Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:6128

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-09-2015
Datum publicatie
12-10-2015
Zaaknummer
C/13/572897 / HA ZA 14-930
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Tussenvonnis. Beperkte uitleg artikel 3:194 lid 2 BW. De rechtbank oordeelt dat ten aanzien van bedrag van € 666.600,00 moment dat niet meer tot inkeer kon worden gekomen nog niet is bereikt. Ten aanzien van resterend bedrag acht de rechtbank voorshands bewezen dat situatie ex artikel 3:194 lid 2 zich voordoet. Gedaagden mogen tegenbewijs leveren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2015-0342
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/572897 / HA ZA 14-930

Vonnis van 16 september 2015

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [plaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. I. de Roos te Amsterdam,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [plaats] ,

2. [gedaagde 2],

wonende te [plaats] ,

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

advocaat mr. M. Meijjer te Amsterdam.

Eiseres zal hierna (ook) [eiseres] worden genoemd. Gedaagden zullen afzonderlijk (ook) [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt voor zover van belang uit:

- de gelijkluidende dagvaardingen van 17 september 2014 met producties,

- de conclusie van antwoord in conventie / conclusie van eis in reconventie met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 12 november 2014 waarin een comparitie van partijen is gelast,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 13 april 2015 en de daarin genoemde (proces)stukken,

  • -

    de brief van mr. Zee van 8 mei 2015 met opmerkingen naar aanleiding van het proces-verbaal,

  • -

    de akte wijziging eis van [eiseres] met producties,

  • -

    de antwoordakte wijziging eis van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ,

  • -

    de fax van mr. Zee van 29 mei 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn de dochters van [naam 1] (hierna: [naam 1] ).

2.2.

Op 24 december 2002 heeft [naam 1] een testament doen opstellen, waarin – voor zover thans van belang – het volgende staat:

“(…)

Ik legateer, af te geven binnen acht maanden na mijn overlijden zonder bijberekening van rente, aan:

a. mijn oudste dochter [eiseres] :

- mijn ten tijde van mijn overlijden op haar bestaande vordering (danwel mijn onverdeeld aandeel daarin) wegens geldlening;

(…)

b. mijn dochter [gedaagde 1] :

- een bedrag in contanten gelijk aan de hiervoor onder a. genoemde gelegateerde vordering;

(…)

c. mijn dochter [gedaagde 2] :

- een bedrag in contanten gelijk aan de hiervoor onder a. genoemde gelegateerde vordering;

(…)”

2.3.

[naam 1] beschikte tijdens zijn leven over bankrekeningen in Zwitserland (hierna: de Zwitserse bankrekeningen). [naam 1] had de saldi van de bankrekeningen niet opgegeven bij de Belastingdienst. Op 29 juli 2010 is van (een van) die rekening(en) een bedrag van € 601.800,00 opgenomen en op 11 augustus 2011 een bedrag van € 201.000,00. Voor deze laatste opname heeft [gedaagde 1] samen met [naam 1] destijds getekend.

2.4.

[naam 1] is op 2 mei 2013 overleden. Zijn echtgenote (de moeder van [eiseres] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , hierna ook: moeder [naam 2] ) was reeds in mei 2005 overleden. Rond het overlijden van [naam 1] bevond zich in zijn woning een groot bedrag aan contant geld. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] waren hiervan (in ieder geval kort na het overlijden van Levy sr.) op de hoogte. Zij hebben [eiseres] daar aanvankelijk niet van in kennis gesteld.

2.5.

In het kader van de afwikkeling van de erfenis hebben partijen, na overleg, afgesproken gebruik te zullen maken van de zogenaamde ‘inkeerregeling’, waarbij alsnog vrijwillig aangifte inkomstenbelasting zou worden gedaan van aanvankelijk buiten de aangiftes gehouden vermogensbestanddelen. Voor advies hebben partijen mr. N.B.M. Vink (hierna: mr. Vink) ingeschakeld.

2.6.

Per e-mail van 26 februari 2014 heeft mr. Vink aan [eiseres] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] – voor zover thans van belang – het volgende geschreven:

“(…)

Wat ons opviel is dat er in 2010 € 600.180,- en in 2011 € 201.000,- is opgenomen. (…) Door wie is dat gedaan en wat is daarmee gebeurd? Hiervoor zal een verklaring worden gevraagd. (…)”.

2.7.

Op de hiervoor geciteerde e-mail van mr. Vink heeft [eiseres] diezelfde dag per e-mail het volgende geantwoord :

“(…)

Als enige van de drie dochters was ik niet bekend met het bestaan van deze rekeningen, behalve een vermoeden.

Mijn vaders financiële zaken werden uitsluitend door hem geregeld in overleg met mijn zussen, nooit met mij en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] waren tevens ook gemachtigd door mijn vader om geld van zijn rekening te halen.

Ik ben dan ook op geen enkele wijze betrokken dan wel bekend met enige opnames in Zwitserland. (…)”.

2.8.

Bij e-mail van 4 maart 2014 heeft [gedaagde 1] (mede namens [gedaagde 2] ) aan mr. Vink – voor zover thans van belang – het volgende geschreven:

“(…)

Wij weten niet wie het geld heeft opgenomen.

[gedaagde 2] en ik hebben nimmer geld opgenomen van vaders rekening in Zwitserland en weten niet waar het geld is, genoemd in uw brief van 26 februari 2014.

(…)”.

2.9.

Bij e-mail van 18 maart 2014 heeft mr. Vink aan [eiseres] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] – voor zover thans van belang – het volgende geschreven:

“(…)

Wij [zijn] nu in staat om de definitieve verbeteringsaangiften IB in te dienen. (…) De opgenomen bedragen zullen in deze aangiften, op een klein bedragje na dat door vader is gebruikt, als kasgeld worden meegenomen en dat kasgeld maakt ook deel uit van de nalatenschap.

(…)”.

2.10.

[gedaagde 1] heeft het (hiervoor onder 2.4 bedoelde) bedrag aan contant geld op enig moment (geheel of gedeeltelijk) ondergebracht in een safeloket bij ABN Amro Bank (hierna: de kluis).

