Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:6074

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-08-2015
Datum publicatie
15-09-2015
Zaaknummer
C/13/591217/KG ZA 15-929 CB/MRSB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Het Amsterdams Lyceum hoeft een brugklasleerling niet over te laten gaan naar de tweede klas. De ouders van de leerling hadden dat gevorderd nadat de school had besloten de leerling niet te bevorderen omdat hij niet aan de overgangsnorm had voldaan. Volgens de ouders deden zich bijzondere omstandigheden voor op basis waarvan de school voor hun hoogbegaafde zoon op de overgangsnorm een uitzondering had moeten maken. Zij worden daarin niet gevolgd. Het besluit van de school kan slechts marginaal worden getoetst. Naar het oordeel van de rechter heeft de school in redelijkheid tot haar beslissing kunnen komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Onderwijs Totaal 2018/719
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/591217 / KG ZA 15-929 CB/MRSB

Vonnis in kort geding van 11 augustus 2015

in de zaak van

1 [eiser] ,

2. [eiseres],

in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van de minderjarige [leerling] ,

allen wonende te [woonplaats] ,

eisers bij conceptdagvaarding,

advocaat mr. E. Doornbos te Amsterdam,

tegen

de vereniging

HET AMSTERDAMS LYCEUM,

kantoorhoudende te Amsterdam,

gedaagde, vrijwillig verschenen,

vertegenwoordigd door mr. drs. [naam 1] en drs. [naam 2] .

Eisers zullen hierna gezamenlijk (en in enkelvoud) [eiser] worden genoemd. Het minderjarige kind van eisers zal hierna [leerling] worden genoemd. Gedaagde zal hierna worden aangeduid als Het Amsterdams Lyceum.

1 De procedure

Ter terechtzitting van 11 augustus 2015 heeft [eiser] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte conceptdagvaarding. Het Amsterdams Lyceum heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. [eiser] heeft voorafgaand aan de zitting producties in het geding gebracht en Het Amsterdams Lyceum een conclusie van antwoord. Partijen hebben ter zitting ieder hun standpunten toegelicht aan de hand van een overgelegde pleitnota. De voorzieningenrechter heeft ter zitting L. Boogaard (hierna Boogaard), een aan de zijde van [eiser] meegekomen pedagoog gespecialiseerd in Gifted Education en verbonden aan het de European Council for High Ability, als informant gehoord. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter buiten aanwezigheid van partijen met [leerling] gesproken. In verband met de spoedeisendheid van de zaak is in afwijking van de ter zitting toegezegde datum reeds op 11 augustus 2015 de beslissing gegeven.

Het hierna volgende bevat de uitwerking daarvan en is, zoals ter zitting aangekondigd, afgegeven op 4 september 2015.

Ter zitting waren aanwezig:

aan de zijde van [eiser] : [eiseres] , mr. Doornbos en Boogaard;

aan de zijde van Het Amsterdams Lyceum: [naam 1] , bestuurssecretaris, en [naam 2] , plaatsvervangend rector.

2 De feiten

2.1.

[leerling] is elf jaar oud. Hij heeft de derde groep van de basisschool overgeslagen en heeft vanaf de vijfde groep een zogenaamde Leonardoschool bezocht, die een onderwijsvorm voor hoogbegaafde kinderen aanbiedt.

2.2.

[leerling] heeft in groep 8 het schooladvies Gymnasium gekregen, bij voorkeur een school met een zogenaamd HB-profiel, die voorziet in speciale begeleiding van hoogbegaafden. [eiser] heeft [leerling] ingeschreven op Het Amsterdams Lyceum, waar [leerling] vorig jaar de eerste klas heeft doorlopen. Het Amsterdams Lyceum is geen gymnasium en heeft geen HB-profiel.

2.3.

Aan het einde van het schooljaar heeft [leerling] op zijn eindrapport de volgende cijfers behaald:

Nederlands 6

Frans 7

English Fast Lane 5

Geschiedenis 6

Aardrijkskunde 7

Wiskunde 5

Biologie 5

BNW 6

Handvaardigheid 6

Tekenen 6

Informatica 7

Muziek 7

Lichamelijke opvoeding 7

2.4.

