriteiten van Bondsrepubliek Duitsland hebben de overdracht en tenuitvoerlegging verzocht van de rechterlijke beslissing van het Landgericht Kleve van 30 oktober 2014.

Veroordeelde heeft van 20 mei 2014 tot aan zijn overlevering op 26 mei 2014 aan Bondsrepubliek Duitsland in overleveringsdetentie in Nederland verbleven.

Veroordeelde is vanaf 26 mei 2014 in Bondsrepubliek Duitsland gedetineerd geweest, waarna hij in het kader van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen naar Nederland is overgebracht. Na aankomst in Nederland op 1 juli 2015 is hij door de officier van justitie in verzekering gesteld, waarna hij op 1 juli 2015 door de rechter-commissaris in bewaring is gesteld. Vervolgens heeft de rechter-commissaris op 1 juli 2015 de schorsing van de bewaring onder voorwaarden bevolen met ingang van het moment dat de door de rechter-commissaris vastgestelde borgsom, ter grootte van € 5.000,- is gestort op de rekening van [naam] .

Veroordeelde heeft de Nederlandse nationaliteit.

De rechterlijke beslissing voornoemd is onherroepelijk en voor tenuitvoerlegging vatbaar.

4 Dubbele strafbaarheid

Volgens de bewezenverklaring in het Duitse vonnis heeft veroordeelde zich schuldig gemaakt aan de handel in verdovende middelen in een niet geringe hoeveelheid als lid van een bende. De rechtbank leidt dit af uit de bewoordingen van het vonnis, waarin in de aanhef wordt gesproken van bendematige handel, de bewoordingen van de toegepaste Duitse strafbepaling die zowel ziet op handel als op in- en uitvoer en de kwalificatie ‘bendematige handel’ die de Duitse autoriteiten in het Europees arrestatiebevel hebben opgenomen bij het aankruisen van het lijstfeit handel in verdovende middelen. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de Duitse rechter veroordeelde een straf heeft opgelegd voor de handel in verdovende middelen en niet voor de in- en uitvoer daarvan en zal in dat licht de strafbaarheid naar Nederlands recht beoordelen. Het ging blijkens voornoemde rechterlijke beslissing om synthetische drugs, waaronder MDPV.

De rechtbank constateert dat de rechterlijke beslissing waarvan tenuitvoerlegging wordt gevraagd is gewezen ten aanzien van feiten die naar Duits recht strafbaar zijn.

De rechtbank beoordeelt in het licht van de uitspraak van de Hoge Raad van 20 mei 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD1852) het in artikel 3, eerste lid onder c , WOTS en artikel 3, eerste lid onder e, VOGP vervatte vereiste van strafbaarheid van de feiten naar Nederlands recht naar strafbaarheid ten tijde van de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging.

Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft gesteld dat de onderhavige WOTS zaak bijzonder is te noemen in verband met de veranderde regelgeving en de uitspraak van het Europese Hof van Justitie van 10 juli 2014.

Cliënt werd door de rechtbank aan Duitsland overgeleverd onder de kwalificatie medeplegen overtreding Geneesmiddelenwet. Daarna volgde de uitspraak van het Europees Hof van Justitie van 10 juli 2014 en een daaropvolgende uitspraak van de Rechtbank Haarlem van april 2015, op grond waarvan synthetische cannabinoïden waarvan hier sprake is, niet (langer) onder de Geneesmiddelenwet kunnen worden geschaard. Met ingang van 1 juli 2015 is de Opiumwet gewijzigd waardoor de zaak van cliënt opeens kantelde en onder lijst 1 van de Opiumwet viel voor wat betreft het middel MDPV. Volgens de raadsman is cliënt een speelbal van veranderde regelgeving geworden. Door de fictie van de ware Europese rechtsruimte is de materiële gedachte achter het legaliteitsbeginsel volledig geschonden. Daarmee is sprake van een schending van het materiële legaliteitsbeginsel, te weten schending van het beginsel van rechtszekerheid en het verbod van willekeur van een nogal grillige overheid die steeds de spelregels aanpast.

