Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:5813

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-08-2015
Datum publicatie
04-09-2015
Zaaknummer
CV EXPL 14-26962
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beëindigingsregeling arbeidsovereenkomst ten behoeve van vervroegd pensioen op verzoek werkgever. Op grond van goed werkgeverschap gehouden om (negatieve) financiële gevolgen voor opbouw ouderdomspensioen in niet mis te verstane bewoordingen en schriftelijk duidelijk te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-0840
AR 2015/1640
PJ 2015/167
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 3435502 \ CV EXPL 14-26962

vonnis van: 10 augustus 2015

fno.: 620

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

[eiser] ,wonende te [plaats] ,eiser,

nader te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. S.Y. Pannekoek

t e g e n

Cargill B.V.,

gevestigd te Schiphol,

gedaagde,

nader te noemen Cargill,

gemachtigde: mr. P.F. Doornik

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

- dagvaarding van 12 september 2014, met producties;
- antwoord, met producties;
- instructievonnis;
- conclusie van repliek/akte wijziging eis, met producties;

- conclusie van dupliek
- dagbepaling vonnis

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet (voldoende) weersproken, alsmede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden inhoud van de bewijsstukken, staat in dit geding het volgende vast:

1.1.

[eiser] , geboren op [datum] , was vanaf 28 juli 1975 tot 1 mei 2012 in dienst bij Cargill. Sedert aanvang dienstverband nam [eiser] deel aan de pensioenregeling van Cargill bij Stichting Pensioenfonds Cargill (hierna: het Pensioenfonds).

1.2.

Bij brief van 11 mei 2010 heeft het Pensioenfonds [eiser] bevestigd dat zij vanuit Cargill heeft doorgekregen dat [eiser] de prepensioenuitkering wenst uit te stellen.

1.3.

Per e-mail van 22 september 2011 heeft [naam 1] (hierna [naam 1] ) van Cargill aan [naam 2] (hierna [naam 2] ) een e-mail van [naam 3] doorgestuurd. Daarin werd bericht dat voor vorig jaar een berekening was gemaakt voor [eiser] en werd gevraagd om dit nogmaals te doen voor 1 mei 2012, januari 2013, juni 2013, januari 2014 en “wat als hij ‘gewoon’ zou gaan als hij 65 jaar word”.

1.4.

Per e-mail van 27 september 2011 heeft [naam 2] aan [naam 1] bericht:
“Wat betreft de hoogte van het prepensioen op de genoemde vertrekdata maakt het niet uit. De uitkering is namelijk door uitstel gemaximeerd op 100 % van het laatstgenoten jaarsalaris. Dat betekent dat de uitkering tot 65 jaar € 56.748,80 bruto per jaar bedraagt. Het ouderdomspensioen vanaf 65 jaar zal wel verschillen, te weten:
Op 1 mei 2012 bedraagt het ouderdomspensioen € 29.481,00 bruto per jaar;
Op 1 januari 2013 bedraagt het ouderdomspensioen € 31.745,00 bruto per jaar;
Op 1 juni 2013 bedraagt het ouderdomspensioen € 33.147,00 bruto per jaar;
Op 1 januari 2014 bedraagt het ouderdomspensioen € 34.456,00 bruto per jaar;
Bij doorwerken tot 65 jaar bedraagt het ouderdomspensioen conform het Uniform Pensioenoverzicht 2011 € 34.955,00 bruto per jaar (…)”

1.5.

In mei 2011 heeft het Pensioenfonds [eiser] onder meer het Uniform Pensioenoverzicht (hierna UPO) over het jaar 2011 verzonden. Daarin wordt een te bereiken pensioen bij voortzetting dienstverband tot 65 jaar vermeld van € 34.955 exc. AOW en een opgebouwd pensioen van € 32.088 bij einde dienstverband per 1 januari 2011.

1.6.