In het Schoolreglement is bepaald dat het besluit tot het al dan niet bevorderen van een leerling naar het volgende leerjaar met uitsluiting van ieder ander wordt genomen door de vergadering van docenten van wie de leerling in het afgelopen jaar les heeft gekregen. Daarbij vormen de in de schoolgids gepubliceerde overgangsnormen een richtlijn. Deze overgangsnormen bepalen - samengevat en voor zover voor deze procedure van belang - dat een vijf op het eindrapport telt als 1 tekortpunt en dat voor overgang van de eerste naar de tweede klas maximaal twee tekortpunten zijn toegestaan, mits daarvoor ook twee compensatiepunten (een 7 levert 1 compensatiepunt op) zijn behaald.

2.5.

In de docentenvergadering, waaraan de docenten deelnemen die aan de individuele leerling les hebben gegeven, is besloten [leerling] niet te bevorderen tot de tweede klas en dat hij het eerste leerjaar mag doubleren. [eiser] heeft tegen dat besluit (uitvoerig) bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is in de zogenaamde Revisievergadering, waaraan naast de ‘eigen’ docenten ook de andere aan Het Amsterdams Lyceum verbonden docenten deelnemen, behandeld. In deze vergadering is besloten het besluit te handhaven.

2.6.

[eiser] wenst [leerling] in te schrijven in het tweede leerjaar van het Amstelveen College, alwaar een speciale klas bestaat voor hoogbegaafde leerlingen. Het Amstelveen College heeft bericht dat dit alleen mogelijk is als [leerling] door Het Amsterdams Lyceum is bevorderd naar het tweede leerjaar. In de speciale brugklas van het Amstelveen College is geen plaats voor [leerling] . Omdat op het Amstelveen College leerlingen al in het eerste jaar het vak Latijn volgen, zal [leerling] voor dat vak een entree-toets moeten afleggen.

2.7.

In een ongedateerde verklaring van Boogaard staat het volgende:

“Hoogbegaafdheid is meer dan alleen een hoge intelligentie, het is ook een andere manier van denken en vooral een andere manier van zijn. Kenmerken van dit ‘anders zijn’ zijn o.a. hypergevoeligheid en emotionele intensiteit. Indrukken en waarnemingen komen in grotere hoeveelheden en in sterkere mate binnen. Het is daarom zeer aannemelijk dat de gebeurtenissen vanaf 28 mei een grotere impact op het functioneren van [leerling] hebben gehad (en daardoor op zijn prestaties) dan de school beweert. Ook de mate waarin hij last heeft van een drukke klas is hierdoor groter dan bij een ‘gemiddelde’ leerling. De grote leerhonger die hoogbegaafden ook hebben wordt wel duidelijk uit het feit dat [leerling] zich in de zomervakantie een jaar Latijn heeft eigen gemaakt. Dat geeft tevens aan de dat de 1e klas overdoen niet in het belang van [leerling] kan zijn, omdat dan geen recht gedaan wordt aan de leerhonger die voor hem een eerste levensbehoefte is. Daarnaast is het ook niet in het belang van zijn sociale en emotionele ontwikkeling om de eerste klas over te doen omdat dat hem weinig kans geeft ontwikkelingsgelijken tegen te komen die juist zo essentieel zijn voor deze ontwikkeling.

Plaatsing in de tweede klas van het Amstelveen College zou dus op alle fronten beter zijn voor [leerling] , voor zijn cognitieve, sociale en emotionele ontwikkeling. Een kleinere klas, met meer aandacht voor zijn specifieke behoeften zal zijn leerprestaties positief beïnvloeden, het contact met klasgenoten die meer zijn ‘peers’ zijn, zal goed zijn voor zijn ontwikkeling op cognitief en niet-cognitief vlak. Mochten er onverhoopt toch hiaten blijken te zijn in de vakken waar hij nu (net) onvoldoende voor staat, dan zal hij die door zijn grote motivatie en hoge intelligentie op heel korte termijn kunnen wegwerken, zoals deze zomervakantie al gebleken is met Latijn.”