De raadsman meent dat omzetting dient plaats te vinden voor zover de rechterlijke beslissing ziet op het middel MDPV en dat de bewezenverklaarde gedragingen van veroordeelde ten aanzien van de overige stoffen op dit moment niet strafbaar zijn naar Nederlands recht. Immers de overige stoffen vallen niet onder de Opiumwet en niet onder de generieke bepaling van de Geneesmiddelenwet gelet op de uitspraak van het Europese Hof van Justitie van 10 juli 2014. Voorts stelt de raadsman, onder verwijzing naar de paragraaf “pleegdatum” in de rechterlijke beslissing, de pleegdatum op 1 dag waardoor van een criminele organisatie geen sprake kan zijn. De raadsman verzoekt de rechtbank deze zaak dan ook te kwalificeren als het medeplegen van overtreding van de Opiumwet, te weten het aanwezig hebben van een hoeveelheid MDPV op 10 mei 2013.

De raadsman deelt het standpunt van de officier van justitie niet dat de handel in de overige stoffen is te kwalificeren als een overtreding van artikel 174 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

Volgens de raadsman is artikel 174 Sr niet van toepassing nu dit artikel een lex generalis is en geheel is toegesneden op schadelijke etens- en drinkwaren.

Daarbij heeft veroordeelde het schadelijke karakter van de stoffen niet verzwegen. Immers, de afnemers wisten dat zij na gebruik van de stoffen daarvan in een roes zouden geraken, aldus de raadsman.

Verder meent de raadsman dat geen sprake is van een ernstige inbreuk op de Nederlandse rechtsorde nu het gaat om synthetische cannabinoïden.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat met ingang van 1 juli 2015 het middel MDPV onder lijst 1 van de Opiumwet valt en dat het bewezenverklaarde feit voor wat betreft de overige stoffen zoals genoemd in het vonnis van Landgericht Kleve, gelet op de uitspraak van het Europese Hof van Justitie van 10 juli 2014, is te kwalificeren als een overtreding van artikel 174 Sr.

De officier van justitie kan zich niet verenigen met het gestelde van de raadsman dat veroordeelde een speelbal zou zijn van veranderde wetgeving. Ook meent de officier van justitie dat uit het Duitse vonnis een langere pleegperiode blijkt dan 1 dag.

De inbreuk op de rechtsorde naar Nederlandse maatstaven blijkt voldoende uit het feit dat het middel MDPV op lijst 1 van de Opiumwet is geplaatst en dat de overige stoffen schadelijk zijn voor de gezondheid. De officier van justitie meent verder dat veroordeelde de schadelijkheid van de stoffen heeft verzwegen. Zo blijkt niet dat veroordeelde de ontvangers heeft geïnformeerd over het kunnen optreden van onder meer misselijkheid en langdurig braken als gevolg van het gebruik van de synthetische cannabinoïden. Indien het standpunt van de raadsman zou worden gevolgd dat alleen de gedragingen met betrekking tot MDPV strafbaar zijn naar Nederlands recht, zal de omzetting van de straf gedeeltelijk plaats moeten vinden hetgeen nadelige gevolgen zou hebben voor veroordeelde.

Het oordeel van de rechtbank

Met ingang van 1 juli 2015 is MDPV opgenomen op lijst 1 van de Opiumwet. De bewezenverklaarde gedragingen van veroordeelde met betrekking tot dit middel zijn dan ook strafbaar naar Nederlands recht.

Voor wat betreft de overige stoffen, de synthetische cannabinoïden, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of de bewezenverklaarde gedragingen op dit moment strafbaar zijn naar Nederlands recht, nu in het licht van het Europese Hof van Justitie op 10 juli 2014 deze stoffen niet onder de definitie van een geneesmiddel als bedoeld in artikel 1 sub b van de Geneesmiddelenwet vallen, aangezien deze wet conform genoemde richtlijn dient te worden uitgelegd.

