Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:6017

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-09-2015
Datum publicatie
14-09-2015
Zaaknummer
HA ZA 14-500
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

hoofdelijke aansprakelijkheid lening, particuliere borgtocht, toestemming echtgenote vereist, geen vernietiging toestemming wegens misbruik van omstandigheden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1693
INS-Updates.nl 2015-0217
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/565108 / HA ZA 14-500

Vonnis van 2 september 2015

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GOTCHA B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EIVISSA AMSTERDAM B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres 3] ,

gevestigd te [plaats] ,

eiseressen,

advocaat mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen

[gedaagde 1] ,

wonende te [plaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. P. Haas te Rotterdam,

en

[gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] ,

wonende te [plaats] ,

gevoegde partij aan de zijde van gedaagde,

advocaat mr. P. Haas te Rotterdam.

Eisers zullen hierna gezamenlijk [eisers gezamenlijk] en afzonderlijk [eiseres 3] , Eivissa en Gotcha worden genoemd. Gedaagde zal [gedaagde 1] en de gevoegde partij zal [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het incidenteel vonnis van 3 juli 2013, waarin de Rechtbank Den Haag zich relatief onbevoegd heeft verklaard en de zaak heeft verwezen naar deze rechtbank,

  • -

    het oproepingsexploot na verwijzing van 12 mei 2014,

  • -

    de akte wijziging van grondslag eis van [eisers gezamenlijk] ,

  • -

    de akte overleggen producties van [eisers gezamenlijk] van 4 juni 2014,

  • -

    de akte overleggen producties van [eisers gezamenlijk] van 18 juni 2014,

  • -

    de incidentele conclusie tot voeging ex artikel 217 Rv van [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] ,

  • -

    de conclusie van antwoord van [eisers gezamenlijk] in het incident tot voeging,

  • -

    de conclusie van antwoord van [gedaagde 1] in het incident tot voeging,

  • -

    het vonnis in incident van 3 september 2014 waarbij [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] is toegestaan om zich in de hoofdzaak aan de zijde van [gedaagde 1] te voegen,

  • -

    de conclusie van antwoord van [gedaagde 1] en [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] ,

  • -

    het vonnis van 26 november 2014, waarbij een comparitie van partijen is gelast,

  • -

    het proces-verbaal van de zitting van comparitie van 23 maart 2015 alsmede de daarin vermelde processtukken en/of proceshandelingen,

  • -

    het rolbericht van 20 mei 2005 van [eisers gezamenlijk] met een reactie op het proces-verbaal.

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres 3] legt zich toe op projectontwikkeling en investeert in onroerend goed.

[naam 1] (hierna [naam 1] ) is belanghebbende van Eivissa B.V., [naam 2] (hierna: [naam 2] ) is belanghebbende van Gotcha. [naam 1] en [naam 2] hebben samen (direct of indirect) Eivissa opgericht, die aanvankelijk is opgetreden als Eivissa Amsterdam B.V. i.o.

2.2.

[gedaagde 1] en [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] zijn echtgenoten. [gedaagde 1] hield sinds 1999 39 aandelen in Square Lake Holding B.V. (hierna Square Lake), [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] hield één aandeel. De aandelen zijn in 2005 gecertificeerd en geleverd aan de Stichting Administratiekantoor Square Lake Holding (hierna: STAK), waarvan [gedaagde 1] 39 certificaten hield en [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] één.

2.3.

Square Lake hield alle aandelen in Holiday Cars Group B.V. (hierna Holiday Cars), die aandeelhouder was van Holiday Cars International B.V. (hierna: Holiday Cars International). [gedaagde 1] was (indirect) bestuurder van genoemde vennootschappen. Holiday Cars en haar groepsvennootschappen (hierna ook Holiday Cars c.s.) waren actief in de online reiswereld, waar zij een IT-platform hadden ontwikkeld voor het reserveren van huurauto’s.

2.4.

Op 12 oktober 2010 zijn [eiseres 3] en Eivissa Amsterdam B.V. i.o. enerzijds en [gedaagde 1] , Holiday Cars en Square Lake anderzijds een overeenkomst op hoofdlijnen aangegaan, schriftelijk vastgelegd in de “Term Sheet Holiday Cars Group B.V.” (hierna term sheet) . De term sheet voorzag in een lening aan Holiday Cars van in totaal 2 miljoen euro ( [eiseres 3] en Eivissa Amsterdam B.V. i.o. ieder 1 miljoen euro). Als zekerheid waren diverse pandrechten op aandelen overeengekomen. Voorts staat in de term sheet vermeld:

[…]

Elk van [gedaagde 1] en [gedaagde 1] stellen zich in privé garant voor terugbetaling van de Lening door middel van het secureren van de overwaarde van de eigen woning in [plaats] alsmede de woning in [plaats] .

[…]

2.5.

Op 25 oktober 2010 heeft een managementvergadering binnen Holiday Cars plaatsgevonden. De daarvan opgemaakte notulen (“Minutes of management meeting”) houden, voor zover hier van belang, het volgende in:

Investeerders

- De investeerders hebben 30% van de aandelen

-Zij storten 2 miljoen, dit is een lening.

[…]

Vanaf nu:

- [gedaagde 1] heeft geen zeggenschap meer. Hij is hoofdelijk aansprakelijk tot en met privé.

[…]

2.6.

Op 27 oktober 2010 hebben [eiseres 3] , [naam 1] en [naam 2] (de twee laatste namens Eivissa Amsterdam B.V. i.o.) enerzijds en [gedaagde 1] , STAK, Square Lake, Holiday Cars International en Holiday Cars anderzijds (“de Geldnemer”) een (schriftelijke) overeenkomst van geldlening gesloten (hierna: lening 1). Daarbij is overeengekomen dat aan de Geldnemer een bedrag van 2 miljoen euro wordt geleend tegen onder meer het verstrekken van een recht van hypotheek en van pandrechten.

Artikel 2 bepaalt dat de lening uiterlijk op 1 juli 2011 in het geheel moet worden afgelost.

Artikel 5 gaat over verplichtingen van de Geldnemer tot vestiging van een hypotheekrecht.

Artikel 10 luidt als volgt:

Hoofdelijkheid Geldnemer

Artikel 10

[gedaagde 1] , Square Lake Holding B.V. alsmede haar deelnemingen Holiday Cars Group B.V. en Holiday Cars International B.V. zijn ieder hoofdelijk aansprakelijk voor de nakoming van de verplichtingen van Geldnemer uit hoofde van deze geldleningsovereenkomst.

[gedaagde 1] heeft de overeenkomst meerdere keren ondertekend, zowel in zijn hoedanigheid van bestuurder van de verschillende groepsvennootschappen van Holiday Cars almede voor zich in privé.

[gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] heeft lening 1 medeondertekend. Onder de handtekening van [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] staat vermeld:

[gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] .

toestemming ex 1:88 BW

Alsmede verplichting tot nakoming

en inschrijving conform het gestelde

in artikel 5 van deze overeenkomst.

2.7.

Ter gelegenheid van ondertekening van lening 1 op 27 oktober 2010 bij de notaris zijn ook diverse notariële aktes gepasseerd ter vestiging van pand- en hypotheekrechten voortvloeiende uit lening 1.

2.8.

Een notitie van mr. J.P.C. van der Hoek van 27 oktober 2010 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

[…] In deze zaak treden wij op voor [gedaagde 1] , zijn vrouw, en de ondernemingen van [gedaagde 1] te weten Squarelake Holding en haar dochter maatschappijen en participaties, in het bijzonder Holiday Cars Group.[…]

2.9.

Op 18 november 2010 hebben [eiseres 3] , Eivissa, STAK, [gedaagde 1] , Holiday Cars, Holiday Cars International, Square Lake en Stichting Administratiekantoor Square Lake Holding de in de term sheet genoemde aandeelhoudersovereenkomst getekend.

2.10.

Op 16 februari 2011 hebben [eiseres 3] , Gotcha, Eivissa, STAK, [gedaagde 1] , Holiday Cars, Holiday Cars International, Square Lake en Stichting Administratiekantoor Square Lake Holding een (schriftelijke) overeenkomst gesloten, genaamd “Aanvullende (Koop)overeenkomst”. Die overeenkomst bevat bepalingen omtrent de koop en verkoop van aandelen, de koop en verkoop van onroerend goed, renteverhoging en toetreding van nieuwe aandeelhouders.

In het considerans onder H staat dat [eiseres 3] Beheer en Gotcha een aanvullende lening van in totaal € 230.000,00 hebben verstrekt (hierna: lening 2). De daarbij behorende bijlage die in de “Aanvullende overeenkomst” wordt genoemd, bevindt zich niet bij de stukken.

In artikel 5, overige bepalingen, staat dat lening 1 onverkort tussen partijen blijft bestaan en gehandhaafd.

[gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] heeft de “Aanvullende overeenkomst” medeondertekend; achter haar naam staat de toevoeging “(i.v.m. het bepaalde in art 3.2)”. Artikel 3.2 gaat over rente.

2.11.

Op 21 september 2011 hebben [eiseres 3] en Eivissa enerzijds en [gedaagde 1] , STAK, Square Lake, Holiday Cars International en Holiday Cars anderzijds een (schriftelijke) overeenkomst van geldlening gesloten (hierna: lening 3). Daarbij is overeengekomen dat aan Holiday Cars een bedrag van 1,6 miljoen euro wordt geleend.

In de overeenkomst staat, onder meer, het volgende vermeld:

Considerans:

Geldgever en Geldnemer nemen in aanmerking dat:

[…]

c. Geldgever en Geldnemer wensen onder vrijwel dezelfde voorwaarden en verstrekking van zekerheden opnieuw een leenovereenkomst aangaan, dan wel continuering van de dan gemaakte afspraken opnieuw te bevestigen.

[…]

De voorwaarden en bepalingen die Geldgever en Geldnemer zijn overeengekomen ter zake de Geleende som voortvloeiend uit de overeenkomst van 27 oktober 2012 blijven van kracht, rekening houden met:

[…]

Mutaties in ontvangen gelden

Artikel 1

[…]

1.4

De Geldnemer zal de Geleende Som in termijnen aflossen […] en uiterlijk 30 juni 2012 in zijn geheel hebben afgelost […]

[gedaagde 1] heeft de overeenkomst meerdere keren ondertekend, zowel in zijn hoedanigheid van bestuurder van de verschillende groepsvennootschappen van Holiday Cars almede voor zich in privé.

[gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] heeft de overeenkomst medeondertekend. Onder de handtekening van [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] staat vermeld:

[gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] ex art. 1:88 BW i.v.m. hoofdelijke

verbondenheid [gedaagde 1]

2.12.

Op 27 september 2012 hebben [eiseres 3] , [naam 1] en [naam 2] enerzijds en [gedaagde 1] dan wel Holiday Cars anderzijds een (schriftelijke) overeenkomst gesloten, genaamd “Overeenkomst op hoofdlijnen” (hierna: lening 4). De overeenkomst houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

Deze overeenkomst op hoofdlijnen geeft een overzicht van de voorwaarden waaronder de aandeelhouders, [eiseres 3] , [naam 1] en [naam 2] bereid zijn om een aanvullende lening ter hoogte van € 2,6 miljoen te verstrekken aan Holiday Cars Group B.V.

[…]

De overeenkomst bevat geen bepalingen omtrent hoofdelijke aansprakelijkheid van [gedaagde 1] . [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] heeft deze overeenkomst niet getekend.

2.13.

Op 27 december 2012 zijn Holiday Cars en Holiday Cars International failliet verklaard.

2.14.

In de brieven van 11 februari en 25 oktober 2013 aan de opvolgende advocaten van [eisers gezamenlijk] heeft de advocaat van [gedaagde 1] en [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] artikel 10 van lening 1 en alle mogelijk opvolgende hoofdelijkheden namens [gedaagde 1] buitengerechtelijk vernietigd met een beroep op artikel 3:44 BW (bedreiging en misbruik van omstandigheden). In dezelfde brieven is ook namens [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] de vernietiging van de hoofdelijke verplichtingen van [gedaagde 1] ingeroepen vanwege het ontbreken van haar toestemming op grond van artikel 1:88 BW. In de brief van 25 oktober 2013 is daar nog vernietiging wegens dwaling aan de zijde van [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] aan toegevoegd, voor zover aan haar handtekening onder lening 1 een andere uitleg zou worden gegeven dan zij destijds beoogde.

3 Het geschil

3.1.

[eisers gezamenlijk] vorderen, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, [gedaagde 1] te veroordelen tot betaling aan [eisers gezamenlijk] van

- € 3.300.000,-, te vermeerderen met de beslagkosten ad € 7.500,- en de rente vanaf als gemeld in de overeenkomsten, voorlopig berekend op € 183.634,04,

- € 10.000,- uit hoofde van buitengerechtelijke incassokosten alsmede deurwaarderskosten,

- de proceskosten, waaronder de beslagkosten en nakosten.

3.2.

[eisers gezamenlijk] leggen daaraan ten grondslag dat zij ingevolge de vier leningen gelden aan Holiday Cars en haar groepsvennootschappen ter beschikking hebben gesteld die, ondanks opeisbaarheid, niet zijn afgelost. [gedaagde 1] heeft zich in persoon hoofdelijk – als medeschuldenaar of als borg – verbonden voor de terugbetaling van de leningen, zodat [gedaagde 1] verplicht is deze betalingsverplichtingen jegens [eisers gezamenlijk] na te komen. De vordering van [eiseres 3] bedraagt € 1.950.000,-, de vordering van Gotcha en Eivissa bedraagt tezamen € 1.415.000,-, aldus [eisers gezamenlijk]

3.3.