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat - Het Amsterdams Lyceum te gebieden haar beslissing om [leerling] niet over te laten gaan van de eerste naar de tweede klas van het VWO te herzien en [leerling] alsnog te bevorderen naar de tweede klas en deze beslissing kenbaar te maken aan het Amstelveen College binnen twee dagen na de betekening van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van Het Amsterdams Lyceum in de proceskosten.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vordering - samengevat - het volgende ten grondslag. Het Amsterdams Lyceum heeft de belangen van [leerling] onvoldoende bij haar beslissing meegewogen en handelt jegens hem onrechtmatig door haar besluit om [leerling] niet naar de tweede klas te bevorderen in stand te laten. Ten eerste impliceert het feit dat [leerling] voor het vak Fast Lane English, dat een zware variant van het normale vak Engels betreft, een 5,2 heeft gehaald, dat hij voor het normale vak Engels een (ruime) voldoende zou hebben gescoord. Het is in het verleden vaker gebeurd dat leerlingen met een onvoldoende voor het verdiepingsvak achteraf zijn beoordeeld aan de hand voor de normen van het basisvak, om te voorkomen dat zij door de keuze voor het verdiepingsvak worden benadeeld. De vijf die [leerling] voor Fast Lane English heeft gehaald, had bij de beslissing dan ook buiten beschouwing moeten worden gelaten. Een leerling met twee tekortpunten en (minimaal) twee compensatiepunten dient op grond van de overgangsnorm te worden bevorderd naar de tweede klas. Daarnaast heeft Het Amsterdams Lyceum geen rekening gehouden met de bijzondere omstandigheden van het geval. Ten eerste zijn de schoolprestaties van [leerling] negatief beïnvloed door een incident waarvoor de mentor van [leerling] hem ten overstaan van de hele klas op ongepaste wijze ter verantwoording heeft geroepen en waardoor de verhoudingen tussen de mentor en [leerling] zijn verstoord. Niet gebleken is dat de docentenvergadering deze omstandigheid bij haar beslissing heeft meegewogen. Evenmin is gebleken dat de docentenvergadering in aanmerking heeft genomen dat [leerling] vanwege zijn hoogbegaafdheid bij Het Amsterdams Lyceum, dat geen HB-profiel heeft, niet op zijn plek zit en dat het in zijn belang zou zijn om bij het Amstelveen College, dat wel de nodige begeleiding voor hoogbegaafde kinderen biedt, in te stromen. Het Amstelveen College heeft zich bereid getoond [leerling] in de tweede klas op te nemen (de eerste klassen zitten vol) mits [leerling] door Het Amsterdams Lyceum naar het volgende leerjaar wordt bevorderd. Als [leerling] het eerste jaar op Het Amsterdams Lyceum moet overdoen zal hij wegkwijnen. Die mening is ook Boogaard blijkens haar verklaring toegedaan. [leerling] heeft derhalve een groot en spoedeisend belang bij bevordering naar het tweede leerjaar.

3.3.