De rechtbank verenigt zich met het standpunt van de officier van justitie, inhoudende dat de gedragingen van veroordeelde met betrekking tot deze overige stoffen naar Nederlands recht strafbaar zijn op grond van artikel 174 Sr. Nu een gestelde lex specialis, te weten de Opiumwet of Geneesmiddelenwet, in dit geval niet van toepassing is kan naar het oordeel van de rechtbank worden teruggegrepen op artikel 174 Sr. Deze bepaling beoogt in de kern hetzelfde belang te beschermen als het Duitse Betäubungsmittelgesetz, te weten de volksgezondheid.

Voor wat betreft het verweer van de raadsman dat artikel 174 Sr enkel geldt voor schadelijke etens-en drinkwaren, overweegt de rechtbank dat in het oorspronkelijke regeringsontwerp deze bepaling geheel was toegesneden op het verkopen enz. van schadelijke etens- en drinkwaren. Op aandrang van de Tweede Kamer is de reikwijdte uitgebreid tot alle soorten van waren. Gelet op de wetsgeschiedenis worden onder waren in de zin van art. 174 Sr verstaan: handelswaren. Dit brengt mee dat stoffen die geen ‘gebruiksbestemming’ en derhalve geen economische waarde in het handelsverkeer hebben, niet als waren in voormelde zin zijn aan te merken. Aan synthetische cannabinoïden is waarde in het handelsverkeer toe te kennen en de bestemming die de aangeboden stoffen hebben zijn voor gebruik. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de synthetische cannabinoïden zijn aan te merken als ‘waren’ in de zin van artikel 174 Sr.

De rechtbank overweegt verder dat van het delictsbestanddeel verzwijgen in artikel 174 Sr sprake is indien degene die de voor de gezondheid schadelijke waren levert, de ontvanger omtrent dat schadelijke karakter van de waren niet informeert. Uit het Duitse vonnis (pag. 8) is af te leiden dat veroordeelde wist om welke synthetische substanties het bij de in [plaats 1] opgeslagen en via de onlineshops verkochte stoffen ging. Hij was ervan op de hoogte dat de klanten deze kochten om een verdovend middel dat een “high” zou veroorzaken, te consumeren. Dat de handel in deze stoffen in Duitsland is verboden op grond van de Duitse Opiumwet, wist de verdachte ook. Het is een feit van algemene bekendheid dat de handel in verdovende middelen wordt verboden in verband met risico’s voor de volksgezondheid. Veroordeelde moet zich de schadelijke effecten van het gebruik van deze stoffen dan ook hebben gerealiseerd. Hoewel de Duitse rechter zich uitgebreid heeft laten voorlichten over de schadelijkheid van de stoffen en daar ook eigen overwegingen aan heeft gewijd blijkt uit niets dat veroordeelde bij het verhandelen van de stoffen de afnemers heeft geïnformeerd over deze schadelijkheid. De rechtbank houdt het er dan ook op dat veroordeelde dit heeft verzwegen. De raadsman heeft gesteld dat de afnemer wist dat hij na het gebruik van de synthetische cannabinoïden in een roes zal geraken. Dat doet er echter niet aan af, dat veroordeelde het schadelijk karakter heeft verzwegen.

Met betrekking tot het verweer van de raadsman dat ziet op de pleegdatum overweegt de rechtbank dat uit het Duitse vonnis is af te leiden dat op 10 mei 2013 de veroordeelde en twee medeveroordeelden een grote hoeveelheid MDPV en overige stoffen in de woning in de [straat te plaats] aanwezig hadden. Verder is in het vonnis vastgesteld dat de verdovende middelen in de voorafgaande maanden van Disch naar [plaats 1] waren vervoerd Op pagina 3 van het Duitse vonnis is vermeld dat alleen op de rekening van de verdachte bij de Volksbank [plaats 1] op grond van de bestellingen in de periode van september 2012 tot en met april 2013 meer dan 300.000 euro werd bijgeschreven. Gelet hierop kan de rechtbank de raadsman dan ook niet volgen in zijn betoog dat de pleegdatum slechts 1 dag bedraagt. De rechtbank gaat uit van een pleegperiode van september 2012 tot en met 10 mei 2013.