2.11.

Bij brief van 11 april 2014 heeft de toenmalige advocaat van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan [eiseres] – voor zover thans van belang – het volgende geschreven:

“(…)

Cliënten betwisten dat zij goederen (…) voor u hebben verzwegen of verborgen gehouden. (…)

Cliënten hebben na het overlijden van uw vader op verschillende plaatsen in zijn huis pakketjes met geld in contanten gevonden. Zij hebben deze pakketjes tijdelijk onder zich gehouden teneinde het geld veilig te stellen voor derden, met de bedoeling om dit te zijner tijd tussen de erfgenamen te verdelen. (…) cliënten betreuren oprecht dat zij niet aanstonds na het vinden van deze pakketjes dit aan u hebben gemeld. Het moet om omstreeks

€ 600.000,= gaan, en het bevindt zich thans in een bankkluis. Daar bevinden zich ook de sieraden (…)”.

2.12.

In een e-mail van 2 september 2014 heeft [naam 3] van Nijhof Groep, de accountant van [naam 1] , aan [eiseres] – voor zover thans van belang – het volgende geschreven:

“(…)

Het verhaal van de vluchtkoffer is heel oud en door je vader in latere jaren nooit meer met mij besproken laat staan bevestigd.

(…)

Hoe groot het bedrag is dat hij daarin had zitten weet ik niet meer maar dat zou toen best

f 40.000 kunnen zijn geweest. Ook de verdere inhoud van de koffer is mij onbekend.

In latere jaren is het onderwerp “vluchtkoffer” overigens nooit meer aan de orde geweest maar ik kan mij voorstellen dat die er nog wel een aantal jaren is geweest. (…) ik [heb] aangegeven dat ik me kan voorstellen dat de koffer er ten tijde van zijn overlijden nog is geweest maar of dat ook zo is kan ik uiteraard niet bevestigen.

(…)”.

2.13.

Op 28 oktober 2014 is voor notaris mr. B. Voorwinde op verzoek van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een proces-verbaal opgemaakt van hetgeen zich in de kluis bevond. Het proces-verbaal luidt – voor zover thans van belang – als volgt:

“(…)

De (…) kluis werd geopend door [ [gedaagde 1] ], in het bijzijn van mij, notaris. In deze (…)kluis bevond zich een zwarte safe cassette. Behoudens deze zwarte safe cassette werd er niets (…) aangetroffen. In deze zwarte safe cassette (…) werd het volgende aangetroffen:

- een in doorzichtig plastic verpakt pakket met Euro-coupures, met daarop een etiket geplakt, waar op staat vermeld: (…) € 87.000,00;

- een in doorzichtig plastic verpakt pakket met Euro-coupures, met daarop een etiket geplakt, waar op staat vermeld: (…) € 100.000,00;

- een HEMA-zak met daarin diverse Euro-coupures met daarop een etiket geplakt, waar op staat vermeld: (…) € 100.000,00;

- een Zeeman-tas met daarop een etiket geplakt, waar op staat vermeld: (…) € 188.000,00;

- een Paleis Het Loo-zak met daarin diverse Euro-coupures met daarop een etiket geplakt, waar op staat vermeld: (…) € 100.000,00;

- een pakket met daarin diverse Euro-coupures met daarop een etiket geplakt, waar op staat vermeld: (…) € 91.600,00.

Hierbij zij nog uitdrukkelijk opgemerkt dat ik, notaris, de coupures niet zelf heb geteld, doch dat de voornoemde totaalbedragen middels voormelde etiketten op bedoelde pakketten stonden vermeld. (…)”.

2.14.

Bij vonnis van 2 december 2014 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank in een door [eiseres] jegens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aangespannen kort geding – kort gezegd en voor zover thans van belang – [gedaagde 1] geboden om “met inachtneming van de eventueel door de bank te stellen voorwaarden” aan [eiseres] (kort gezegd) toegang te verlenen tot de kluis, zodat zij zelf kan vaststellen wat de inhoud van de kluis is. Voorts is [gedaagde 1] geboden om [eiseres] toe te staan foto’s en notities te maken. [gedaagde 2] is geboden aan het voorgaande haar volledige medewerking te verlenen. Aan de voldoening van beide geboden zijn dwangsommen verbonden.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiseres] vordert – samengevat en na wijziging van eis – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. een verklaring voor recht dat [gedaagde 1] haar aandeel in het bedrag van € 800.000,00, althans haar aandeel in het bedrag van € 666.600,00, op grond van artikel 3:194 lid 2 BW heeft verbeurd aan [eiseres] ,

  2. een verklaring voor recht dat [gedaagde 2] haar aandeel in het bedrag van € 800.000,00, althans haar aandeel in het bedrag van € 666.600,00, op grond van artikel 3:194 lid 2 BW heeft verbeurd aan [eiseres] ,

  3. een verklaring voor recht dat een derde van het bedrag van € 800.000,00, althans een derde van het bedrag van € 666.600,00, aan [eiseres] toekomt als erfgenaam,

  4. een verklaring voor recht dat aldus het gehele bedrag van € 666.600,00 dat door de deurwaarder wordt bewaard aan [eiseres] toekomt,

  5. [eiseres] te machtigen om namens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de deurwaarder opdracht te geven het beslagen bedrag te betalen aan [eiseres] , althans [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te gebieden de deurwaarder mede te delen dat het gehele bedrag van € 666.600,00 aan [eiseres] moet worden afgegeven en iedere andere (rechts)handeling te verrichten die nodig is om ervoor te zorgen dat dit bedrag aan [eiseres] wordt afgegeven, op straffe van een dwangsom,

  6. veroordeling van [gedaagde 1] tot betaling aan [eiseres] van € 44.466,67,

  7. veroordeling van [gedaagde 2] tot betaling aan [eiseres] van € 44.466,67,

  8. hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling aan [eiseres] van € 44.466,67,

  9. veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling van wettelijke rente over de gevorderde bedragen,