In januari/februari 2012 heeft de directie van Cargill [eiser] verzocht om met vervroegd pensioen te gaan in verband met bezuinigingen en om plaats te maken voor jongere medewerkers. [eiser] heeft hierover gesprekken gevoerd met [naam 4] , extern HR manager.

1.7.

Per email van 3 februari 2012 heeft [naam 4] [eiser] bericht:
“ (…) Je dienstverband zal door vroegpensionering eindigen. (…) De aanvraag van het pensioen kan plaats vinden als de papieren van het pensioenfonds binnen zijn. Hieruit zal tevens blijken dat er met het vroegpensioen geen inkomstenderving zal plaatsvinden. (…) Uit waardering voor de jarenlange trouwe dienst aan en voor Cargill geven wij je een afscheidsbonus van
€ 30.000,- bruto mee. (…)”

1.8.

In een verklaring van 20 november 2014 heeft [naam 4] over de gesprekken die zij met [eiser] en zijn echtgenote heeft gevoerd verklaard:
“(…) In de periode van 1 oktober 2011 tot 1 oktober 2013 ben ik door Cargill ingehuurd voor verschillende interim opdrachten binnen het vakgebied Human Resources. In die hoedanigheid heb ik met de heer [eiser] meerdere gesprekken gevoerd over zijn aanstaande vroegpensioen. Deze gesprekken hebben plaatsgevonden op de locatie van de opdrachtgever Cargill en ook bij de heer [eiser] thuis. Bij de gesprekken bij hem thuis was ook zijn echtgenote aanwezig. Tijdens deze gesprekken heb ik met de heer [eiser] de (financiële) gevolgen van zijn vroegpensioen besproken. Het uitgangspunt voor de gesprekken was de informatie die verstrekt werd door TKP, uitvoerder van het Cargill Pensioenfonds. Daarbij is ook expliciet aan de orde geweest wat de verschillende hoogten van het ouderdomspensioen van de heer [eiser] zouden zijn bij de verschillende ingangsdata van het vroegpensioen. Hiervoor is gebruik gemaakt van de email van 27 september 2011 van [naam 2] (van TKP aan [naam 1] ). Nadat een en ander duidelijk was uitgelegd en besproken, is er op 3 februari 2012 een bevestigingsmail aan de heer [eiser] gestuurd waarin ik heb genoemd dat “uit de papieren van het pensioenfonds zal blijken dat er met het vroegpensioen geen inkomstenderving zal plaatsvinden.” Deze opmerking had uitsluitend betrekking op zijn vroegpensioen. Het ouderdomspensioen is in deze mail niet besproken. Informatie hierover zou door TKP aan de heer [eiser] worden verstuurd. In het hele traject heb ik de heer [eiser] nimmer enige toezegging gedaan voor wat betreft voortzetting pensioenopbouw gedurende de periode dat hij met vroegpensioen zou gaan.”

1.9.

Per 1 mei 2012 is [eiser] met vervroegd pensioen gegaan.

1.10.

In het in mei 2012 door het Pensioenfonds aan [eiser] verzonden UPO over het jaar 2012 wordt een te bereiken pensioen bij voortzetting dienstverband tot 65 jaar vermeld van € 34.946 exc. AOW en een opgebouwd pensioen van
€ 32.018 bij einde dienstverband per 1 januari 2012.

1.11.

Bij brief van 3 oktober 2012 heeft het Pensioenfonds [eiser] bericht over keuzemogelijkheden en een aanvraagformulier meegezonden. Ingeval van een tien jaar hoog/laag pensioen - waarvoor [eiser] heeft gekozen - bedroeg het pensioen € 38.541 gedurende de leeftijd van 65-75 jaar en € 28.905,- gedurende de jaren daarna.

1.12.

Bij brief van 16 oktober 2012 heeft het Pensioenfonds [eiser] bericht dat de deelneming per 30 april 2012 is beëindigd, de pensioenaanspraken premievrij zijn gemaakt en is een opgave gedaan van een ouderdomspensioen vanaf 65 jaar van € 33.987,- .