[gedaagde 1] voert verweer. De rechtbank begrijpt uit de conclusie van antwoord dat [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] als gevoegde partij aan de zijde van [gedaagde 1] hetzelfde verweer voert.

3.4.

Kort samengevat houdt het verweer in dat [gedaagde 1] zich met de vier leningen niet hoofdelijk heeft verbonden. Voor zover dat wel het geval zou zijn, is de hoofdelijkheid wegens bedreiging/misbruik van omstandigheden buitengerechtelijk vernietigd. Ook moet de toestemming van [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] , die in het geval van hoofdelijkheid nodig was, gelet op de omstandigheden geacht worden niet op de algehele hoofdelijkheid van [gedaagde 1] te zien althans is de gegeven toestemming buitengerechtelijk vernietigd wegens dwaling. Voor lening 4 heeft [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] in het geheel geen toestemming gegeven, de eventuele hoofdelijkheid is door [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] buitengerechtelijk vernietigd. Voor zover er sprake zou zijn van borgtocht, is volgens [gedaagde 1] niet voldaan aan de vereisten van de particuliere borgtocht. Voor het geval [gedaagde 1] wel iets zou zijn verschuldigd, dan geldt dat Gotcha en Eivissa niets te vorderen hebben onder de leningen 1, 2 en 3, aldus steeds [gedaagde 1] .

Voor zover uiteindelijk aan [eiseres 3] nog enig bedrag zou zijn verschuldigd dan dient daarvan te worden afgetrokken:

(i) de opbrengst van de verkoop van de verpande aandelen in Libralab B.V.,

(ii) de aan [eiseres 3] uitbetaalde netto-opbrengst (keer een factor twee) van de verkoop van het huis van [gedaagde 1] in [plaats] , zoals met [eiseres 3] overeengekomen (in totaal € 68.288,48), en

(iii) de aan [eiseres 3] uitbetaalde netto-opbrengst (keer een factor twee) van de verkoop van het huis van [gedaagde 1] in [plaats] , zoals met [eiseres 3] overeengekomen (€ 50.113,0).

Verder dient enige resterende vordering van [eiseres 3] volgens [gedaagde 1] te worden verrekend met de schade die hij heeft geleden doordat [eiseres 3] de met [gedaagde 1] gesloten koopovereenkomst voor het huis in [plaats] niet is nagekomen, welke schade door [gedaagde 1] wordt becijferd op € 332.000,- althans € 182.000,-.

[gedaagde 1] voert ook aan dat het onredelijk zou zijn als hij tot betaling zou worden veroordeeld omdat [eiseres 3] in februari 2012 geweigerd heeft een bod van Expedia op de aandelen in Holiday Cars te aanvaarden. Ook heeft [eiseres 3] , gelet op artikel 6:248 Burgerlijk Wetboek (BW), met het afwijzen van het bod van Expedia haar recht op nakoming van resterende betalingsverplichtingen verwerkt, aldus [gedaagde 1] .

Tenslotte doet [gedaagde 1] een beroep op matiging van de eventuele betalingsverplichting en de contractuele rente.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Toestemming [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] nodig?

4.1.1.

De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van de vorderingen van [eisers gezamenlijk] de vraag van belang is of [gedaagde 1] voor het aangaan van de geldleningsovereenkomsten de toestemming van zijn echtgenote [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] nodig had in de zin van 1:88 BW.

4.1.2.

[eisers gezamenlijk] stellen zich – onder meer – op het standpunt dat dit niet nodig was omdat, kort gezegd, [gedaagde 1] zich bij de vier leningen als borg (of hoofdelijk schuldenaar) heeft verbonden ten behoeve van de normale uitoefening van zijn bedrijf en omdat hij indirect bestuurder is van Holiday Cars en hij binnen de structuur van de ondernemingen om Holiday Cars heen alle touwtjes in handen heeft. Daarom is volgens [eisers gezamenlijk] voldaan aan de vereisten van artikel 1:88 lid 5 BW.

4.1.3.

De rechtbank overweegt dat het bij de vier leningen in kwestie niet om leningen gaat die nodig waren ten behoeve van de normale bedrijfsuitoefening. Bij dat laatste moet men denken aan gebruikelijke kredietarrangementen met bijvoorbeeld banken of andere financiers ter investering in bedrijfsactiviteiten. Uit de stellingen van partijen valt echter af te leiden dat het hier ging om noodkredieten, aanvankelijk ter overbrugging van een ernstig liquiditeitstekort en later ter voorkoming van een faillissement. De uitzonderingsbepaling van artikel 1:88 lid 5 BW is dan ook niet van toepassing. Hieruit volgt dat voor het aangaan van de leningen de toestemming van [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] was vereist. Daarbij maakt het blijkens lid 1 aanhef en onder c. van artikel 1:88 BW overigens geen verschil of er sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid of borgtocht (“Een echtgenoot behoeft de toestemming van de andere echtgenoot voor de volgende rechtshandelingen: (…) c. overeenkomsten die ertoe strekken dat hij, anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf, zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, (…)”

4.1.4.

Hierna zal de rechtbank, met inachtneming van wat zojuist is overwogen, de vorderingen van [eisers gezamenlijk] per lening beoordelen.

4.2.

Lening 1

4.2.1.

Tussen partijen staat vast dat Gotcha geen partij is bij deze overeenkomst, zodat aan Gotcha geen bedragen uit hoofde van lening 1 toekomen.

Vereisten van particuliere borgtocht

4.2.2.

In het midden kan blijven of [gedaagde 1] met lening 1 een hoofdelijk medeschuldenaarsschap is aangegaan of een (particuliere) borgtocht. Hiervoor is al overwogen dat het verschil niet uitmaakt voor de vraag of de toestemming van [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] nodig was. Verder geldt dat, anders dan [gedaagde 1] heeft gesteld, aan de vereisten van de particuliere borgtocht van artikel 7:857 e.v. BW is voldaan. De leningsovereenkomst is op schrift gesteld en het bedrag waarvoor de verbintenis (exclusief kosten en rente) is aangegaan is duidelijk in de overeenkomst vermeld. Daarvoor is niet noodzakelijk dat het leningsbedrag in artikel 10 nog wordt herhaald. Van een overeenkomst in de zin van artikel 158 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is geen sprake, aangezien in de leningsovereenkomst niet slechts eenzijdige verplichtingen zijn aangegaan (zoals bijvoorbeeld bij een schuldbekentenis). Tenslotte staat als onweersproken vast dat in verband met faillissementen van de overige schuldenaars geen betaling te verwachten valt.