  10. een verklaring voor recht dat [gedaagde 1] haar aandeel in het bedrag van CHF 600, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, op grond van artikel 3:194 lid 2 BW heeft verbeurd aan [eiseres] ,

  11. veroordeling van [gedaagde 1] tot betaling aan [eiseres] van CHF 200, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag,

  12. een verklaring voor recht dat [gedaagde 2] haar aandeel in het bedrag van CHF 600, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, op grond van artikel 3:194 lid 2 BW heeft verbeurd aan [eiseres] ,

  13. veroordeling van [gedaagde 2] tot betaling aan [eiseres] van CHF 200, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag,

  14. hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling aan [eiseres] van

CHF 200,

een verklaring voor recht dat [gedaagde 1] haar aandeel in de vluchtkoffer en de zich daarin bevindende contanten ten bedrage van € 18.000,00 op grond van artikel 3:194 lid 2 BW heeft verbeurd aan [eiseres] ,

veroordeling van [gedaagde 1] tot betaling aan [eiseres] van € 6.000,00, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag,

een verklaring voor recht dat [gedaagde 2] haar aandeel in de vluchtkoffer en de zich daarin bevindende contanten ten bedrage van € 18.000,00 op grond van artikel 3:194 lid 2 BW heeft verbeurd aan [eiseres] ,

veroordeling van [gedaagde 2] tot betaling aan [eiseres] van € 6.000,00, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag,

veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot terhandstelling van de vluchtkoffer aan [eiseres] ,

hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling aan [eiseres] van € 6.000,00,

een verklaring voor recht dat [gedaagde 1] haar aandeel in de verborgen gehouden sieraden op grond van artikel 3:194 lid 2 BW heeft verbeurd aan [eiseres] ,

een verklaring voor recht dat [gedaagde 2] haar aandeel in de verborgen gehouden sieraden op grond van artikel 3:194 lid 2 BW heeft verbeurd aan [eiseres] ,

veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot terhandstelling aan [eiseres] van de desbetreffende sieraden,

een verklaring voor recht dat [gedaagde 1] haar aandeel in de verborgen gehouden schilderijen op grond van artikel 3:194 lid 2 BW heeft verbeurd aan [eiseres] ,

een verklaring voor recht dat [gedaagde 2] haar aandeel in de verborgen gehouden schilderijen op grond van artikel 3:194 lid 2 BW heeft verbeurd aan [eiseres] ,

veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot terhandstelling van de desbetreffende schilderijen,

veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot verstrekking aan [eiseres] van de volledige Zwitserse administratie, althans een afschrift daarvan,

hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling aan [eiseres] van de kosten van het beslag ten bedrage van € 4.733,96, te vermeerderen met wettelijke rente,

een verklaring voor recht dat de kosten van de beslaglegging voor rekening van de nalatenschap zijn,

veroordeling van [gedaagde 1] tot betaling aan [eiseres] van € 1.577,99, te vermeerderen met wettelijke rente,

veroordeling van [gedaagde 2] tot betaling aan [eiseres] van € 1.577,99, te vermeerderen met wettelijke rente,

veroordeling van [gedaagde 1] tot betaling aan [eiseres] van de verbeurde dwangsommen van € 17.000,00, te vermeerderen met wettelijke rente,

hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling van de kosten van de kluisinspecties ten bedrage van € 10.060,33, te vermeerderen met wettelijke rente, althans

een verklaring voor recht dat de kosten van de kluisinspecties voor rekening van de nalatenschap zijn,

veroordeling van [gedaagde 1] tot betaling aan [eiseres] van € 3.353,44, te vermeerderen met wettelijke rente,

veroordeling van [gedaagde 2] tot betaling aan [eiseres] van € 3.353,44, te vermeerderen met wettelijke rente,

met veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de proceskosten.

3.2.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] vorderen – samengevat en bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis – een verklaring voor recht dat van het bedrag aan contanten, als beschreven in het proces-verbaal van notaris mr. B. Voorwinde, uit hoofde van de in het testament opgenomen legaten € 90.576,00 toekomt aan [gedaagde 1] en € 90.576,00 aan [gedaagde 2] en dat in het kader van de verdeling van de nalatenschap van het resterende bedrag € 161.816,00 toekomt aan ieder der erfgenamen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

3.5.

[eiseres] voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

Wijziging eis

4.1.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] maken bezwaar tegen de wijziging van eis van [eiseres] , althans tegen het feit dat de rechtbank [eiseres] ter gelegenheid van de comparitie in de gelegenheid heeft gesteld haar voorafgaand aan de comparitie ingediende eiswijziging nadien te verduidelijken. Dit bezwaar wordt verworpen. Het is in het belang van partijen dat het geschil ook in eerste aanleg ten volle aan de rechtbank wordt voorgelegd en dat onduidelijkheden over hetgeen wordt gevorderd voor zover mogelijk worden opgehelderd voordat de rechtbank daarop beslist. Nu [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de gelegenheid zijn gesteld om bij akte op de eiswijziging te reageren (en dat ook hebben gedaan), is voldoende recht gedaan aan het beginsel van hoor en wederhoor en is de eiswijziging niet in strijd met de goede procesorde. Mede gelet op de omvang van de (laatste) eiswijziging van [eiseres] , ziet de rechtbank geen aanleiding de bezwaren uit de brief van mr. Zee van 29 mei 2015 te honoreren.

Opgenomen/aangetroffen bedragen

4.2.

Partijen zijn deelgenoten in de (onverdeelde) nalatenschap van [naam 1] Artikel 3:194 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, zijn aandeel in die goederen verbeurt aan de andere deelgenoten. [eiseres] stelt op grond van dat artikel dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] (onder meer) hun aandeel in het bedrag van € 800.000,00, dan wel € 666.600,00, aan haar hebben verbeurd. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten dat artikel 3:194 lid 2 BW van toepassing is op de onderhavige situatie en bovendien dat zij opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen hebben verzwegen, zoek gemaakt of verborgen gehouden.