1.13.

Op 29 januari 2013 heeft [eiser] de brief van het Pensioenfonds van 16 oktober 2012 doorgestuurd aan [naam 4] en bericht:
“ hierin staat dat de pensioenaanspraken premievrij gemaakt zijn. Dat betekent voor mij dat er geen verdere pensioen opbouw is, klopt dat of betaalt Cargill nog pensioenpremie voor mij?”

1.14.

[naam 4] heeft dit bericht van [eiser] doorgestuurd aan [naam 1] , die hem op 20 maart 2013 heeft bericht:
“Ter bevestiging van ons gesprek. Het pensioen blijft doorlopen tot pensioendatum. De opbouw aan ouderdomspensioen per 01-01-2013 is euro 33997 per jaar.”

1.15.

Bij brief van 26 september 2013 heeft het Pensioenfonds onder meer bericht: “U gaat binnenkort met pensioen” en een pensioen aangekondigd vanaf februari 2014 van € 33.987,-.

1.16.

Op 7 november 2013 heeft het Pensioenfonds [eiser] bericht:
“U heeft in 2012 gebruik gemaakt van vervroegd pensioen (prepensioen) op basis van de overgangsmaatregel.
(…)
Deze overgangsmaatregel houdt in dat er tot 62 jaar prepensioen wordt opgebouwd. Dit prepensioen wordt jaarlijks omgezet in een extra ouderdomspensioen. Als er gebruik wordt gemaakt van de overgangsmaatregel dan moet dit extra ouderdomspensioen weer omgezet worden in een prepensioen.
(…)
Helaas is de genoemde omzetting niet gebeurd waardoor wij in het onlangs verstuurde aanvraagformulier een te hoog ouderdomspensioen genoemd hebben. Hiervoor bieden wij onze excuses aan. Bijgaand vindt u een nieuw aanvraag formulier met daarop de juiste pensioenaanspraken. (…)”

1.17.

Bij afzonderlijke brief van eveneens 7 november 2013 heeft het Pensioenfonds bericht aan [eiser] : “U gaat binnenkort met pensioen” en daarbij een pensioen aangekondigd ter hoogte van € 29.348,- bruto per jaar vanaf februari 2014 .

1.18.

Uit een opgave van 15 augustus 2014 blijkt dat bij een tien jaar hoog/laag pensioen het pensioen van [eiser] gedurende de leeftijd van 65-75 jaar
€ 33.281,- per jaar bedraagt en € 24.960,- gedurende de jaren daarna. Bij gebreke van een keuze bedraagt het ouderdomspensioen € 29.348,- per jaar.


Vordering

2. [eiser] vordert, na wijziging eis, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis,
I. primair te verklaren voor recht dat Cargill aansprakelijk is voor de door [eiser] als gevolg van de onjuiste inlichtingen geleden en nog te lijden schade;
subsidiair te verklaren voor recht dat Cargill gehouden is het nadeel voor [eiser] ten gevolge van dwaling te compenseren.
II. Cargill te veroordelen tot betaling aan [eiser] van:
a. € 4.821,67 bruto wegens de tot aan 31 december 2014 te weinig aan hem uitbetaalde pensioengelden, te vermeerderen met de wettelijke rente;
b. € 5.260,- bruto jaarlijks naar rato met ingang van 1 januari 2015 en vanaf 1 februari 2024 jaarlijks een bedrag van € 3.945 bruto, zolang [eiser] leeft, ter zake aan [eiser] te weinig uitgekeerde of uit te keren pensioengelden;
III. Cargill te veroordelen tot betaling aan de partner van [eiser] , ingeval [eiser] eerder komt te overlijden dan zijn partner, hetgeen na 31 december 2014 te weinig aan partnerpensioen is of zal worden betaald, te weten jaarlijks € 1.920,- bruto te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de opeisbaarheid;
IV. Cargill te veroordelen tot betaling aan [eiser] van de proceskosten.

