Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:6151

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-09-2015
Datum publicatie
18-09-2015
Zaaknummer
13/729080-13, 15/4110
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Beklag, art. 552a Sv, conservatoir derdenbeslag, schijnconstructie? Art. 94a, derde lid Sv, subsidiariteitsbeginsel.

In een omvangrijke fraudezaak wordt conservatoir beslag gelegd onder een vermeende katvanger. Beslagene stelt dat de gelden hem toebehoren en dat het OM in strijd met het vereiste van subsidiariteit beslag onder hem legt in plaats van onder verdachte, die over veel vermogen beschikt. Rechtbank: Nu aannemelijk is dat de gelden aan verdachte toebehoren geldt het subsidiariteitsvereiste niet ten aanzien van beslagene

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/729080-13

RK: 15/4110

BESCHIKKING

op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[klager] ,

geboren te [geboorteplaats] (China) op [geboortedatum] 1974,

te dezen woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsman,

mr. W. de Vries, [adres, te plaats 2] ,

klager.

Procesgang

Het klaagschrift is op 22 juni 2015 bij akte ingediend ter griffie van deze rechtbank.

De rechtbank heeft op 1 september 2015 de raadsman (gemachtigd) en de officier van justitie in openbare raadkamer gehoord.

Klager is, hoewel daartoe rechtsgeldig opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

Feiten

Door het Openbaar Ministerie is een onderzoek ingesteld naar de vermeende criminele organisatie van de familie [naam] , waarbij [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) als een van de hoofdverdachten naar voren is gekomen. Gedurende het onderzoek is jegens klager de verdenking gerezen dat hij als tussenpersoon/katvanger is ingezet bij de aan- en verkoop van het [hotel A] aan de [adres 1] te Amsterdam. Het Openbaar Ministerie verdenkt klager ervan zich schuldig te hebben gemaakt aan valsheid in geschrift, oplichting, witwassen en deelname aan een criminele organisatie.

In de strafzaak tegen klager is door de rechter-commissaris een machtiging conservatoir beslag verleend tot een maximum bedrag van € 7.559.427,83.

In de strafzaak tegen [persoon 1] is ten laste van klager het volgende (conservatoire) derdenbeslag gelegd:

  • -

    beslag op het saldo ABN AMRO rekening [rekeningnummer 1] ten name van klager voor een bedrag van € 1.384.236,50;

  • -

    beslag op het saldo ABN AMRO rekening [rekeningnummer 2] ten name van klager voor een bedrag van € 450.000,00;

  • -

    beslag op de vordering die klager heeft op [persoon 2] voor een bedrag van

€ 2.400.000,00.

Daarnaast is er ten laste van klager conservatoir beslag gelegd op zijn woning aan de [adres, te plaats 1] .

Inhoud klaagschrift en standpunt van klager

Het klaagschrift strekt tot

A. opheffing van het beslag en teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen aan klager

B. het verbieden dat het beslag wordt teruggegeven dan wel afgegeven aan een ander dan aan klager.

Subsidiair wordt om matiging van het beslag verzocht.

De raadsman heeft in raadkamer onder overlegging van zijn pleitnotities, kort samengevat, aangevoerd dat voortzetting van het beslag in strijd is met de beginselen van een goede procesorde, in het bijzonder het subsidiariteitsbeginsel. Om naar aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek naar [persoon 1] zekerheid te verkrijgen voor eventuele vorderingen, had het Openbaar Ministerie beslag moeten leggen op het vermogen van [persoon 1] . Dit vermogen is voldoende beschikbaar en behoort onbetwist aan [persoon 1] toe. Het subsidiariteitsbeginsel gebiedt dat het beslag dat onder klager is gelegd, wordt opgeheven. Ook is er niet voldaan aan de vereisten voor een beslag op grond van artikel 94a lid 3 Sv. Niet gebleken is dat het geld dat onder klager in het onderzoek tegen [persoon 1] in beslag is genomen van enig misdrijf afkomstig is. Er is geen verband vast te stellen tussen een financiering vanuit China, de aankoop van het hotel aan de [adres 1] en het vermogen van [persoon 1] , van vermeende schijnconstructies is dan ook geen sprake. Ondanks dat het Openbaar Ministerie het beeld schetst dat [persoon 1] door middel van de aankoop van het hotel aan de [adres 1] geld tracht wit te wassen, blijkt uit het dossier nergens dat klager hier wetenschap van heeft gehad.

