Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:6045

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-09-2015
Datum publicatie
21-09-2015
Zaaknummer
AMS - 14 _ 6553
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser bestrijdt dat is afgesproken om het bezwaarschrift van 28 december 2013 te kwalificeren als een aanvraag. Er is afgesproken het bezwaarschrift tevens als aanvraag te kwalificeren.

Voor de Wmo geldt als periode in geding de periode van aanvraag tot en met de beslissing op bezwaar. Deze periode loopt daarom van 28 december 2013 tot en met 4 september 2014, de datum van het bestreden besluit. Dit betekent dat het bezwaarschrift van 28 december 2013 gericht tegen de opvang in de Jellinek in deze procedure niet voorligt. Dit betekent tevens dat de rechtbank niet toekomt aan beantwoording van de vraag welke afspraken met het kantoor van gemachtigde zijn gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 14/6553

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 september 2015 in de zaak tussen

[naam] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. S.M.E. Dreyer).

Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2007 (Wmo) afgewezen.

Bij besluit van 4 september 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek heeft ter zitting plaatsgevonden op 8 september 2015. De rechtbank heeft de zaken AMS 14/6215, 14/6219, 14/6724, 14/6731, 14/6340, 14/6513, 14/5850, 14/6354, 14/6393, 15/1186, 14/6553, 14/6632, 14/6551, 14/6040, 14/7260, 14/6081, 14/5848, 14/7974, 14/6547, 15/238, 14/6633, 14/7285, 14/7159, 14/6670, 14/6672, 14/6784, 14/6787, 15/624, 14/7150, 14/6667 en 14/6415 aan de orde gesteld voor een gevoegde behandeling. Partijen zijn met een voorafgaande kennisgeving niet verschenen.

Overwegingen

1.1.

Eiser is geboren op [geboortedatum] 1980, stelt afkomstig te zijn uit Algarije en heeft geen rechtmatig verblijf in Nederland. Eiser stelt dat hij op 29 november 2013 een formulier heeft ondertekend en ingeleverd ten behoeve van opvang in de Havenstraat (de zogenoemde Vluchthaven). Eiser is vervolgens opgevangen in het Arkingebouw op het Surinameplein (de Jellinek). Op 28 december 2013 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de voorwaarden van de opvang. Dit bezwaarschrift is door verweerder, blijkens het primaire besluit, in overleg met het kantoor van de gemachtigde aangemerkt als aanvraag om opvang als bedoeld in de Wmo. Op 25 januari 2014 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op de aanvraag van 29 november 2013.

1.2.

Op 10 februari 2014 heeft eiser het formulier “Declaration for accomodation Vluchthaven” ondertekend en is hij opgenomen in de Vluchthaven. Op 5 maart 2014 heeft eiser hiertegen bezwaar gemaakt.

1.3.

Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Eiser heeft hiertegen op 27 april 2014 bezwaar gemaakt. Op 26 juni 2014 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. De gemachtigde van eiser heeft op de hoorzitting aangegeven dat eiser en zijn partner, [belanghebbende] , worden opgevangen in de gezinsopvanglocatie in [woonplaats] .

1.4.

Op 16 augustus 2014 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschriften van 28 december 2013, 10 maart 2014 en 27 april 2014.

2.

2.1.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van 27 april 2014 ongegrond verklaard. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser vanwege zijn verblijfsstatus en gelet op het koppelingsbeginsel geen aanspraak heeft op opvang op grond van de Wmo.

2.2.

Eiser stelt in beroep dat verweerder ten onrechte geen toekennend besluit heeft genomen. Voorts maakt eiser aanspraak op leefgeld op grond van het Fonds Gevolgen Vreemdelingenwetgeving (FGV). Ten slotte maakt eiser aanspraak op een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op de aanvraag van 29 november 2013 en de bezwaarschriften van 28 december 2013 en 5 maart 2014. Eiser bestrijdt dat is afgesproken om het bezwaarschrift van 28 december 2013 te kwalificeren als een aanvraag. Er is afgesproken het bezwaarschrift tevens als aanvraag te kwalificeren.

3. Voor de Wmo geldt als periode in geding de periode van aanvraag tot en met de beslissing op bezwaar. Deze periode loopt daarom van 28 december 2013 tot en met 4 september 2014, de datum van het bestreden besluit. Dit betekent dat het bezwaarschrift van 28 december 2013 gericht tegen de opvang in de Jellinek in deze procedure niet voorligt. Dit betekent tevens dat de rechtbank niet toekomt aan beantwoording van de vraag welke afspraken met het kantoor van gemachtigde zijn gemaakt.

4. De rechtbank stelt vast dat eiser aansluitend aan de opvang in de Jellinek en de Vluchthaven met zijn partner naar een gezinsopvanglocatie is gegaan. Deze opvang moet worden aangemerkt als voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 2 van de Wmo, zodat geen aanspraak bestaat op opvang op grond van de Wmo. Eiser heeft in de periode in geding ononderbroken opvang gehad. Eiser heeft daarom geen belang bij de beoordeling of hij recht op opvang had.

5. Eiser voert aan dat hij recht heeft op leefgeld op grond van het FGV naar de norm van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva). Onder verwijzing naar rov. 21 tot en met 24 van de uitspraak van 8 mei 2015 (ECLI:NL:RBAMS:2015:2651) is de rechtbank van oordeel dat eiser geen recht heeft op leefgeld. De rechtbank is voorts van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij aan de in de aangehaalde uitspraak genoemde criteria voor een uitkering uit het FGV voldoet, zodat hij niet in aanmerking komt voor deze uitkering. Hetgeen hierover nader is aangevoerd maakt het oordeel van de rechtbank niet anders.

6. In het kader van eisers aanspraak op een dwangsom in verband met het te laat beslissen op de aanvraag overweegt de rechtbank dat de gestelde aanvraag van 29 november 2013 hier niet voorligt, gelet op de in geding zijnde periode. Dit geldt dus ook voor de ingebrekestelling van 25 januari 2014.
Voor zover de ingebrekestelling van 16 augustus 2014 ziet op het bezwaarschrift van 28 december 2013 overweegt de rechtbank dat dit bezwaarschrift evenmin in deze procedure voorligt.
Voor zover de ingebrekestelling van 16 augustus 2014 ziet op het bezwaarschrift van 11 maart 2014 overweegt de rechtbank dat eiser op 11 maart 2014 geen bezwaarschrift heeft ingediend.
Voor zover de ingebrekestelling van 16 augustus 2014 ziet op het te laat beslissen op het bezwaarschrift van 27 april 2014 overweegt de rechtbank dat verweerder heeft in ieder geval later dan binnen de termijn van zes weken (vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken) op grond van artikel 7:10 van de Awb een besluit genomen op het bezwaar. Op 25 juni 2014 is vanuit de gemeente Amsterdam een brief verstuurd, met het doel de termijn om op het bezwaar te beslissen te verlengen tot 4 augustus 2014. Uit de letterlijke tekst van de brief maakt de rechtbank op dat mededeling wordt gedaan van een beslissing tot verdaging namens het college van burgemeester en wethouders. Anders dan eiser is de rechtbank dan ook van oordeel dat de beslistermijn rechtsgeldig is verdaagd tot 20 augustus 2014. De ingebrekestelling van 16 augustus 2014 is daarom prematuur. Zoal de brief van 30 juni 2014 als ingebrekestelling is aan te merken, dan is die prematuur.
Uit het bovenstaande volgt dat alle dwangsommen afgewezen dienen te worden.

7. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren. Voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Kalse‑Spoon, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 september 2015.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.