3. [eiser] legt hieraan - samengevat - het volgende ten grondslag. [eiser] heeft omstreeks 2009/2010 na gesprekken met Cargill besloten om niet per 1 mei 2010 met vervroegd pensioen te gaan en door te werken tot zijn pensioengerechtigde leeftijd vanwege de nadelige financiële gevolgen die dit anders zou hebben. Ten bewijze daarvan verwijst hij naar de brief van 11 mei 2010 van het Pensioenfonds.

4. Begin januari/februari 2012 heeft de directie van Cargill [eiser] verzocht om met vervroegd pensioen te gaan. [eiser] ging daarmee uitsluitend akkoord omdat hem namens Cargill op zijn uitdrukkelijke vragen is verzekerd dat een vervroegd pensioen geen inkomstenderving tot gevolg zou hebben. Hierover hebben diverse gesprekken plaatsgevonden ook bij [eiser] thuis in aanwezigheid van zijn echtgenote. [eiser] heeft [naam 4] steeds gevraagd “hoe zit het met mijn ouderdomspensioen want dat is straks mijn inkomen.” Telkens is [eiser] bevestigd dat er geen inkomensderving zou zijn. Daarbij is niet gesproken over een onderscheid tussen vroegpensioen en ouderdomspensioen. [eiser] zag in de e-mail van 4 februari 2012 van [naam 4] een bevestiging dat met het vroegpensioen geen inkomstenderving zou plaatsvinden in die zin dat de opbouw van zijn pensioen zou worden voortgezet en zijn vroegpensioen geen gevolgen zou hebben voor de hoogte van zijn ouderdomspensioen. Het bedrag van € 30.000,- was verder niet bedoeld om enig pensioengat te dichten doch als vergoeding voor jarenlange trouwe dienst. [eiser] heeft nog wel gevraagd of het mogelijk was om dit bedrag aan te wenden voor een hoger pensioen maar dat was niet mogelijk.

5. [eiser] heeft aan de mondelinge en schriftelijke toezeggingen als leek op het terrein van pensioenen het gerechtvaardigd vertrouwen ontleend dat hij met dit vervroegd pensioen zijn latere pensioeninkomsten niet in gevaar zou brengen en dat er voor hem een aparte regeling werd overeengekomen onder andere condities dan de ‘normale’ gang van zaken. Daarbij ging [eiser] uit van een ouderdomspensioen van € 34.955,- per jaar, derhalve de meeste recente regeling die voor hem gold.

6. De inhoud van de interne e-mail van 27 september 2011 van [naam 2] aan [naam 1] is - anders dan [naam 4] in haar verklaring van 20 november 2014 vermeldt - niet met [eiser] gecommuniceerd.

7. Op basis van de naar achteraf bleek onjuiste informatie van Cargill heeft [eiser] de onherroepelijke keuze gemaakt om zijn arbeidsovereenkomst met Cargill per 1 mei 2012, ongeveer twee jaar eerder dan de pensioenleeftijd, te beëindigen. Als [eiser] had geweten dat hij door deze keuze inkomsten van € 5.260,- bruto per jaar gedurende de eerste tien jaren en € 3.945,- bruto per jaar daarna zou derven en er een lager partnerpensioen zou gelden, was hij nimmer met vervroegd pensioen gegaan.

8. Cargill heeft haar zorgplicht ten opzichte van [eiser] geschonden door hem niet duidelijk en helder te informeren over deze gevolgen van vervroegd pensioen voor zijn pensioeninkomsten. Als ook voor het Pensioenfonds of Cargill niet kenbaar was dat er fouten waren in de voorlichting aan [eiser] dan was het al helemaal niet kenbaar voor [eiser] .