Het Amsterdams Lyceum voert - samengevat - het volgende verweer. Het oordeel van Het Amsterdams Lyceum om [leerling] niet te bevorderen naar het tweede leerjaar (met de mogelijkheid om het eerste leerjaar te doubleren) is genomen door de daartoe (bij uitsluiting) bevoegde vergadering van docenten. De beslissing van Het Amsterdams Lyceum is daarmee materieel een professioneel oordeel over kennen en kunnen, dat door de rechter slechts marginaal kan worden getoetst. Bij de beslissing zijn de geldende overgangsnormen gehanteerd. [leerling] heeft drie tekortpunten hetgeen onvoldoende is voor overgang naar het volgende leerjaar. Voor wat betreft het vak Fast Lane English heeft de docent van [leerling] geconcludeerd dat de onvoldoende niet alleen te maken had met de specifieke kennis en vaardigheden die voortvloeien uit de speciale aard van het programma Fast Lane English, maar dat bij [leerling] ook de vakinhoudelijke kennis voor het basisvak Engels in onvoldoende mate aanwezig was. Dat de onvoldoende voor Fast Lane English ‘vol’ is meegewogen is dan ook niet onredelijk. Daarnaast zijn de overgangsnormen niet doorslaggevend. De beslissing om een leerling over te laten gaan dient te worden genomen op grond van alle omstandigheden van het geval. [leerling] heeft in het begin van het jaar geregeld zware onvoldoendes gehaald. Zijn cijfers zijn gaandeweg iets verbeterd, maar zijn eindlijst vertoonde nog altijd drie vijven met weinig compensatie in de andere vakken. Het Amsterdams Lyceum deelt het oordeel van Boogaard dat [leerling] in staat is om achterstanden snel weg te werken dan ook niet. De situatie van [leerling] is in de docentenvergadering, en naar aanleiding van de bezwaren van [eiser] in de revisievergadering opnieuw uitvoering besproken. Daarbij zijn zowel het incident met de mentor van [leerling] en de gevolgen daarvan alsmede de bijzondere situatie van [leerling] betreffende zijn hoogbegaafdheid uitvoerig aan de orde geweest. Voor wat betreft het incident met de mentor van [leerling] stelt Het Amsterdams Lyceum zich op het standpunt dat hij dit niet op ongepaste wijze heeft afgehandeld en dat de spanningen die daardoor zijn ontstaan niet doorslaggevend zijn geweest voor de onvoldoende leerprestaties van [leerling] . Voor wat betreft de hoogbegaafdheid van [leerling] is Het Amsterdams Lyceum van oordeel dat dit op zichzelf onvoldoende is om [leerling] ondanks zijn onvoldoende leerprestaties naar het volgende jaar te bevorderen. [eiser] heeft er welbewust voor gekozen [leerling] in te schrijven op een school die niet beschikt over een HB-profiel. Dat [leerling] naar de mening van [eiser] nu niet op zijn plek zit, rechtvaardigt niet dat van de overgangsnorm wordt afgeweken. Dit is voor Het Amsterdams Lyceum een principieel punt. Scholen moeten er onderling op kunnen vertrouwen dat een bevorderingsbesluit niet op oneigenlijke gronden of onder druk van buitenaf is genomen.

De conclusie is dat Het Amsterdams Lyceum in redelijkheid tot haar beslissing heeft kunnen komen, zodat de vordering niet voor toewijzing in aanmerking komt.

4 De beoordeling

4.1.

De voorzieningenrechter stelt bij de beoordeling voorop dat de bevoegdheid om een leerling al dan niet te bevorderen naar het volgende leerjaar wordt uitgeoefend (namens het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs) door de school zelf. Het Amsterdams Lyceum heeft in het Schoolreglement bepaald dat de beslissing om een leerling tot het volgende leerjaar te bevorderen wordt genomen (met uitsluiting van anderen) door de vergadering van docenten die aan die leerling in het afgelopen jaar les hebben gegeven. Niet in geschil is dat de beslissing om [leerling] te laten doubleren ook in die vergadering is genomen. Nu de bevoegdheid om [leerling] niet naar het tweede leerjaar te bevorderen toekomt aan Het Amsterdams Lyceum en de beslissing is genomen door de daartoe aangewezen docentenvergadering, is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat de rechtmatigheid van deze beslissing slechts marginaal kan worden getoetst. Dat wil zeggen dat de voorzieningenrechter de beslissing niet inhoudelijk kan toetsen, maar enkel kan beoordelen of Het Amsterdams Lyceum gelet op de bij het onderhavige geval betrokken belangen in redelijkheid tot haar besluit heeft kunnen komen.

4.2.

Uit de door Het Amsterdams Lyceum gehanteerde overgangsnorm voor overgang van de eerste naar de tweede klas blijkt dat een leerling een maximum van twee tekortpunten mag hebben (mits hij ook tenminste twee compensatiepunten heeft). [leerling] heeft drie vijven gehaald hetgeen één tekortpunt teveel oplevert. Voor wat betreft de door [leerling] voor het vak Fast Lane English behaalde onvoldoende heeft Het Amsterdams Lyceum aangevoerd dat [leerling] volgens zijn docent niet alleen over onvoldoende specifieke kennis en vaardigheden beschikt die benodigd zijn voor het programma Fast Lane English, maar ook de onderdelen die voor het reguliere vak Engels doorslaggevend zijn in onvoldoende mate beheerst. Dat oordeel betreft een professionele opinie van de docent van [leerling] en kan gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1. is overwogen niet inhoudelijk worden getoetst. Gelet op dit oordeel heeft Het Amsterdams Lyceum naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet kennelijk onredelijk gehandeld door de vijf die [leerling] voor dit vak heeft gehaald als een (vol) tekortpunt aan te merken. De stelling van [eiser] dat de beslissing om [leerling] niet naar het tweede leerjaar te bevorderen in strijd is met de overgangsnorm kan dan ook niet worden gevolgd.