4.3.

De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat zich in het huis van [naam 1] een bedrag van in ieder geval € 666.600,00 in contanten bevond dat tot de nalatenschap behoort. Voorts staat vast dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] (in ieder geval) kort na het overlijden van [naam 1] van het bestaan van dat bedrag op de hoogte waren en dit niet meteen aan [eiseres] hebben gemeld. Bovendien hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aanvankelijk jegens mr. Vink verklaard niet te hebben geweten van de Zwitserse bankrekeningen en van de opnames daarvan, terwijl vaststaat dat de opname in 2011 van een bedrag van € 201.000,00 van een van de Zwitserse rekeningen is geschied in aanwezigheid van, en met medeondertekening door, [gedaagde 1] . Wat er met het in 2010 en 2011 in totaal opgenomen bedrag van € 802.800,00 is gebeurd, is niet volledig duidelijk. In de kluis bevond zich op 28 oktober 2014 (en bevindt zich ook nu nog) een bedrag van € 666.600,00. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] stellen dat dit het volledige bedrag is dat zij in contanten hebben aangetroffen. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat het bedrag groter moet zijn geweest.

4.4.

Ofschoon de hiervoor geschetste omstandigheden, in combinatie met de feiten zoals weergegeven onder 2.4 tot en met 2.11 in elk geval aantonen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] jegens [eiseres] maandenlang de aanwezigheid van het bedrag van € 666.600,00 hebben verzwegen, maakt dit nog niet dat sprake is van een situatie waarvoor artikel 3:194 lid 2 BW is bedoeld. Partijen waren op het moment dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben opgebiecht dat zij een groot bedrag hadden aangetroffen, nog volop met elkaar in gesprek over de verdeling van de nalatenschap. Gelet op het verstrekkende gevolg dat toepassing van artikel 3:194 lid 2 BW heeft (verlies van mede-eigendom) worden niet alleen aan het volgens het artikellid vereiste opzet zware eisen gesteld (er moet sprake zijn van het oogmerk om rechten van anderen te verkorten), maar moet het artikellid ook overigens “eng” worden uitgelegd in die zin dat daarop niet te snel een beroep kan worden gedaan. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank de omstandigheid dat een verdeling van een nalatenschap niet zelden een proces is waarin van alle betrokken partijen op emotioneel vlak veel wordt gevergd en sprake kan zijn van ingewikkelde familieverhoudingen die juist bij de verdeling een prominente rol kunnen spelen. Dat is ook hier het geval.

4.5.

Voor een geslaagd beroep op artikel 3:194 lid 2 BW is daarom nodig dat een zeker, duidelijk te markeren, moment is gepasseerd, in die zin dat pas na dat moment degene die een bestanddeel opzettelijk heeft verzwegen ter zake niet meer tot inkeer kan komen zonder zijn aandeel in het bestanddeel te verbeuren. Dit is bijvoorbeeld het moment van de verdeling of – en dat volgt uit artikel 3:194 BW – het moment dat de (niet verplichte) boedelbeschrijving door de desbetreffende partijen wordt opgemaakt. Ook kan, afhankelijk van de omstandigheden, een ander moment gelden, maar een dergelijk moment is in dit geval niet bereikt. Steun voor dit oordeel is ook te vinden in de parlementaire geschiedenis bij artikel 1:135 lid 3 BW, het equivalent van artikel 3:194 lid 2 BW ten aanzien van verrekenbedingen (kamerstukken II, 2000-2001, 27 554, nr. 3, blz. 13), waarin staat dat de bepaling van artikel 1:135 lid 3 BW, aangepast aan de figuur van verrekening, is overgenomen van artikel 3:194 lid 2 BW. In artikel 1:135 lid 3 BW wordt als voorwaarde voor een geslaagd beroep op dat artikel genoemd dat daadwerkelijke verrekening heeft plaatsgevonden, waarin het achtergehouden goed niet is betrokken. Vaststaat dat in dit geval weliswaar een aantal bestanddelen van de nalatenschap is verdeeld, maar dat de verdeling van de totale nalatenschap nog niet heeft plaatsgevonden. Evenmin is een boedelbeschrijving opgemaakt. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben ruim voor het aanhangig maken van deze procedure [eiseres] ingelicht over een groot geldbedrag dat zich in het huis van [naam 1] bevond. Toen was, zoals hiervoor reeds is geoordeeld, het moment dat niet meer tot inkeer kon worden gekomen nog niet bereikt. De rechtbank ziet in hetgeen is overwogen in het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 14 juli 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2195 geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Voor zover de door [eiseres] onder (i) en (ii) gevorderde verklaringen voor recht zijn gericht op verbeurte van het aandeel van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in het bedrag van € 666.600,00, zullen deze derhalve worden afgewezen. Datzelfde lot treft het onder (iv) en (v) gevorderde. Wel toewijsbaar is de onder (iii) gevorderde verklaring voor recht, in zoverre dat een derde van het bedrag van € 666.600,00 aan [eiseres] toekomt als erfgenaam. De rechtbank volgt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet in hun stelling dat het hun toekomende legaat in mindering dient te worden gebracht op het in de woning van [naam 1] aangetroffen bedrag in contanten, waarop hierna bij de beoordeling in reconventie nader zal worden ingegaan.

4.6.

Het voorgaande gaat niet zonder meer op voor het bedrag van € 133.400,00 (€ 800.000,00 -/- € 666.600,00), zijnde het verschil tussen het in ieder geval aangetroffen bedrag (dat zich thans nog in de kluis bevindt) en het bedrag waarvan [eiseres] stelt dat het is verzwegen. Indien vast komt te staan dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , zoals [eiseres] stelt, aanvankelijk een bedrag van € 800.000,00 onder zich hadden, is ten aanzien van het bedrag van € 133.400,00 het moment om nog tot inkeer te komen wel verstreken. Immers, de onderhavige procedure bevindt zich in een vergevorderd stadium, in deze procedure is uitgebreid debat gevoerd over de omvang van het door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] naar zij stellen aangetroffen bedrag en zij stellen zich ook nu nog op het standpunt dat slechts € 666.600,00 is aangetroffen en niet € 800.000,00. Dit betekent dat als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aanvankelijk niet slechts een bedrag van € 666.600,00, maar € 800.000,00 onder zich hadden, moet worden geconcludeerd dat wat betreft een bedrag van € 133.400,00 aan hun zijde sprake is van opzettelijk verzwijgen, dan wel verborgen houden in de zin van artikel 3:194 lid 2 BW waardoor zij hun aandeel in laatstgenoemd bedrag hebben verbeurd.