9. Uit de brief van 20 maart 2013 van [naam 1] blijkt in welke context zowel mondeling als per e-mail vanuit Cargill toezeggingen zijn gedaan omtrent het behoud van zijn pensioenrechten en hoe stellig en zonder voorbehoud dit geschiedde. Na ontvangst van de brief van 7 november 2013 van het Pensioenfonds heeft [eiser] contact gezocht met Cargill. Tijdens een bespreking op 21 november 2013 met [eiser] en echtgenote heeft [naam 1] medegedeeld dat voormelde brief niet correct is omdat er een speciaal potje is waaruit het vervroegd pensioen wordt betaald. Ook zou er volgens [naam 1] geld over zijn omdat [eiser] pas op 1 mei 2012 met vervroegd pensioen was gegaan. [naam 1] heeft [eiser] beloofd om dit verder met het Pensioenfonds af te handelen. [eiser] kreeg daarna geen uitsluitsel en zocht tevergeefs contact met Cargill.

10. Na wijziging van de grondslag van zijn eis vordert [eiser] primair schadevergoeding wegens schending van de zorgplicht ex artikel 7:611 BW. Subsidiair vordert [eiser] nadeelsopheffing via artikel 6:230 lid 2 BW op grond van dwaling omtrent de gesloten beëindigingsovereenkomst ex artikel 6:228 lid 1 sub sa/c BW.

Verweer

11. Cargill voert - samengevat - het volgende verweer. Cargill ontkent de door [eiser] gestelde toezeggingen te hebben gedaan. De e-mail van [naam 4] kan uitsluitend uitgelegd worden als dat gedurende de periode waarin [eiser] vroegpensioen ontving, hij een uitkering zou ontvangen die gelijk was aan zijn salaris op dat moment zodat er in deze periode geen inkomstenachteruitgang was. Dit wordt bevestigd door de verklaring van [naam 4] . Omdat het inkomen na pensioen altijd lager is dan het inkomen daarvoor kan de uitlating van [naam 4] alleen betrekking hebben gehad op het vroegpensioen. Voorts sluit deze uitleg aan bij de door Cargill in 2006 met de vakorganisaties gemaakte afspraken over compensatiemaatregelen zodat voor [eiser] een vergelijkbaar pensioenniveau kon worden gerealiseerd en feitelijk zelfs een beter niveau dan de vóór 2006 geldende pensioenregeling van Cargill. Die regeling voorzag bovendien ook niet meer in opbouw van (ouderdoms)pensioen na pensionering.

11. Cargill betwist dat er met [eiser] een afwijkende of aanvullende pensioenregeling is aangeboden of overeengekomen. [naam 4] heeft wel degelijk de hoogtes van het ouderdomspensioen bij de verschillende ingangsdata van het vroegpensioen besproken. Nergens blijkt uit dat [eiser] bij [naam 4] heeft aangegeven dat hij verwachtte dat er een volledige opbouw van het ouderdomspensioen zou plaatsvinden en dat dit voor hem aanleiding is geweest om eerder niet met ouderdomspensioen te gaan. (kantonrechter: bedoeld zal zijn vroegpensioen). Het had op de weg van [eiser] gelegen om dit op dat moment uitdrukkelijk bij [naam 4] onder de aandacht te brengen. Dat heeft [eiser] nagelaten, althans dat is niet gebleken of onderbouwd. Cargill hoefde er niet op bedacht te zijn dat [eiser] met de opmerking ‘geen inkomstenderving’ iets anders voor ogen heeft gehad dan [naam 4] met haar opmerking heeft bedoeld.

11. Voor zover [eiser] zich beroept op de e-mail van [naam 1] uit 2013 merkt Cargill op dat deze is gebaseerd op de regeling die gold vóór 2006. Daarin werd wel verder pensioen opgebouwd gedurende de prepensioen/vutperiode. Vanaf 2006 zijn de prepensioenaanspraken omgezet in ouderdomspensioen vanaf 65 jaar. Deze aanspraken konden ter keuze van de werknemer eerder ingaan. Dan is het niet logisch en fiscaal niet toegestaan om een verdere opbouw van het pensioen te laten plaatsvinden.