Subsidiair heeft de raadsman verzocht het beslag te matigen tot een bedrag waarvan de strafrechter, later oordelend, zou kunnen concluderen dat dit toch van [persoon 1] afkomstig is.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft onder overlegging van haar schriftelijke reactie in raadkamer

- kort samengevat - verklaard dat het standpunt van de verdediging om eerst te kijken naar minder bezwarende beslagmogelijkheden, geen steun vindt in het recht. In het onderzoek zijn voldoende aanwijzingen naar voren gekomen dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 94a lid 3 Sv, waarbij voorwerpen geheel of ten dele aan klager zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van die voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen en klager dit wist of redelijker wijs kon vermoeden. De officier van justitie heeft hierbij opgemerkt dat er zoveel mogelijk beslag is gelegd op het vermogen van de hoofdverdachte(n), echter veel vermogen is ondergebracht bij rechtspersonen die geen verdachten zijn of het vermogen bestaat uit vastgoed, wat volledig hypothecair is belast. Het betoog van de raadsman dat niet is voldaan aan het vereiste dat het gelegde beslag afkomstig moet zijn van enig misdrijf treft geen doel omdat dit vereiste sinds de wetswijziging van 2011 niet langer geldt.

Gelet op de huidige stand van het onderzoek ziet de officier van justitie geen reden het beslag te matigen en heeft zij gevorderd het klaagschrift ongegrond te verklaren.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het beslag op de saldi van de ABN AMRO rekeningen [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2] en de vordering op [persoon 2]

De raadsman heeft aangevoerd het derdenbeslag in de strafzaak tegen [persoon 1] onder [persoon 1] gelegd had moeten worden en dat dit ook kan omdat [persoon 1] over voldoende vermogen beschikt.

De rechtbank overweegt als volgt.

Door de Wet verruiming mogelijkheden voordeelsontneming (Stb. 2011.171) per 1 juli 2011 kan onder derden beslag worden gelegd op voorwerpen waarvan niet behoeft te worden aangetoond dat zij van misdrijf afkomstig zijn. Indien blijkt dat een verdachte vermogen bij een ander heeft ondergebracht met het kennelijke doel om toekomstig verhaal te frustreren (schijnconstructie), is het mogelijk dit vermogen bij het verhaal te betrekken om zo de effectiviteit van de beslagmodaliteit te vergroten. Voorwaarde is dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat voorwerpen geheel of ten dele aan de ander zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van die voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen terwijl die ander dit wist of redelijkerwijs kon vermoeden

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat uit het onderzoek voldoende aanwijzingen naar voren zijn gekomen dat sprake is van een schijnconstructie als hierboven weergegeven. Zo is onder meer gebleken dat vanuit China door familieleden van [persoon 1] geld is overgeboekt naar klager en dat dit geld dezelfde dag is overgeboekt naar een aannemer ten behoeve van de verbouwing van het hotel van klager aan de [adres 1] .

Daarnaast zijn bij een doorzoeking bij de [naam] Group Holding documenten, administratie en bankpasjes op naam van klager aangetroffen. De stelling van de raadsman dat klager te goeder trouw is en zelf over voldoende vermogen beschikt, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd en onvoldoende om voornoemde aanwijzingen te ontkrachten. De rechtbank acht dan ook voldoende aannemelijk dat de inbeslaggenomen gelden en vordering niet aan klager maar aan [persoon 1] toebehoren. Artikel 94a, derde lid Sv is juist voor een schijnconstructie als de onderhavige geschreven. Het beroep van de raadsman op het subsidiariteitsbeginsel gaat dan ook niet op, nu het aannemelijk is dat het niet om het vermogen van klager gaat, maar om dat van [persoon 1] . Voorzover klager bedoelt te betogen dat het risico van een onjuiste beslaglegging niet op hem mag rusten, volgt de rechtbank hem daarin, gelet op het voorgaande, niet.

Het verweer van de raadsman wordt verworpen en het beklag zal ten aanzien van deze voorwerpen dan ook ongegrond worden verklaard.

Ten aanzien van de woning aan de [adres, te plaats 1] .

De rechtbank dient te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, of klager redelijkerwijs als rechthebbende op het inbeslaggenomene kan worden aangemerkt.


Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor – in dit geval - artikel 94a Sv de inbeslagneming toelaat en het voortduren van het beslag nodig maakt.

In het onderhavig geval is sprake van een voorwerp dat volgens het openbaar ministerie

aan klager toebehoort en dient tot bewaring van het recht van verhaal voor een verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van het door klager wederrechtelijk verkregen voordeel en/of een aan klager op te leggen geldboete .

Op grond van de zich thans in het dossier bevindende stukken en het verhandelde in raadkamer is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, in de ontnemingszaak aan klager/verdachte de verplichting tot betaling aan de staat van het wederrechtelijk verkregen voordeel en/of een geldboete zal opleggen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag.

Het beklag dient dan ten aanzien van dit voorwerp ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht, gelet op de omvang van de verdenkingen tegen [persoon 1] en [klager] , geen termen aanwezig het subsidiair gedane verzoek tot matiging toe te wijzen.

De rechtbank komt tot de volgende beslissing.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beklag ONGEGROND.

Deze beslissing is op 15 september 2015 gegeven en in het openbaar uitgesproken door

mr. P.B. Martens, voorzitter,

mrs. P. Sloot en M.F. Ferdinandusse, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Pandelitschka, griffier.

Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beschikking.

De oudste rechter is buiten staat

deze beschikking mede te ondertekenen.