4.7.

Hier geldt het volgende. Vaststaat dat in 2010 en in 2011 bedragen van respectievelijk € 601.800,00 en € 201.000,00 zijn opgenomen van (een van) de Zwitserse bankrekening(en). Voorts is gebleken dat de opname van € 201.000,00 is geschied in aanwezigheid van en na medeondertekening door [gedaagde 1] , terwijl zij daarover aanvankelijk had verklaard er niets van te weten. Uit de aan partijen gerichte e-mails van mr. Vink van 26 februari 2014 en 18 maart 2014 (zie hiervoor onder 2.6 en 2.9) is af te leiden dat de opgenomen bedragen in “de verbeteringsaangiften IB” zouden worden betrokken en als kasgeld zouden worden meegenomen in het kader van de nalatenschap. Weliswaar spreekt mr. Vink van “een klein bedragje dat door vader is gebruikt”, maar zonder nadere toelichting – die ontbreekt – acht de rechtbank voorshands niet aannemelijk dat hiermee het resterende bedrag van (bij benadering) € 133.400,00 is bedoeld. Ter comparitie hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bovendien bevestigd dat in het kader van de inkeerregeling een bedrag van € 800.000,00 is opgegeven bij de Belastingdienst. Dat maakt voorshands aannemelijk dat het resterende bedrag van € 133.400,00 rond het overlijden van [naam 1] (wel) in de woning aanwezig was en dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dit onder zich hebben gehad. Als dat niet het geval zou zijn, had het voor de hand gelegen dat zij dat aan mr. Vink hadden meegedeeld. Uit de onder 2.9 genoemde e-mail van mr. Vink lijkt immers te volgen dat hij ervan is uitgegaan dat gebruikte bedragen niet als kasgeld behoefden te worden opgegeven.

4.8.

Op grond van al deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, wordt voorshands bewezen geacht dat het resterende bedrag van € 133.400,00 rond het overlijden van [naam 1] eveneens in de woning aanwezig was en dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dit onder zich hebben gehad. Nu [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dit betwisten en een bewijsaanbod hebben gedaan, zullen zij in de gelegenheid worden gesteld tegenbewijs te leveren tegen het vermoeden dat zich rond het overlijden van [naam 1] in zijn huis niet (slechts) een bedrag van € 666.600,00 maar een bedrag van (bij benadering) € 800.000,00 bevond. Indien zij dat vermoeden niet kunnen ontzenuwen, zal het beroep op artikel 3:194 lid 2 BW in zoverre slagen dat het volledige resterende bedrag van € 133.400,00 aan [eiseres] ten goede komt. De vorderingen onder (vi) tot en met (viii) zijn in dat geval toewijsbaar. Slagen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] er wel in het vermoeden te ontzenuwen, dan geldt dat de bewijslast ten aanzien van het opzettelijk verzwijgen of verborgen houden van het resterende bedrag, dat door [eiseres] subsidiair wordt gekwalificeerd als onrechtmatig handelen, weer in volle omvang op [eiseres] rust zodat zij dan (alsnog) zal moeten bewijzen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ook het resterende bedrag van € 133.400,00 hebben aangetroffen.

4.9.

In afwachting van de bewijslevering wordt iedere verdere beslissing ten aanzien van de door [eiseres] onder (i) en (ii) gevorderde verklaringen voor recht aangehouden. Hetzelfde geldt voor de beslissing omtrent de vorderingen onder (vi) tot en met (viii).

4.10.

Tegen de gevorderde wettelijke rente onder (ix) hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als verweer aangevoerd dat het geld in een kluis is bewaard en dat zij daar derhalve geen (wettelijke) rente over hebben genoten. In elk geval betwisten zij met ingang van de datum van het overlijden van [naam 1] rente verschuldigd te zijn. Op dit punt geldt dat ingeval van toewijzing van de vorderingen onder (vi) tot en met (viii) de wettelijke rente toewijsbaar is vanaf het moment dat inkeer niet meer mogelijk was en het aandeel in het opzettelijk verzwegen of verborgen gehouden goed daardoor is verbeurd. De rechtbank ziet aanleiding om de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW in dat geval toe te wijzen vanaf de dag dat de comparitie in onderhavige zaak plaatsvond, derhalve met ingang van 14 april 2015.

Het bedrag van CHF 600

4.11.

[eiseres] stelt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zich een enveloppe met CHF 600,00, die [naam 1] had verstopt in een koperen ketel in zijn woonhuis, hebben toegeëigend. [eiseres] stelt dat [gedaagde 1] op 31 december 2013 tegenover haar heeft toegegeven dat zij CHF 600,00 uit de koperen ketel had gehaald. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben volgens [eiseres] derhalve ten aanzien van dat bedrag op grond van artikel 3:194 lid 2 BW eveneens hun aandeel aan [eiseres] verbeurd. Subsidiair legt [eiseres] aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld. Meer subsidiair stelt [eiseres] dat een derde van het bedrag van CHF 600,00 aan haar toekomt als erfgenaam.

4.12.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten dat er ten tijde van het overlijden van [naam 1] een enveloppe met CHF 600,00 was. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren aan dat [gedaagde 1] aan [eiseres] heeft verteld dat zij een bedrag van CHF 60,00 had aangetroffen en dat zij dat geld had gebruikt ter gedeeltelijke compensatie van door haar medio december 2013 gemaakte reiskosten voor een reis naar Zwitserland in verband met de inkeerregeling. Deze kosten komen volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voor rekening van de nalatenschap en [gedaagde 1] was dan ook gerechtigd om genoemd bedrag daarvoor aan te wenden, aldus – steeds – [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .

4.13.

[eiseres] heeft het verweer van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet voldoende weersproken. Dat betekent dat de rechtbank, bij gebreke van een ander aanknopingspunt, gelet op het bepaalde in artikel 149 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, als vaststaand moet beschouwen dat er ten tijde van het overlijden van [naam 1] geen enveloppe met een bedrag van CHF 600,00 aanwezig was noch anderszins een bedrag aan Zwitserse Franken onder de erfgenamen te verdelen resteert. Derhalve zullen de vorderingen onder (x) tot en met (xiv) worden afgewezen.

De vluchtkoffer en de zich daarin bevindende contanten

4.14.

[eiseres] stelt dat [naam 1] en zijn echtgenote gedurende hun leven een vluchtkoffer hadden klaarstaan met daarin sieraden en contanten van in totaal € 18.000,00. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben de koffer en inhoud opzettelijk voor [eiseres] verborgen gehouden, zodat ook te dien aanzien artikel 3:194 lid 2 BW dient te worden toegepast, zo stelt [eiseres] . Subsidiair legt [eiseres] ook aan deze vordering ten grondslag dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld. Meer subsidiair stelt zij dat een derde van het bedrag van

€ 18.000,00 dat zich in de vluchtkoffer bevond aan haar toekomt als erfgenaam. Voorts vordert zij veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot terhandstelling van de vluchtkoffer. [eiseres] heeft ter onderbouwing van haar stelling gewezen op (ongedateerde) handgeschreven notities van [naam 1] waarin melding van een “vluchtkoffertje” wordt gemaakt en de e-mail van de accountant van [naam 1] van 2 september 2014 (zie hiervoor onder 2.12).

4.15.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten gemotiveerd dat zij na het overlijden van [naam 1] een vluchtkoffer met geld en sieraden in zijn woning hebben aangetroffen. Zij wijzen er onder meer op dat in de handgeschreven notities van [naam 1] (ook) is vermeld: “Het vlucht-koffertje (!) voorlopig buiten gebruik” alsmede dat (ook) de accountant van [naam 1] in zijn genoemde verklaring meldt dat het verhaal van de vluchtkoffer “heel oud is”.

4.16.

Zoals [gedaagde 1] en [gedaagde 2] terecht aanvoeren, valt uit de notities en e-mail waarnaar [eiseres] verwijst slechts op te maken dat [naam 1] op enig moment een vluchtkoffer heeft gehad, maar niet dat deze koffer er nog was ten tijde van het overlijden van [naam 1] [eiseres] heeft het verweer van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet voldoende weersproken. Dat betekent dat de rechtbank als vaststaand moet beschouwen dat er na het overlijden van [naam 1] geen vluchtkoffer met inhoud was die tot de goederen der nalatenschap behoorde. Derhalve zullen de vorderingen onder (xv) tot en met (xx) worden afgewezen.

Sieraden

4.17.

Ook ten aanzien van diverse sieraden stelt [eiseres] dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] deze opzettelijk voor haar verborgen hebben gehouden en beroept zij zich op artikel 3:194 lid 2 BW. Daarbij vordert zij veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot terhandstelling van de desbetreffende sieraden. [eiseres] heeft in dat kader een beroep gedaan op lijsten gedateerd 29 augustus 2013 en 11 april 2014 en een beslagrekest van 2 december 2014. Verder heeft zij aangevoerd dat op de lijst van 11 april 2014 meer sieraden staan dan op die van 29 augustus 2013. Ook in de kluis in Den Haag bleken bij inspectie meer sieraden te liggen dan voorkwamen op de lijst van 29 augustus 2013, aldus [eiseres] . Voorts verwijst zij naar een verklaring van haar zoon [naam 4] (thans 28 jaar oud) waarin staat dat [naam 1] hem toen hij ongeveer 13 jaar oud was een zakje heeft getoond met 15-20 diamanten. Zij stelt dat haar vordering geldt voor (a) sieraden die niet op de lijst van 29 april 2013 staan, maar wel op de lijst van 11 april 2014, (b) sieraden die op geen van de lijsten staan maar wel in het beslagrekest zijn genoemd, (c) sieraden die noch op de lijsten noch in het beslagrekest worden genoemd, (d) ontbrekende diamanten en (e) een “ketting met kroontje".

4.18.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten dat zij sieraden hebben die tot de goederen der nalatenschap behoren maar niet aan [eiseres] zijn gemeld. Zij wijzen onder meer op het volgende:

  • -

    moeder [naam 2] heeft voor haar overlijden bepaalde sieraden aan [gedaagde 1] gegeven; deze sieraden heeft [gedaagde 1] volledigheidshalve (maar ten onrechte) op de lijst van 11 april 2014 gezet;

  • -

    ook de “ketting met kroontje” heeft moeder daags voor haar overlijden aan [gedaagde 1] gegeven omdat zij de liefde voor het koninklijk huis deelden (moeder had dit sieraad van vader gekregen); deze ketting is haar zeer dierbaar en zij draagt hem dag en nacht (ook ter comparitie);

  • -

    in overleg met [naam 1] heeft [gedaagde 1] de sieraden van moeder naar een kluis in Den Haag gebracht (onder die sieraden bevond zich een papieren wikkel met twee kleine en twee grote diamanten; andere diamanten zijn er niet).

4.19.