11. [eiser] vraagt feitelijk nakoming van de door hem met Cargill gesloten pensioenovereenkomst of een hogere pensioenuitkering. Toewijzing zou nimmer kunnen leiden tot een vergoeding van schade c.q. betaling van een schadebedrag zoals gevorderd, doch uitsluitend tot verhoging van de periodieke pensioenuitkering door de pensioenuitvoerder waar Cargill de pensioenregeling heeft ondergebracht. Anders zou in strijd met het afkoopverbod van artikel 65 Pensioenwet worden gehandeld.

Beoordeling

15. Kern van het geschil is welke afspraken in het kader van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met [eiser] zijn gemaakt, welke informatie aan hem is verstrekt en welke consequenties daaraan kunnen worden verbonden.

15. Daarbij is van belang dat Cargill het initiatief heeft genomen om tot een regeling met [eiser] te komen en hem te verzoeken om met vervroegd pensioen te gaan, zonder dat sprake was omstandigheden die samenhingen met onvoldoende functioneren, opheffing functie of andere omstandigheden waardoor continuering van het dienstverband niet aan de orde was. Voor de meeste werknemers waarmee in zo’n geval een beëindigingsregeling wordt getroffen zijn de financiële gevolgen een belangrijk punt van afweging om daar al dan niet mee in te stemmen. Doorwerken behoort immers tot de mogelijkheden. Een dergelijke financiële afweging gaat zeker ook op voor werknemers als [eiser] die met vroegpensioen gaan. Bij afweging van de financiële gevolgen van een ontslagregeling is in dat geval van groot belang wat de consequenties zijn voor de hoogte van het ouderdomspensioen. De kans dat nog een nieuwe dienstbetrekking zal worden aanvaard en op andere wijze een inkomensvoorziening kan worden getroffen is immers gering en de periode waarover vroegpensioen wordt genoten is relatief kort. Verder kunnen de gevolgen van een regeling in de situatie van [eiser] niet meer worden teruggedraaid. Met het aanvaarden van vroegpensioen en ontslag wordt een onomkeerbare beslissing genomen.

15. Cargill diende zich rekenschap van het bovenstaande te geven. Zij was in de gegeven omstandigheden dan ook als goed werkgever gehouden om de financiële gevolgen van de onderhavige regeling op alle punten en ook voor wat betreft de wijze van opbouw van het ouderdomspensioen in niet mis te verstane bewoordingen aan [eiser] duidelijk te maken en deze ook zorgvuldig te onderzoeken en na te gaan of [eiser] zich daarvan voldoende bewust was. Dit uitgangspunt geldt ook indien niet zou komen vast te staan dat [eiser] uitdrukkelijk heeft gevraagd naar de gevolgen voor zijn ouderdomspensioen zoals hij stelt doch Cargill betwist. Het voorgaande geldt des te meer waar Cargill niet heeft bestreden dat [eiser] in mei 2010 na overleg met Cargill heeft besloten om niet met vervroegd pensioen te gaan vanwege de nadelige financiële gevolgen die dit voor hem zou hebben. Dit overleg met Cargill blijkt ook uit de brief van het Pensioenfonds van 11 mei 2010. Reeds toen had [eiser] te maken met de nieuwe pensioenregeling van ná 2006. Cargill moet er dan ook van op de hoogte worden geacht dat ondanks het feit dat inmiddels een hoger pensioen gold dan vóór 2006 [eiser] vanuit financieel oogpunt wenste door te werken. De stellingen van Cargill over de overgang van de oude naar de nieuwe pensioenregeling in 2006 en de in dat verband verzonden correspondentie zullen verder dan ook onbesproken blijven.