Vernietiging/ artikel 3:44 BW

4.2.3.

[gedaagde 1] heeft het verweer gevoerd dat zijn advocaat bij brieven van 11 februari en 25 oktober 2013 namens hem artikel 10 uit lening 1 (hierna: de hoofdelijkheidsbepaling) buitengerechtelijk heeft vernietigd. Vernietiging is volgens [gedaagde 1] mogelijk op grond van artikel 3:44 BW omdat de hoofdelijkheidsbepaling tot stand is gekomen onder invloed van bedreiging. [eiseres 3] en Eivissa hebben meerdere keren gedreigd met het op het laatste moment intrekken van de financiering, waardoor Holiday Cars ongetwijfeld het faillissement was ingejaagd en [gedaagde 1] financieel nadeel zou worden toegebracht, alles terwijl in de term sheet nog andersluidende afspraken waren gemaakt. Ook hebben [eiseres 3] en Eivissa volgens [gedaagde 1] misbruik gemaakt van de omstandigheden. Zij hadden immers economisch overwicht ten opzichte van [gedaagde 1] . Dit hebben zij misbruikt om [gedaagde 1] in een noodsituatie te bewegen gemaakte afspraken te herzien, zonder dat daar een redelijke rechtvaardiging voor bestond, aldus nog steeds [gedaagde 1] . Bij al dat geldt dat de hoofdelijkheidsbepaling niet was opgenomen in de term sheet, dat [gedaagde 1] nauwelijks de gelegenheid heeft gehad de concepten van lening 1 goed te bestuderen en diverse keren heeft geprotesteerd tegen de hoofdelijkheidsbepaling in lening 1.

[eisers gezamenlijk] hebben gemotiveerd betwist dat zij met het omvallen van Holiday Cars zouden hebben gedreigd of anderszins misbruik zouden hebben gemaakt van de omstandigheden.

4.2.4.

Met [eisers gezamenlijk] is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een situatie die vernietiging van de hoofdelijkheidsbepaling rechtvaardigt. Op grond van de stellingen van partijen over en weer kan worden vastgesteld dat de financiële situatie van Holiday Cars voorafgaand aan de term sheet en lening 1 nijpend was. Ondanks een reorganisatie in 2009 en 2010 wilde huisbankier ING Bank haar kredietovereenkomst met Holiday Cars beëindigen en drong zij op aflossing van het lopende krediet aan. Ter overbrugging tot verdere financiering door Deutsche Bank en om de verwachte winterdip te doorstaan was een tijdelijke financiering van 2 miljoen euro in het najaar van 2010 nodig. Voorts hadden [eisers gezamenlijk] al leningen aan [gedaagde 1] verstrekt voorafgaand aan de vier leningen, waarbij in elk geval in de schriftelijke weergave van de lening van 15 juni 2010 [gedaagde 1] als hoofdelijk schuldenaar staat vermeld. Hoewel in de term sheet geen algehele hoofdelijkheid voor [gedaagde 1] is opgenomen, ging [gedaagde 1] blijkens de notulen van de managementvergadering van Holiday Cars – gehouden op 25 oktober 2010, dus na de term sheet en vóór het sluiten van lening 1 – er wel van uit dat hij hoofdelijk aansprakelijk zou worden “tot en met privé” (zie 2.5). Verder werd [gedaagde 1] in het hele onderhandelingstraject bijgestaan door een advocaat, die hem uitdrukkelijk heeft gewaarschuwd voor de gevolgen van hoofdelijke aansprakelijkheid. Ondanks dit besef en deze waarschuwingen heeft [gedaagde 1] ervoor gekozen om lening 1 te ondertekenen, inclusief de hoofdelijkheidsbepaling. Dit duidt op een weloverwogen keuze. Dat [gedaagde 1] bij die keuze het water mogelijk tot aan de lippen stond, komt niet voor rekening van [eisers gezamenlijk] Holiday Cars was immers het bedrijf van [gedaagde 1] en niet van [eisers gezamenlijk] . [eisers gezamenlijk] heeft in dat verband nog gesteld – wat door [gedaagde 1] onbetwist is gebleven – dat [gedaagde 1] in oktober 2009 klem zat en zeer urgent financiering nodig had, zodanig zelfs dat nog vóór de totstandkoming van lening 1 een bedrag van 1 miljoen euro door [eiseres 3] werd gestort. Het risico voor [eisers gezamenlijk] was in die situatie aanzienlijk en er waren nauwelijks te verpanden vermogensbestanddelen; onder dergelijke omstandigheden is het niet ongebruikelijk dat een hoofdelijke medeaansprakelijkheid of borgtocht van de natuurlijke persoon achter de onderneming wordt verlangd. Op grond van de hiervoor genoemde omstandigheden kan noch sprake zijn van bedreiging noch van misbruik van omstandigheden bij de totstandkoming van de hoofdelijkheidsbepaling, zodat de door [gedaagde 1] ingeroepen buitengerechtelijke vernietiging geen stand houdt.

Toestemming [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] op grond van artikel 1:88 BW

4.2.5.

[gedaagde 1] heeft voorts het verweer gevoerd dat [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] geen toestemming heeft gegeven voor de hoofdelijkheidsbepaling althans dat de toestemming van [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] wegens dwaling buitengerechtelijk is vernietigd. Met ondertekening van lening 1 heeft [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] niet bedoeld haar instemming te geven met de hoofdelijkheidsbepaling en voor zover zij de toestemming wel heeft gegeven, dan heeft zij op grond van onjuiste inlichtingen van [eisers gezamenlijk] gedwaald. [gedaagde 1] voert ter onderbouwing van zijn eerste verweer onder meer aan dat de tekst van lening 1 afwijkt van de bedoelingen van partijen voortvloeiend uit de term sheet. Met name is aandacht gevraagd voor het feit dat de in de term sheet genoemde hoofdelijke aansprakelijkheid zich beperkte tot de overwaarde van de woningen. Tevens is aangevoerd dat [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] nauwelijks tijd heeft gehad het concept voor lening 1 door te nemen, dat haar niet is verteld dat haar medeondertekening zag op de algehele aansprakelijkheid van [gedaagde 1] en dat zij dacht dat zij moest tekenen in verband met de hypotheek, aldus [gedaagde 1] . Voor de dwaling voert [gedaagde 1] aan dat [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] de toestemming onder een juiste voorstelling van zaken niet had gegeven terwijl de onjuiste voorstelling van zaken is ontstaan doordat [naam 1] haar had bevestigd dat zij gerust kon tekenen, dat alles slechts een formaliteit zou zijn en dat men [gedaagde 1] en [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] niet uit hun huis zou zetten.

4.2.6.