Geoordeeld wordt als volgt. Voor zover [eiseres] betoogt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] sieraden verborgen hebben willen houden die niet op de eerste lijst stonden maar wel in de kluis werden aangetroffen, geldt dat geenszins is komen vast te staan dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] deze sieraden voor haar verborgen hebben willen houden. Naar de rechtbank begrijpt, stonden deze sieraden wel op de latere lijst vermeld. Ook de (gestelde) schenking van de “ketting met kroontje” is door [gedaagde 1] ter sprake gebracht. Ten aanzien van al deze sieraden geldt naar het oordeel van de rechtbank dat tijdig tot inkeer is gekomen, voor zover er al sprake was van verzwijging of verborgen houden; ter toelichting zij kortheidshalve verwezen naar hetgeen onder 4.5 is overwogen. Voor het overige heeft [eiseres] het verweer van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet voldoende weersproken. De overgelegde foto’s brengen daarin geen verandering. Die tonen slechts aan dat de desbetreffende sieraden op enig moment door moeder [naam 2] zijn gedragen. Dat deze deel uitmaken van de goederen der nalatenschap van [naam 1] blijkt daar echter niet uit. Dat betekent dat de rechtbank als vaststaand moet beschouwen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen andere sieraden onder zich hebben (die behoren tot de goederen der nalatenschap van [naam 1] ) dan de sieraden vermeld op de lijsten. Ook ten aanzien van de diamanten geldt dat uit niets blijkt dat op het moment van overlijden van [naam 1] meer diamanten aanwezig waren dan de enkele die zich onder moeders sieraden bevonden. De sieraden die behoren tot de goederen der nalatenschap zullen moeten worden verdeeld, behoudens voor zover deze onder een legaat vallen. Dit betekent dat de vorderingen (xxi) tot en met (xxiii) dienen te worden afgewezen.

Schilderijen

4.20.

[eiseres] stelt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] schilderijen te weten twee schilderijen van Piet Flint (hierna: de Flints), twee “Kippenschilderijen” en een schilderij “Marktzicht” die [naam 1] bij leven bezat opzettelijk voor haar verborgen hebben gehouden. [gedaagde 1] heeft de Flints op 28 februari 2014 volgens [eiseres] laten taxeren. Dit heeft [eiseres] niet rechtstreeks vernomen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , maar van de antiquair Jan Strik (hierna ook: Strik). Dit was nadat [eiseres] tegenover [gedaagde 1] had gedreigd met aangifte bij de politie van diefstal van de twee Flints. Ten aanzien van al de genoemde schilderijen beroept [eiseres] zich op artikel 3:194 lid 2 BW. Daarnaast vordert [eiseres] veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot terhandstelling van de desbetreffende schilderijen.

4.21.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] stellen hier het volgende tegenover. Het staat niet ter discussie dat de twee Flints onderdeel uitmaken van de goederen der nalatenschap. [gedaagde 1] heeft de Flints op grond van de volmacht die partijen over en weer aan elkaar hebben gegeven voor de afwikkeling van de nalatenschap onder zich genomen. Zij heeft dit niet gedaan om [eiseres] te benadelen. Ten aanzien van de andere schilderijen zou het volgens [eiseres] “meer dan aannemelijk” zijn dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] deze onder zich hebben. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben de schilderijen echter niet, aldus – steeds – [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .

4.22.

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van de Flints geldt hetgeen hiervoor onder 4.5 is overwogen ten aanzien van het in de woning van [naam 1] aangetroffen bedrag in contanten. Ook ten aanzien van de Flints is tijdig tot inkeer gekomen, op het moment dat [gedaagde 1] de Flints door Strik heeft laten taxeren. Ten aanzien van de overige schilderijen heeft [eiseres] het verweer van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet voldoende weersproken. Dat betekent dat de rechtbank als vaststaand moet beschouwen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen andere schilderijen onder zich hebben, zodat de vorderingen (xxiv) tot en met (xxvi) zullen worden afgewezen.

Zwitserse administratie

4.23.

[eiseres] stelt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de Zwitserse administratie van [naam 1] , bestaande uit ten minste vier mappen (en een door [naam 1] bijgehouden schrift), die zich altijd bevond in een afgesloten kast in het huis van [naam 1] in Zwitserland, onder zich hebben. Volgens [eiseres] hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de sleutel van het huis en de kast in Zwitserland. Nu de administratie er (ooit) is geweest, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] beschikten over de sleutels van het huis in Zwitserland alsmede van de kast waarin de administratie zich bevond en zij in december 2013 ( [gedaagde 1] ) en in juni 2014 ( [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ) nog naar Zwitserland zijn gegaan, op welke momenten zij derhalve de gelegenheid hebben gehad de administratie mee te nemen, moeten zij de administratie wel onder zich hebben. Bovendien blijkt uit een e-mailwisseling dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de beschikking hebben gehad over een onderdeel van de litigieuze administratie (het koopcontract van het Zwitserse huis), aldus – steeds – [eiseres] . Zij vordert dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden veroordeeld tot het aan haar verstrekken van (een afschrift van) die administratie.

4.24.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten de Zwitserse administratie onder zich te hebben. Zij voeren aan dat [eiseres] in ieder geval sinds 2011 de administratie van hun vader bijhield en dat zij na het overlijden van [naam 1] zijn hele administratie naar haar woning in Amstelveen heeft overgebracht. Voorts hebben zij erop gewezen dat er ook anderen dan zij (waaronder de zoon van [eiseres] ) met enige regelmaat in het huis in Zwitserland zijn geweest.

4.25.

[eiseres] heeft het verweer van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet voldoende weersproken. De enkele omstandigheid dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] mogelijk de beschikking hebben gehad over één onderdeel van de litigieuze administratie, is daartoe onvoldoende. Dat betekent dat de rechtbank als vaststaand moet beschouwen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de Zwitserse administratie niet onder zich hebben. Derhalve zal ook deze vordering (xxvii) worden afgewezen.

Dwangsommen

4.26.

[eiseres] stelt onder verwijzing naar het onder 2.14 bedoelde vonnis in kort geding (waarin [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn veroordeeld mee te werken aan inspectie van de kluis) dat dwangsommen zijn verbeurd. De inspectie zou op 9 februari 2015 plaatsvinden. De raadsman van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] had echter de dagvaarding in kort geding aan de bank verstrekt. Daardoor werden er op 5 februari 2015 onverwacht nadere eisen aan de kluisinspectie gesteld door de bank en berichtte de bank dat de kluisinspectie niet kon doorgaan. Door de bank ertoe te bewegen aanvullende eisen te stellen aan het reeds vastgestelde protocol voor de inspectie, hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hun verplichtingen geschonden. [eiseres] heeft aanspraak op verbeurde dwangsommen over de periode van 23 januari 2015 tot en met 9 februari 2015 van in totaal € 17.000,00, aldus – steeds – [eiseres] .