15. Geoordeeld wordt dat uit hetgeen Cargill naar voren heeft gebracht niet volgt dat zij aan de hiervoor vermelde verplichtingen heeft voldaan. Cargill leunt in haar verweer zwaar op de verklaring van [naam 4] over de gesprekken die zijn gevoerd met [eiser] en zijn echtgenote. Het moet Cargill worden meegegeven dat [naam 4] daarin verklaart dat zij nimmer enige toezegging aan [eiser] heeft gedaan voor wat betreft de voortzetting van de pensioenopbouw gedurende de periode van vroegpensioen, in tegensteling tot hetgeen [eiser] stelt. Daarmee verklaart [naam 4] echter nog niet dat zij [eiser] expliciet heeft duidelijk gemaakt dat er gedurende de periode van het vroegpensioen geen opbouw van het ouderdomspensioen zou plaatsvinden en hij qua inkomen in de toekomst er in die zin dus op achteruit zou gaan in verhouding met de situatie van doorwerken en zij zich ervan heeft vergewist dat [eiser] dit zo wenste. [naam 4] verklaart daarnaast wel dat expliciet aan de orde is geweest wat de verschillende hoogten van het ouderdomspensioen zouden zijn geweest bij de verschillende ingangsdata van het vroegpensioen onder gebruikmaking van de e-mail van 27 september 2011 van [naam 2] aan [naam 1] . Afgezien van het feit dat [eiser] dit betwist staat hiermee echter niet vast dat [naam 4] een en ander op voldoende duidelijke wijze heeft gecommuniceerd. Gelet op de complexe materie die het betreft en de grote onomkeerbare gevolgen van ontslag voor [eiser] bracht de zorgvuldigheid ex artikel 7:611 BW met zich dat de afspraken schriftelijk werden vastgelegd en dat daarbij expliciet werd bericht dat de opbouw van het ouderdomspensioen van [eiser] per 1 mei 2012 zou worden stopgezet, wat de hoogte was van het te verwachten ouderdomspensioen per die datum en wat de hoogte van het ouderdomspensioen was geweest bij doorwerken tot een latere datum, eventueel onder mee zending van de desbetreffende e-mail waarop [naam 4] doelde.

15. Uit het feit dat de onderhavige e-mail van 27 september 2011 aan [naam 1] is verzonden en hij desondanks later heeft verklaard aan [eiser] dat het “pensioen blijft doorlopen”, overigens opgevat door [eiser] als “de opbouw van het ouderdomspensioen blijft doorlopen” moge blijken dat er vanuit Cargill geen eenduidige informatie werd verstrekt en de email die [naam 4] stelt te hebben gebruikt voor meerderlei interpretatie vatbaar was of niet doorslaggevend.

15. Waar Cargill voorts aanvoert dat [naam 1] in 2013 nog uitging van de oude regeling van vóór 2006 waarbij tijdens vroegpensioen de opbouw van het ouderdomspensioen doorliep, bevestigt zij in feite dat bij Cargill zelfs na zoveel jaren onvoldoende zicht was op de daadwerkelijke gevolgen van vroegpensionering voor het ouderdomspensioen van [eiser] in de nieuwe regeling. Voorts betwist Cargill niet de door [eiser] vermelde bespreking in november 2013 met [naam 1] . Dit versterkt de stelling van [eiser] dat hij door Cargill op het verkeerde been is gezet. Hij stelt terecht dat het bericht van [naam 1] een beeld geeft van de context waarbinnen werd gesproken over het ouderdomspensioen van [eiser] .

15. In de schriftelijke vastlegging van 3 februari 2012 door [naam 4] van de met [eiser] gemaakte afspraken ontbreekt de hiervoor vermelde vereiste duidelijke omschrijving van de gevolgen van vervroegd uittreden voor de hoogte van het ouderdomspensioen van [eiser] . Bovendien is de tekst voor meerderlei interpretatie vatbaar. De uitleg die [eiser] daaraan geeft is in het licht van alle omstandigheden van het geval ook begrijpelijk, te weten dat met de zinsnede aangaande het ontbreken van inkomstenderving ten gevolge van het vervroegd pensioen ook werd gedoeld op het niet derven van ouderdomspensioen ten gevolge van het vroegpensioen. Dat achteraf bezien een dergelijke continuering van de opbouw van het ouderdomspensioen niet tot de mogelijkheden behoort en [eiser] daardoor schade leidt dient voor risico van Cargill te komen.