Ook kan de rechtbank de raadsman niet volgen in het verweer dat de veroordeelde speelbal van veranderde wetgeving zou zijn geworden. Het is een feit van algemene bekendheid dat de wetgeving veelvuldig wordt aangepast aan veranderde maatschappelijke normen of voortschrijdende ontwikkelingen. Van enige schending van het beginsel van rechtszekerheid en verbod van willekeur is dan ook geen sprake

De rechtbank verwerpt de verweren van de raadsman.

De feiten ten aanzien waarvan de rechterlijke beslissing is gewezen zijn naar Nederlands recht als een zelfde inbreuk op de Nederlandse rechtsorde strafbaar. De feiten worden naar Nederlands recht gekwalificeerd als:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

en

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde lid, van de Opiumwet;

en

waren verkopen, te koop aanbieden, afleveren of uitdelen, wetende dat zij voor het leven of de gezondheid schadelijk zijn en dat schadelijk karakter verzwijgende.

Veroordeelde zou naar Nederlands recht eveneens strafbaar zijn geweest.

Veroordeelde diende op het moment van ontvangst van het verzoek tot zijn overbrenging nog ten minste zes maanden van de hem opgelegde vrijheidsstraf te ondergaan.

De veroordeelde heeft verklaard mee te werken aan deze procedure en heeft op 8 januari 2015 ingestemd met zijn overbrenging naar Nederland.

De tenuitvoerlegging van het hiervoor vermelde vonnis dient toelaatbaar te worden verklaard nu is bevonden dat aan alle daarvoor in het toepasselijk verdrag en de wet gestelde vereisten is voldaan. Het verlof tot de tenuitvoerlegging van dit vonnis zal op na te melden wijze worden verleend.

5 Motivering van de strafoplegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat in plaats van de buitenlandse sanctie dient te worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar, met aftrek van de tijd die de veroordeelde in Nederland in overleveringsdetentie en in Bondsrepubliek Duitsland in voorlopige hechtenis alsmede ter executie van de hem opgelegde vrijheidsstraf heeft doorgebracht en de tijd gedurende welke hij met het oog op overbrenging naar Nederland en uit hoofde van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen van zijn vrijheid beroofd is geweest.

De rechtbank is van oordeel dat bij de keuze tot het opleggen van de straf en bij de bepaling van de duur daarvan, uit het oogpunt van een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met een andersoortige of lagere straf dan een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur. Daarbij heeft de rechtbank het onderstaande in aanmerking genomen.

De rechtbank heeft rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden, de documentatie van veroordeelde, waaruit blijkt dat hij in Nederland niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk delict, en de buitenlandse gevoeligheden op het gebied van verdovende middelen.

De rechtbank maakt uit het Duitse vonnis het volgende op.

Veroordeelde heeft gedurende circa negen maanden gehandeld in de in het voorgaande genoemde stoffen. Op 10 mei 2015 had hij op de werkplek in [plaats 1] circa vier kilo MDPV voorhanden en in ruim vijf kilo van de overige stoffen. Veroordeelde speelde een leidende rol en had twee personen ‘in dienst’. Er was sprake van een georganiseerd verband, waarin rollen waren verdeeld, websites zijn opgezet en vervoer, opslag en distributie waren geregeld. Veroordeelde is begin 2013 in Duitsland al eens veroordeeld voor illegale invoer van verdovende middelen en overtreding van de Duitse Geneesmiddelenwet. Het ging daarbij, naast cocaïne, om onder andere MDPV.

De rechtbank dient bij het bepalen van de hoogte van de straf de Nederlandse maatstaven te hanteren en daarbij rekening te houden met internationale gevoeligheden, dat wil zeggen met de gevoelens die de hoogte van de Nederlandse straf bij de Duitse autoriteiten zou kunnen wekken.