[eisers gezamenlijk] hebben de stellingen van [gedaagde 1] gemotiveerd betwist. Volgens [eisers gezamenlijk] wist [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] van de hoed en de rand bij Holiday Cars. Zij was immers aandeelhouder en later certificaathouder van Holiday Cars, zij was daar in loondienst en [gedaagde 1] communiceerde via haar met crediteuren. Voorts had [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] , net als [gedaagde 1] , voorafgaand aan de ondertekening van de term sheet en lening 1 een advocaat. [naam 1] heeft nooit toegezegd dat de aansprakelijkheden niet verder zouden gaan dan het huis. Tenslotte staat bij de handtekening van [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] onder lening 1 uitdrukkelijk vermeld “toestemming ex art. 1:88 BW”, wat duidelijk maakt dat [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] heeft ingestemd, aldus steeds [eisers gezamenlijk]

4.2.7.

De rechtbank stelt voorop dat voor de beantwoording van de vraag hoe een schriftelijke contractsbepaling moet worden uitgelegd, het aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij moet worden gekeken naar alle omstandigheden van het geval.

De rechtbank acht bij de verdere beoordeling van belang dat de volledige tekst onder de handtekening van [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] bij lening 1 luidt: “ [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] . toestemming ex 1:88 BW Alsmede verplichting tot nakoming en inschrijving conform het gestelde in artikel 5 van deze overeenkomst.” Artikel 5 ziet op het vestigen van een hypotheek. Deze tekst maakt gelet op het gebruik van het woord “alsmede” duidelijk dat de toestemming niet alleen zou zien op de hypotheek. In lening 1 is voorts onder het kopje “Hoofdelijkheid Geldnemer” de hoofdelijkheidsbepaling opgenomen, waarin is bepaald dat onder meer [gedaagde 1] hoofdelijk aansprakelijk is voor de nakoming van de verplichtingen uit die overeenkomst. De opmaak en de tekst van lening 1 zijn dan ook in zoverre duidelijk dat er sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid van [gedaagde 1] en van toestemming van [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] “ex artikel 1:88 BW”, die niet uitsluitend verband hield met de hypotheek. Als dat voor [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] op dat moment niet duidelijk was, kon van haar gelet op het voorgaande in elk geval worden verwacht dat zij bij het zetten van haar handtekening navraag zou doen. Dat zij dit heeft verzuimd komt voor haar rekening. Uit de eigen stellingen van [gedaagde 1] en [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] alsmede uit de notitie van mr. Van der Hoek valt voorts af te leiden dat mr. Van der Hoek tijdens de onderhandelingen in het najaar van 2010 ook als advocaat voor [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] optrad. Tenslotte moet ervan worden uitgegaan – [eisers gezamenlijk] hebben dit gesteld en [gedaagde 1] heeft dit niet betwist – dat [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] zowel (indirect) aandeelhouder als werknemer was van Holiday Cars en in die hoedanigheid geacht moet worden veel van de dagelijkse gang van zaken van Holiday Cars te weten en ook op de hoogte te zijn geweest van de financiële moeilijkheden. Dit werd ook ter zitting bevestigd door [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] die verklaarde dat zij “een vliegende keep in het bedrijf” was. [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] heeft daarbij ook nog verklaard dat ze in een roes was, dat er snel geld moest komen, dat ze [eiseres 3] goed kent en daarom erop heeft vertrouwd dat het wel goed zat. De rechtbank is van oordeel dat gelet op al het voorgaande het ondertekenen van de lening door [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] zo moet worden uitgelegd dat [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] wist of in elk geval moet hebben geweten wat zij heeft getekend en aldus haar toestemming heeft gegeven voor de hoofdelijkheidsbepaling van lening 1.

4.2.8.

Het beroep van [gedaagde 1] op dwaling van [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] bij het tekenen van lening 1 wordt eveneens verworpen. Daartoe wordt in de eerste plaats verwezen naar de omstandigheden die de rechtbank hiervoor heeft meegewogen bij de uitleg van de toestemming van [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] . Daar komt verder nog bij dat [naam 1] ter zitting heeft verklaard dat hij weliswaar een telefoongesprek met [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] heeft gevoerd maar dat dit pas na de ondertekening van lening 1 was. Noch [gedaagde 1] noch [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] hebben dit daarna weersproken, zodat van de juistheid van de verklaring van [naam 1] moet worden uitgegaan. Dit heeft tot gevolg dat de mededelingen van [naam 1] in dat telefoongesprek niet van belang kunnen zijn geweest bij de beslissing van [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] om lening 1 te tekenen. Dat er ondanks de hiervoor genoemde omstandigheden niettemin sprake zou zijn van een gerechtvaardigd beroep op dwaling is onvoldoende onderbouwd.

4.2.9.

Het voorgaande heeft tot gevolg dat [gedaagde 1] zich met lening 1 als hoofdelijk medeschuldenaar of borg heeft verbonden en dat de lening rechtsgeldig is. [eiseres 3] en Eivissa kunnen in beginsel hun vordering op hem verhalen. Tot welk bedrag zal hieronder worden besproken.

4.3.

Lening 2

4.3.1.

De rechtbank stelt vast dat de schriftelijke overeenkomst met betrekking tot lening 2 niet in het geding is gebracht. De “Aanvullende (koop)overeenkomst” bevat verder slechts enkele verwijzingen naar lening 3 en bepaalt niet uitdrukkelijk iets over hoofdelijke aansprakelijkheid van [gedaagde 1] . [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] heeft de “Aanvullende (koop)overeenkomst” slechts ondertekend “i.v.m. het bepaalde in art. 3.2”, welk artikel ziet op een renteverhoging van lening 1. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit deze beperkte ondertekening door [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] van de “Aanvullende (koop)overeenkomst” niet worden afgeleid dat [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] akkoord ging met een mogelijk overeengekomen hoofdelijkheid van [gedaagde 1] voor het met lening 2 overeengekomen te lenen bedrag. De hoofdelijkheid stond niet met zoveel woorden in de “Aanvullende (koop)overeenkomst” terwijl ook uit de tekst bij de handtekening van [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] niet kan worden afgeleid dat zij geacht moet worden met een ruimere aansprakelijkheid van [gedaagde 1] bekend te zijn geweest. Daarbij wordt opgemerkt dat gelet op het karakter van het toestemmingsvereiste van artikel 1:88 BW, het noodzakelijk wordt geacht dat de toestemming bij elke nieuwe lening opnieuw wordt gegeven. Dat is bij lening 2 gelet op het voorgaande niet het geval, zodat de buitengerechtelijke vernietiging van een mogelijke hoofdelijke aansprakelijkheid van [gedaagde 1] wegens de ontbrekende toestemming van [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] terecht is ingeroepen. Bij deze stand kan in het midden blijven of [gedaagde 1] zich met de “Aanvullende (koop)overeenkomst” en met lening 2 daadwerkelijk hoofdelijk heeft verbonden en of deze overeenkomst voortborduurt op lening 1, zoals [eisers gezamenlijk] hebben gesteld.

