Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:609

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-02-2015
Datum publicatie
20-02-2015
Zaaknummer
C-13-570437 - HA ZA 14-794
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident. Art. 107 Rv niet van toepassing aangezien andere gedaagde niet-ontvankellijk is verklaard vanwege faillissement.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/570437 / HA ZA 14-794

Vonnis in incident en in de hoofdzaak van 11 februari 2015

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SPECIAL SPORTS VASTGOED B.V.,

gevestigd te Amstelveen,

nader te noemen: SS Vastgoed,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SPECIAL SPORTS AMSTELVEEN B.V.,

gevestigd te Amstelveen,

nader te noemen: SSA,

eiseressen in de hoofdzaak,

verweersters in het incident,

gezamenlijk te noemen: Special Sports c.s.

advocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

tegen

1 [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in de hoofdzaak,

nader te noemen: [gedaagde sub 1],

niet verschenen,

2 [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

nader te noemen: [gedaagde sub 2],

advocaat mr. B.T. Craemer en mr. A.A. Bredero.

1 De procedure in de hoofdzaak en in het incident

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 28 juli 2014, met producties;

  • -

    de akte overlegging productie van Special Sports c.s.;

  • -

    de brief van 1 april 2014 van mr. H.J.H. Efdée, curator in het faillissement van [gedaagde sub 1];

  • -

    de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid van [gedaagde sub 2];

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident houdende exceptie van onbevoegdheid van Special Sports c.s.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident en in de hoofdzaak ten aanzien van [gedaagde sub 1].

2 De feiten in het incident en in de hoofdzaak ten aanzien van [gedaagde sub 1]

2.1.

Op 9 december 2011 is een koopovereenkomst gesloten waarbij onder meer SSA activa van een fitnesscentrum aan Special Sports 2.0 B.V. (hierna: SS 2.0) heeft verkocht voor een bedrag van € 4.750.000,- en SS Vastgoed de inventaris en exploitatie van het bijhorende restaurant aan SS 2.0 heeft verkocht voor een bedrag van € 75.000,-.

2.2.

[gedaagde sub 1] heeft zich borg gesteld voor de nakoming van de verplichtingen van SS 2.0 uit voornoemde overeenkomst. [gedaagde sub 2] is echtgenote van [gedaagde sub 1] en heeft op grond van artikel 1:88 van het Burgerlijk Wetboek (BW) toestemming verleend voor deze borgstelling.

2.3.

In de tussen Special Sports Beheer B.V. (hierna: SS Beheer), SSA, SS Vastgoed en [gedaagde sub 1] gesloten akte van borgtocht van 9 december 2011 (hierna: de akte van borgtocht) is het volgende opgenomen:

“(…) Geschillen welke met betrekking tot deze akte mochten ontstaan of daarmede verband houden, zullen worden beslecht door de bevoegde rechter te Amsterdam. (…)”

2.4.

In de akte van borgtocht is onder de handtekeningen van de voornoemde partijen het volgende opgenomen:

“De mede-ondergetekende (…) verklaart als echtgenote van de Borg toestemming te verlenen tot de bovenstaande borgtocht met alle daaraan verbonden verplichtingen van deze borg. (…)”

[gedaagde sub 2] heeft onder deze tekst haar handtekening geplaatst.

2.5.

Op 18 juli 2013 is SS 2.0 in staat van faillissement verklaard. [gedaagde sub 1] is op [datum] failliet verklaard.

3 De beoordeling in de hoofdzaak ten aanzien van [gedaagde sub 1]

3.1.

Uit artikel 26 jo. 110 Faillissementswet (Fw) vloeit voort dat rechtsvorderingen, die betrekking hebben op betaling uit de boedel van een failliet, gedurende het faillissement uitsluitend kunnen worden ingesteld door aanmelding ter verificatie bij de curator. Dit artikel is van toepassing op vorderingen die vóór het faillissement zijn ontstaan, maar waarvoor nog geen procedure aanhangig is ten tijde van het faillissement. Een dergelijke rechtsvordering kan dan ook uitsluitend worden ingesteld door aanmelding ter verificatie en leidt ertoe dat een tegen de curator of de gefailleerde ingestelde vordering niet-ontvankelijk is.

3.2.

Vast staat dat de vordering van Special Sports c.s. jegens [gedaagde sub 1] is gegrond op de akte van borgtocht en dat deze volgens de stellingen van Special Sports c.s. is ontstaan vóór het faillissement van [gedaagde sub 1], te weten doordat SS 2.0 vanwege haar faillissement op 18 juli 2013 niet meer aan haar betalingsverplichtingen uit hoofde van de onder 2.1 genoemde overeenkomst kon voldoen. Verder staat vast dat de vordering van Special Sports c.s. jegens [gedaagde sub 1] is ingesteld bij dagvaarding van 28 juli 2014 en [gedaagde sub 1] op dat moment reeds failliet was verklaard (zie 2.5). Dit betekent – op grond van hetgeen onder 3.1 is overwogen – dat de vordering van Special Sports c.s. alleen kan worden ingesteld door deze ter verificatie bij de curator in te dienen.

Artikel 25 Fw dat ziet op rechtsvorderingen die niet ter verificatie bij de curator ingediend kunnen te worden, is niet van toepassing op onderhavig geschil. Hetgeen Special Sports c.s. met betrekking tot artikel 25 Fw heeft aangevoerd, zal de rechtbank dan ook buiten beschouwing laten. Aangezien Special Sports c.s. de vordering jegens [gedaagde sub 1] enkel kon instellen door indiening ter verificatie bij de curator, verklaart de rechtbank Special Sports c.s. ten aanzien van [gedaagde sub 1] in deze procedure ambtshalve niet-ontvankelijk.

