Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:5918

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-08-2015
Datum publicatie
15-09-2015
Zaaknummer
AMS 14/7175
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nihilstelling WIA-uitkering: geen verzekerd loon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 14/7175

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 augustus 2015 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] (Duitsland), eiser

(gemachtigde: mr. H.M.J. Offermans),

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. S.J.M.A. Clerx).

Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) afgewezen.

Bij besluit van 24 september 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en bij afzonderlijk besluit van dezelfde datum eiser met ingang van 16 april 2014 een WIA-uitkering toegekend. Verweerder heeft eiser hierbij medegedeeld dat de uitkering niet tot uitbetaling komt, omdat de uitkering nihil is.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2015.

Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. F.M.A. van der Loo als waarnemer van gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft in de periode van 1989 tot en met 1993 in Nederland gewerkt. Eiser was laatstelijk in Duitsland werkzaam in [bedrijf] en is aansluitend werkloos geworden. Eiser heeft zich op 18 april 2012 ziek gemeld. In Duitsland is aan eiser met ingang van 12 april 2012 een Erwerbsminderungsrente toegekend, omdat hij volledig arbeidsongeschikt wordt geacht.

2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft en in aanmerking komt voor een uitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA). De WGA-uitkering komt echter niet tot uitbetaling, omdat eiser in de referteperiode, lopende van 1 april 2011 tot 1 april 2012, geen verzekerd loon heeft genoten.

3. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat de bestreden beslissing in strijd is met de Verordening 883/04.

4. Zoals uit de hiervoor onder 1.1 vastgestelde feiten volgt, was eiser bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid niet ingevolge de WIA verzekerd. Hij kon slechts aanspraak maken op een uitkering krachtens de WIA langs de weg van de verzekering, die in de Verordening 883/04 is voorzien. De verordening verschaft recht op een geprorateerde uitkering.

5. Voor de hoogte van de uitkering is het door eiser in de referteperiode in Duitsland genoten verzekerde loon van belang. In geschil is de vraag of eiser in de referteperiode verzekerd loon heeft genoten.

6. Niet is in geschil dat 18 april 2012 de eerste ziektedag van eiser is. Evenmin is in geschil dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat de referteperiode loopt van 1 april 2011 tot 1 april 2012.

7. Eiser heeft ter zitting betoogd dat de referteperiode hem onredelijk voorkomt. Hij is vanaf 2006/2007 ziek. Hij heeft destijds geen WIA-uitkering aangevraagd, omdat de datum van intreden van de arbeidsongeschiktheid in het kader van de Duitse regelgeving niet van belang is. Een beoordeling aan de hand van een referteperiode die verder teruggaat dan de vastgestelde referteperiode zou tot een voor hem gunstiger besluit leiden, aldus eiser.

8. De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 13 van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen is bepaald wat onder het refertejaar voor de WIA wordt verstaan.

Het refertejaar wordt bepaald aan de hand van het intreden van arbeidsongeschiktheid. Voor zover eiser in 2006 of 2007 ziek was, had hij dat moeten melden. Nu eiser dat heeft nagelaten, kan zijn stelling dat beoordeling aan de hand van een eerdere referteperiode tot een gunstiger besluit zou hebben geleid, niet tot een ander oordeel leiden. Dat eiser niet wist dat hij zich eerder arbeidsongeschikt had moeten melden, blijft voor zijn rekening en risico.

9. Uit de informatie van de Deutsche Rentenversicherung van 6 mei 2014 blijkt dat ten aanzien van eiser over in de periode 1 april 2011 tot 1 maart 2012 sprake was van een geringfügige nicht versicherungspflichtige Beschäftigung en in de periode 1 januari 2012 tot 1 april 2012 (ook) van Bezug von Arbeitslosengeld II.

10. Eiser heeft niet bestreden dat er geen premies zijn afgedragen, maar meent dat zijn inkomsten toch als verzekerd loon moeten worden aangemerkt. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het door eiser ontvangen Arbeitslosengeld II het Duitse equivalent van de Nederlandse bijstandsuitkering is en dat deze uitkering in Duitsland noch in Nederland als verzekerd loon wordt aangemerkt.

11. De rechtbank overweegt als volgt. Gesteld noch gebleken is dat eiser in de referteperiode verzekerd loon heeft genoten. De stelling van eiser dat inkomsten ook als verzekerd loon moeten worden aangemerkt als geen premies zijn afgedragen, vindt geen steun het recht.

De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiser weliswaar inkomen heeft gehad in de referteperiode, maar dat dit geen verzekerd loon betreft. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat in de referteperiode geen sociaal verzekeringsplichtig loon is genoten, zodat de WGA-uitkering nihil is.

12. Het beroep is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J. Koene, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Pol, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2015.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.