4.4.

Lening 3

4.4.1.

Lening 3 is, net als lening 1, uitvoerig op schrift gesteld. Voor de voorwaarden waaronder de lening is aangegaan wordt in de tekst van de overeenkomst twee keer uitdrukkelijk verwezen naar de voorwaarden van lening 1. Hiervoor is al geoordeeld dat [gedaagde 1] zich met lening 1 hoofdelijk heeft verbonden (als medeschuldenaar of borg) en dat hij zich, ondanks diverse waarschuwingen, daar volledig van bewust was. Ook is de tekst van lening 1 duidelijk over de verplichtingen van [gedaagde 1] in persoon. In lening 3 staat voorts vermeld dat [gedaagde 1] “voor zich in privé” handelt; [gedaagde 1] heeft de overeenkomst ook voor zich in privé ondertekend (naast de ondertekeningen in zijn hoedanigheid van bestuurder van de diverse andere vennootschappen aan de kant van Holiday Cars). Onder de handtekening van [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] staat tenslotte vermeld: “ [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] ex art. 1:88 BV i.v.m. hoofdelijke verbondenheid [gedaagde 1] .” De rechtbank is van oordeel dat gelet op deze omstandigheden de overeenkomst zo moet worden uitgelegd dat [gedaagde 1] zich met lening 3 hoofdelijk heeft verbonden, ook al bevat lening 3 geen bepaling zoals artikel 10 van lening 1.

4.4.2.

[gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] heeft blijkens de tekst onder haar handtekening de overeenkomst medeondertekend ter instemming met de hoofdelijke verbondenheid van [gedaagde 1] . De rechtbank verwerpt het betoog van [gedaagde 1] en [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] dat [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] uit de overeenkomst naar redelijkheid niet had kunnen opmaken dat het de bedoeling was dat [gedaagde 1] zich met lening 3 opnieuw hoofdelijk zou verbinden en dat zij daarvoor toestemming gaf. Ter onderbouwing daarvan wordt verwezen naar de omstandigheden die hiervoor zijn vermeld. Ook hier geldt dat de tekst van lening 3 diverse aanknopingspunten voor de hoofdelijkheid van [gedaagde 1] bevat en dat ook duidelijk is verwezen naar de voorwaarden van lening 1 (waarin de hoofdelijkheid van [gedaagde 1] uitdrukkelijk is opgenomen). Het had in dit geval op de weg van [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] gelegen om bij het zien van de tekst onder haar handtekening navraag te doen naar de betekenis ervan. Dat zij dat niet heeft gedaan komt niet voor rekening van [eisers gezamenlijk]

4.4.3.

Voor zover de hoofdelijke verplichting van [gedaagde 1] als borgtocht zou moeten worden gekwalificeerd, geldt op grond van dezelfde overwegingen zoals hiervoor vermeld onder 4.2.2 dat aan de bepalingen van artikel 7:857 e.v. BW is voldaan.

4.4.4.

Het voorgaande heeft tot gevolg dat [gedaagde 1] zich met lening 3 als hoofdelijk medeschuldenaar of borg heeft verbonden en dat de lening rechtsgeldig is. [eiseres 3] en Eivissa kunnen in beginsel hun vordering op hem verhalen. Tot welk bedrag zal hieronder worden besproken.

4.5.

Lening 4

4.5.1.

Geoordeeld wordt dat lening 4 blijkens de tekst ervan zeer summier is. Uit de tekst kan niet zonder meer worden opgemaakt dat [gedaagde 1] zich hoofdelijk heeft verbonden voor de verstrekte leningen. Vastgesteld wordt voorts dat [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] de overeenkomst niet heeft medeondertekend. Dit heeft tot gevolg dat, als er al een hoofdelijkheid van [gedaagde 1] uit lening 4 voortvloeit, deze hoofdelijkheid door [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] terecht met een beroep op artikel 1:89 BW is vernietigd.

4.6.

Voor zover [eisers gezamenlijk] nog hebben aangevoerd dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als [gedaagde 1] zich met succes zou kunnen beroepen op het ontbreken van de handtekening, wordt dit betoog als onvoldoende onderbouwd verworpen. De enkele stelling van [eisers gezamenlijk] dat deze lening zeer snel tot stand is gekomen en dat [eisers gezamenlijk] ervan uitgingen dat [gevoegde partij aan de zijde van gedaagde] ook voor deze lening haar toestemming zou geven, is daartoe onvoldoende.

4.7.

Tussenconclusie

4.7.1.

Het voorgaande betekent dat [eisers gezamenlijk] geen vorderingen hebben op [gedaagde 1] uit hoofde van de leningen 2 en 4.

Tussen partijen staat voorts vast dat Gotcha noch bij lening 1 noch bij lening 3 partij was. Dat heeft tot gevolg dat de vorderingen van Gotcha in het geheel zullen worden afgewezen. Thans moet nog worden onderzocht waarop [eiseres 3] en Eivissa op grond van de leningen 1 en 3 aanspraak kunnen maken.

4.7.2.

Voor zover hiervoor is geoordeeld dat bepaalde vorderingen niet toewijsbaar zijn, dan geldt dat zowel voor de grondslag medeschuldenaarschap als voor de grondslag borgstelling, ieder met dezelfde hiervoor weergegeven overwegingen. Meer subsidiair hebben [eisers gezamenlijk] hun vorderingen gebaseerd op schadevergoeding. De grondslag schadevergoeding leidt in die gevallen ook niet tot een andere beslissing, nu ook dan eerst dient vast te staan dat hij een betalingsverplichting had. Dit is gelet op het voorgaande in de betreffende situaties niet het geval.

4.8.

Omvang betalingsverlichting

Eivissa

4.8.1.

[gedaagde 1] heeft aangevoerd dat de door Eivissa onder lening 1 en 3 verstrekte bedragen zijn afgelost, inclusief rente, zodat hij niets meer aan Eivissa is verschuldigd. Bij gebreke van specifieke aflossingsbepalingen in de leningen 1 en 3 en het feit dat over de losse betalingen geen schriftelijke overeenkomsten zijn aangegaan zodat niet bekend is welke voorwaarden daarop van toepassing zijn, dient voor de beantwoording van de vraag aan welke leningen de aflossingen moeten worden toegerekend, te worden aangesloten bij artikel 6:43 BW, aldus [gedaagde 1] . In gevolge dit artikel gebeurt de toerekening van betalingen eerst aan de opeisbare verbintenissen, dan op de meest bezwarende en dan op de oudste verbintenissen en op het laatst naar evenredigheid. Om de door hem gehanteerde toerekeningen duidelijk te maken heeft [gedaagde 1] een schema van alle betalingen onder alle leningen in het geding gebracht.