3.3.

Special Sports c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Aangezien [gedaagde sub 1] in deze procedure niet is verschenen, worden deze kosten begroot op nihil.

4 De beoordeling in het incident

4.1.

[gedaagde sub 2] vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. [gedaagde sub 2] heeft daartoe onder meer aangevoerd dat Special Sports c.s. ten aanzien van de vordering jegens [gedaagde sub 1] niet-ontvankelijk is. Volgens [gedaagde sub 2] brengt dit mee dat artikel 107 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) niet van toepassing is, zodat er voor de rechtbank ten aanzien van [gedaagde sub 2] – vanwege haar woonplaats in [woonplaats] – geen bevoegdheid bestaat. Special Sports c.s. voert verweer.

4.2.

De rechtbank oordeelt als volgt. In artikel 107 Rechtsvordering (Rv) is – kort gezegd – bepaald dat de rechtbank indien hij ten aanzien van een van de gezamenlijk in het geding betrokken gedaagden bevoegd is, hij ook ten aanzien van de overige gedaagden bevoegd is mits er voldoende samenhang bestaat tussen de vordering tegen de onderscheiden gedaagden.

4.3.

De rechtbank heeft in de hoofdzaak geoordeeld dat Special Sports c.s. ten aanzien van [gedaagde sub 1] niet-ontvankelijk wordt verklaard. Nu de rechtbank derhalve niet bevoegd is te oordelen over de tegen [gedaagde sub 1] ingestelde vordering, brengt dit mee dat de bevoegdheid van de rechtbank Amsterdam – anders dan Special Sports c.s. heeft aangevoerd – ten aanzien van [gedaagde sub 2] niet op artikel 107 Rv kan worden gebaseerd.

4.4.

Special Sports c.s. heeft verder aangevoerd dat de rechtbank Amsterdam ten aanzien van [gedaagde sub 2] bevoegd is omdat zij zich net als [gedaagde sub 1] door de medeondertekening van de akte van borgtocht heeft onderworpen aan de daarin opgenomen forumkeuze voor de rechtbank Amsterdam.

4.5.

Dit standpunt wordt door de rechtbank niet gevolgd. Vast staat immers dat de akte van borgtocht en de daarin opgenomen forumkeuze is aangegaan tussen [gedaagde sub 1], SS Beheer, SSA en SS Vastgoed (zie 2.3) en dat [gedaagde sub 2] geen partij is bij deze overeenkomst. Dat [gedaagde sub 2] op grond van art. 1:88 BW heeft ingestemd met de akte van borgtocht en alle daaraan verbonden verplichtingen, betekent niet dat zij daarmee ook uitdrukkelijk heeft ingestemd met de in die akte van borgtocht opgenomen forumkeuze om eventuele geschillen voor te leggen aan de rechtbank Amsterdam. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de forumkeuze voor de rechtbank Amsterdam [gedaagde sub 2] niet bindt.

4.6.

Het voorgaande betekent dat wordt teruggevallen op de hoofdregel uit artikel 99 Rv. Artikel 99 Rv schrijft voor dat, tenzij de wet anders bepaalt, de rechter van de woonplaats van gedaagde (relatief) bevoegd is. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde sub 2] woonplaats heeft te [woonplaats]. Nu er ook anderszins geen grond is om af te wijken van de hoofdregel van artikel 99 Rv, is niet de rechtbank Amsterdam, maar de rechtbank Midden-Nederland bevoegd om kennis te nemen van het geschil in de hoofdzaak. Voor zover Special Sports c.s. bedoeld heeft aan te voeren dat de incidentele vordering van [gedaagde sub 2] wegens gebrek aan belang dient te worden afgewezen, wordt dit standpunt niet gevolgd. Gelet op de woonplaats van [gedaagde sub 2] te [woonplaats] heeft zij wel degelijk een te respecteren belang bij verwijzing. De rechtbank Amsterdam zal zich dan ook onbevoegd verklaren ten aanzien van de vordering jegens [gedaagde sub 2]. Nu de rechtbank zich reeds op voornoemde grond onbevoegd heeft verklaard zal de rechtbank het standpunt van [gedaagde sub 2] dat er aan de zijde van Special Sports c.s. sprake is van misbruik van procesrecht in het midden laten.

Nu [woonplaats] gelegen is in de regio Gooi- en Vechtstreek dient ingevolge het zaaksverdelingsreglement voor de rechtbank Midden-Nederland de zaak te worden aangebracht bij de locatie Lelystad.

4.7.

Special Sports c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

5 De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak ten aanzien van [gedaagde sub 1]

5.1.

verklaart Special Sports c.s. niet-ontvankelijk in haar vordering,

5.2.

veroordeelt Special Sports c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde sub 1] tot op heden begroot op nihil.

in het incident

5.3.

verklaart zich onbevoegd van de vordering in de hoofdzaak ten aanzien van [gedaagde sub 2] kennis te nemen,

5.4.

veroordeelt Special Sports c.s. in de kosten van het incident, aan de zijde van [gedaagde sub 2] tot op heden begroot op € 452,00,

5.5.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak ten aanzien van [gedaagde sub 2]

5.6.

verwijst de zaak in de stand waarin zij zich bevindt, naar de rechtbank Midden-Nederland, zittingslocatie Lelystad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Marcus, rechter, bijgestaan door mr. C.E. Ganzeboom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2015.1

1 type: CEG coll: CN *