4.27.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben dit gemotiveerd weersproken. Zij wijzen erop dat de deurwaarder (namens [eiseres] ) op 4 december 2014 een exploot van blokkade aan de bank heeft betekend. Daarop heeft de raadsman van [eiseres] aan de raadsman van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] meegedeeld dat er tijdens die blokkade geen dwangsommen zouden worden verbeurd. Derhalve kunnen er tot die datum geen verbeurde dwangsommen zijn. De oorzaak dat het kluisbezoek op 9 februari 2015 niet kon doorgaan, was dat [eiseres] de namen van de personen die de kluis met haar zouden bezoeken niet (tijdig) had doorgegeven aan de bank, aldus – steeds – [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .

4.28.

[eiseres] vordert verbeurde dwangsommen over een periode, gelegen voor 9 februari 2015, zijnde de datum waarop – met instemming van alle partijen – de kluisinspectie gepland stond. Mede gelet op de toezegging van de raadsman van [eiseres] (zie onder 4.27), waarvan tussen partijen vaststaat dat die is gedaan, onderschrijft de rechtbank het verweer van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat er voor de afgesproken datum geen dwangsommen zijn verbeurd. Vervolgens vond de kluisinspectie plaats op 18 maart 2015. De vordering ziet echter niet op de periode van 9 februari 2015 tot en met 18 maart 2015. Ook als dat anders was, zou de vordering echter niet toewijsbaar zijn. Partijen zijn het erover eens dat het aanvankelijk geplande bezoek niet kon doorgaan door de eisen die de bank stelde. In de veroordeling van de voorzieningenrechter ligt besloten dat eventueel door de bank te stellen voorwaarden bij de kluisinspectie in acht dienden te worden genomen, waarbij op zichzelf derhalve niet van belang is hoe die voorwaarden tot stand zijn gekomen. Bovendien is, in het licht van de gemotiveerde betwisting van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , onvoldoende onderbouwd dat, als partijen direct hadden ingestemd met het protocol, het aanvankelijk geplande kluisbezoek op 9 februari 2015 door had kunnen gaan, zoals [eiseres] stelt. Dat dwangsommen zijn verbeurd, kan derhalve niet worden vastgesteld.

Tot slot

4.29.

In afwachting van de uitkomst van het onder 4.8 aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] opgedragen tegenbewijs, zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

in reconventie

4.30.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] leggen aan hun vordering ten grondslag dat aan hen op grond van het testament van [naam 1] een legaat toekomt. Nu de legaten nog niet aan hen zijn uitgekeerd, wensen zij uitkering daarvan veilig te stellen en vorderen zij een verklaring voor recht dat de legaten op het bedrag aan contanten zoals omschreven in het proces-verbaal dat is opgemaakt door notaris Voorwinde (zie hiervoor onder 2.13) in mindering moeten worden gebracht en dat in het kader van de verdeling van de nalatenschap van het resterende bedrag € 161.816,00 toekomt aan ieder der erfgenamen.

4.31.

[eiseres] heeft aangevoerd dat [naam 1] niet heeft bedoeld dat de legaten dienden te worden betaald uit de contanten in zijn woning. De vordering van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is louter bedoeld om te proberen het aan [eiseres] op grond van artikel 3:194 lid 2 BW te verbeuren bedrag te verminderen, aldus [eiseres] .

4.32.

Partijen zijn het erover eens dat aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ieder een legaat van

€ 90.576,00 toekomt. De rechtbank ziet geen aanleiding om voor recht te verklaren dat de legaten op het bedrag aan contanten, zoals omschreven in het proces-verbaal van notaris Voorwinde, in mindering moeten worden gebracht. De uiterste wilsbeschikking van [naam 1] geeft daartoe geen aanknopingspunt. Ook het tweede deel van de gevorderde verklaring voor recht is om die reden niet toewijsbaar.

4.33.

Het gevorderde zal derhalve worden afgewezen.

4.34.

Gezien de familierelatie tussen partijen en het onderwerp van geschil zullen de proceskosten in reconventie worden gecompenseerd, in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

4.35.

Uit proceseconomisch oogpunt worden de beslissingen onder 4.33 en 4.34 eerst ter gelegenheid van het in conventie te wijzen eindvonnis in het dictum opgenomen. In afwachting daarvan wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

laat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] toe tot het leveren van bewijs tegen de voorshands bewezen geachte stelling van [eiseres] dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] rondom het overlijden van [naam 1] niet (slechts) een bedrag van € 666.600,00 hebben aangetroffen maar een bedrag van (bij benadering) € 800.000,00,

5.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 30 september 2015 voor uitlating door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] of zij bewijs willen leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

5.3.

bepaalt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , indien zij geen bewijs door getuigen willen leveren maar wel bewijsstukken willen overleggen, die stukken direct (op 30 september 2015) in het geding moeten brengen,

5.4.

bepaalt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , indien zij getuigen willen laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden oktober, november en december 2015 op de genoemde roldatum (30 september 2015) moeten opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.5.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal geschieden door mr. J. Kloosterhuis, lid van onderhavige meervoudige kamer, die ingevolge artikel 15 lid 4 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering als rechter-commissaris daarbij de bevoegdheden uitoefent, aan de rechtbank toegekend,

5.6.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op een terechtzitting in het gerechtsgebouw te Amsterdam aan de Parnassusweg 220,

5.7.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.8.

houdt iedere verdere beslissing aan,

in reconventie

5.9.

houdt iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Korsten - Krijnen, mr. J. Kloosterhuis en mr. R.A. Dudok van Heel, rechters, bijgestaan door mr. J.M. Sodderland, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2015.1

1 *