4.8.2.

Eivissa heeft erkend dat zij niets meer heeft te vorderen op grond van lening 1. Eivissa heeft verder de overige door [gedaagde 1] gestelde aflossingen als zodanig niet betwist, maar zij heeft daartegen ingebracht dat een deel ter hoogte van € 350.000,- van de door [gedaagde 1] aan lening 3 toegerekende aflossingen in mindering dient te komen op andere, los verstrekte bedragen en niet op bedragen die onder leningen 3 zijn verstrekt. Volgens Eivissa staat onder lening 3 nog een bedrag van € 285.000,- open.

4.8.3.

De rechtbank verwerpt de stellingen van Eivissa als onvoldoende onderbouwd. Het is aan Eivissa om te stellen en te onderbouwen wat zij aan Holiday Cars c.s. heeft geleend en welk bedrag nu nog uitstaat. Uit de door [eisers gezamenlijk] ingebrachte weinig overzichtelijke overzichten wordt dat niet duidelijk. [gedaagde 1] heeft daarentegen een overzicht gemaakt van alle over en weer gedane betalingen en heeft onderbouwd hoe volgens hem de aflossingen moeten worden toegerekend. Eivissa kan dan niet volstaan met de enkele stelling dat een deel van de aflossingen aan een ander verstrekt bedrag moet worden toegerekend zonder nader te onderbouwen waarop deze stelling wordt gebaseerd. Het ter zitting gedane bewijsaanbod dat een deel van de aflossingen bij de losse bedragen afgetrokken moet worden, wordt eveneens als onvoldoende nader gespecificeerd afgewezen. Het gevolg van het voorgaande is dat de rechtbank het toerekeningschema van [gedaagde 1] zal volgen, waaruit valt af te leiden dat de door Eivissa onder lening 3 verstrekte bedragen zijn afgelost. De vordering van Eivissa uit hoofde van lening 3 zal dan ook worden afgewezen. Hetzelfde geldt voor de vordering van Eivissa onder lening 1 nu Eivissa, zoals hiervoor vermeld, heeft erkend dat zij niets meer te vorderen heeft onder lening 1. Aangezien hiervoor ook al is geoordeeld dat geen van de eisers aanspraken heeft op grond van lening 2 en 4, ligt de vordering van Eivissa geheel voor afwijzing gereed.

[eiseres 3]

4.8.4.

Partijen zijn het erover eens dat onder lening 3 nog een bedrag van € 400.000,- openstaat.

[gedaagde 1] heeft aangevoerd dat onder lening 1 nog slechts een bedrag van € 422.500,- aan [eiseres 3] is verschuldigd, onder verwijzing naar de hiervoor genoemde toerekeningsmethode en het gemaakte overzicht. Volgens [eiseres 3] dient echter een betaling van € 125.000,- in mindering te komen op een losse lening.

4.8.5.

De rechtbank verwerpt de stellingen van [eiseres 3] als onvoldoende onderbouwd, ter toelichting waarvan wordt verwezen naar de overwegingen onder 4.8.3, zodat [gedaagde 1] in beginsel een bedrag van € 422.500,- uit hoofde van lening 1 aan [eiseres 3] is verschuldigd. In totaal is [gedaagde 1] in beginsel dus een bedrag van € 822.500,- aan [eiseres 3] verschuldigd.

4.9.

Libralab/huis [plaats] /huis [plaats] /Expedia

4.9.1.

Volgens [gedaagde 1] dient van een mogelijk verschuldigd bedrag nog een aantal posten te worden afgetrokken. Hierna zal per dit per post worden besproken.

Libralab

4.9.2.

[eiseres 3] heeft ter zitting erkend dat de verpande aandelen in Libralab zijn verkocht en dat de opbrengst daarvan ter hoogte van € 10.000,- aan hem is toegekomen. [eiseres 3] heeft zich niet tegen verrekening verzet. Dit heeft tot gevolg dat een bedrag van € 10.000,- op de vordering van [eiseres 3] in mindering komt.

Woonhuis [plaats]

4.9.3.

[eiseres 3] heeft erkend dat er een afspraak was om de netto overwaarde van de verkoop van het woonhuis van [gedaagde 1] in [plaats] vermenigvuldigd met een factor twee in mindering te brengen op de uitstaande leningen. Nu [eiseres 3] ook het door [gedaagde 1] genoemde bedrag niet heeft betwist, zal een bedrag van € 68.288,48 op de vordering van [eiseres 3] in mindering komen.

Huis [plaats]

4.9.4.

[gedaagde 1] heeft gesteld dat hij met [eiseres 3] een koopovereenkomst heeft gesloten ten aanzien van het huis van [gedaagde 1] in [plaats] . [eiseres 3] zou het huis van [gedaagde 1] kopen en op een later, gunstiger moment doorverkopen. Daarbij is ook afgesproken dat de door [eiseres 3] bij de verkoop te behalen netto-opbrengst vermenigvuldigd met een factor twee op de uitstaande leningen in mindering moet worden gebracht. [eiseres 3] heeft aanvankelijk erg getreuzeld met het ondernemen van actie en uiteindelijk het huis ook niet van [gedaagde 1] afgenomen. [gedaagde 1] heeft het huis ten slotte zelf verkocht, waarbij aan [eiseres 3] een bedrag aan overwaarde en teruggave winstbelasting is betaald, welk bedrag nu verdubbeld in mindering komt op de uitstaande lening. Ook dient [eiseres 3] de schade die [gedaagde 1] heeft geleden doordat [eiseres 3] de met [gedaagde 1] gesloten koopovereenkomst niet is nagekomen, aldus steeds [gedaagde 1] .

4.9.5.

[eiseres 3] heeft de gestelde afspraken gemotiveerd betwist.

4.9.6.

Vastgesteld wordt dat het verweer van [gedaagde 1] tot verrekening met schadevergoeding wegens de gestelde koopovereenkomst gelet op het door [eiseres 3] gevoerde verweer en bij gebreke van een ingestelde vordering in reconventie, in dit geding niet eenvoudig is vast te stellen. De rechtbank zal dit verweer dan ook met een beroep op artikel 6:136 BW passeren.

Wat de uitkering van de netto overwaarde betreft, heeft [gedaagde 1] zijn stellingen tegenover de betwisting door [eiseres 3] niet nader toegelicht (welke betwisting ook ondersteund wordt door de door [gedaagde 1] in het geding gebrachte correspondentie, bijvoorbeeld de e-mail van 29 maart 2013 van de toenmalige advocaat van [eiseres 3] , waarin staat vermeld dat namens [eiseres 3] contact zal worden opgenomen met de Spaanse bank met als doel de lening over te nemen tegen tenminste gelijke condities), zodat de stelling van [gedaagde 1] op dat punt als onvoldoende nader onderbouwd zal worden verworpen. [eiseres 3] heeft echter niet betwist, zoals [gedaagde 1] heeft gesteld, dat hij een bedrag van € 11.256,50 uit hoofde van de verkoop van de woning in [plaats] heeft ontvangen, zodat dit bedrag in mindering zal komen op de vordering van [eiseres 3] .