15. Gelet op het bovenstaande is de primair onder 1 verzochte verklaring voor recht dat Cargill aansprakelijk is voor de door [eiser] als gevolg van de onjuiste inlichtingen geleden en nog te lijden schade toewijsbaar.

15. Aangezien [eiser] schade vordert bestaande uit de inkomsten die hij derft en heeft gederfd doordat geen aanspraak kan worden gemaakt op een hoger pensioen en hij geen nakoming van een pensioentoezegging vordert is het afkoopverbod van artikel 65 van de Pensioenwet niet aan de orde. Om diezelfde reden kan Cargill zich evenmin met succes beroepen op de onderbrengingsplicht van artikel 23 van de Pensioenwet.

15. Gelet op het voorgaande zijn in beginsel de vorderingen onder II.a. en b. toewijsbaar. Dat neemt niet weg dat het wellicht aanbeveling geniet om in overleg te treden met het Pensioenfonds of een verzekeraar om op andere wijze tot een oplossing te komen in het onderhavige geschil, waarbij bijvoorbeeld een eenmalig bedrag wordt voldaan door Cargill. Dat geldt des te meer gelet op hetgeen is gevorderd onder III. Cargill heeft hiertegen geen verweer gevoerd. De kantonrechter echter acht deze vordering niet zo maar toewijsbaar nu de echtgenote van [eiser] geen partij is in deze zaak en [eiser] op dat punt geen toelichting heeft gegeven.

15. Teneinde het bovenstaande te bespreken zal een comparitie van partijen worden gelast. Partijen wordt in overweging gegeven om op voorhand met elkaar in overleg te treden en onderzoek te doen naar de mogelijkheden in dezen, ook bij het Pensioenfonds en/of verzekeraar. Indien dat overleg tot overeenstemming leidt wordt partijen verzocht om de kantonrechter bij akte te berichten. Alsdan kan wellicht vonnis gewezen worden zonder voorafgaande mondelinge behandeling.

15. Gelet op het voorgaande wordt een bijeenkomst met partijen noodzakelijk geacht. Op de rolzitting over 14 dagen na heden zal een datum worden bepaald, nadat partijen in de gelegenheid zijn geweest om tot uiterlijk 2 werkdagen voor die zitting hun verhinderdata (in een periode van 2 tot 8 weken daaropvolgend) schriftelijk op te geven aan het bureau teamplanner-A (teamplannerA.kanton.rb.amsterdam@rechtspraak.nl), per fax (020-5412990) of per post. Partijen dienen daarbij zittingsdatum en rolnummer te vermelden. Indien een partij niet of niet tijdig verhinderdata opgeeft zal haar – behoudens ingeval van calamiteiten – na vaststelling van de zittingsdatum geen uitstel worden verleend.

15. Eventueel ter gelegenheid van de bijeenkomst over te leggen stukken dienen uiterlijk zeven werkdagen voor de datum van de bijeenkomst ter griffie te zijn ingediend, waarbij uit veiligheidsoverwegingen geen gebruik kan worden gemaakt van eerder genoemd e-mailadres, onder gelijktijdige verzending van een afschrift aan (de gemachtigde van) de wederpartij. Partijen wordt verzocht in hun toezendbrief expliciet aan te geven dat deze verzending daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

15. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden

BESLISSING

De kantonrechter:

gelast partijen te verschijnen ter terechtzitting van de kantonrechter in het gerechtsgebouw aan het adres Parnassusweg 220 te Amsterdam op een nog vast te stellen datum;

bepaalt dat de zaak eerst zal dienen ter rolzitting van 24 augustus 2015 te 10.00 uur voor het vaststellen van de datum voor de verschijning van partijen;

bepaalt dat verhinderdata kunnen worden opgegeven als hiervoor vermeld;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. M.E.B. Terwee, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 augustus 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.