De rechtbank hanteert, gelet op de kwalificatie van het handelen van veroordeelde als handel in georganiseerd verband, als vertrekpunt de LOVS-richtlijnen voor de handel in harddrugs. Weliswaar is alleen MDPV volgens de Nederlandse strafwet een harddrug, maar gelet op hetgeen de Duitse rechter heeft overwogen over de schadelijkheid van de overige stoffen ziet de rechtbank aanleiding om ook voor die stoffen deze richtlijnen als vertrekpunt te hanteren. De rechtbank merkt daarbij op dat deze richtlijnen zijn gebaseerd op de artikelen 10, vierde lid, en 11b van de Opiumwet, waarop strafmaxima van acht jaar zijn gesteld. De rechtbank ziet in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd over de schending van het ‘materiele legaliteitsbeginsel’ aanleiding niet het strafmaximum van 15 jaar te hanteren voor overtreding van artikel 174 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank ziet weliswaar geen schending van een legaliteitsbeginsel, maar wel voldoende aanknopingspunten om niet uit te gaan van het strafmaximum van genoemd artikel. Die aanknopingspunten zijn de aard van de stoffen, de samenloop van de gedragingen van veroordeelde met betrekking tot MDPV en de overige stoffen, de omstandigheid dat MDPV inmiddels (met ingang van 1 juli 2015) op lijst I van de Opiumwet is geplaatst en de verwachting is dat de overige stoffen, in ieder geval deels, ook op die lijst zullen worden geplaatst, en het gegeven dat bij de overlevering van veroordeelde naar Duitsland de strafbaarheid naar Nederlands recht is gebaseerd op de Geneesmiddelenwet met een strafmaximum van zes jaar.

De LOVS-richtlijnen die de rechtbank hanteert gaan uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden voor het dealen gedurende een periode van 6 tot 12 maanden, waarbij sprake is van een alleen opererende dader.

Strafverzwarende omstandigheden zijn naar het oordeel van de rechtbank het georganiseerd verband en de leidende rol van veroordeelde daarin en zijn recidive. Ook is van belang dat het gaat om aanzienlijke hoeveelheden nu alleen al op 10 mei 2013 circa vier kilo van de stof MDPV en ruim vijf kilo van de overige stoffen is aangetroffen.

Verder weegt de rechtbank mee dat er weliswaar sprake is van recidive, maar dat het strafblad van veroordeelde beperkt is tot de hiervoor genoemde veroordeling in Duitsland waarbij hem een geldboete van 7.500 € is opgelegd.

De jeugdige leeftijd van veroordeelde is in combinatie met zijn beperkte strafblad reden om terughoudend te zijn met het opleggen van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Alles afwegende en rekening houdend met eerder uitspraken van deze rechtbank in vergelijkbare zaken acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier jaar passend.

De rechtbank houdt rekening met Duitse gevoeligheden door uit te leggen dat naar Nederlandse maatstaven niet het Duitse strafmaximum van 15 jaar uitgangspunt is voor de door de Duitse rechter bewezenverklaarde handel in georganiseerd verband en daarbij te verwijzen naar de in Nederland geldende richtlijnen en door op basis van die richtlijnen veroordeelde het volle pond te geven.

6 Toepasselijke wetsbepalingen

het artikelen 57 en 174 van het Wetboek van Strafrecht;

de artikelen 2, 10, en 11b Opiumwet;

de artikelen 2, 3, 20, 27, 28, 29, 30, en 31 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen;

de artikelen 2, 3, 6 en 11 van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen, gesloten te Straatsburg op 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74, Trb. 1987, 163);

7 Beslissing

VERKLAART TOELAATBAAR de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van het Landgericht Kleve (Bondsrepubliek Duitsland) van 30 oktober 2014 opgelegde gevangenisstraf en verleent daartoe verlof.

LEGT OP een gevangenisstraf voor de duur van VIER JAREN.

BEVEELT dat de tijd welke [veroordeelde] voornoemd in Nederland in overleveringsdetentie en in Bondsrepubliek Duitsland in voorlopige hechtenis alsmede ter executie van de hem opgelegde vrijheidsstraf heeft doorgebracht en de tijd gedurende welke hij met het oog op overbrenging naar Nederland en uit hoofde van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen van zijn vrijheid beroofd is geweest, bij de tenuitvoerlegging van de straf in zijn geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft op de schorsing van het bevel bewaring met ingang van 21 juli 2015.

Aldus gewezen door:

mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,

mrs. H.E. Spruit en B. Poelert, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.C. Hofstra, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juli 2015.

De jongste rechter is buiten staat te tekenen.