4.3.

Voor wat betreft de overige bezwaren van [eiser] tegen de beslissing van Het Amsterdams Lyceum, heeft hij tegenover de gemotiveerde betwisting door Het Amsterdams Lyceum onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de school de belangen van [leerling] niet heeft meegewogen. Het incident tussen de mentor van [leerling] en [leerling] heeft plaatsgevonden tegen het einde van het schooljaar, terwijl zijn leerresultaten het gehele jaar door onvoldoende zijn geweest. Dat Het Amsterdams Lyceum zich op het standpunt stelt dat het incident niet doorslaggevend is geweest voor de door [leerling] behaalde eindcijfers is daarmee niet kennelijk onredelijk. Voor wat betreft de hoogbegaafdheid van [leerling] en het gestelde onvermogen van Het Amsterdams Lyceum om daarmee om te gaan, heeft te gelden dat [eiser] niet heeft bestreden dat hij er zelf voor gekozen heeft [leerling] op Het Amsterdams Lyceum in te schrijven terwijl hij zich ervan bewust was dat Het Amsterdams Lyceum geen HB-profiel had. Hij heeft daarmee de kans aanvaard dat [leerling] minder adequaat zou worden begeleid dan op een school die wel over een HB-profiel beschikt, met alle mogelijke gevolgen van dien. De voorzieningenrechter kan niet overzien of en zo ja in welke mate het ontbreken van een HB-profiel de leerresultaten van [leerling] heeft beïnvloed, maar voorshands is niet gebleken dat Het Amsterdams Lyceum de bijzondere situatie van [leerling] op dit punt niet expliciet bij haar beslissing heeft betrokken. [eiser] heeft ook niet betwist dat er meerdere als hoogbegaafd aangemerkte leerlingen zijn die op Het Amsterdams Lyceum goed functioneren. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft Het Amsterdams Lyceum in redelijkheid kunnen beslissen dat de gestelde hoogbegaafdheid van [leerling] onvoldoende is om te rechtvaardigen dat voor hem een uitzondering wordt gemaakt door van de overgangsnormen af te wijken. Wat de gevolgen voor [leerling] zullen zijn als hij de eerste klas over zal moeten doen, zal moeten blijken. [eiser] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de (geestelijke) gezondheid van [leerling] daardoor in gevaar zal komen. De verklaring van Boogaard is daartoe in dit verband onvoldoende, nu Boogaard [leerling] ten eerste zelf niet heeft begeleid, en voorts niet gebleken is dat zij voorafgaand aan het opstellen van haar verklaring Het Amsterdams Lyceum om een reactie heeft gevraagd. Niet kan worden uitgesloten dat de verklaring daarmee de vereiste objectiviteit mist, hetgeen aan de overtuigingskracht daarvan afbreuk doet.

4.4.

De voorzieningenrechter komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat Het Amsterdams Lyceum gelet op alle omstandigheden van het geval in redelijkheid heeft kunnen beslissen om [leerling] niet tot het tweede leerjaar te bevorderen. Dat betekent dat voor zover [leerling] niet tot een eerste klas van een andere school wordt toegelaten, hij de eerste klas van Het Amsterdams Lyceum dient te doubleren. Wanneer zijn leerresultaten volgend jaar wel toereikend zijn, kan [leerling] mogelijk alsnog worden toegelaten op een andere school die een lesprogramma aanbiedt dat naar het oordeel van [eiser] beter op [leerling] is toegespitst.

4.5.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] worden veroordeeld in de kosten van dit geding, gevallen aan de zijde van Het Amsterdams Lyceum.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorzieningen,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Het Amsterdams Lyceum tot op heden begroot op € 613,00 aan griffierecht,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Berkhout, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.R.S. Bacon, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2015.1

1 type: MRSB coll: mb