Expedia

4.9.7.

[gedaagde 1] voert aan dat het onredelijk zou zijn als hij tot betaling zou worden veroordeeld omdat [eiseres 3] tegen de adviezen van [gedaagde 1] in februari 2012 geweigerd heeft een bod van Expedia op de aandelen in Holiday Cars te aanvaarden. Daarmee heeft [eiseres 3] de kans op volledige aflossing van de leningen bewust op het spel gezet. Voorts heeft [eiseres 3] , gelet op de in artikel 6:248 BW vermelde redelijkheid en billijkheid, met het afwijzen van het bod van Expedia haar recht op nakoming van resterende betalingsverplichtingen verwerkt zodat [gedaagde 1] van een dergelijke verplichting bevrijd is, aldus [gedaagde 1] .

4.9.8.

[eiseres 3] heeft betwist dat Expedia is afgehaakt omdat [eiseres 3] zouden hebben geweigerd om op een bod van Expedia in te gaan. Volgens [eiseres 3] heeft Expedia juist helemaal geen bieding gedaan nadat zij eenmaal de boeken van Holiday Cars had onderzocht.

4.9.9.

De rechtbank begrijpt dat het volgens [gedaagde 1] in verband met de kwestie Expedia naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, als [eiseres 3] hem aan zijn betalingsverplichting zou houden. Voorop wordt gesteld dat de maatstaf van artikel 2:248 BW zware eisen aan de gestelde omstandigheden en de onderbouwing ervan stelt. Los van de vraag of de door [gedaagde 1] gestelde omstandigheden een dergelijk beroep kunnen rechtvaardigen, geldt dat [gedaagde 1] deze omstandigheden, tegenover de gemotiveerde betwisting van [eiseres 3] , in het geheel niet nader heeft toegelicht. De stelling zal dan ook als onvoldoende feitelijk onderbouwd worden verworpen.

Slotsom aftrek

4.9.10.

Op grond van de voorgaande overwegingen dient op de vordering van [eiseres 3] van € 822.500,- (zie 4.8.4) een bedrag van € 89.544,98 (€ 10.000,- + 68.288,48 + € 11.256,50) in mindering te komen, zodat resteert een bedrag van € 732.955,02, te betalen door [gedaagde 1] .

4.10.

Rente, matiging

4.10.1.

[eiseres 3] heeft gevorderd “rente vanaf gemeld in de overeenkomsten”. [eiseres 3] heeft echter in geen van haar processtukken nader toegelicht welke rente dient te worden toegewezen, over welke bedragen en vanaf welke datum. Bij gebreke van deze nadere toelichting zal worden toegewezen de wettelijke rente uit hoofde van artikel 6:119 BW over het toe te wijzen bedrag, met ingang van datum dagvaarding (12 februari 2013). Het beroep van [gedaagde 1] op matiging van de rente tot de wettelijke rente behoeft gelet daarop geen bespreking.

4.11.

Kosten

4.11.1.

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen, waarbij voor Eivissa en Gotcha hetzelfde geldt als zojuist overwogen ten aanzien van de beslagkosten. [eiseres 3] van zijn kant heeft, tegenover de betwisting door [gedaagde 1] , niet (voldoende onderbouwd) gesteld dat zij deze kosten daadwerkelijk hebben gemaakt en dat die kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

4.11.2.

[eisers gezamenlijk] vorderen [gedaagde 1] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Aangezien de vorderingen van Eivissa en Gotcha niet voor toewijzing in aanmerking komen, kunnen eventuele door hen gemaakte beslagkosten niet worden toegewezen.

Ten aanzien van [eiseres 3] zal deze vordering slechts worden toegewezen voor zover deze uit de overgelegde beslagstukken valt af te leiden. Aangezien geen beslagexploten zijn overgelegd, komt slechts het betaalde griffierecht ter hoogte van € 589,- voor vergoeding in aanmerking alsmede het salaris advocaat ter hoogte van € 452,- (één punt x tarief II), derhalve samen € 1.041,-.

4.11.3.

[gedaagde 1] zal als grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [eiseres 3] worden veroordeeld. Aangezien een deel van de vordering van [eiseres 3] niet zal worden toegewezen, zal bij de begroting van het salaris advocaat worden aangesloten bij het toe te wijzen bedrag.

Het door [gedaagde 1] aan [eiseres 3] te vergoeden griffierecht zal niet worden verlaagd, aangezien [eiseres 3] het maximumbedrag heeft betaald, welk maximum ook verschuldigd was geweest als [eiseres 3] een vordering ter hoogte van het toe te wijzen bedrag had ingesteld.

De kosten voor het oproepingsexploot na verwijzing en het salaris advocaat voor de akte wijziging grondslag van eis zullen niet worden toegewezen omdat deze kosten niet aan [gedaagde 1] kunnen worden toegerekend.

De kosten aan de zijde van [eiseres 3] , inclusief de beslagkosten, worden begroot op:

dagvaarding € 78,34

beslagkosten € 1.041,-

griffierecht € 3.126,-

salaris advocaat € 5.160,- (2 punten x tarief € 2.580,-)

totaal € 9.405,34

4.11.4.

Eivissa en Gotcha zullen worden veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde 1] . De rechtbank gaat er op basis van de procestukken echter vanuit dat aan de kant van [gedaagde 1] geen extra proceskosten zijn ontstaan doordat hij zich, naast Eivissa en Gotcha, ook tegen de gelijkluidende vorderingen van [eiseres 3] moest verweren. Deze proceskosten zullen daarom op nihil worden begroot.

4.11.5.

Ten slotte moet nog worden beslist over de kosten van het voegingsincident (zie incidenteel vonnis van 3 september 2014). [eisers gezamenlijk] hebben zich in dat incident gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, wat de rechtbank aanleiding geeft de kosten voor het incident te compenseren zoals in het dictum vermeld.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiseres 3] te betalen een bedrag van € 732.955,02 (zevenhonderdtweeëndertigduizend negenhonderdvijfenvijftig euro en twee eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 12 februari 2013 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van [eiseres 3] , tot op heden begroot op € 9.405,34,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

veroordeelt Eivissa een Gotcha in de proceskosten van [gedaagde 1] , tot op heden begroot op nihil,

5.5.

compenseert de kosten van het voegingsincident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Biller, mr. C. Kraak en mr. B.T. Beuving en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2015.1

1 type: LB coll: **